Posts tagged ‘Keizer Karel’

DE KRIMINELE KEIZER

Door Lucas Catherine

‘s Zondags kan je best door Brussel flaneren via zijn markten: de Voddenmarkt, de Zuidmarkt, de markt van het Slachthuis van Anderlecht, noem maar op. De Antiekmarkt op de Zavel doe ik omdat daar meneer Van Ghendt staat die handelt in voor mij meestal onbetaalbare Kongoboeken. Nu stond er achter zijn kraam een soort folkloregroep te dansen. Eerst dacht ik: Basken, maar de groep moest Brusselaars uit de zestiende eeuw verbeelden. Ah ja, natuurlijk Den Ommegang gaat uit en er loopt het Keizer Karel festival dat zal uitmonden in een Bruegel-jaar. Breughel zeggen de folkloristen.

Nu heb ik iets tegen Keizer Karel, de man die in 1522 de inquisitie bij ons invoerde via zijn Leuvense biechtvader Adriaan Boeyens die hij later als beloning massaal sponserde om Paus te worden als Adrianus V. Dezelfde Adriaan die hoofdinquisiteur in Spanje werd en in 1520 beval de eerste boeken in Leuven te verbranden en drie jaar later de eerste contestanten, zeg maar protestanten, op de Brusselse Grote Markt op de brandstapel deed belanden. Keizer Karel die oorlog voerde tegen Frankrijk en verder tot in Tunis en Algiers, de man die Rome plat brandde, er paters en nonnen tot orgieën verplichtte en er twaalf duizend mensen liet doden. Een man, waar katholieken en folkloristen toch veel goeds over kunnen vertellen en die gepropageerd wordt via bier en vertelselkes zoals De Pot van Olen of de Pissende Boer van Berchem. Michel de Ghelderode was zo’n antimodern katholiek schrijver die deze verhalen zogezegd verzamelde maar ze vaak zelf verzon.

Foto: Toeristische Dienst Brussel

 En hoe viert de toeristische dienst van Brussel hem: met een Ommegang die niets te maken heeft met de originele in de zestiende eeuw, want daar liepen toen bvb kamelen in, maar de huidige toeristische versie werd in 1830 gecreëerd door de folklorist Albert Marinus en toenmalig burgemeester Adolphe Max. Verder ‘niet te missen’ een Buffet Historique, Kruisboogschieten of doet u liever mee aan een atelier over bierologie (jawel de kunst van het bierbrouwen)?

Als het aan mij lag dan kreeg u eerder een atelier aangeboden over hoe de dichters van toen de Keizer zagen:

Des Conings hert gantsch rotsig,

end’ hard als marbelsteen,

bloetdorstig, loos en vals,

is seer verkeert en trotsig,

hij trachtet maer elck een,

te brengen om den hals.

Of dit :

Men brand, men blaeckt, men schend, men moort:

t Arme volc laes! Rechte voort

lyd nu groot gewelt, en wort seer gequelt.

Noyt dack van regen so druypen men sag,

Gelyck men ’t volck weenen siet al den dag.

Of nog dit prozastuk, het verslag van een ooggetuige van zo’n verbranding op de Brusselse Grote Markt in 1545

Het is niet te geloven welke afschrikwekkende vlammen dat produceerde, want het materiaal was uiterst brandbaar. Bij mijn weten heb ik werkelijk nooit van mijn leven zoiets afschuwwekkends gezien. De brand was zo fel, het geweld van de vlammen zo hevig, dat

het leek alsof zij zelfs de wolken raakten en deze door hun gloed compleet in brand staken en in vlammen deden opgaan. Een onmetelijke vonkenregen steeg onder luid geknetter ten hemel en bad de eeuwige godheid als met een sprekende stem om wraak voor zo’n misdrijf. Uiteindelijk was het zo’n grote vlammenzee dat de lichamen in een handomdraai in as waren verkeerd en in rook opgegaan.’

De eerste terechtstelling in 1523 van Hendrik Vos en Jan Van Esschen lokte bij de Brusselse intelligentia die naar de verbranding keek verontwaardiging op. De tapijtwevers Tsas, De Pannemaeker en hofschilder Barend van Orley protesteerden luidop. Van toen af werden Wederdopers, Lutheranen en Calvinisten Protestanten genoemd.

En die protesten hielden niet op. Bruegel is er een mooi voorbeeld van. Alleen zal je er in het Bruegeljaar niet veel van merken. Ook hier wordt het folklore en wordt de ‘Boeren Breughel’ opgevoerd. Terzijde: de spelling Breughel komt van de folkloristen. De man zelf tekende zolang hij in Antwerpen woonde met Brueghel en later in Brussel met Bruegel. Spreek uit Brugel en niet Breugel. Soit. Het worden dus kinderspelen en spreuken en geen contestatie. Nochtans was Bruegel een contestant. In al zijn Bijbelse schilderijen is het decor het Pajottenland rond Brussel en zijn de Romeinse slechteriken vervangen door Spaanse tertio’sIn het schilderij De Preek van Johannes de Doper is het decor het bos van Heeghde (nu Louizalaan), de hoofdfiguur is niet Johannes maar Nicolaas Van der Elst, een bekend hagepreker en rechts op een boomtak heeft Bruegel zich zelf geschilderd samen met zijn vrouw Marijke en zijn schoonmoeder Maaike.

Pieter Bruegel de Oude: De Preek van Johannes de Doper

 

2018 is in Brussel ook het jaar dat men de contestatie van Mei ’68 herdenkt. Daarom deze verre voorloper van “Sous les pavées il y a la plage”:

Want g’lyck de paerden syn geschapen om te ryden,

De Vogels om de locht met vleugels te doorsnyden,

De Visch tot swemmen, end’ tot jock en ploeg den Os;

Soo mede wy oock om te wesen vry en los.

Bruegel produceerde in Antwerpen vooral prenten. Zijn schilderijen maakte hij in Brussel.

July 6, 2018 at 5:42 pm 1 comment

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

October 8, 2014 at 9:32 am 4 comments

Quasi-Kerstverhaal: ALBRECHT DÜRER IN BRUSSEL

Albrecht Dürer zelfportret

Albrecht Dürer zelfportret

door Lucas Catherine


Het is erg als er een kerstmarkt op twintig meter van je voordeur wordt gehouden. Depermanente walm van warme wijn en tartiflette en een massa die lomp de straat overspoelt, erger dan de Nieuwstraat. Een mens zou voor een keer op een dorp willen wonen. Alhoewel. Ik vlucht dan maar naar een park, de Warande. Liever de kou en de zondagse verlatenheid tussen paleis en parlement, dan wat Visit Brussels als warme gezelligheid aanprijst.

De Warande, daar moest ik denken aan Albrecht Dürer. De eerste bij mijn weten die een tekening van die Warande heeft gemaakt. En dat kwam zo.

 Albrecht Dürer was 49 en stond op het punt zijn pensioen te verliezen. Hij had pas van de Habsburgse Keizer Maximiliaan een jaarlijkse lijfrente gekregen van 100 florijnen[1], maar Maximiliaan stierf en niets was nog zeker. De Keizer werd opgevolgd door een zekere Karel, ook Habsburger, maar geboren in Gent, opgevoed in Mechelen en residerend ten paleize op de Koudenberg van Brussel, en dus trok Dürer, vergezeld van vrouw en dienstpersoneel,  van Nürnberg naar Brussel om zijn pensioenrechten veilig te stellen. Een memorabele reis, omdat ze ook een business-trip was. Hij verkocht nogal wat eigen werk onderweg en sleepte hier en daar een bestelling binnen. Hij heeft er een dagboek van bij gehouden: Tagebuch der Reise in die Niederlände. Onze schilder probeert de nieuwe heerser te spreken en reist hem daarom achterna naar Aken, waar Karel Keizer wordt gekroond, dan naar Antwerpen waar hij zijn Blijde Intrede doet en natuurlijk ook naar Brussel waar Karel resideert.

Op 27 augustus 1520 arriveert Dürer in Brussel. Hij bezoekt het Stadhuis waar hij vier schilderijen van Rogier van der Weyden bewondert. “Het stadhuis van Brussel is magnifiek, groot en stevig, opgetrokken in zwaar bewerkte steen en met een prachtige, elegante toren.” Ook Hendrik III van Nassau ontvangt hem in zijn stadspaleis aan de rand van de Koudenberg. In de Nassaukapel bewondert hij een schilderij van Hugo van der Goes. Daarna krijgt hij een rondleiding door de zalen: “Er waren twee grote zalen en daarin zag ik allerhande curiosa, ondermeer een stuk steen dat bij onweer voor de voeten van de heer van Nassau uit de lucht was gevallen (een meteoriet, LC), maar wat mij het meest opviel was een slaapkamer met een bed waarin vijftig personen konden slapen. Vanaf de heuvel waarop het paleis ligt heb je een prachtig zicht op Brussel (en dat is nog altijd zo, LC). Ik denk niet dat je in Duitsland een paleis kan vinden met zo’n vue.” Die meteoriet intrigeerde Dürer want hij verzamelde curiosa. Rariteitenkabinetten kwamen toen net in de mode. Hij kocht hier in de Nederlanden een hele verzameling, voor een klein fortuin: buffelhoorns, elandhoeven, een zoutvat uit Calcutta, paarlemoerenschelpen, koraalsteen,  een opgezette baviaan en zelfs twee levende papegaaien.

 Niet alleen alle curiosa van de wereld arriveerden toen in Brussel, hart van Europa, Latijns-Amerika en Noord-Afrika, maar ook echte schatten. Tijdens zijn verblijf arriveren de eerste goudschatten uit  het pas veroverde Mexico. Hernandez de Córdoba was in 1517 op de Maya-kust geland en net voor Dürer in de Nederlanden arriveert verovert Cortés Tabasco in Mexico. De eerste goudschatten arriveren in het Paleis van Karel, in Brussel dus, en daarvan geeft hij ons een gedetailleerde beschrijving: “Een grote, gouden zon ter grootte van een vaam (ca 2 meter, nvda), een maan uit zuiver zilver van dezelfde grootte en twee zalen vol harnassen, bizar wapentuig, schiettuigen, curieuze kledij en beddegoed en nog veel meer. Het een al fascinerender dan het andere. Alles wordt geschat op minstens 100.000 florijnen. Nooit in mijn leven was ik zo onder de indruk van wat ik zag. Ik zag er kunstwerken van ongekende schoonheid en ik was onder de indruk van het vakmanschap van deze mensen. Het is te fabelachtig om onder woorden te brengen.”

Dürers tekening van de Warande

Dürers tekening van de Warande

En er wacht hem nog meer verwonderlijks: “ Achter het paleis zag ik fonteinen, labyrinten en een dierentuin. Een mooie en wonderlijke plek zoals ik nog nooit had gezien.”

De Warande is nu een relatief klein park, aangelegd eind achttiende eeuw door de Oostenrijkers, maar toen was het nog een overblijfsel van het Zoniënwoud en reikte van het paleis tot de Naamse en Leuvense poort. Het bestond niet alleen uit een warande, dat is een stuk bos waar ten behoeve van de vorst dieren worden uitgezet voor de jacht, er was ook een terrein waar steekspelen werden gehouden, maar ook “juego de cañas” werden beoefend, een stokkenspel dat oorspronkelijk uit Arabisch Andaloesië kwam en de lievelingssport was van Keizer Karel. Er was een tuin met exotische planten, uit alle contreien van het grote rijk van de Keizer, en, een dierentuin. Dürer tekent er een leeuwin, geïmporteerd uit de Noord-Afrikaanse Atlas, waarvan toen de havensteden bijna allemaal in handen van Keizer Karel waren en een baviaan.

Dürers leeuwin

Dürers leeuwin


Later zal Pieter Coecke van Aelst, u weet wel, de schoonvader van Pieter Brueghel, nog een tekening maken van deze dierentuin in de keizerlijke warande. Daarop staan ondertussen nieuw verworven beesten: een olifant en een kameel. De kameel was een geschenk van Moulay Hassan, de Tunesische vazal van de Keizer. Uit Tunis zullen in 1535 ook de eerste anjers in Brussel arriveren en niet alleen in de warande worden aangepland, maar ook in de hovingen van het Egmontpaleis en van het Nassaupaleis.   

 Dürer werd te eten gevraagd bij hofschilder Barend van Orley “… en ik gaf hem een koperets van de Passie van Ons Heer. Eenzelfde ets heb ik ook cadeau gedaan aan Erasmus van Rotterdam.” Dürer ging namelijk ook op de maaltijd bij Erasmus, waar hij meer belangstelling toont voor de geschriften van Luther die Erasmus bezit dan voor de man zelf. Over hem is Dürer helemaal niet te spreken. Dat blijkt niet alleen uit de tekst, maar ook uit het ietwat sjagrijnige portret dat hij na veel aandringen van hem maakt en van het onderschrift voorziet: “Zijn geschriften zijn mooier dan hijzelf.”

Portret van Erasmus

Portret van Erasmus

 De Britse historicus William Robertson omschreef al in de achttiende eeuw,  in zijn History of the Reign of Charles V, Erasmus aldus: “De man had niet genoeg wilskracht en sterkte en dat is juist nodig om een echte hervormer te worden. Hij bewonderde teveel de heersers en hun macht en verder had hij schrik om zijn pensioen en lijfrentes te verliezen en ander gewin dat hij door hen verkreeg.”

En dat is ook wat Dürer Erasmus verwijt, dat hij geen partij durft kiezen. Aan de universiteit van Leuven, waar Erasmus doceerde verbrandde men tijdens Dürers verblijf in 1520 niet alleen de werken van Maarten Luther, maar ook die van gelijkgezinden, in het totaal 400 boekdelen. Dat is twee jaar voor de paus Luther officieel op de index plaatst. Over Luther schrijft Dürer: “Wie de boeken van Maarten Luther leest, merkt hoe helder en klaar zijn doctrine is en hoe duidelijk hij het Heilig Evangelie weet uit te leggen. Wij moeten zijn boeken dus met zorg bewaren en ze niet verbranden.” En hij vraagt Erasmus: “O Erasmus van Rotterdam, waarheen wilt gij gaan? Zie hoe blind en onrechtvaardig de machthebbers hun dwingelandij uitoefenen! Luister, ridder van Christus, verdedig de waarheid…Laat je stem horen! Maar neen, je bent nu seniel geworden, een klein oud manneke.” 

 Albrecht Dürer kan Brussel verlaten, gerustgesteld over zijn pensioen, maar wel met een illusie minder. Hij bewondert niet langer Erasmus, maar kiest partij voor Luther.

 

Lucas Catherine

Historicus van Vergeten Zaken.

[1] Een florijn was 2,53gr goud. Nu zo’n 5.000 Euro, waar je toen natuurlijk veel meer mee kon doen dan nu.

 


December 22, 2013 at 9:18 am 1 comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers