Posts tagged ‘Leopold II’

De Koppensneller van Wetteren

Door Lucas Catherine

Op 30 juni vieren de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Emile Storms, standbeeld op het prestigieuze de Meeûssquarein Brussel.

Emile Storms. Standbeeld op de prestigieuze Brusselse de Meeûssquare.

 Bij een objectieve lezing van onze koloniale geschiedenis wordt algauw duidelijk dat witte helden eigenlijk slechterikken waren en de zwarte slechterikken lokale helden.

Die witte helden kregen standbeelden. Zo Emile Storms, (geboren in Wetteren 1846) die voor de Association Internationale Africaine in 1882 naar Centraal-Afrika trok. Die AIA was een coverorganisatie van Leopold II die hij gebruikte in zijn kolonisatiepogingen. Zo organiseerde hij vijf expedities die vanuit Zanzibar naar het Tanganika-meer trokken via de grote centrale handelsroute uitgebouwd door de Swahili en Wanyamwezi handelaren. De eerste expeditie had onder leiding van Ernest Cambier aan de oostelijke oever van het Tanganika-meer Karema gesticht, de eerste Belgische kolonie in Midden-Afrika. De volgende stap zou een kolonie op de westoever worden. Dat was de taak van Emile Storms die de vierde AIA-expeditie leidde. Hij koos Mpala uit op de Marungu hoogvlakte.

Marungu is de streek ten zuid-westen van het Tanganyikameer die de schakel vormde tussen de handelsroutes uit Katanga en de grote handelsroute naar de Indische Oceaan en de Swahili-kust. Vanuit Katanga vertrok vooral koper dat werd gedolven in de mijnen die beheerd werden door de lokale vorst Mushaidi (Msiri voor de Belgen). Op de centrale route werd naast slaven vooral ivoor verhandeld

Storms vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de handelsroute naar Tabora en zo naar het Tanganika-meer. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganikameer vormde hij de in 1878 door Ernest Cambier gestichte AIA-post Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er een nieuwe post uit te bouwen, Mpala, genoemd naar de lokale chef. Het vormde de toegangspoort tot Marungu en opende de weg naar Katanga. Later zou hij zich “Emile I, keizer van Tanganyika” laten noemen. Over Marungu heerste een sterke lokale vorst, Lusinga Iwa Ng’ombe. Storms beschrijft hem zo: “Je reçois la visite de Lusinga, quelle mauvaise figure ! Ce n’est peut-être pas le chef le plus important du Marungu, mais certainement celui qui est le plus craint. Il fait bon de s’en défier”

En Lusinga ziet de komst van Storms niet zitten: “vous venez au milieu de nous, vous ne pouvez pas nous mépriser. Si vous faites du mal à Mpala ou à l’un des siens, vous mourrez ; si vous lui faites la guerre, vous mourrez, tous les vôtres mourront et votre puissance finira. » Het conflict krijgt zijn beslag als Storms weigert om zoals gebruikelijk als betaling voor verkregen diensten munitie te leveren,. Het dorp van Lusinga wordt aangevallen en plat gebrand. Hijzelf wordt gedood en zijn hoofd op een spies naar fort Mpala gedragen. Nu komt Storms in volle actie en begint hij ook kleinere, lokale chefs te vermoorden waarna ook hun hoofden op de palen van de omheining van zijn fort worden gestoken. De staatsmacht van Leopold II is nu gevestigd.

De huiskamer van Storms.

Wanneer Storms in 1885 naar Brussel weerkeert heeft hij in zijn bagage massa’s buit, waaronder nogal wat kunstvoorwerpen (nu in Tervuren), onder meer een beeldje uit het huis van Lusinga dat jarenlang temidden andere trofeeën op zijn schouw in Elsene zal staan. Maar ook de schedel van Lusinga arriveert in Brussel, net als die van twee andere lokale vorsten, Maribu en Mpampa. Ze berusten nu in het Natuurhistorisch Museum van Brussel.

Dat deed Storms niet zo maar. Strauch, de nauwe raadgever van Léopold II, had hem  op 20 juli 1883 volgende raad gegeven : “Nous vous approuvons de consacrer vos loisirs à la formation de collections d’histoire naturelle. Ne vous pressez pas d’expédier en Europe vos échantillons. (…) Ne manquez pas non plus de recueillir quelques crânes de nègres indigènes si vous le pouvez sans froisser les sentiments superstitieux de vos gens. Choisissez autant que possible les crânes d’individus appartenant à une race bien tranchée, et dont le caractère n’a pas subi de modifications physiques par suite de croisements. Notez soigneusement le lieu d’origine des sujets, ainsi que leur âge quand cela est possible.”  

De schedel van Lusinga zal door antropoloog Emile Houzé (1848-1921) worden bestudeerd en hij komt tot de conclusie: “L’angle bi orbitaire est très ouvert, ce qui n’est pas un caractère pithécoïde, mais un caractère d’infériorité dans les races humaines.”

Dezelfde Houzé verdedigde toen trouwens de stelling dat Walen moreel en fysiek superieur waren aan Vlamingen.

Met dank aan onderzoeksjournalist Michel Bouffioux.

June 25, 2019 at 4:23 pm Leave a comment

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

RADICALISATIE VAN EEN BOURGEOIS: MAURICE CALMEYN IN CONGO

Calm 1

 

door Lucas Catherine

 

Een man staat in de brousse van Noord Congo. Het geweer in de hand. Zijn fox-terrier naast hem. Hij speurt naar een verre olifant. Zijn hondje kijkt hem aan. De man bekijkt de fox-terrier, die heeft: “de oortjes gespitst, de oogjes vol passie, rillingen over zijn lijfje en zijn neusje in de wind. Soms heft hij zijn kop op alsof hij mij vraagt: ‘jij die groter bent dan ik en boven het gras kan kijken, zie jij daar geen wild?’”.

Calmeyn beschrijft zijn hondje in 1908, aan de boorden van de Uele-rivier. De vergelijking met Kuifje dringt zich op, maar Bobbie zal pas twintig jaar later een stripfiguur worden. De scène komt uit  zijn boek: Au Congo.  Calmeyn, een vergeten figuur en een weggemoffeld boek. Dat hij ‘vergeten’ werd ligt misschien aan de titel van het boek dat hij in 1912 publiceerde: Au Congo belge: chasses à l’éléphant, les indigènes, l’administration. Een boek over de jacht op olifanten, maar veel meer.
Maurice Calmeyn, half Brusselaar en daar rijke bourgeois en half De Pannenaar en daar groot-grondbezitter is van opleiding landbouwingenieur en wil als toerist op olifantenjacht in Congo. In de beschrijving die hij geeft van zijn reis van acht maanden (1908) speelt de jacht de hoofdrol – een olifant schiet je het best boven het oor in de schedel, altijd prijs! , en van op 10 meter, anders ben je geen jager maar een dierenbeul- . Maar in het boek duiken vooral kritische noten over de kolonisatie op. Geen hond die er naar luisterde, behalve zijn fox-terrier.

