Posts tagged ‘Inquisitie’

DE KRIMINELE KEIZER

Door Lucas Catherine

‘s Zondags kan je best door Brussel flaneren via zijn markten: de Voddenmarkt, de Zuidmarkt, de markt van het Slachthuis van Anderlecht, noem maar op. De Antiekmarkt op de Zavel doe ik omdat daar meneer Van Ghendt staat die handelt in voor mij meestal onbetaalbare Kongoboeken. Nu stond er achter zijn kraam een soort folkloregroep te dansen. Eerst dacht ik: Basken, maar de groep moest Brusselaars uit de zestiende eeuw verbeelden. Ah ja, natuurlijk Den Ommegang gaat uit en er loopt het Keizer Karel festival dat zal uitmonden in een Bruegel-jaar. Breughel zeggen de folkloristen.

Nu heb ik iets tegen Keizer Karel, de man die in 1522 de inquisitie bij ons invoerde via zijn Leuvense biechtvader Adriaan Boeyens die hij later als beloning massaal sponserde om Paus te worden als Adrianus V. Dezelfde Adriaan die hoofdinquisiteur in Spanje werd en in 1520 beval de eerste boeken in Leuven te verbranden en drie jaar later de eerste contestanten, zeg maar protestanten, op de Brusselse Grote Markt op de brandstapel deed belanden. Keizer Karel die oorlog voerde tegen Frankrijk en verder tot in Tunis en Algiers, de man die Rome plat brandde, er paters en nonnen tot orgieën verplichtte en er twaalf duizend mensen liet doden. Een man, waar katholieken en folkloristen toch veel goeds over kunnen vertellen en die gepropageerd wordt via bier en vertelselkes zoals De Pot van Olen of de Pissende Boer van Berchem. Michel de Ghelderode was zo’n antimodern katholiek schrijver die deze verhalen zogezegd verzamelde maar ze vaak zelf verzon.

Foto: Toeristische Dienst Brussel

 En hoe viert de toeristische dienst van Brussel hem: met een Ommegang die niets te maken heeft met de originele in de zestiende eeuw, want daar liepen toen bvb kamelen in, maar de huidige toeristische versie werd in 1830 gecreëerd door de folklorist Albert Marinus en toenmalig burgemeester Adolphe Max. Verder ‘niet te missen’ een Buffet Historique, Kruisboogschieten of doet u liever mee aan een atelier over bierologie (jawel de kunst van het bierbrouwen)?

Als het aan mij lag dan kreeg u eerder een atelier aangeboden over hoe de dichters van toen de Keizer zagen:

Des Conings hert gantsch rotsig,

end’ hard als marbelsteen,

bloetdorstig, loos en vals,

is seer verkeert en trotsig,

hij trachtet maer elck een,

te brengen om den hals.

Of dit :

Men brand, men blaeckt, men schend, men moort:

t Arme volc laes! Rechte voort

lyd nu groot gewelt, en wort seer gequelt.

Noyt dack van regen so druypen men sag,

Gelyck men ’t volck weenen siet al den dag.

Of nog dit prozastuk, het verslag van een ooggetuige van zo’n verbranding op de Brusselse Grote Markt in 1545

Het is niet te geloven welke afschrikwekkende vlammen dat produceerde, want het materiaal was uiterst brandbaar. Bij mijn weten heb ik werkelijk nooit van mijn leven zoiets afschuwwekkends gezien. De brand was zo fel, het geweld van de vlammen zo hevig, dat

het leek alsof zij zelfs de wolken raakten en deze door hun gloed compleet in brand staken en in vlammen deden opgaan. Een onmetelijke vonkenregen steeg onder luid geknetter ten hemel en bad de eeuwige godheid als met een sprekende stem om wraak voor zo’n misdrijf. Uiteindelijk was het zo’n grote vlammenzee dat de lichamen in een handomdraai in as waren verkeerd en in rook opgegaan.’