 

Calm 2

 Ook de grote critici van de Congo Vrijstaat: Vangroenweghe met zijn Rood Rubber (1985) of Delathuy’s De Congostaat van Leopold II (1989) verwijzen niet naar Calmeyn. Nochtans vond de Bibliothèque nationale de France het de moeite waard om door Hachette het boek in facsimilé te laten heruitgeven.

Calmeyns oordeel over Leopold II is verpletterend: “Het is spijtig dat de soeverein van Congo een deel van de Belgische en buitenlandse pers heeft omgekocht, maar het is nog erger dat hij bepaalde politici heeft gedegradeerd tot zijn slippendragers en dat die nu geen enkele waardigheid of onafhankelijkheid meer tonen in het parlement. Nu ik dit schrijf weet ik dat men mij een gebrek aan loyauteit aan de koning zal verwijten. Het kan me niets schelen.” “Ministers en politici leggen het landsbelang naast zich neer en verworden tot lakeien van de Kroon. Veel van hen worden voor hun slaafse dienstbaarheid beloond met adellijke titels of postjes in de haute-finance, iets wat ze anders nooit hadden kunnen bekomen.”

Als landbouwingenieur is hij deskundig genoeg om een vernietigend oordeel uit te spreken over de rubberpolitiek: “In Bima heb ik in aanwezigheid van een landbouwinspecteur een plantage bezocht die zes jaar daarvoor was aangelegd, met duizenden aangeplante rubberlianen. Met moeite heb ik er één gevonden die nog niet was afgestorven.”

“Hele bevolkingen worden het woud in gestuurd om rubber te oogsten en kwasi permanent in het woud te kamperen, zonder nog voor zichzelf iets te kweken en dit zonder echte schuilplaats, ze zijn ondervoed.” “De lokale bevolking is niet meer in staat om rubber aan te voeren, alle lianen in de streek zijn weg, kapot geoogst en dus zal men daar tegen de bevolking een politionele actie organiseren.” “Zo een ‘politionele actie’ leidde vaak tot grote opstanden. Het is zo dat de Bangala’s de concessies van de Anversoise in de jaren 1899, 1900, 1901 in vuur en vlam hebben gezet.” “Met stelligheid kan ik beweren dat de bevolking nu veel meer afziet dan in de tijd van de Arabieren… Je mag niet vergeten dat deze ‘Arabische veroveraars’ overal plantages van allerlei voedselculturen hadden aangelegd en dat de lokale bevolking hier alle baat bij vond. Nu zijn die plantages verdwenen en is er niets in de plaats gekomen… Het is spijtig dat er nooit een onpartijdige geschiedenis is geschreven van de aanwezigheid van de Zanzibari Arabieren en van alles wat ze daar hebben gecreëerd.”

 

Calm 3

Calmeyn schrijvend in zijn tent

 

“Wij zullen nog lang en veel werk hebben om de wonden te helen die Leopold II en zijn zakenpartners hebben geslagen.”

“Miljoenen zwarten worden door het koloniaal bestuur geminacht en draaien iedere dag op voor de fouten en de onbekwaamheid van de ambtenaren, tot natuurlijk het moment komt dat ze onvermijdelijk in opstand zullen komen.”

“Na mijn twee reizen ben ik tot de conclusie gekomen dat de Vrijstaat alleen maar aan zijn onmiddellijk eigenbelang heeft gedacht en nooit aan de toekomst van Congo.” “Hier werd systematisch geplunderd door zowel de Vrijstaat als door commerciële bedrijven.”

 

Calm 4

 Maar we hebben daar toch ‘de beschaving’ gebracht, vooral dankzij de missionarissen, of niet?
“De kwestie is niet of onze morele principes superieur zijn aan die van de inboorlingen, maar wel of ze op een betere manier gaan leven als ze onze principes aannemen. Wel, ik kan u verzekeren dat geen enkel contact met missionarissen, katholiek of protestant, ze moreel beter heeft gemaakt.”

“Deze missionarissen vormen een staat binnen de staat, erger nog een staat boven de staat.”

“Ze verspillen hun tijd met de zwarten de catechismus bij te brengen en om hun mooie eigen gezangen te vervangen met van die verschrikkelijke kerkelijke hymnen. Ze zitten nog altijd in de tijd van de Reformatie en steken al hun tijd in aanvallen tegen Protestantse missionarissen of ongelovige Europeanen.”
“De staat zou eigen scholen moeten oprichten waarin de Congolezen een vak leren want zowel de staat als de firma’s hebben nood aan lokale bedienden die kunnen lezen, schrijven en rekenen, vakmensen als metsers, timmerlui, smeden of mecaniciens. Als je het resultaat van de missiescholen bekijkt dan is op dit vlak het resultaat nul.”

“Het ergste is dat de staat met geweld nog altijd kinderen naar de missiescholen brengt en de religieuzen het recht geeft om die tot hun twintig, vijfentwintig uit te buiten. En als ze vluchten stuurt men het leger op hen af.”

Calm 5

Al deze citaten dateren uit 1912 jaar waarin zijn boek verscheen. Zijn kritiek op de kolonisatiepolitiek voert hem ook naar steeds radicalere kritiek op het kapitalistische systeem in België. Hij eindigt zijn carrière als communist.
Hij sticht twee coöperatieven in De Panne en een lekenschool voor vissers- en arbeiderskinderen. Het grootste gedeelte van zijn grond aan de Westkust (118ha) schonk hij aan de gemeenschap en het Museum voor Schone Kunsten kreeg zijn collectie fauvistische schilderijen.
Net voor zijn dood wordt hij de voornaamste financier van de film Misère au Borinage (van Joris Ivens en Henri Storck). Hij zal de film nooit zien, hij sterft de dag van de première.

Wie zijn grafmonument op het kerkhof van De Panne bezoekt, – het torent hoog uit boven al de katholieke kruisen-, merkt direct dat hij Vrijmetselaar en communist was.

Een zuil met daarop de buste van een vrouw, Marianne symbool van la Liberté. Boven haar hoofd de maçonnieke driehoek, op haar borst de Soviet ster, aan haar voeten de slogan Egalité en links en rechts van haar twee grote hamer- en sikkelversieringen.

 

 Calm 6

Is hij vergeten omdat hij zo negatief deed over het ‘genie’ Leopold II of omwille van zijn communisme? Want het spook van het communisme heeft ook in Congo rond gewaard. Met de onafhankelijkheid van Congo grensde het zelfs aan blanke paranoia: Lumumba, communist! Mulele, communist! U moet er maar het propagandaboekje van het ministerie over nalezen: La Pénétration communiste au Congo door Pierre Houart (1960), prof aan de Université catholique de Louvain. Katholieken en communisten, het ging toen nog minder te samen dan in de tijd van Maurice Calmeyn.

 

Meer over Maurice Calmeyn in : Lucas Catherine, Kongo een voorgeschiedenis, dat in het najaar bij uitgeverij EPO verschijnt.

September 5, 2016 at 4:13 am 1 comment

EEN WANDELAAR DIE GEEN VOETGANGER WIL ZIJN

Miniring

Miniring

door Lucas Catherine

Wat is een stad? Heel veel huizen, veel straten en veel stank van auto’s. Als dat een stad was zou ik er niet willen wonen. Maar een stad is vooral heel veel verhalen. Elke straat die ik neem vanaf mijn voordeur heeft een verhaal en ook elk gebouw. Een stad is dan ook een bibliotheek vol verhalen. Geen dorp kan daar tegen op, ook al staan daar tegenwoordig ook veel huizen, langs veel straten, maar ik geef toe het stinkt er minder naar de uitlaatgassen.
In Brussel hebben we nu een soort dorp, een voetgangerszone langs de centrale lanen waar vroeger de burgerij defileerde. Er is daar nu veel minder lawaai en het stinkt er niet meer naar uitlaatgassen, maar de verhalen zijn gebleven. Toch zijn 21 comité’s tegen. Een bizarre bende: van PvdA’ers tot een miljonair die net een Grieks eiland kocht.

Ook ik ben tegen, niet omwille van die voetgangerszone, maar omdat al die auto’s nu langs onze huizen scheren door straatjes die nog voor paardenkarren waren ontworpen. Dat noemen ze dan ‘de miniring’. Die voetgangerszone heeft het stadsbestuur ondertussen ook al herdoopt tot stadssalon. Andere hebben het dan weer over le Boulevard des Clochards, omdat nogal wat daklozen er nu rustig kunnen slapen en kamperen. En ik ben tegen, ook een beetje omwille van het publiek dat ze door de centrale lanen willen laten defileren. Toeristen. Eigenlijk willen ze een soort Damrak – horesco referens als ik er ieder keer door rijd, op weg naar mijn Amsterdamse dochter – die de Grote Markt met het de Brouckèreplein verbindt. Dat plein zien ze als Time Square. Om van de Beurs nog te zwijgen. Die diende dit jaar als voorgeborchte voor Tomorrowland. En ik heb het niet gehoord, wel gemerkt: gepist in de portieken, ook dit van ons, een losse tegel door de ruit van mijn stamcafé, voor de fun, idem dito iets verder op. Bloemen uitgerukt uit de plantenbakken van de stad, en uit de rozentuin op het terras van het restaurant onder mijn raam. En maar met vlaggen zwaaien, en niet met de populairste: stars & stripes, de Davidster etcetera. Het is voorbij. Het is weer stil.
Ik stap mijn deur uit op het Zaterdagplein – door Marc Didden in De Morgen gepopulariseerd tot Place du Samedi-. Hier heeft ooit Moulay Hassan de Bei van Tunis nog gelogeerd als gast van Keizer Karel en Theodoor Verhaeghen, stichter van de ULB woonde er in zijn jonge jaren en er werd een tijdje de aardappelmarkt gehouden. Ik loop door de Augustijnenstraat. Waar vroeger de Augustijnenkerk stond, afgebroken in 1893 voor de aanleg van de centrale lanen en het de Brouckèreplein. Ze had een mooie voorgevel. Hij werd dan ook bewaard als voorgevel voor de Drievuldigheidskerk in Elsene. Bij mijn weten de eerste vorm van façade-architectuur in Brussel. Geen auto’s meer op de Brouckère, alla we zijn in Brussel, dus eigenlijk concreet: geen auto’s meer aan één kant van het plein. Het is er nu wel stiller. Bijna hoor ik er de liedjes van vroeger:
De Place de Brouckère,
D’as Brussel, Petit Paris.
Brussel g’het main hèt gestolen
Van de Nord tot de Midi

Zongen ze er vroeger in het Brussels en Brel vertaalde dit als:

Place de Brouckère on voyait des vitrines
Avec des hommes des femmes en crinoline
Place de Brouckère on voyait l’omnibus
Avec des femmes des messieurs en gibus.

En sommige Marokaanse vrouwen verhaspelden in de jaren 1970 Brouckère tot Bou Bakr, dat was makkelijker uit te spreken en Abou Bakr kenden ze als schoonvader van de Profeet.

Ik draai mijn memorie vijftig jaar terug. Voor u is dit niet zo makkelijk, daarom deze dubbelfoto:
LC 2 Brouckère2Ver_NEW

Bemerk op de foto onderaan de vele vijfhoeken. Brussel-stad is namelijk de Pentagone, je weet wel zoals Frankrijk de Hexagone is. Brussel Petit Paris, de natte droom van Leopold II, de vader van deze centrale lanen.
Rechtvoor staat wat overblijft van een van de eerste grote en chique hotels, het Grand Hôtel Cosmopolite met zijn Café Continental, nu kantoren van de stad. Op de oude foto links zie je de wegwijzer Pôle Nord. Dat was me wat die Pole Nord ! Bij de opening in de winter van 1893 was het een van de grootste schaatsbanen van Europa en in de zomer werd het een Palais d’Eté met onder meer een Music Hall voor al wie rijk en elegant was. En in 1899 werd er op initiatief van Leopold II het eerste autosalon van Brussel georganiseerd. Het eerste wereldwijd was een jaar daarvoor in Parijs geopend en Leopold had daar zijn eerste auto gekocht, een Panhard-Levassor. Maar dat viel tegen. Niet omdat de auto niet voldeed, maar toen kocht je samen met je auto de chauffeur die tegelijkertijd mecanicien was (garagisten bestonden nog niet) en die van Leopold was een républicain. Zo dus kocht hij daarom een jaar later liever een auto in Brussel.
De Pôle Nord lag parallel met de centrale laan, waar nu Parking 58 huist en achter wat nu een van de lelijkste flatgebouwen van Brussel is, maar toen het Grand Hotel.

LC 3 Grandhotel2_NEW

Naast dit hotel lag een van de eerste visrestaurants, het Parc aux Huitres. Een menu kostte er vier uur werkloon van een geschoold arbeider. Nu zijn er minstens vier kebab-zaken op minder dan veertig meter. De stad wil die nu weg. Ze willen terug naar de tijd van toen. Qua prijzigheid van eten en drinken dan toch.
Het is niet makkelijk lopen in deze voetgangerszone, want fietsers zijn er nog en zij zijn gevaarlijker dan auto’s. Dat zeg ik niet, maar de Franse schrijver Octave Mirabeau: “Zodra een man – ook al is hij nog zo aardig – een fiets bestijgt, wordt hij een paard, met alle grillen, al het hinderlijk gespring, alle dodelijke domheid die daarbij hoort – maar dan veel gevaarlijker. Hij houdt met niets of niemand rekening, zeker geen voetgangers. Hij is heer en meester over de weg. Je ziet hem met zijn handen in zijn zakken en zijn pet achter op zijn hoofd heen en weer slingeren en bochten, spiralen en zigzagbewegingen maken met als enig doel je voor de voeten te rijden.” De tekst is van 1907 en sedert hipsters met bakfietsen terreur zaaien is het nog erger.
Onder deze centrale laan liep vroeger de Zenne. De mythe wil dat die werd overwelfd omwille van hygiëne. Nu brak er in 1866 indertijd wel een grote cholera epidemie in Brussel uit, maar de plannen dateren van twee jaar eerder en de definitieve beslissing viel in oktober 1865.
Hoofdreden was dat Leopold II, en burgemeester Anspach een petit Paris wilden, maar dan zonder Seine of Zenne. Die Zenne diende namelijk als drijfkracht voor de Brusselse industrie die toen nog op stoommachines draaide en de Zenne dus nodig had. Al dat werkvolk moest weg – het werd verdreven naar Molenbeek – en plaats maken voor de burgerij. Duizend honderd huizen werden afgebroken, en ook ateliers en opslagplaatsen.

Brussel, Petit Paris

Het was de droom van Leopold II. Burgemeester Jules Anspach zal hem waar maken.

LC 4 Augustins2_NEW

De lanen zijn letterlijk gekopieerd op die van Haussmann in Parijs. De hoofdlaan vertakt zich aan het de Brouckèreplein en een van die takken loopt naar het Noordstation, exact zoals de as gevormd door de boulevard de Sébastopol en de boulevard de Strasbourg in Parijs doodliep op het Gare de l’Est. De centrale lanen lopen ook evenwijdig met een reeks winkelstraten: Zuidstraat, Kleerkopersstraat, Nieuwstraat. In Parijs zijn die winkelstraten de rue Saint-Denis en de rue Saint-Martin. Niet alleen het tracée is afgekeken van Parijs, ook de bouw van grote huizenblokken met onderaan winkels en daarop vijf verdiepingen appartementen, elk met een balkon. Alleen zijn die blokken in Parijs enkele etages hoger. De Brusselaars noemden Anspach dan ook een Haussmann met te korte beentjes, un Haussmann au petit pied.

Het was dan ook een Parijse aannemer, Jean-Baptiste Mosnier die deze appartementsblokken in Brussel kwam bouwen. Het werden er een zestigtal. Er staan er nog heel wat. De grond kreeg hij gratis van de stad. Hij bouwde ook het al vernoemde Grand Hotel. De burgerij moest worden overgehaald om zich in de benedenstad te komen vestigen, vandaar dat men niet alleen de appartementen bouwt, maar ook hotels en restaurants. De meeste van die restaurants hadden maar effectief succes vanaf 1890. Ze droegen prachtige namen als Parc aux Huitres, Filet de Sole, Grand Hotel, Taverne de Londres, Café Riche.Ze werden allemaal afgebroken, de laatste eind jaren 1970. De appartementsgebouwen hadden weinig of geen succes. De opvolger van burgemeester Anspach, Charles Buls, schrijft hierover in zijn L’Esthétique des Villes: “In tegenstelling tot de Parijzenaars of de Latijnse volkeren houden wij niet van grote woonkazernes die in appartementen zijn opgedeeld en die aan de lanen en straten van Parijs hun uniforme aanblik verlenen.” En inderdaad, de Franse aannemer ging failliet bij gebrek aan kopers, en Buls kan schrijven: “De enorme huizen die een Franse speculant langs onze centrale lanen heeft gebouwd, hebben hem geruïneerd; onze mensen kwamen er maar niet toe er hun intrek te nemen…” Het zal beteren met de uitvaardiging van de wet op het mede-eigendom, die stelt de Brusselaar gerust dat zijn appartement wel degelijk helemaal van hem alleen is
.
Normaal moest Leopold persoonlijk de lanen komen inhuldigen op 30 november 1871. Dat was zonder het werkvolk gerekend. De week voordien leidt de links-liberaal (de Socialistische partij zal pas vijftien jaar later worden gesticht) Jules Bara een grote betoging en komt het tot woelige incidenten. De Brusselse burgerwacht onder leiding van burgemeester Anspach kan de situatie met moeite meester blijven. Op 29 november 1871, de avond voor de festiviteiten, loopt het echt uit de hand: arbeiders en de studenten van de Vrije Universiteit gaan voor het paleis betogen. Zij onthalen de vorst op een fluitconcert, zingen de Marseillaise, roepen Vive la République en A bas le roi de carton. De koning durft ‘s anderendaags zijn paleis niet uit. Officieel omdat het stortregende.

Op het sluitstuk van de grote centrale laan, waar de Boulevard Centrale zich opsplitste in Boulevard de la Senne (Jacquemainlaan) en Boulevard du Nord kwam later de Anspachfontein met een obelisk – namaak weliswaar uit Zweeds graniet. In 1981 werd ze overgeplaatst naar het eindpunt van de Kaaien achter de Vismarkt. Ook de lange centrale laan werd naar Anspach genoemd.
Via de Anspachlaan lopen we naar de Beurs langs gebouwen die ‘modern’ zijn, dit wil zeggen gebouwd door architecten die inspiratie vonden in een doos met lego-blokjes en hier en daar nog restanten van die grote 19de eeuwse architectuur waar Leopold II van droomde.

De Beuzze, La Bourse

Ik moet u iets bekennen. Als kind dacht ik dat het om een groot openbaar toilet ging. Dat heeft niets te maken met de Brusselse uitspraak van de naam voor dit gebouw, maar omdat als ik, aan het handje van mijn vader daar arriveerden wij beiden altijd dringend moesten pissen. We waren immers onze tocht door Brussel begonnen aan het Rogierplein, in Café Bij Jan van Aolst en daar had mijn vader enkele ‘pjeirekes’ gedronken en ik Spontin. Pjeirekes, paardjes was Horse-Ale een Brussels bier van hoge gisting (zoals nu Palm), later overgenomen door Inbev en Spontin was limonade uit de Walen.
Aan de linker- en rechter kant, onder de twee leeuwen die voor de Beurs staan had je de ingang van prachtige openbare toiletten. Links voor de vrouwen, rechts voor de mannen. Vandaar. Die zijn nu weg. Nu pissen ze in Brussel in portieken en tegen gevels.

LC 5 Beurs2_NEW
En na zaan’k meug en goune ‘k noe de Vismet iene drinke.

(de ‘mini-ring’ is een enscènering door het Kunstenfestivaldesarts;
de oude foto’s komen uit het Brusselse Stadsarchief,
de recente zijn van L.C.)

August 7, 2015 at 12:07 pm Leave a comment

MANNEKESBOEKSKES OVER CONGO

Luc 2
door Lucas Catherine

 

Boeken worden hier regelmatig besproken. Mannekesboekskes niet. En daarmee bedoel ik geen Mannen Bladen, maar ik gebruik hier ons Brabants woord voor stripverhalen. Die Mannekesboekskes hebben mij een venster op de wereld geopend. Ik weet het die vergelijking is van Gerard Walschap toen hij het over de beginjaren van de televisie had, maar ondertussen is dat venster al lang op een heel kleine kier na gesloten.

Bij stripverhalen, of beter albums zeggen we nu, is de omgekeerde beweging aan de gang. De tijd van Suske en Wiske, Nero en Kuifje ligt al eeuwen achter mij. En ik geef het grif toe, dat was geen ‘venster op de wereld’, maar een vervormd spiegelpaleis. En dan heb ik het niet alleen over Tintin au Congo – voor onze noordelijke taalgenoten vertaald als Kuifje in Afrika. Van Kongo hadden die nooit gehoord -, maar ook over de Tamtamkloppers, De Vliegende Aap, om niet te spreken van Nero die mij in de Negen Peperbollen mijn eerste woorden swahili leerde. En ondanks die Duistere Spiegel, keek ik er graag naar.

Als ik nu even over mijn toetsenbord kijk dan merk ik dat mijn verzameling stripverhalen stukken indrukwekkender is dan die van de romans die ik nog niet tweedehands heb gedumpt. Die strips zijn voor mij erg belangrijk geweest, vooral in mijn jeugd. En toen, we spreken nu van voor de oorlog (ik bedoel die van Korea) was er al een onderscheid in de Mannekesboekskes tussen fictie en non-fictie. Die laatste variant was minder bekend, maar De verhalen van Oom Wim (“Les Belles Histoires de l’ Oncle Paul”, voor de West-Vlamingen onder u die in het Frans werden opgevoed) was een Belgische educatieve stripreeks die tussen 1951 en 1982 in het weekblad Robbedoes/Spirou verscheen. Daarin heb ik Stanley leren kennen, de man die volgens Oom Wim koning Leopold II de Kongo schonk, en die dus daarna diezelfde Kongo aan ons Belgen schonk.

Stripverhalen zijn geen echte culturele producten. Akkoord. Maar ondertussen heb je ook albums. En daar wil ik er u twee van voorstellen. Allebei over Kongo.
U heeft, of dat had u moeten doen, Joseph Conrad’s Hearth of Darkness gelezen. Ik zal u wat bekennen, ik had dat gelezen, maar wist er nog weinig van. Eerste ‘roman’ over de wrede kolonisatie van Leopold II, zeer getrouw aan de realiteit, dus helemaal niet zo fictief. Een ding herinner ik mij wel erg goed, iets heel intrigerends: waarom kwam die Pool, want zijn volle naam is Jozef Teodor Konrad Korzeniowski, die zo gebiologeerd was door Afrika naar Brussel, terwijl hij toch half Engelsman was geworden? Waarom ging hij werken voor een Brusselse koloniale maatschappij, en niet voor een Britse? Een vrouwenkwestie. Hij had een tante, maar dan een heel jonge, die en plus weduwe was van een Brusselaar, Marguerite Poradowska en hij was verliefd op haar. De toenmalige liberale Brusselse burgemeester Charles Buls was trouwens ook haar aanbidder. Geen van beiden heeft het gehaald. Zij stond te veel op haar onafhankelijkheid, maar Joseph Conrad schreef haar wel heel de tijd brieven, die nog interessanter zijn dan zijn boek. Soit.

Hij nam dienst bij Albert Thys, naar wie later in Kongo, Thysville werd genoemd. Een man met vele compagnies, van spoorwegen tot ivoor, en het is als ‘ivooroogster’, zo heette dat toen dat Conrad de Kongostroom afvaarde in dienst van Thys. De man stierf tijdens de Eerste Wereldoorlog en daarna gingen zijn talrijke bedrijven over in de Société Générale, daardoor dat hij een beetje uit de plundergeschiedenis van Kongo verdween, maar hij rijfde zeker evenveel Kongolees geld binnen als Leopold II en de familie Thys zit nog altijd in de Belgische haute-finance. Zij waren trouwens betrokken in het recente financieel schandaal rond de Compagnie du Bois Sauvage.
Wel ik heb dat verhaal van Conrad over Thys helemaal herlezen, maar nu als stripalbum en als u dat verhaal van Joseph Conrad, Heart of Darkness ook nog eens wil herlezen, historisch heel getrouw en ook nog eens verbazend mooi geïllustreerd,

Baruti en vrienden

Baruti en vrienden

dan raad ik u aan: “Kongo, Le ténébreux voyage de Józef Teodor Konrad Korzeniowski” van Tirabosco en Petrissin. Het is nog maar enkele maanden uit.
Doen, voor de tekst én voor de tekeningen. En om een platitude uit de filmkritiek te gebruiken: de remake is beter dan het origineel.

Luc CongostripBar2_NEW
In het kader van de 100ste verjaardag van Wereldoorlog I, was ik flabbergasted, ik schrijf het in het Engels, want de Engelsen zijn specialist in het herschrijven in hun voordeel van de geschiedenis, ook die van WO I in Afrika, ik was dus flabbergasted door het stripverhaal van Barly Baruti over die Belgische koloniale oorlog in Oost-Afrika. Flabbergasted, omvergevallen van verbazing door de tekeningen, maar zeker door het verhaal.

Barly Baruti is Belg, Kongolees, schilder, muzikant en striptekenaar. Hij heeft nog met Bob De Moor gewerkt in de ateliers van Hergé, en dat kan je zien aan de tekeningen. De bekende Belgische klare lijn, maar dan in kleur door een zwarte.
Het album is nog niet uit (het ligt pas op 2 juli in de boekhandel), maar ik kon het inkijken.

Luc CongostripBar3_NEW
Het heeft niets van een manga of andere modieuze strip, dus geen geweld of bloed dat van de pagina’s druipt. Een oorlogsverhaal dat gaat over menselijke verhoudingen. En dat is een heikel thema als het over ‘Onze Kongo’ gaat. Want de Belgische kolonisatie was er een van segregatie, zeg maar apartheid à la Belge, met een paternalistisch contact tussen blank en zwart die een dekmantel was voor hard racisme. Bambi Ceuppens van het Africamuseum heeft daar een pertinente analyse van gemaakt. Baruti is natuurlijk een artiest. Bij hem is de moeilijke verhouding in een verhaal gegoten. De geschiedenis van Madame Livingstone

Luc Conrad1_NEW
De Belgische kolonisator noemde zijn zwarte ondergeschikten niet bij hun echte, traditionele naam, maar voorzag ze van een bijnaam. Zo kreeg de vader van Barly Baruti de naam David Livingstone omdat hij lang, niet gekroesd en niet zo zwart haar had. Net als de Schotse missionaris waar toen veel over te doen was. Baruti kreeg eerst ook die naam, maar die veranderde na de ‘Zairizering’ van Mobutu in Barly Baruti. Maar dat is lang na ’14-’18, waarin het verhaal speelt. De jonge Kongolees hoort over de oorlog en wil dienen in het koloniaal leger, als verkenner, want hij kent de grensstreek als geen ander. Hij stoot vooral op spot: hoe kan je Livingstone heten, je bent toch geen Schot? Daarop besluit onze held om een krat Belgisch bier te stelen uit de legervoorraad en die naar de Britse troepen over de grens te gaan omruilen tegen een Schotse kilt. Trots keert hij terug naar zijn eenheid in het koloniale leger, maar het levert hem enkel een nieuwe bijnaam op, omwille van de kilt, Madame Livingstone en in het stripverhaal gaat hij nu een belangrijke rol spelen. Hij is eigenlijk de man die de grote oorlogsbodem, de Von Götzen, bombardeert op het Tanganyikameer (de grens tussen Kongo en toenmalig Duits Oostafrika).

Luc Conrad2_NEW

Niets historisch, maar een literaire parabool die duidelijk maakt welke belangrijke rol de Kongolezen speelden in deze oorlog. Een strip dus die meer vertelt dan de officiële herdenkingen.

Lucas Catherine
Historicus van Vergeten Zaken.

Lees over deze geschiedenis op dit Salon ook:
https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/10/07/afrika-wordt-zelfs-oorlogsgewijs-vergeten/

 

June 19, 2014 at 10:09 am 2 comments

DE HOLOCAUST ALS SCHOOLMUSEUM

Museum en Dossinkazerne Mechelen

Museum en Dossinkazerne Mechelen

door Gie van den Berghe

Na meer dan tien jaar plannen, lobbyen en schipperen door politici, Joodse belangengroepen, historici en intellectuelen is het Vlaams Holocaustmuseum eindelijk uit al die as verrezen. Het met Vlaams geld bekostigde initiatief werd boven de doopvont gehouden als Kazerne Dossin. Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten. Die hele mond vol weerspiegelt de omslachtige ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het project. Daarom eerst een schets van de voorgeschiedenis, ook al omdat die ondertussen herschreven, verdraaid en verschoond wordt.

Decennia lang zwegen Europese politici en – niet-Joodse – historici in alle talen over wat Joden, Roma en Sinti (zogenaamde zigeuners) onder het bewind van de nazi’s was overkomen. Europese staten huldigden, herdachten en erkenden alleen krijgsgevangenen, verzetslui en politieke gevangenen.

De herdenking van al die vervolging en uitroeiing werd volledig overgelaten aan privé-initiatief. In Frankrijk bijvoorbeeld aan het Centre de Documentation Juive Contemporaine (CDJC), opgericht door Isaac Sneersohn die al in 1943 bewijzen begon te verzameleneen centrum dat in 1956 werd aangevuld met een Mémorial du Martyr Juif inconnu. Met de almaar toenemende aandacht voor wat ondertussen ‘Holocaust’ was gaan heten, werden in de voorbije tien tot vijftien jaar veel van die Joodse privé-initiatieven genationaliseerd. In Frankrijk bijvoorbeeld werd het CDJC in 2005 omgevormd tot het Franse Mémorial de la Shoah.

(…/…)

Wat in het museum zijdelings over eugenetica wordt getoond – zonder dat het woord wordt gebruikt – is compleet uit zijn verband gerukt en getuigt van groot onbegrip.

Goelag

Ook de Goelag, het concentrationaire universum van de Sovjet-Unie, komt niet aan bod. Toch ging het Sovjet-communisme zoals het nationaalsocialisme terug op een onwrikbare vooruitgangsideologie die koste wat het kost, en wel zo snel mogelijk haar utopie wou realiseren. Alles wat en al wie dat verhinderde werd uit de weg geruimd, gedeporteerd naar barre oorden of meteen afgemaakt.

Het concept totalitarisme mag dan in onbruik geraakt zijn, naast de vele verschillen waren er ook nogal wat overeenkomsten. Beide ideologieën koesterden de overtuiging dat bepaalde mensengroepen – rassen en klassen – geëlimineerd moesten worden om de ware mens en mensheid te realiseren. De nieuwbakken Sovjetmachthebbers duidden direct na de Russische revolutie handlangers van het tsaristisch regime, tegenstanders van het regime, schatrijken, clerus en hun gezinnen aan als ‘gewezen mensen’.