De eerste terechtstelling in 1523 van Hendrik Vos en Jan Van Esschen lokte bij de Brusselse intelligentia die naar de verbranding keek verontwaardiging op. De tapijtwevers Tsas, De Pannemaeker en hofschilder Barend van Orley protesteerden luidop. Van toen af werden Wederdopers, Lutheranen en Calvinisten Protestanten genoemd.

En die protesten hielden niet op. Bruegel is er een mooi voorbeeld van. Alleen zal je er in het Bruegeljaar niet veel van merken. Ook hier wordt het folklore en wordt de ‘Boeren Breughel’ opgevoerd. Terzijde: de spelling Breughel komt van de folkloristen. De man zelf tekende zolang hij in Antwerpen woonde met Brueghel en later in Brussel met Bruegel. Spreek uit Brugel en niet Breugel. Soit. Het worden dus kinderspelen en spreuken en geen contestatie. Nochtans was Bruegel een contestant. In al zijn Bijbelse schilderijen is het decor het Pajottenland rond Brussel en zijn de Romeinse slechteriken vervangen door Spaanse tertio’sIn het schilderij De Preek van Johannes de Doper is het decor het bos van Heeghde (nu Louizalaan), de hoofdfiguur is niet Johannes maar Nicolaas Van der Elst, een bekend hagepreker en rechts op een boomtak heeft Bruegel zich zelf geschilderd samen met zijn vrouw Marijke en zijn schoonmoeder Maaike.

Pieter Bruegel de Oude: De Preek van Johannes de Doper

 

2018 is in Brussel ook het jaar dat men de contestatie van Mei ’68 herdenkt. Daarom deze verre voorloper van “Sous les pavées il y a la plage”:

Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.

Bruegel produceerde in Antwerpen vooral prenten. Zijn schilderijen maakte hij in Brussel.

July 6, 2018 at 5:42 pm 1 comment

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

October 10, 2014 at 1:43 pm Leave a comment

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

October 8, 2014 at 9:32 am 4 comments

DE VAL VAN BRUSSEL

door Lucas Catherine

In dit Louis-Paul Boonjaar heb ik nog eens zijn Geuzenboek ter hand genomen, en ook omdat we 10 maart zijn. De dag van de Val van Brussel. Dat Antwerpen in 1585 viel is tamelijk bekend, maar Brussel? Nochtans was Brussel het centrum van het intellectuele, en militaire verzet tegen het terreurbewind van het katholieke Spaanse Regime.

Het boek van Boon is een prima boek. Alleen wordt Brussel er nogal stiefmoederlijk in behandeld. En niet alleen Boon doet dit. De Geuzen in Brussel worden verdreven uit ons huidige ‘Vlaamse’ nationale bewustzijn. Heel de geuzenrevolte is uit ons collectief geheugen verdwenen. In de negentiende eeuw was dit anders. Toen maakten bekende Geuzen als Brederode, Willem De Zwijger, Marnix van St Aldegonde deel uit van het pantheon Belgische helden. Ze staan afgebeeld in het plantsoen op de Brusselse Kleine Zavel en in de literatuur werden ze verheerlijkt door Hendrik Conscience in “Het Wonderjaar”, zijn eerste boek, verschenen in 1838 en door Charles De Coster in zijn Ulenspiegel (1868). En daarna was er niets meer. Tot Louis-Paul Boon in 1979 zijn monumentale en indrukwekkende Geuzenboek publiceerde. En toen was er weer niets meer.

En dat is niet fair.

 

Brussel en de Geuzen

 

Brussel komt bij Boon, maar ook bij andere auteurs vooral ter sprake als machtscentrum van waaruit het Hof de repressie organiseerde. Je kan het vergelijken met het imago dat Brussel nu heeft in het buitenland. Als je in Spanje praat over Brusselas, dan denken ze daar louter aan de Europese Gemeenschap, nooit aan wat er in Brussel leeft of wie er woont.

Nochtans was Brussel het eerste grote centrum van de Geuzenrevolte. Dat kwam omdat het in de zestiende eeuw waarschijnlijk de rijkste stad van Europa was waar denkers en artiesten graag naar toe verhuisden. Vanuit Brussel werd in de eerste decenia van die eeuw niet alleen over de Nederlanden geregeerd, maar ook over Duitsland, grote stukken van Italië, Spanje, de Nieuwe Wereld en delen van Noord-Afrika. Dat was zeker zo onder Keizer Karel. Hij werd koning van Spanje gekroond, niet daar maar hier in de Brusselse St. Goedele kerk. De schat die de Conquistadores op de Azteek Montezuma veroverden, werd in 1521 niet in Spanje, maar in het Paleis op de Koudenberg ten toon gesteld. Het is hier dat Albrecht Dürer ze zag en beschreef in zijn reisverslag over de Nederlanden. Het is hier in Brussel dat de verovering van Tunis in 1553 werd gepland en het zijn Brusselse tapijtwevers (De Pannemaeker) die het evenement in twaalf monumentale tapijten (samen 600m²)  hebben vereeuwigd.

En niet alleen rijkdom vloeide naar Brussel, ook nieuwe ideeën. Zo die van de reformatie en de kritiek op de Roomse Kerk. Logisch dat Brussel een intellectueel centrum werd van de religieuze oppositie. Leuven met haar erg katholieke universiteit werd dan weer het ideologisch centrum van de orthodoxie en de Inquisitie. Want dat wordt nogal eens vergeten. Dat de Inquisiteurs niet zozeer uit Spanje kwamen, maar uit Leuven. Spanje heeft ze zelfs geïmporteerd.

 

 De vileine rol van de katholieke universiteit Leuven

 

In oktober 1517 hangt Luther zijn plakkaten op aan de kerk van Wittenberg. Twee jaar later wordt hij door onze Katholieke Universiteit al veroordeeld. De Paus zal dat pas later doen. En het is in Leuven dat zijn boeken op 8 oktober1520, met toestemming van Keizer Karel als eerste worden verbrand. Leuven vaardigt in 1546 een index van verboden boeken uit. De Pauselijke index volgt pas in 1564.

Een van de eerste grote inquisiteurs was Adriaan Boeyens, bekend als Adriaan van Utrecht die vanaf 1507 in Leuven doceert. Hij was een van de leermeesters van Keizer Karel. Die benoemt hem in1518 tot Groot-Inquisiteur in Spanje en wanneer Karel in 1520 naar Aken reist om daar Keizer gekroond te worden,  benoemt  hij hem tot regent van Spanje. Daar houdt hij, samen met andere Flamenco’s zo erg huis dat de Spanjaarden tegen hem rebelleren tijdens de Opstand van de comunidades/vrije steden .Als dank voor bewezen diensten zorgt Keizer Karel ervoor dat Adriaan dankzij keizerlijke politieke steun in 1522 tot Paus wordt verkozen.
En ook het volk van Rome had schrik van ‘onze’ Adriaan. Luther schreef over deze ‘enige paus uit de Nederlanden’: “Een afgestudeerde van de universiteit van Leuven, waar zelfs ezels een doctoraat halen. Zijn woorden en daden komen rechtstreeks van Satan.”
Later volgde nog een beruchte figuur Van Son (Sonnius, eigenlijk Frans Van de Velde 1506-1576) die in 1543 rector te Leuven werd, daarna  Apostolisch inquisiteur in Leuven, Holland, Zeeland, Gelderland, Friesland, Groningen en Overijssel.

De Spanjaard de Enzinas, die op verdenking van ketterij zowel in de Brusselse amigo gevangen zat als in Leuven, beschrijft Van Son tijdens een ketterverbranding: “Hij verkeerde in zo’n roes van verwaandheid, trots, streken,kuiperijen, trucs, verblindheid en wreedheid… die wrede vertoning was voor hem volgens mij in zijn ogen aangenamer kost dan wanneer hij, als gast aan een overdadig diner, zijn buik tegoed hadden kunnen doen.”

Geen wonder dat op het einde van de negentiende eeuw de liberale en socialistische vrijdenkerij de Geuzen als hun voorgangers uitriepen en hen tot symbool maakten in de strijd tegen het clericalisme.

 


Wat gebeurde er in Brussel?

 

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje de Inquisitie ook hier ingevoerd. Een jaar later, in 1523 worden de twee eerste ketters levend verbrand op de Grote Markt. Het zijn Hendrik Vos en Jan Van Eschen. Tijdens hun executie wordt er gemompeld uit protest, door onder meer Barend van Orley, hofschilder en  Pieter De Pannemaeker, tapijtenfabrikant. Zij zijn de eerste ‘protestanten’. Zij organiseren in hun huizen en ateliers bijeenkomsten tegen de Roomse Kerk. De eerste protestanten worden omschreven als:

“lui die haer sinnen seer gemoeyt hebben met gheestelijcken oefeninghen oft met veel studerens, oft die constighe ambachten doen, ende ambachten die die sinnen moeyen, als schilders, beeldsniders…”

Ook de zonen Jan van Orley en Willem de Pannemaeker bleven opposanten van de strengste strekking, Calvinisten. In 1566-67 worden ook zij ‘lastig’ gevallen en De Pannemaeker verliest zijn job als hofleverancier van tapijten.

 

In 1545 krijgen we het belangrijkste geschreven getuigenis van een slachtoffer van de inquisitie door de al hoger vermelde Spanjaard Francisco de Enzinas. Hij schrijft na zijn vlucht uit de Brusselse kerker zijn Historia de Statu Belgico deque religione Hispanica. de Enzinas zat gevangen in de Vrunte (gemeenzaam ook den Amigo genoemd) samen met Joos van Uusberghen, een pelsmaker die in 1545 op de Grote Markt wordt onthoofd.  De medegevangene Gillis Tielmans maar wordt levend  verbrand. Hij was kam-maker voor weefgetouwen (basse-lisse getouwen). Om zijn terechtstelling ordelijk te laten verlopen moest men vijf schuttersgilden op de been brengen. Tielmans was vooral populair in de wijk rond de Kapellekerk.

Vanaf 1565 stijgt het protest, vooral bij de kleine man. Hierbij spelen belastingen en opeenvolgende misoogsten een grote rol, naast het verzet tegen de willekeurige terreur van de kerk. Het volk probeert de adel, toen de belangrijkste politiek klasse, voor de zaak te winnen. Men werpt briefjes in het paleis van de graaf van Egmont en in dat van Willem van Oranje om hen aan te zetten openlijk voor het protestantisme te kiezen.

 

Het Wonderjaar

 

En dan volgt in 1566 Het wonderjaar. De term gaat terug op een kroniekschrijver van toen die schrijft “ 1566 d’Welck men hier het jaer van wonder noemde om de grouwelijcke   veranderinghe die men sach…”

In dat zelfde jaar gaat een fractie van de adel, meestal de lagere adel in oppositie onder leiding van Brederode. Zij komt bijeen voor een eet- en drinkgelag in het Hof van Culemborg, bij de Brusselse Hofberg. Het verhaal wil dat de graaf van Culemborg hosties voederde aan zijn papegaai. Zij sluiten het eedverbond der edelen. Hierin vragen zij de afschaffing van de Inquisitie en benadrukken hun vrijheden. Dit verzoekschrift wordt op 5 april, klokslag 12  uur, ingediend bij de landvoogdes, Margareta van Parma, de buitenechtelijke dochter van Keizer Karel. Een grote groep Brusselaars loopt met hen mee tot het Paleis.

Hun verzoek wordt afgewezen en ze worden uitgescholden voor bedelaars, Geux. Hun bekendste leider, Brederode zal het scheldwoord ombuigen tot een geuzennaam. Zij nemen de bedelnap aan als symbool en gaan ook hun hoeden omgekeerd dragen als symbool voor de ‘omgekeerde’ gang van de wereld.

 

Nog in dit Wonderjaar starten in juni de eerste Hagepreken o.a. in het bos van Linthout (Schaarbeek), in dat van Heegde (waar nu de Louizalaan ligt), en in de Josafat-vallei in Schaarbeek die haar Bijbelse naam toen kreeg van die protestanten.

 

Nog in dit jaar, in augustus breekt de Beeldenstorm uit in Zuid-West-Vlaanderen.

Als reactie op dit alles installeert de graaf van Alva zijn Bloedraad ofte Raad van Beroerte). Zoals een tijdgenoot schrijft over hem: “Liet dienvolgende seer wrede placcaten uytroepen, straffe ende ongehoorde sententien ter executie stellen ende uytvoeren, veel weduwen ende weesen makende. Landen en steden bedervende groote schattingen instellende ende het gansche Nederlant in jammerlijck bloetbad brengende…”

Alva verwoest het Hof van Culemborg, waar de revolte begon en laat daarna zout strooien over de grond. Een gebaar geïnspireerd op de Romeinen dat wou zeggen dat het nooit mocht worden heropgebouwd. Hij laat er ook een gedenkzuil te zijner ere oprichten die geen lang leven beschoren zal zijn.

De razzia’s en doodseskaders tegen de protestanten komen nu echt op gang. Op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (nu de Grote Zavel). Een van hen wordt eerst de rechterhand afgehakt en de tong uitgerukt, omdat hij bewapende mannen de hagepreken had laten beschermen. De graven Egmont en Horn worden in datzelfde jaar op de Grote Markt onthoofd.

 

1565-1568 Brueghel brengt verslag uit

 

In 1563 verhuist Pieter Brueghel van Antwerpen naar Brussel en is er tot zijn dood in 1569 getuige van de opstand der Geuzen.

 In 1565 schildert hij hoe een hagepreek er aan toe gaat in een bos rond Brussel: De Preek van Johannes de Doper .Dat Brueghel met de Geuzen sympatiseerde blijkt uit dit schilderij waarin hij, rechts bovenaan, zichzelf schildert als toehoorder, leunend tegen een boom in gezelschap van zijn vrouw Marijke Coecke en zijn schoonmoeder Maaike Verhulst-Bessemers.

De moordpartijen van de Spanjaarden zijn in 1567 het onderwerp van De Moord op de Onnozele Kinderen . Wie goed kijkt ziet dat de troepen aangevoerd worden door Alva zelf.

En dan is er natuurlijk DeTriomf van de Dood (1568).

Brueghel: Prediking van Johannes de Doper

Brueghel: Prediking van Johannes de Doper

 

De Geuzen zoeken buitenlandse bondgenoten.

 

In 1569 zendt Willem de Zwijger een gezant om steun te vragen aan de Ottomaanse sultan. Het contact was al in 1566 gelegd door Josef Nasi, een verdreven Andaloesische jood die in Antwerpen werkte voor het bankiershuis Mendes en daarna naar het Ottomaanse rijk was geëmigreerd.

De Ottomaanse sultan, die ook de Calvinisten en andere protestanten in Hongarije beschermde, zendt een steunbrief aan de Felemenk Luteran Taifesi, De Lutherse natie in de Nederlanden. De Geuzen  gaan nu hun snor op zijn Turks dragen en nemen de slogan aan ‘Liever Turckx dan Paepsch’. Die brengen zij ook aan op hun geuzenpenningen. Dezelfde slogan staat nu nog altijd afgebeeld op de gedenkplaat voor de Geuzen in de Karmelietenstraat, waar eens het Hof van Culemborg stond.

 

 

Het volk radicaliseert de revolte

 

In Brussel en Brabant komt de hele bevolking in opstand tegen de Tiende Penning, een nieuwe belasting in 1569 opgelegd door Alva.  Eigenlijk gaat het om een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden. Tot dan moest de vorst ieder jaar aan de Staten-Generaal (waarin niet alleen adel, maar ook de ambachten zetelden) een dotatie vragen. Nu wil Alva het Spaanse systeem invoeren. Dankzij belastingen als Tiende en Twintigste Penning bepaalt de vorst zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

De slagers en de poelniers weigeren de nieuwe belasting te betalen en sluiten hun winkels. Daarna volgen de brouwers, kruideniers, visboeren en  apothekers… Een andere reden voor de onrust is nog maar eens een misoogst. De staking houdt aan tot ver in 1572. Op 31 maart beveelt Alva 18 stevige stroppen klaar te maken om de 18 leidende winkeliers aan hun eigen deurpost op te hangen. Maar dan komt het nieuws dat Den Briel door de Watergeuzen is ingenomen en de terechtstelling gaat niet door. Alva schrikt terug voor de mogelijke reacties buiten Brussel.

Inname van Den Briel

Inname van Den Briel

 

De Brusselse Geuzenrepubliek

 

In september 1576 gaan de Brusselse ambachten weer eens in algemene staking en de bevolking bewapent zich. Achthonderd gewapende burgers, onder leiding van Jacques de Glymes dringen de Raad van State binnen en zetten de leden gevangen in het Broodhuis. De Staten-Generaal nemen de macht over. De Raad van State was het bestuur aangeduid door de vorst. De Staten-Generaal was de vertegenwoordiging van de verschillende standen.

Brussel wordt nu een republiek. Daarna volgen Leuven en Antwerpen hun voorbeeld. Daarop keert in 1577  Willem De Zwijger die samen met Marnix van St Aldegonde naar het Noorden was gevlucht, terug naar Brussel en doet via het kanaal en de Groendreef zijn intrede in Brussel. Zij worden verwelkomd door de schuttersgilden. Op de Grote Markt krijgt Willem de erewijn aangeboden. Vandaar loopt hij de heuvel op naar zijn paleis, het Hof van Nassau dat door Alva was geconfisceerd. Een massa mensen vergezelt hem en ook de Schutters die  talloze salvo’s in de lucht schieten.

De Brusselse Geuzen hebben nu de macht en organiseren in de stad een grote beeldenstorm: Ondermeer het schrijn met de relikwieën van St Goedele wordt vernietigd. Het is in St Goedele dat ketters publiekelijk trouw aan de leer van Rome moesten zweren. Een reeks kerken worden protestants: o.a. de Begijnhofkerk, de Nassau-kapel, de kapel van het St Janshospitaal en de Magdalenakerk. Op de gevel van de huidige Magdalenakerk kan je nog altijd de nissen zien waaruit de protestanten de heiligenbeelden weg hebben gekapt.

Hertog van AlvaIn 1581 volgt dan het Plakkaat van Verlatinghe: Filips II wordt door de Nederlanden niet langer als vorst erkend.

Of zoals een Geuzenlied zegt:

“ Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.”

 

Maar de Spaanse legeraanvoerder Farnese rukt op. Olivier Vanden Tympel die in 1579, onder de Geuzenrepubliek stadsvoogd van Brussel werd benoemd, zal met zijn leger de stad verdedigen. Eerst lukt dat: hij maakt het kanaal vrij en zo weer communicatie met Antwerpen mogelijk en rukt dan op tot Mechelen, Diest, Zichem en Nijvel. Maar Halle kan hij niet nemen. Vandaar zal Alexander Farnese dan oprukken naar Brussel en op 10 maart 1585 valt de stad. Kort daarop volgt de val van Antwerpen, waar Brusselaar Marnix van St Aldegonde als burgemeester de verdediging organiseerde.

 

 

Een beeldenoorlog

Op het einde van de negentiende eeuw zullen de Geuzen weer een politieke rol spelen in Brussel. De Liberale Partij en de Vrijzinnigheid gaan hen als symbool gebruiken in de strijd tegen de Katholieke Partij. Overal zullen ze proberen de herinnering aan de Geuzen levendig te houden. Hierbij speelt vooral de liberale Brusselse burgemeester Karel Buls een belangrijke rol. Buls was burgemeester tussen 1881 en 1899.

Buls laat in 1884 de Geuzengedenkplaat aanbrengen in de Karmelietenstraat, waar het voormalig hof van Culemborg stond. Wanneer op de Kleine Zavel een soort pantheon van Belgische helden wordt gecreëerd zorgt hij ervoor dat er nogal wat Geuzen bij zijn: Brederode, Marnix van St Aldegonde, Barend van Orley, Willem de Zwijger, Egmont en Horn. Het standbeeld voor Egmont en Horn stond oorspronkelijk op de Grote Markt, voor het Broodhuis waar ze werden geëxecuteerd. Wanneer het stadhuis wordt gerestaureerd beslist men onder andere om op de zuidwestgevel belangrijke Brusselaars af te beelden. En weer zijn de Geuzen erbij. Ondermeer Marnix van St Aldegonde die hierdoor in zijn geboortestad drie standbeelden heeft: een op de Kleine Zavel, een in de gevel waar zijn huis stond in de Hoogstraat, en een dus op de gevel van het Stadhuis.

Over sommige beelden werd flink gebakkeleid tussen het Liberale stadsbestuur en de katholieke voogdijminister. Zo wilden de vrijzinnigen dat er ook een beeld kwam van de Brusselse ‘ketterin’ Blomardinne (1260-1335). Blomardinne (1260-1335) was een Brusselse patriciërsdochter, met haar volle naam Heylwighe Bloemaerd en voorloopster van de Geuzen. Zij stelde dat men het Paradijs ook al hier op aarde kon benaderen, beleed de Serafijnse  ofte vleselijke liefde en verdedigde de vrijheid van geest. Kanunnik Hendrik Utenbogaerde (in het Latijn: Pomerius), de hagiograaf van Ruusbroec noemt haar: “dit valsche wyff die veel scrivende was van den vrijen geest ende vleyscheliker onreynder minnen.” Blomardinne had erg veel aanhangers onder de Brusselse ambachten en die verdreven trouwens Ruusbroec uit Brussel, waarna hij zich terugtrok in Groenendaal. De Katholieke Partij wou haar tegenpool Jan van Ruusbroec op de gevel en niet deze ketterse vrouw, maar de Liberalen kregen hun zin. Daarop namen de Katholieken wraak met een beeld in St Goedele. Daarop is te zien hoe Jan van Ruusbroec haar hoofd onder zijn hiel vertrappelt.

Geuzenpenning

Geuzenpenning


Een lang verhaal en dat geeft dorst, daarom dat ik mij nu een geuze uitschenk en ik hef het glas onder het zingen – op de wijze van het Wilhelmus- van Een nieuw Liedt van de couragieuse Brusselaers :

Ghy Brusselaers met couragie

Voleynt u saken wijs,

Ghy crijcht voor uwe gagie

In alle steden prijs,

Want elck is wel ghedachtich

Hoe dat ghy onbelaen,

Den thienden Penninck eendrachtich,

Hebbet weder gestaen.

Ghy crijcht der Leeuwen namen,

De Spangiaerden vileynich,

Roeyt ghy vromelijck uyt,

Etc..

Lucas Catherine, 10 maart, 427 jaar na de Val van Brussel

March 9, 2012 at 5:25 pm 9 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,579 other followers