In de ogen van overtuigde bolsjewisten en nationaalsocialisten rechtvaardigde hun ‘betere-mens-en-wereld’ utopie methodisch geweld en terreur, van deportatie tot georganiseerde hongersnood, massa-executie en genocide. Radicaal goed ontaardt vrij makkelijk in radicaal kwaad. Tussen hel en hemel zit weinig vagevuur.

Denk ook aan het communistisch China, Volksrepubliek China, onder Mao Zedung (Mao Tse-Tung), met de Culturele Revolutie en de Grote Chinese Hongersnood (1958-1962) die de doelgericht dood inhielden van miljoenen Chinezen (zie hierover Johnson).

Dit alles en nog veel meer ging in dit museum verloren door de beperking tot de Belgian case en historici die zich niet hebben toegelegd op de lange voorgeschiedenis van de Endlösung en andere genociden.

Kwaad om beter van te worden

Is de Jodenmoord, of om het even welke genocide, eigenlijk wel een geschikt middel om jongeren verdraagzaamheid en verantwoordelijkheidzin bij te brengen? Heeft de niet aflatende aandacht voor de Holocaust de wereld aantoonbaar verbeterd? Gaat het er in Israël, hét slachtofferland, zoveel beter aan toe? Joden zijn inderdaad geen apart volk, maar mensen zoals alle anderen, ook Palestijnen. Kazerne Dossin zwijgt als vermoord over de prijs die Palestijnen hebben betaald en nog steeds betalen voor Israël, een land dat uit de as van de Holocaust zou verrezen zijn. Eén uitzondering: wie vanuit Israël met Brussels Airlines naar België vliegt en Kazerne Dossinbezoekt, krijgt 10% prijsvermindering op zijn vlucht (zoals ook al wie uit een Europese luchthaven vertrekt).

Het kwade voorhouden om het goede te doen – het is een christelijk thema. Kruisiging en vagevuur om verlossing en hemel te verdienen. Maar werkt het ook? We springen er alvast niet consequent mee om: geen verkrachtingsmusea om mannen vrouwvriendelijker te maken; geen misbruikte-kinderen-musea om kindermisbruikers op betere ideeën te brengen; geen porno op school om goed te leren vrijen; geen musea voor lelijke kunsten om de schone beter te waarderen.

Kwaad tonen om het goede te doen? Dan maar veel geweld in films en op televisie? Hoe meer geweld en seks, hoe meer verdraagzaamheid en celibaat?

Holocaustmusea zijn een schot in het duister. Er bestaat bij mijn weten geen vergelijkend onderzoek naar het educatieve effect van verschillend ingevulde Holocaustmusea. Net zo min als onderzoek waarin wordt nagegaan of de schoolgaande jeugd en de burgers van een stad of land mét Holocaustmuseum, toleranter, democratischer en menslievender geworden zijn dan die in steden en landen zonder.

Kazerne Dossin brengt een niet al te accurate en belerende geschiedenisles. Stof genoeg om een paar Holocaustontkenners op slechte gedachten te brengen. Hopelijk slikken niet al te veel jongeren de sociaalpsychologische pseudoverklaring en zetten velen zich af tegen de elitaire les die hen hier wordt gespeld.

Vraag is ook waarom de invulling van dit museum werd overgelaten aan vertegenwoordigers van slachtoffers, politici en een historicus. Want zelfs al had men een beroep gedaan op gespecialiseerde historici, dan nog is het de vraag of de toekomst van jongeren niet te belangrijk is om over te laten aan mensen die vooral in verleden gespecialiseerd zijn. (GvdB)

——–

Dit is enkel het begin en het slot van een lang en indringend artikel over het nieuwe ‘Holocaustmuseum’ van Mechelen.
Het hele stuk lezen, wat zeer aan te raden is, kan hier: www.serendib.be/artikels/kwaadwaarjebetervanwordt

Mechelen Holocaustmuseum

March 1, 2013 at 10:45 am 4 comments

HET ACHTERPOORTJE EN DE GROTE APPETIJT VAN LEOPOLD II

lucat 0

 

door Lucas Catherine
Op 17 december, om twee uur dertig ‘s ochtends overleed Leopold II in zijn lievelingsverblijf, het Palmboompaviljoen. Dat grenst aan de gelijknamige serre op het domein van Laken.  Drie dagen eerder was hij geopereerd aan darmobstructie. Of die te wijten was aan zijn grote appetijt vertellen zijn biografen niet.

Maar appetijt had hij, op alle vlakken en van ’s ochtends tot ’s avonds. Hij begon immers de dag met een immens ontbijt van koffiekoeken, acht eieren en een tiental pralines. Dat ontbijt nam hij in het Palmboompaviljoen en ’s avonds stilde hij daar zijn appetijt voor vrouwen. Hij had niet alleen een wettige vrouw, hoe heette ze ook al weer? Maar ook een vaste maîtresse, Blanche, de moeder van twee van zijn kinderen: de Hertog van Tervuren en de Graaf van Ravenstein. Blanche resideerde in de Villa Vanderborght, net naast het domein. Zij kwam haar minnaar bezoeken via een achterpoortje onder de Japanse Toren dat mij altijd heeft geïntrigeerd en waar ik onlangs dan maar een foto van heb gemaakt.

Lucat 1

Langs dit achterpoortje passeerden ook andere dames. Leopold had een kamerknecht, Henri Bataille en die vertelt in zijn mémoires dat hij dames moest ronselen voor een nacht. Daarom had Leopold hem duidelijk zijn smaak gedicteerd: bruin haar en nogal mollig. Hij noemde dat zelf “une belle noire” Was hij kleurenblind, of had dit met de Kongo te maken?. Als dit niet altijd lukte, plaatste onze vorst gewoon een contactadvertentie in Le Soir: « Vieux monsieur, très distingué, cherche à faire connaissance demoiselle de magasin ou ouvrière, 20 à 22 ans, très jolie, noire (sic), forte et de bonne santé. » Le Soir verzorgde zijn klanten, een annonce die ‘s ochtends werd binnen gebracht stond in de namiddag al in de krant.

En al die dames passeerden door dit achterpoortje dat mij al zolang intrigeert en werden ontvangen in het Palmboompaviljoen. Dit is een achtkantig gebouw dat van op een heuveltje uitzicht geeft op heel het domein, en natuurlijk op de gelijknamige serre. Het ontvangstsalon van het Paviljoen bevindt zich trouwens in die serre. Daar had Leopold zijn bureau met enorme zetels en een lange sofa. Daarnaast was een crème-kleurige slaapkamer in Louis XVI-stijl  rijkelijk gedecoreerd en met drie ramen die uitzien op het park. Daarnaast was er badkamer en toilet. Verder nog een keuken en in de sous-sol de kamer van de kamerknecht.

De dames werden door de kamerknecht ontvangen aan het achterpoortje, stapten dan langs trappen in de Japanse tuin die bij de Japanse Toren hoort naar het paviljoen en kregen dan een briefing door de vorst zelf over wat van hen werd verwacht. Dit fameuze achterpoortje heeft sinds 17 december 1909 geen dienst meer gedaan. En het Palmboompaviljoen is al jaren niet meer open voor het publiek (de serre wel).

De Japanse tuin vandaag

De Japanse tuin vandaag

Op 17 december verdwenen, met zijn laatste zucht, ook twee kolonies die Leopold naast de Kongo had weten te bemachtigen. Ook als kolonisator had hij een enorme appetijt. Hij had ze ingeslikt, België moest ze na zijn dood ophoesten. En ik heb het hier niet over het ten oosten van Kongo gelegen Rwanda en Burundi, dat is oorlogsbuit die wij in de Eerste Wereldoorlog veroverden dankzij de overwinningen van de Kongolese Weermacht in Duits Oostafrika (nu Tanzania). Maar wel over twee gebieden te noorden van het huidige Kongo. Maridi en Lado-Rejaf. En dat laatste ligt aan de Nijl, de Witte Nijl. Leopold was al sinds zijn jeugd in de ban van de Egyptomanie. Antwerpenaars kunnen het gaan controleren in de Zoo, in de Egyptische Tempel, eigenlijk het olifantenpaviljoen, waar hij als zesentwintigjarige prins staat afgebeeld als farao. Later vraagt hij zijn minister Beernaert: “Zegt het u niets om Farao te worden?” In 1893 schrijft hij aan Wahis, gouverneur-generaal van zijn Kongostaat “Als wij erin slagen Khartoum te bezetten, dan wil ik die stad wel aan Egypte afstaan, in ruil voor vrije doorvaart op de Nijl…” De Kongostroom was toen nog allesbehalve bevaarbaar over heel zijn loop.

Lucat 2 Postkaart

De kolonie LADO

En de Nijl was niet alleen mythisch, maar ook praktisch: een toegang tot de Witte Nijl betekende een tweede uitlaat voor zijn Kongostaat. Van zijn neef, de hertog van Saksen-Coburg wist hij tot waar die bevaarbaar was. Die man was ooit op jacht geweest in Ethiopië en in Khartoum gepasseerd. Van hem had hij het verhaal van de dames Tinne. Moeder, dochter en tante Tinne waren telgen van de rijkste familie van Nederland, rijker dan de koningin en ze verveelden zich in Den Haag. Toen ze eens naar Venetië wilden was het daar te mistig om aan te meren en dus vaarden ze verder tot Kairo. Daar nam dochter, Alexandra Tinne een kaart van Afrika en bemerkte in het centrum een grote blinde vlek, waarop ze besloot: “Daar varen we heen, hoever we zullen komen, weet ik niet.”

Op 30 september 1862 arriveerden zij per stoomboot in Gondokoro, tussen Lado en Rajaf. Dit was toen de laatste voor een stoomboot toegankelijke haven op de Witte Nijl. De Britse ontdekkers Speke en Grant die op zoek waren naar de bronnen van de Nijl arriveerden er iets later. Ook die andere Britse explorer, Samuel Baker arriveerde na hen en dat leverde hem deze sneer op naar onze Hollandse dames: “De Witte Nijl komt al aardig in de mode. Ze moeten maar gauw een café op de evenaar  bouwen, waar reizigers een glaasje bier kunnen drinken.” Of hoe de mythe van de Grote Blanke Ontdekkingsreiziger al in 1862 de grond werd ingeboord door drie Haagse dames die zich verveelden.

Lucat 3 kaartLado

Kaart van Lado

Leopold wou dus de Nijl en daar stuurde hij geen dames op af (die uit het achterpoortje volstonden hem) maar wel Stanley. In Soedan was immers onder leiding van de Mahdi een opstand uitgebroken tegen de Britse penetratie. Een gelegenheid voor alle Europese mogendheden om een race naar Khartoum te organiseren. Ook Leopold. Hij stuurde Stanley, maar die sensatie-journalist mislukte. Bedoeling was dat hij zogezegd de Ottomaanse goeverneur van Soedan, Emin Pasha ging redden en hem dan aanbieden om voor Leopold te werken. Dit lukte niet echt. Eens hij de man, van oorsprong een Duitse jood met de naam Schnitzer, geëvacueerd had naar de kust, zoop die daar op Duitse kosten in Duits Oostafrika teveel champagne, donderde van het balkon van de Duitse residentie en bleef maanden in de coma. Stanley had wel een goed verhaal voor zijn krant, maar geen politiek succes voor Leopold. Daarop stuurde Leopold militaire expedities, een hele reeks, eerst onder leiding van de Mechelaar Van de Kerckhove, dan de Dendermondenaar Dhanis  tot de Brusselaar Chaltin op 15 februari 1897 Lado, Wadelai, Gondokoro en Rajaf veroverde.

Dit zinde de Britten allerminst. Leopold moest zijn Kongolese Weermacht terugtrekken, maar als compensatie mocht hij de regio Rajaf-Gondokoro-Lado-Wadelai levenslang van hen pachten. Verder nog een strook ten noorden van Kongo, Maridi. België heeft ooit de droom gekoesterd dat ze ook die twee kolonies zouden kunnen overnemen, en zocht daarom een achterpoortje in de pachtovereenkomst. Maar neen. Toen Leopold zijn laatste adem uitblies, eisten de Britten het gebied op en deze twee kolonies werden geïncorporeerd in de Soedanese provincie Bahr al Ghazal en ook een stukje in Uganda. Niemand die het verhaal van Lado nog kent, tenzij de postzegelhandelaars in de Brusselse Zuidstraat. Een afgestempelde brief uit Maridi of de Lado-enclave is goud waard. En als ik even beursgoeroe mag spelen, is betrouwbaarder dan een aandeel van Dexia, een bank die nochtans ook kolonisatie steunt (in Palestina).

En nog dit: op 17 december vieren wij ook de Brusselse Heilige Wivina, die vereerd wordt voor haar kuisheid.

December 16, 2012 at 6:39 pm Leave a comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers