Posts tagged ‘links’

NUIT DEBOUT: OPSTAND VAN DE JEUGD ZONDER TOEKOMST.

Na onder andere de Indignados in Spanje en Occupy Wall Street in de VS komen nu ook in Frankrijk jongeren en ouderen in verzet tegen de neoliberale platwals. Is de Nuit Debout-beweging een blijver of is het de zoveelste tot mislukken gedoemde poging om de onmacht van links te doorbreken?

Continue Reading May 12, 2016 at 1:03 pm 5 comments

WELK REDELIJK LINKS ?

 

ACW VOOR LINKS VEEL BELANGRIJKER
DAN ‘GROEN’ 

door Jan-Pieter Everaerts

 De januari-editie van het bij SPa aanleunende maandblad Sampol besloot met een tekst van Marc Heughebaert: “Groen als linkse kracht in het rechtse Vlaanderen.”

 Heughebaert is niet de eerste de beste: hij is redactielid van het kwartaalblad Oikos en voormalig directeur van de Agalev-studiedienst. Geen bleuke.

Toch maakt hij de fout die ze bv. bij De Morgen ook steeds maken: ook Heughebaert herleidt links in “Vlaanderen” tot SPA + Groen. Over de ACW-vleugel van CD&V geen woord. In zijn tabellen rangschikt Heughebaert de volledige CD&V bij (centrum)rechts. Tja, zo is het makkelijk je tot kampioen van links uitroepen, als je je een belangrijke concurrent doodzwijgt. Een concurrent die bijna dubbel zo groot is. Zowat de helft van de CD&V-verkozenen behoren min of meer tot de ACW-vleugel, in stemmenpercentage zo’n 11 %. Een ACW-ster die we deze tekst lieten lezen, antwoordde: “Meer dan de helft van de CD&V-verkozenen zijn centrum-links (en dat hoeven niet eens allemaal ACWers te zijn !)”. 

 Als De Morgen en Groen het ACW niet willen meetellen, dan moeten we als wakkere burgers dit soort politieke spelletjes steeds weer doorprikken en dat om meerdere redenen:

 1) Een verkeerde optelsom geeft een vertekend beeld van de realiteit. “Vlaanderen” is niet zo superrechts zoals Heughebaert ons wil doen geloven. Met de ACW-vleugel erbij zitten we al aan zo’n één derde van de kiezers én indien “links” er zou in slagen om de vanwege de vreemdelingenvrees naar extreem-rechts gevluchte arbeidersstemmen terug te halen, dan zou “Vlaanderen” politiek zelfs snel zijn evenwicht kunnen terugvinden. Maar door de manier waarop Groen en SPA ‘naief” met de massamigratie omgaan, zal links zich bij veel kiezers nog lang buiten spel zetten.

 2) De linkerzijde baseert zich in dit land veel beter op haar echte basis én die ligt bij de werkende mensen – de arbeiders en bedienden – en die worden tot nader order nog altijd het best vertegenwoordigd door de vakbonden.

 De vakbonden kunnen bogen op een lange traditie van sociale strijd waar een partij zoals Groen veel minder ervaring mee opdeed. Tussen haakjes: hoeveel mensen van Groen zouden het ‘Charter van Quaregnon’ nog kennen ?

 Mede omdat de kiezersbasis van Groen nogal  wat “beter gesitueerden” bevat – het milieu is een ‘probleem’ dat velen pas ontdekken als ze er financieel al wat beter voor zitten – is Groen voor links eigenlijk een niet echt betrouwbare partij. Herinneren we ons trouwens de kranten-uitspraken mid jaren 90 van Groen-boegbeeld Cas Vander Taelen dat Groen een liberale partij moest worden. En als er geen liberale stroming in Groen zou zijn, waarom werd dan zopas het niets betekenende liberale SLP van Geert Lambert binnengehaald ? En waarom worden de nieuwe linkse partijen en bewegingen in Europa en bij ons (Heughebaert vermeldt PVDA en SPA Rood) door de auteur in Sampol hooghartig afgedaan als “oud links” ? Waarom zou “oud” overigens slecht zijn ? Waarom wil Groen! altijd blind “progressief” zijn ? Zou Groen! niet net de meest revolutionair conservatieve partij van allen moeten zijn ? Hebben ze bij Groen dan nog niet door dat er in de geschiedenis niet zozeer “vooruitgang” is, maar vooral veel “gang”, veel drukte ?

 3) Er is ook het feit dat de ACW-vleugel die via CD&V effectief deelneemt aan de macht, effectief mee zorgt dat ons West-Europees Rijnlandmodel niet al te snel de Amerikaanse toer op gaat. ACW-ministers zoals een Steven Vanackere, nemen in de regering sleutelposities in en verdedigen ook de Belgische solidariteit.

 Conclusie ? Voor wie het goed meent met de linkse agenda van solidariteit, is de ACW-vleugel van CD&V tot nader order veel belangrijker dan Groen !

 Op ecologisch vlak is het wel weer een heel ander verhaal. Daar blijkt het CD&V-beton-beleid al te vaak een complete ramp. Daar zou Groen! dan ook het verschil moeten maken. Maar juist door een al te naieve benadering van de massamigratie en een compleet blind zijn voor de gevolgen van de toenemende bevolkingsdruk, werkt Groen! net ook daar de ecologische verwoestijning van dit land mee in de hand. Is dit Groen! van doen ?

(verschenen in De Groene Belg

mediadoc.diva@skynet.be)
 
 

 

March 3, 2010 at 11:56 am 2 comments

REDELIJK LINKS

door Jan Blommaert

Redelijk Links is een essay over de fundamentele uitdagingen waar links anno 2010 voor staat, geschreven door prof. dr. Jan Blommaert. De auteur hield deze lezing in het kader van de eerste Jaap Kruithof-lezing in Gent op woensdag 24 februari 2010. Lang, niet saai.

 

In zijn magistrale boek ‘De Rode Vlag’ schrijft David Priestland dat socialisme en communisme steeds twee gezichten hadden. Het ene was een romantisch gezicht, het tweede een technocratisch gezicht. Het romantische socialisme ging uit van de kracht van de massa en de volkswil, het koos voor revolutie en zelfopoffering, voor rotsvaste beginselen, consequentie en ideologische rechtlijnigheid, en voor een socialistische cultuur van puurheid, zuiverheid en toewijding. Mao Zedong was zeker een romantisch socialist, en hetzelfde geldt voor mensen als Franz Fanon en Che Guevara.

Het technocratische socialisme was het socialisme van het Plan en van de organisatie, van de partijstructuren, de rationaliteit, de wetenschap en de heldere analyse – het Wetenschappelijke Socialisme kortom. In dit technocratisch socialisme ging het om de resultaten, en werd minder de nadruk gelegd op ideologische schokbestendigheid. Ook hier denken we meteen aan mensen als Stalin, Zhou Enlai, Brezhnev of, bij ons, Hendrik De Man.

Priestland argumenteert dat socialistische projecten op hun best waren wanneer de twee aspecten samen gingen, wanneer revolutionair vuur gekoppeld werd aan grondige en robuuste analyse en organisatie. Als we hier namen moeten op plakken, denken we in de eerste plaats aan Karl Marx zelf, maar ook aan mensen als Lenin, Rosa Luxemburg, Gramsci, Ernest Mandel of Eric Hobsbawm. Het zal wel zo zijn dat elke prominente socialist doorheen fasen gaat van romantiek en van technocratie, en dat het overwicht van het ene over het andere doorgaans in zijn context moet worden gezien. Het socialisme is romantischer wanneer het een kleine machteloze beweging is, dan wanneer het een grote, machtige staat moet beheren. Het is allicht ook meer bezeten van revolutionair vuur wanneer een revolutie broodnodig is en tot de mogelijkheden behoort, dan wanneer het zelf een revolutie moet afwenden om aan de macht te blijven. Het feit blijft dat men socialisme best definieert als een combinatie van emotie en redelijkheid, van ferme en vaste beginselen gekoppeld aan klare en rationele analyse, van utopie en concrete verwezenlijkingen.

Nieuwe cultuur zonder systematische onderbouw

Jaap Kruithof was zonder twijfel een romantische en impulsieve socialist, een overtuigde oproerkraaier eerste klas die met doodsverachting en eloquentie de overgang realiseerde van één intellectuele cultuur naar een andere in dit land. Hij schokte Vlaanderen uit zijn lange katholieke slaap, viel zonder ophouden de heilige huisjes van de dominante katholieke cultuur en moraal aan, en voorzag het bouwwerk van katholiek Vlaanderen van een vrijzinnig en humanistisch bijhuis. Hij voorzag in een nieuwe (nu haast vanzelfsprekende) koppeling tussen de linkse beweging en de vrijzinnigheid. Hij deed dit niet altijd redelijk, al argumenteerde hij wel constant en consistent. Zijn argumenten waren evenwel doorgaans principiële argumenten rond menselijke vrijheid en autonomie, en argumenten omtrent waarden zoals gelijkheid, emancipatie en intellectuele bevrijding. Hij was een intellectueel, en zijn argumenten waren intellectuele argumenten. Maar ze waren vaak gestoeld op nauwelijks ontwikkelde analyses, en nog minder op een methodisch en gedisciplineerd kader voor de studie van de empirische werkelijkheid. Hij voorzag de koppeling tussen links en vrijzinnigheid niet van een theoretische basis, en het gevolg daarvan is dat die koppeling nog steeds grotendeels enkel als een lifestyle keuze bestaat. Kruithofs erfenis is daardoor monumentaal, zowel in positieve als in negatieve zin. Hij leerde zijn volk een nieuwe cultuur aan, maar hij voorzag die cultuur niet van een redelijke en systematische onderbouw. Ik zie het als de taak van de Jaap Kruithof-lezingen om de beide kanten van deze erfenis te bekijken, en na te gaan hoe de gebreken ervan kunnen worden verbeterd. Het punt dat ikzelf wil behandelen, is de vraag waarom links redelijk moet zijn. Waarom we behoefte hebben aan een rationeel en gedisciplineerd kader waarbinnen linkse standpunten vorm, gestalte en relevantie krijgen.

De onredelijkheid van links

Laat me eerst even het probleem schetsen, het probleem van de onredelijkheid van links. Het is mijn overtuiging dat links ophield te redeneren op het moment dat de Koude Oorlog ten einde was. Dat einde van de Koude Oorlog was een grotendeels esthetische ervaring. De beelden uit die periode staan ons nog allemaal in het geheugen gegrift: duizenden mensen op en rond de Berlijnse Muur, Ceaucescu die werd uitgejouwd tijdens een toespraak, Boris Jeltsin op de motorkap van een tank in Moskou, de roerige studenten op Tien-an-Men en de kleine man die drie Chinese tanks tegenhield. Het was een esthetische en emotionele schok, die door de internationale media in beelden werden gezet die rechtstreeks verwezen naar de revolutionaire films van Eisenstein. Links werd geconfronteerd met een revolutie, maar die revolutie was tegen links, of althans tegen wat wij als links beschouwden. En links reageerde erop zoals het reageerde na vergelijkbare momenten, Hongarije in 1956 en de Praagse Lente van 1968: door het georganiseerde socialisme massaal de rug toe te keren. Telkens de volksdemocratieën wankelden, wankelde links in het Westen mee, en toen de volksdemocratieën rond 1990 compleet ineenstortten, gaf links en masse zijn geloof in georganiseerd socialisme op. Enthousiast aangevuurd door mensen zoals Francis Fukuyama en Guy Verhofstadt begaf links zich in een beeldenstorm, een grote kuis. De socialistische canon, Marx op kop, werd onder hoongelach en gejuich het raam uit gegooid; elke vorm van antikapitalisme werd gezien als een geestelijke afwijking, en men koos voor een resoluut tegengestelde koers. Trotskisten sloten zich aan bij de SP, de SP werd prompt een centrumpartij, en de KP transformeerde zich tot een groupuscule van progressieve, maar radicale Vlaams-nationalisten, die in de strijd voor Vlaamse autonomie een nieuwe klassenstrijd meenden te herkennen.

De Derde Weg

Het einde van de Koude Oorlog leek bij links haast op de bevrijding van 1944: lang leve de Amerikanen en de Britten! Weg met de verdrukker! Collaborateurs aan de paal! Het was alsof links zich eindelijk bevrijd voelde van de plicht om op een bepaalde manier links te zijn: een manier die aansloot bij marxisme (en dus marxistische belezenheid en bekwaamheid vooronderstelde), antikapitalistisch was en geloofde in een fundamenteel socialistisch alternatief, en sympathie had voor de Sovjet-Unie, Cuba en andere volksdemocratieën. Links voelde zich bevrijd van zijn strakke ideologische uniform en durfde nu in vlotte vrijetijdskledij de straat op. Links bleef zich ergeren aan rechts (vooral omdat rechts snel extreemrechts werd), maar links juichte toen Bill Clinton werd verkozen, juichte later nog meer toen Barack Obama verkozen werd, en keek met afgunst naar de Britten die een man van het kaliber van Tony Blair aan het roer hadden staan. De nieuwe intellectuele goeroes van links waren nu Anthony Giddens, de architect van de Derde Weg, Frederic Jameson, de postmodernistische marxist, en in eigen land Mark Elchardus, de architect van de nieuwe breuklijnen en dus van het nieuwe pragmatisme van de Socialistische Partij. Socialistische vernieuwers (en die volgden elkaar in sneltreinvaart op) hadden het over het failliet van de oude recepten, over het feit dat socialisme vooral rond emotie draaide (verontwaardiging!), over concreet en haalbaar beleid, over redden wat er te redden valt, over het Zilverfonds en de actieve welvaartstaat. Ze hadden het ook over veiligheid en nultolerantie, over de beperking van de immigratie en de verstrenging van de asielprocedure. Al die thema’s verschenen en verdwenen op het ritme van periodieke marktonderzoeken en populariteitspolls, niet op dat van een aangehouden coherent onderzoek van de samenleving, en nog minder op dat van een stabiele en heldere ideologie.

Als electorale kracht staat links nergens in Vlaanderen

Links gooide zijn ideologie op de mestvaalt van de geschiedenis, en schaarde zich (zij het met beperkt enthousiasme) achter een liberaal kapitalisme, waarbinnen het dan voor ‘correcties’ koos: ‘de sociaal-gecorrigeerde markteconomie’, de ‘ecologisch-gecorrigeerde markteconomie’, enzovoort. Dat was een zwakke positie. Links kwam over als even kapitalistisch als de paarse coalitiegenoten, en enkel de nadruk op de sociale franjes van het systeem moest het dan ‘socialistisch’ maken. Links werd rechts – men mag dat centrumrechts noemen, of centrumlinks; in beide gevallen blijft het een opschuiven naar rechts. Dat was een verschil met de vorige crises. De Sovjet-inval in Hongarije in 1956 gaf aanleiding tot breuken binnen Europees links. Eén van de effecten ervan was dat er een aantal nieuwe vormen van links ontstonden: de zogeheten neo-marxisten of humanistische marxisten, met figuren zoals E.P. Thompson, die op zoek gingen naar een marxisme dat aansluiting zocht bij de menselijke vrijheid en creativiteit. Het is interessant dat E.P. Thompson, Ralph Milliband en John Saville dat moment van linkse vernieuwing onder de vlag van de rede lieten varen: ze stichtten The New Reasoner. De anti-stalinistische lijn die ze volgden, werd gefundeerd op analyse, op een grondige marxistische studie van de processen en condities die links observeerde. The New Reasoner was, zoals we weten, de voorloper van de New Left Review, een tijdschrift dat een enorme impact had op het progressieve intellectuele klimaat vanaf de jaren 1960, en dat één van de belangrijkste fora voor sociaal-wetenschappelijke theorievorming werd en een forum voor een nieuwe linkse politiek. De linkse crisis van 1956 gaf dus aanleiding tot een vernieuwd en versterkt links, en hetzelfde gold voor de crisis van 1968. Terwijl Leonid Brezhnev in Praag de praktijk van het Panzerkommunismus demonstreerde, ontstond er alweer een linkse massabeweging in de straten van Parijs, Berlijn, London, Chicago (en zelfs Leuven en Gent). Mei ’68 werd een nederlaag voor de communistische partijen, maar een triomf voor links. Het is pas bij de derde crisis – het einde van de Koude Oorlog – dat links er niet in slaagde zichzelf te vernieuwen doorheen de crisis en resoluut koos voor het afwerpen van z’n oude vormen en gedachten. De gevolgen daarvan zijn welbekend: als electorale kracht staat links nergens in Vlaanderen, en als politieke kracht is ze geheel opgezogen door het al overbevolkte politieke centrum. We hebben het emosocialisme van Patrick Janssens gehad, het sociaalpopulisme van Steve Stevaert en het sociaalmanagerisme van Frank Vandenbroucke. Bij dit alles ontbrak het stelselmatig aan redenering. De redeneringen waren ontleende redeneringen, tweedehandse gedachten en modellen die men dan maar even een laagje roze dekverf gaf. Er was geen sprake meer van socialisme als systeemkritiek – integendeel, de socialisten werden een doorsnee systeempartij, een conservatieve systeempartij daarenboven, die liever luisterde naar Bert Anciaux dan naar Erik De Bruyn. In de hoek van de intellectuelen merkte men eveens een graduele verwijdering weg van socialisme als redeneermodel. In die hoedanigheid heeft socialisme vrijwel opgehouden te bestaan als zichtbare kracht in onze samenleving.

Systeem op de rand van de afgrond

Dit werd maar al te duidelijk in het najaar van 2008, toen de zogenaamde ‘bankencrisis’ uitbrak en het hele financiële wereldsysteem op de rand van de afgrond balanceerde. Een merkwaardig effect daarvan was dat economen die tot de dag voor het uitbreken van die crisis hun bloed zouden hebben vergoten voor neoliberale modellen van een extreem vrije markt, plots allerhande Keynesiaanse en socialistische oplossingen kwamen aandragen: nationalisering van bepaalde banken, forse overheidssteun voor de zieke sectoren van de economie, meer regulering van de financiële sector, en een beknotting van de monstrueuze lonen en bonussen van de CEO’s van de banken. Een even merkwaardig effect was echter dat er vanuit socialistische hoek enkel een oorverdovend stilzwijgen kwam. We kregen uitgebreide interviews over de gelijkenissen tussen de SP.A en Barack Obama, maar niet over hoe socialisten deze crisis zouden aanpakken. Terwijl er al een halve eeuw uitvoerige en gedetailleerde analyses van socialistisch-theoretische signatuur bestonden van dergelijke crises werd geen enkele daarvan aangehaald als een mogelijk antwoord op de vele vragen. Of als een mogelijk alternatief voor de remedies die door regeringen en denktanks werden voorgesteld en die (dat merken we een jaar later) het hele desastreuze systeem intact hebben gelaten. Het leek alsof die analyses gewoon niet meer bestonden. Waarschijnlijker is dat weinigen in de huidige nomenklatura van het Vlaamse georganiseerde socialisme die analyses kennen of begrijpen. Dit is een groot verlies, en wel om een hele reeks redenen waarvan ik er drie zal behandelen.

Intellectuele reden



De eerste reden is van intellectuele aard. De socialistische traditie van analyse baseert zich op Marx en op marxistische studies, en het zeer uitgebreide en diverse theoretische en analytische instrumentarium dat in die traditie (die zowat anderhalve eeuw omvat – een langere wetenschappelijke traditie dan bijvoorbeeld de kernfysica) is ontwikkeld. Dit is van zeer grote waarde. Die waarde ligt, naar mijn mening, vooral verborgen in drie factoren: het systemische karakter van de analyse; haar empirische grondslag; en haar algemene coherentie, doelgerichtheid en esthetiek.

Marxistische analyse is een systeemkritiek, een kritiek van kapitalisme als economisch, politiek, sociaal en cultureel systeem. Het is een analytisch systeem dat de grondslagen van een samenleving onderzoekt, niet enkel z’n oppervlaktefenomenen, en dat daarenboven die samenleving in haar totaliteit onderzoekt – dus niet enkel haar economische structuur, maar ook haar politieke, sociale en culturele structuren. De actieradius van marxistisch onderzoek strekt zich uit van de lange formatieprocessen van het kapitalisme (zoals bij Wallerstein, Arrighi en anderen) tot en met de psychologie van het individu (zoals bij Adorno en Fromm), met tussenin het onderzoek van specifieke politieke en economische fasen (zoals bij Hobsbawm, Thompson en Mandel), naar modellen van verschillende vormen van macht (zoals bij Gramsci en Therborn), algemene sociale gedragspatronen (zoals bij Marcuse, Bourdieu en Sartre) en allerhande kunstvormen (zoals bij de Frankfurter Schule, Lukacs, Williams en Brecht). Het is een analytisch instrumentarium dat in zowat alle sociale wetenschappen van de twintigste eeuw een grote invloed had, en we kunnen gerust zeggen dat elke prominente intellectueel van de twintigste eeuw een grote invloed had (zelfs bij hen die marxistische analyse afwezen of allergisch waren aan het marxistische vocabularium, zoals Hannah Arendt, Galbraith, Braudel of Foucault). Noteer echter het volgende: niet iedereen die marxisme als theoretisch kader hanteerde, was noodgedwongen een communistisch militant; integendeel, er kwam een enorme intellectuele energie vrij precies omdat vele intellectuelen het communistische systeem van de Sovjet-Unie en geallieerde staten als zeer problematisch zagen (zie de reacties op de gebeurtenissen van 1956 en 1968, hierboven vermeld) en zich niet akkoord verklaarden met de Sovjet-interpretaties van Marx en de marxistische literatuur.Zo had het verschijnen van de Economische en Filosofische Manuscripten van Marx in de jaren dertig, toen Stalin en de Komintern de enig echte correcte interpretatie van Marx opeisten, een enorm effect op het ontstaan van een marxistisch humanisme – een marxisme dat niet meer uitsluitend naar de economische krachten keek, maar zich richtte op de emancipatie en bevrijding van mensen. Ongenoegen over de Sovjet-interpretaties leidde er ook toe dat men gebruik ging maken van Europese marxistische bronnen zoals Gramsci, of vroege revolutionaire bewegingen buiten Rusland ging onderzoeken, zoals in het werk van E.P Thompson en Eric Hobsbawm. Het zijn net deze tendenzen, die allemaal voortkomen uit dissidentie met Moskou, die in de jaren zestig aanleiding gaven tot het ontstaan van Cultural Studies en de New Left. Het zijn dus net deze tendenzen die het marxisme wegtrokken uit het rijk van de politieke pragmatiek en het restaureerden als een intellectueel reservoir voor alle mogelijke toepassingsgebieden. Ik kom daar verder nog op terug.

Materiële krachtsverhoudingen die de geschiedenis aandrijven

We steken op zak dat marxistische analyse een kritiek is van de diepste structuren van een samenlevingsvorm. Die diepere verhoudingen zijn in essentie materiële krachtsverhoudingen, en het zijn die materiële verhoudingen die de geschiedenis aandrijven – niet (in tegenstelling tot allerhande niet-marxistische benaderingen) de tijdsgeest, grote helden, de collectieve wil van een volk, godsdiensten of andere ideeëncomplexen. Problemen aan de oppervlakte van een samenleving moeten worden onderzocht vanuit een onderzoek naar de dieptestructuur van de samenleving, en oplossingen die enkel de oppervlakte raken en niet ingrijpen in de diepte (die dus geen fundamentele verandering van het kapitalistische systeem inhouden) zijn gedoemd te mislukken. Als de fout in de systeemsoftware zit, volstaat het niet het toetsenbord af te kuisen. Dat is een belangrijke wijsheid die vele economen, sociologen en politieke wetenschappers vergeten blijken te zijn.Het feit dat het hier om een fundamentele systeemkritiek gaat, maakt het marxisme echter niet abstract. Integendeel, er waren weinig zaken waarop Marx zo hard hamerde als op de onmacht van abstracte modellen om de werkelijkheid te verklaren. Verklaringen moesten voor hem en zijn volgelingen steeds gebaseerd zijn op de meest rigoureuze analyse van empirische feiten. Men verklaart de feiten niet met een abstract model, maar met een onderzoek van de feiten. Abstractie kan maar wanneer het gaat om een generalisering van feiten. Dat is een oud positivistisch adagium, maar alweer een bijzonder nuttige wijsheid voor al wie zich om de samenleving bekommert. Kijk naar de feiten, naar het echte gedrag van de echte mensen in hun echte omgevingen, en gebruik dat als vertrekpunt voor beschouwingen. Kijk dus naar het concrete gedrag van concrete bankiers wanneer je het bankensysteem wil begrijpen, en naar dat van echte boeren op echte boerderijen als je de landbouweconomie wil begrijpen – het is iets dat John Kenneth Galbraith en Amartya Sen heel hun leven aan hun collega’s zoals Paul Samuelson en Milton Friedman voorhielden.

Coherentie van de marxistische theorie

De algemene coherentie van het marxistische theoretische complex heb ik al vermeld: het is een theoretisch instrument dat zich niet tot één discipline of onderzoeksvraag laat beperken. We proberen de hele samenleving te begrijpen, met het oog ze te veranderen, ze te verbeteren. De finaliteit van de marxistische systeemkritiek is te komen tot een ander systeem, waarin de mens zich optimaal kan ontplooien, beter dan in het patroon van uitbuiting dat het kapitalisme kenmerkt. Dat is de doelgerichtheid van marxistische analyse: ze is gericht op verandering en verbetering – de verbetering van een reële samenleving en van de echte levens van echte mensen, niet de verbetering van een ideale formule of een abstract model van een samenleving. Het feit dat men dit doel kan nastreven aan de hand van een uiterst samenhangend en sluitend analysemodel geeft marxisme een uitzonderlijke esthetiek. Eric Hobsbawm wijst in zijn memoires op de aantrekkingskracht en de intellectuele elegantie van marxisme: het is niet enkel een goede theorie, het is ook een mooie theorie.Dat is mijn eerste punt: wie dit geheel aan ideeën en inzichten opgeeft, verarmt zichzelf en de intellectuele cultuur waarin men leeft. Mensen die beweren dat Marx en marxisme als intellectueel erfgoed hun tijd gehad hebben en niet meer relevant zijn, zijn mensen die – zeker nu – bijzonder veel baat zouden hebben bij het herontdekken van dat erfgoed, al was het maar uit intellectuele nieuwsgierigheid of eerlijkheid, omdat we voor ieder probleem best alle mogelijke oplossingen in kaart brengen. Men kan marxisme afwijzen of bekritiseren, maar men kan niet doen alsof het niet bestaat en alsof er niets van enige waarde in geproduceerd is.

Politieke reden

De tweede reden waarom het opgeven van deze brok intellectueel erfgoed een jammerlijke zaak is, is van politieke aard. Marxistische analyse was niet enkel een intellectueel bouwwerk, het had zoals gezegd een politieke finaliteit: verandering en verbetering, verbetering van de reële levensvoorwaarden van echte mensen. Het was dan ook de ruggengraat van een robuuste, coherente politieke ideologie, en het is die ideologische samenhang die de arbeidersbeweging heeft gemaakt tot de emancipatorische kracht die ze in de twintigste eeuw was. Het was de overtuiging dat het geloof in socialistische idealen van een betere samenleving en een verdiepte democratie gestoeld was op wetenschappelijke zekerheden, die links de kracht gaf die het had. Het was ook het feit dat iedereen in die beweging toegang kon krijgen tot de mysteries van het marxisme dat ervoor zorgde dat die beweging op alle niveaus mondig en vol zelfvertrouwen was. Iedereen moest immers de analyse voor zichzelf kunnen maken, want iemand is enkel vrij wanneer men autonoom in staat is z’n eigen toestand te begrijpen.De marxistische analyse maakte de arbeidersbeweging dan ook tot een leeromgeving voor mensen die anders weinig lering hadden genoten. Het was niet enkel een omgeving voor politieke actie, het was tevens een omgeving waarin men intellectueel en cultureel actief was, waarin men leerde lezen en schrijven, gedisciplineerd leerde denken, en kritisch te staan tegenover macht en de waarheden die ze produceert. Men had immers een alternatief model om de wereld te begrijpen, en indien iemand dat onder de knie kreeg, werden heel wat onbegrijpelijke dingen plots een stuk helderder, en werd de actie daaromtrent meer doelgericht en effectief. Dat was de theorie van de praxis: actie was ideologisch en dus theoretisch aangestuurd; ze was gegrondvest in een helder begrip van de situatie, en leidde daaruit duidelijke doelstellingen af. Het is die oude traditie van praxis die er voor zorgt dat de vakbondsmensen bij Opel niet enkel een businessplan kunnen lezen, maar er ook één kunnen schrijven.

Democratie moet totaal zijn, niet totalitair

Het beheersen van de redeneervormen die eigen zijn aan links is dan ook een essentieel element om te begrijpen wat wordt bedoeld met ‘democratie’ in deze traditie. Democratie moest totaal zijn (niet totalitair), en radicaal. Dat betekende dat een democratie het geheel van de samenleving moest omvatten, incluis de sectoren die in een kapitalistisch systeem tot de ruimte van de private macht behoren: het kapitaal en de economie. Men moest inspraak hebben in alles wat de samenleving aandreef en beroerde, en dit kon enkel wanneer men terdege geïnformeerd was, in staat was soeverein na te denken en de aangereikte waarheden aan een kritisch (en empirisch!) onderzoek te onderwerpen.Een linkse democratie is noodwendig een democratie van autonome mensen die zelf controle hebben over hun leven; het is dan ook noodwendig een democratie die berust op mensen die opgeleid zijn om na te denken, een mate van discipline in het denken hebben (met andere woorden: een analyse kunnen uitvoeren), en de nodige informatie hebben om de noodzakelijke feiten bijeen te kunnen brengen. Het is die idee die socialisten steeds voorvechters maakte van de veralgemeende leerplicht en van een onderwijs dat gericht was op het vrije denken en het vrije onderzoek. Onderwijs en wetenschap zijn in de socialistische traditie steeds absolute prioriteiten geweest, want ze waren de hoekstenen van de geëmancipeerde en autonoom denkende mensen – de burgers – die de socialistische democratie kracht en gezag zouden geven. Het is dan ook jammer te zien wat socialistische ministers de laatste jaren met het onderwijs hebben aangevangen: ons onderwijs is volgens alle recente studies één van de wereldleiders inzake kwaliteit; het is echter eveneens een wereldleider inzake ongelijkheid. Onderwijs is, socialistische ministers ten spijt, een slagveld waarin sociale ongelijkheid en achterstelling bestendigd worden, en waarin de oude idealen van het democratische en universele onderwijs voortdurend worden verraden.

Band tussen socialisme en humanisme

Dit brengt me tot de derde en laatste reden die ik wil aanhalen. Het opgeven van de redeneervormen die eigen zijn aan links is een flater, omdat daarmee één van de kernpunten van een socialistische strategie op de achtergrond belandt: de band tussen socialisme en individuele menselijke vrijheid en autonomie. Of anders gesteld, tussen socialisme en humanisme. Het is op dit punt dat ik me ook terug tot de geest van Jaap Kruithof moet wenden.Marx ging, zoals we weten, in zijn werk uit van een mensbeeld, en dat mensbeeld draaide rond het begrip ‘aliënatie’. Daar waar de mens zichzelf moet kunnen ontplooien door zijn arbeid, wordt hij/zij in een kapitalistisch model vervreemd van het product van zijn/haar arbeid. Dat product behoort hem/haar immers niet toe, maar wel de kapitalist, die arbeid accumuleert en omzet in winst, en die in ruil voor de arbeid een aliënerend middel biedt: geld. De mens wordt op die manier onderworpen aan zijn/haar eigen arbeid, terwijl net die arbeid voor hem/haar een bevrijdende kracht zou moeten zijn. Die aliënatie drijft, volgens Marx, de mens terug naar de status van een lastdier of een slaaf, die geen enkele controle heeft over zijn arbeid en daardoor over zijn leven. Om opnieuw volwaardig mens te worden, moet de aliënerende relatie tussen mens en arbeid doorbroken worden, en moet arbeid opnieuw een bevrijdende en emanciperende kracht worden. Dit kan enkel wanneer het systeem van kapitalistische exploitatie van arbeid doorbroken wordt en wordt vervangen door een socialistisch systeem. In dit systeem zou arbeid – let goed op! – redelijk georganiseerd moeten zijn. Het werk moet zo efficiënt mogelijk verlopen, zodanig dat het niet het volledige leven van de mens inneemt, maar enkel dat deel dat voor economische doeleinden geldt. Daarbuiten moet de mens zich kunnen ontplooien in allerlei andere richtingen: esthetisch en cultureel, emotioneel, intellectueel en politiek.

Geen homo economicus

Ik neem aan dat dit alles welbekend is (ook al is het mogelijk dat bij velen er een laagje stof op ligt). Maar laat me enkele punten hiervan verder uitwerken en interpreteren. Ten eerste: Marx reduceert de mens helemaal niet tot een homo economicus. De mens heeft als voornaamste product zijn arbeid, maar dat betekent niet dat ‘werken’ (zoals: ‘een job hebben’) het enige is wat de mens definieert, integendeel. Het is het totale amalgaam van functies en behoeften dat een mens tot mens maakt, en economisch arbeid is daarvan slechts een deel. De mens leeft niet om te werken in de socialistische wereld van Marx, de mens leeft als werker, als echtgenoot, vader, vriend, burger, cultureel geïnteresseerde, sociaal geëngageerde, intellectueel actieve mens. Het mensbeeld van Marx is dat van een veelzijdige mens, die precies door het ontwikkelen van al zijn/haar facetten zichzelf bevrijdt en emancipeert. Het is die veelzijdige mens die in staat is een democratie in de volwaardige zin gestalte te geven. Mensen die tot loonslaven gereduceerd zijn en zich buiten hun arbeid nauwelijks nog enige bewegingsruimte kunnen veroorloven, zijn niet het materiaal waarmee een goed uitgebouwde democratie wordt vorm gegeven en in stand wordt gehouden.

Redelijk handelen

Ten tweede: de voorwaarde om dit te bereiken, is dat men redelijk handelt. Men moet alweer in staat zijn de eigen toestand van uitbuiting en aliënatie te begrijpen vooraleer men er uit kan raken. En men moet de samenleving zo organiseren dat er een redelijke balans mogelijk is tussen arbeid (als ‘werk’) en andere vormen van zelfontplooiïng. Die redelijke balancering tussen arbeid en andere aspecten van zelfvervolmaking is een essentieel democratische opdracht. Vervult men die niet, dan hebben we een schijndemocratie: we zijn geen democratie wanneer iedereen werk heeft en zich enkel te pletter werkt, om te consumeren of te sparen (voor een oude dag, wanneer men gelooft of hoopt dat men alle andere facetten van z’n mens-zijn zal kunnen ontplooien). De analyse van arbeidsverhoudingen en hun maatschappelijke gevolgen – hoe echte mensen hun echte leven inrichten, is dan ook een onderzoek dat een duidelijke democratische finaliteit heeft.

Totale democratie als finaliteit

Ten derde: het is via dit besef dat we een connectie zien tussen links, democratie en humanisme. Het marxistische mensbeeld is een fundamenteel humanisme dat uitgaat van de menselijke bekwaamheid om zichzelf te bevrijden, en om dan als vrij mens mee een echte en totale democratie gestalte te geven. Die bevrijding gebeurt via het gebruik van redelijkheid, via autonoom denken, onderzoek en analyse door mensen die daartoe de bekwaamheden hebben aangeleerd en zodoende hun eigen toestand begrijpen en onder controle hebben. De band tussen links, democratie en humanisme is hier niet intuïtief, en evenmin is het een pure lifestyle keuze, het is geen voluntarisme. Het is een element dat voortkomt uit de logica van een marxistische analyse; het is vanuit die analyse met andere woorden een dwingende band. Wanneer links redelijk is, dan moet het de bevrijding van alle mensen voorstaan, moet het dit doen door de aliënatie aan te pakken die de arbeidsverhoudingen karakteriseert, en moet het dit doen met een totale democratie als finaliteit. Het moet met andere woorden humanistisch zijn, omdat het anders niet democratisch kan zijn. Noteer echter dat ik ‘humanistisch’ hier niet gebruik in de verzuilde levensbeschouwelijke zin die in dit land haar betekenis domineert; ik gebruik het in de algemene zin: links moet een bevrijdend mensbeeld hebben als onderdeel van een groot verhaal over democratie.

Wat bedoelen we met aliënatie?

Goed, leuke oefening en pittig woordenspel. Maar ‘aliënatie’, waarover hebben we het hier? Is dit relevant?
Wanneer we aliënatie concreet beschouwen als ieder averechts effect dat voortkomt uit de arbeidssituatie, dan is het antwoord vrij eenvoudig. De Belgen zijn workaholics en bijzonder productieve werkers; ze behoren echter ook tot de grootste consumenten van slaapmiddelen en antidepressiva in de wereld. We werken ons kapot en we worden en masse depressief. Daarnaast kijken we gemiddeld ruim drie uur per dag televisie. Tel dat op bij een werkdag van acht uur, met ruim een uur gemiddelde reistijd tussen thuis en werk, en je hebt twaalf uur. Twee activiteiten – gaan werken en tv-kijken – nemen de helft van de dag in. Veel ruimte voor andere zaken blijft er al niet meer over: ruimte voor culturele ontspanning, intellectuele arbeid zoals lezen of studeren, sociaal engagement en politiek activisme. Is er tijd over voor andere rollen dan de professionele – die van echtgenoot, ouder, buurtbewoner, vriend, burger, noem maar op? Lijken we niet stilaan Marcuses doembeeld van de one-dimensional man te benaderen?De kans is groot.

Een paar jaar geleden schreef ik in een open brief aan Patrick Janssens dat zijn mensbeeld neerkwam op dat van een loonslaaf bij Adecco Interim. Het boekje dat hij als visiedocument rondstuurde na zijn verkiezing als voorzitter van de SP.A draaide maar rond één ding: werken. Als mensen maar werken, dan zijn ze gelukkig en dan draait onze samenleving goed. En dat werken, dat was begrepen in termen van de actieve welvaartstaat: mensen moesten dringend geactiveerd worden, uit hun arbeidsloze tijd gehaald worden en naar de arbeid – bron van zelfvervolmaking en vreugde – worden geleid. We waren immers niet actief genoeg. Bejaarden moesten meer kunnen bijklussen om hun ontoereikend pensioen aan te vullen (iets wat Johnny Thys blijkbaar goed begrepen heeft), er moesten soepeler afspraken te maken zijn tussen werkgevers en werknemers (de ‘flexicurity’), en noem maar op: we moesten meer en harder gaan werken.Mijn argument tegen Janssens was destijds dat ik vond dat we meer dan actief genoeg waren op de werkvloer, en dat onze samenleving dringend meer actieve burgers nodig had. Burgers die zich degelijk informeren over wat er in hun omgeving omgaat, die anderen informeren, campagnes voeren, zich inzetten voor anderen en solidair zijn met anderen. Burgers, dus, die de verrechtsing tegen gaan en zich inzetten voor vrijheid, gelijkheid en democratie. Ik dacht toen dat dat niet te veel gevraagd was voor een socialistische partij. En ik hoop dat die partij na het Lange Wapper-referendum van oktober vorig jaar eindelijk begrijpt dat dit alles geen onzin is, maar dat precies hierin een grote emanciperende en democratische kracht schuilt. Herformuleer het even: dat hierin een grote socialistische opdracht schuilt, en dat deze opdracht geen utopie is, maar een reële kans. Dit is geen oververhit optimisme. Dit is een redelijke conclusie, en ze is een boodschap voor links.


* Jan Blommaert
is taalkundig antropoloog en Professor of Languages in Education aan het Institute of Education (University of London). Hij is co-auteur van o.a. Het Belgische Migratendebat (1992), Nationalisme. Kritische opstellen (EPO, 1994), Van Blok tot Bouwsteen (EPO, 1999) en Populisme (EPO, 2004). Hij is auteur van Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing (EPO, 2001). In 1993 kreeg hij de Arkprijs van het Vrije Woord.

* Dit stuk verscheen in de nieuwe online krant De Wereld Morgen,
een fusie van Indymedia en Pala (jc)

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/03/01/redelijk-links-een-essay-door-jan-blommaert

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2010/03/03/welk-redelijk-links/

March 2, 2010 at 10:51 am Leave a comment

De beschavingsmachine

A 1 hoofddoek

De progressieven en de islam


Door Ico Maly


De weg naar Mekka [een tv-serie van Jan Leyers] heeft niet alleen het grote publiek kennis laten maken met ‘de islam’, het programma zorgde ook voor het opstaan van enkele progressieve, linkse intellectuelen die die monsterlijke islam wilden bestrijden. In een adem probeerden ze hun meer naïeve collega-intellectuelen ter linkerzijde wakker te schudden. Hun oproep was duidelijk: de intelligentsia moeten hun politiek correcte sluiers van onwetendheid afwerpen, en luidkeels erkennen dat de islam het probleem is. Dat lukte voor een deel, want geleidelijk aan ontstond de perceptie van een links anti-islamfront. Jan De Pauw stak van wal in 2007, en vond bondgenoten in Benno Barnard, Geert van Istendael en Johan Sanctorum.

De chronologie van een ‘links front’

Perceptie is dezer dagen veel, zoniet alles. Vandaag is iemand niet meer links omdat hij linkse standpunten inneemt. Iemand is links als hij dat stelt over zichzelf, of als anderen dat zeggen over hem. Dit betekent dus dat iemand die gekend staat als links in de perceptie enkel maar linkse standpunten verdedigt, ook al citeert hij letterlijk uit het partijblad van het Vlaams Belang. Als Wilders beweert dat de islam nazistisch is, dan is dat een (extreem)rechts standpunt. Als Benno Barnard en Geert van Istendael hetzelfde beweren, dan is dat een progressief of zelfs links standpunt. Zo ontstond het beeld van de opstanding van een links front tegen de islam in onze media. Een reconstructie.

De zoektocht naar de gematigde moslim

A 7 turkse

Het eerste wapenfeit van dit ‘links front’ in wording komt van Jan De Pauw, fi losoof en docent aan de Erasmushogeschool in Brussel. Hij is verbolgen dat de Brusselse burgemeester Freddy Thielemans de anti-islambetoging van 11 september 2007 verbiedt. Dat verbod duwt volgens hem ‘… de posities dus verder uiteen. Hij [Thielemans, nvda] holt daarmee een mogelijk middenveld uit, en installeert op sluwe wijze een denken gedomineerd door een dualisme waarin niet ‘zij’ maar ‘wij’ het probleem zijn.’

Volgens De Pauw zijn het niet de organisatoren van die anti-islambetoging die polariseren. Neen, de verbieders van deze betoging zijn de grote provocateurs, de lui die ‘wij’ en ‘zij’ tegen elkaar opzetten en ‘het middenveld’ vermorzelen. De Pauw profi leert zich als deel van ‘dat middenveld’ dat ‘… het toenemende failliet van de moslimgemeenschap in de Europese diaspora op de agenda wil plaatsen…’ Dit middenveld is een tussenstem, die niet wil geassocieerd worden met ‘het extreemrechtse waanidee van de zuiverheid’ maar ook niet met ‘het linkse politiek correcte cultuurrelativisme’. De Pauw zoekt naar bondgenoten in dat middenveld, maar stoot telkens opnieuw op een ‘intellectueel braakland’. Wat dat middenveld dan precies inhoudt, blijft onduidelijk, maar één ding is zeker: de stem van de gematigde moslim speelt er een cruciale rol in. Volgens de fi losoof is die stem de enige manier om aan te tonen dat ‘de sluipende islamisering van Europa’ een leugen is. Zolang we die gematigde moslim niet horen – en die hoort De Pauw nergens – kunnen we niet anders dan besluiten dat die islamisering een feit is.

Maar wie is die onhoorbare gematigde moslim nu eigenlijk? De Pauw laat de ‘kinderen van de Verlichting’ als volgt antwoorden: ‘een gematigde moslim moet zijn religie beperken tot de privésfeer en geen publieke en collectieve claims’ formuleren vanuit zijn geloof. Een moslim, zegt De Pauw, vindt dat de islam ‘(…) een maatschappelijk model is dat ingevoerd moet worden, wil men waarlijk de voetsporen van de Profeet en zijn God volgen. Vandaar het belang van de sharia bijvoorbeeld.’ Hier afstand van nemen is, volgens De Pauw de enige mogelijkheid om het label gematigde moslim te verwerven.

A 2 katholieke zuster

Maar een moslim die dat doet, is geen ‘echte’ moslim meer. De gematigde moslim is in deze cirkelredenering dus niet meer dan een wensdroom. Een illusie van formaat. De essentie van de islam is de letterlijke en fundamentalistische lezing van de Koran. En als je geen pleidooi houdt voor de invoering van de sharia, dan ben je geen moslim. Zo toont De Pauw zich nog orthodoxer dan de meest rabiate islamfundamentalist. Hij installeert een catch 22 en houdt daarmee hetzelfde pleidooi als het Vlaams Belang, dat ‘de gematigde moslim’ een hersenspinsel vindt van de linkse, politiek correcte intellectuelen. Een contradictio in terminis. Geen wonder dat die stem volgens De Pauw oorverdovend stil is. ‘Sinds 11 september 2001 is die gematigde moslim herhaaldelijk aangesproken en verzocht om reactie, standpunt, engagement. De stilte was vooralsnog oorverdovend’, stelt hij.

Dat is nu eens selectieve doofheid. Een hele resem (gematigde) moslims heeft deze en andere terreuraanslagen in naam van de islam uitvoerig en meermaals scherp veroordeeld. Deze doofheid heeft De Pauw gemeen met Siegfried Bracke (VRT), die er na de moord op Theo van Gogh in slaagde om te vragen waar die stem van de gematigde moslims bleef. Nochtans publiceerden die na 9/11, onder meer het boek Breek de Stilte, waarin ze allen die aanslag veroordeelden. Milli Görü? riep op tot een betoging om deze afschuwelijke moord op van Gogh te veroordelen. Ook het Minderhedenforum, Kif Kif, Tarik Fraihi en vele andere organisaties en individuen veroordeelden de moord. Blijkbaar horen die niet tot de gematigde moslims. Niet moeilijk dat De Pauw de hoop heeft opgegeven dat er eens een zal opduiken. In zijn opgebouwde redenering bestaan geen gematigde moslims.

Bericht aan weldenkend links

A 4 Beatrix

Dit was maar een voorproefje, het echte schot voor de boeg werd gelanceerd door Benno Barnard en Geert van Istendael in hun opiniestuk “Bericht aan weldenkend links”. Dat trok een ganse polemiek in De Standaard op gang, waarin Herman De Ley, Mia Doornaert, Jan De Pauw, Walter Zinzen en Henk De Smaele zich mengden. Opvallend was de brede consensus tussen Barnard, van Istendael, De Pauw en Doornaert. Dit waren de kiemen van het ‘links front’ dat enkele maanden later met veel tamtam in onze kranten werd aangekondigd. Meer dan de moeite dus om deze consensus eens van dichterbij te bekijken.

Barnard en van Istendael halen in hun opiniestuk de hoofddoek terug van stal, net als ‘de linkse intellectueel die de islam de hand boven het hoofd houdt’. Hun betoog gaat als volgt: als het over de islam gaat, blaken vele linkse intellectuelen van onwetendheid. Dat is ook de reden waarom ze de hoofddoek, ‘de mildste vorm van terrorisme’, verdedigen. Zij moeten dringend ‘het wezen van de islam’ bestuderen, dan zouden ze niet voor die verdomde religie opkomen.

Wat is nu dat wezen van de islam? Beide heren lijsten een reeks elementen op. We overlopen ze even.

Ten eerste: ‘de islam verkondigt een volstrekt andere visie op de religieuze en politieke werkelijkheid dan het jodendom en het christendom. Het allerfundamenteelste verschil is de theologische kern: de god van het christendom en jodendom is onderworpen aan gerechtigheid. Allah is boven alles verheven, inclusief de gerechtigheid’.
Ten tweede: ‘de moderne islam is diepgaand door het nazisme geconditioneerd, onder meer via het Egyptische Broederschap. Die beweging heeft zich in de jaren dertig rechtstreeks door Mein Kampf laten beïnvloeden en is zelf weer de inspirator geworden van Al Qaeda, Hamas en aanverwante gezelligheidsverenigingen.’
En ten derde: ‘Al Qaeda en de sharia zijn logische consequenties van de versteende godsdienst die islam heet en die zich al duizend jaar met hand en tand verzet tegen iedere vrije interpretatie van de geopenbaarde teksten. Dit alles leidt ertoe dat de islamiet anders, maar dan ook werkelijk totaal anders denkt dan een welwillende, linkse, antikatholieke Vlaamse intellectueel.

De kloof tussen de nazistische islam en de verlichte Europese maatschappij staat centraal bij Barnard en van Istendael. Europa, en dan zeker ‘die almachtige linkse intellectuelen’, dienen in te zien dat de islam een bedreiging is voor onze vrijheden.

A 3 Fabiola

Maar hun vurig pleidooi om ‘het wezen van de islam’ te bestuderen, is tevens een pleidooi om de ogen van de realiteit af te wenden. Om puur te kijken naar wat de Koran ons vertelt. Ook deze auteurs zitten, net als De Pauw, op dezelfde lijn als de islamfundamentalisten: de letterlijke interpretatie van de Koran geeft ons meteen ook een blik op de ziel van alle moslims. Ook Barnard en van Istendael verzetten zich tegen een vrije interpretatie van de geschriften en gaan zo voorbij aan het bestaan van verschillende stromingen en interpretaties (die bijvoorbeeld rechtvaardigheid centraal stellen). Hoe moslims in werkelijkheid omgaan met deze teksten is van geen tel, want ‘de versteende godsdienst die islam heet’, verzet ‘zich al duizend jaar met hand en tand … tegen iedere vrije interpretatie van de geopenbaarde teksten’. Vreemd genoeg is die ‘versteende’ islam wel ‘diepgaand door het nazisme geconditioneerd’. Tenzij het nazisme meer dan duizend jaar oud is, is dit toch wel een contradictie van formaat. Maar de boodschap is duidelijk: elke moslim draagt het wezen van de islam in zich, en die islam is diepgaand geconditioneerd door het nazisme. Ergo, elke moslim is eigenlijk ook een nazi, én een gigantische bedreiging voor de waarden van het verlichte Europa.

Het ontstaan van een bondgenootschap

Herman De Ley is de eerste in rij die reageert en wijst op de contradicties, de ongefundeerde en foute generalisaties, en de blinde vlekken in het discours van Barnard en van Istendael. Bovendien benadrukt hij het gevaar van dit opiniestuk. Dat schiet in het verkeerde keelgat bij Mia Doornaert, de barones van de botsende beschavingen. Meteen haalt ze haar bekende krachttermen boven: ‘Herman De Ley gebruikt alle stalinistische ‘truken (sic) van de foor’ in zijn aanval op Benno Barnard en Geert van Istendael.’ Nadat ze subtiel suggereert dat De Ley al langer gekend zou staan als antisemiet, steekt ze weer van wal tegen de ‘islamofobie’ en de gelijkschakeling van dat begrip met antisemitisme en racisme. Antisemitisme is voor haar racisme tegen joden. Islamofobie kan geen racisme zijn, want moslims zijn geen ras, in tegenstelling tot joden. Niet alleen ziet ze, in de ware traditie van het oude racisme, joden als een ras, ze zet bovendien de poorten wijd open voor islamofobie. Eindigen doet ze met de voor haar weinig verrassende vaststelling dat linksen en moslimfundamentalisten bondgenoten zijn in de strijd tegen het Westen. Iedereen die niet stelt dat de islam één monolithisch blok is dat Europa wenst te vernietigen, is blijkbaar een vijand van Europa.

Ook Jan De Pauw komt opnieuw tussenbeide, deze keer onder de titel “Dovemansgesprek in de islamdialoog”. Door de woordenstrijd tussen De Ley, Barnard en van Istendael als een dovemansgesprek te omschrijven, positioneert De Pauw zich terug als een bezorgde maar neutrale burger. In werkelijkheid schiet hij één partij ter hulp: ‘Barnard en van Istendael formuleren een paar partiële, maar wel scherpe én rake bedenkingen bij de islam (…)’. Dat deze bedenkingen ontsnapt zijn uit een Vlaams Belangblaadje is blijkbaar geen probleem. Kop van jut is opnieuw De Ley, die verweten wordt ‘zijn oude denkpatroon ten aanzien van de islam’ te herhalen en wiens ‘blinde verontwaardiging strategisch misplaatst is’.

A 6 Ortodoxe joden

Wat is nu dat oude denkpatroon? Volgens De Pauw is dat de zinloze bevinding van de godsdienstwetenschappen dat er geen essentie is en dat ‘de’ islam niet bestaat, maar dat er een veelheid van interpretaties en belevingen van voorkomen. De Pauw vindt dit fout, en stelt dat er wél een essentie van de islam is: de Koran. Er mogen dan wel verschillen in beleving en overtuiging zijn tussen moslims, de essentie (wat in de Koran staat) delen ze volgens De Pauw allemaal. Als je dus de moslim wil kennen, dan moet je de Koran bestuderen.Want de inhoud van dat boek blijft onaantastbaar, ongeacht de interpretaties.

De perceptie van een links front

In wezen verschilt het discours van deze ‘linkse’ schrijvers niet van de standpunten van Wilders of van het extreemrechtse Vlaams Belang. Ook Wilders stelt dat de islam het nieuwe nazisme is. Ook extreemrechts kijkt enkel door een statische culturele bril om ‘ons’ en ‘de Ander’ als compleet anders voor te stellen, en de botsing der beschavingen in onze geesten te rammen. Ook het Vlaams Belang en Wilders zijn de mening toegedaan dat de islam niet alleen een versteende godsdienst is, maar ook het fundament is van het terrorisme. Ook het Vlaams Belang meent dat de hoofddoek gelijkstaat met onderdrukking. We kunnen eindeloos doorgaan. Barnard en van Istendael verkopen in hun opiniestuk identiek hetzelfde discours als het Vlaams Belang en Wilders. Enkel de zender verschilt. En net die zender is belangrijk in de perceptie. Veel lezers dachten: dit is een links discours, puur en alleen omdat de auteurs zich als links bestempelen. Jan De Pauw stelt het als volgt:

‘… dit is geen ruk naar rechts, maar een herclaimen van het midden. (…) Belangrijker dan de snedigheid van hun woorden [van Banard en van Istendael, nvda], is het feit dat ze worden geformuleerd ter linkerzijde van het maatschappelijk veld. Hiermee wordt alvast een aanzet geleverd om de prooi te onttrekken aan de klauwen en tanden van Vlaamse leeuwen.’

Het is natuurlijk een feit dat de islam nog steeds ‘een prooi’ is, dan wel niet langer exclusief voor het Vlaams Belang, maar nu blijkbaar ook van ‘linkse intellectuelen’. Niet het discours over ‘die monsterlijke islam’ is veranderd, wel degene die het uitspreekt. De prooi is nu voor meerdere stemmen loslopend wild waarop vrij mag, of zelfs moet, geschoten worden.

A 5 hoofddoekje

In de perceptie was een ‘links front’ geboren. Met de essaybundel De islam in Europa: dialoog of clash onder redactie van Johan Sanctorum zou dit bondgenootschap nog een staartje krijgen. Niet alleen De Pauw, Barnard en van Istendael waren van de partij, ook Rik Pinxten, Ludo Abicht en Mimount Bousakla werden overhaald om een stukje te plegen. Meteen was de illusie compleet: dit moest wel het werk zijn van progressieven. Brussel deze week kondigde het boek aan met de sprekende kop: ‘De islam: zeven progressieven zwijgen niet langer’. De Standaard signaleerde het als een bundel van acht essays ‘… over de botsing van waarden tussen de islam en de westerse moderniteit’. Zo werd gesuggereerd dat alle auteurs het eens waren met de these van die botsing. Ten onrechte. Het boek bevatte verschillende contradictorische stemmen. Pinxten en Abicht staan diametraal tegenover Barnard en van Istendael. Bousakla houdt een warm pleidooi voor het moslimfeminisme, geïnspireerd door Kahdija, de eerste vrouw van de profeet Mohammed. Van Istendael gaat hier tegen in, en focust op de dwang en onderdrukking die eigen is aan alle wereldgodsdiensten en aan de islam in het bijzonder. De Pauw analyseert dan weer enkele fatwa’s van islamonline, en herhaalt dat we de ‘essentie van de islam’ moeten bestuderen. En terwijl Barnard een vurig en persoonlijk pleidooi houdt voor ‘een Europa dat zijn joods-christelijke roots koestert’, pleit Sanctorum voor het permanent doodverklaren van God, voor een radicaal atheïsme en een Europese cultuur die niet moet verdedigd worden, maar zich constant moet opheffen.

Het boek herbergt met andere woorden een enorme diversiteit aan analyses en meningen. Dit blijft afwezig in de berichtgeving. Hierdoor krijgt de nieuwsconsument onvermijdelijk het idee dat alle auteurs behoren tot een ‘links front’ tegen ‘de islam’. Dat is een gevolg van de promotie-acties rond het boek.

Dit is een voorpublicatie uit het boek van Ico Maly ‘De beschavingsmachine, Wij en de islam’, EPO 2009, ISBN 978 90 6445 229 1. Het boek verschijnt 22 september.

A 8 Leterme in Vietnam

ONDERSCHRIFT BIJ ALLE FOTO’S HIERBOVEN (niet uit het boek):

Wat mensen zoal op hun hoofd zetten, om niet te spreken over wat ze erin laten stoppen (jc)

September 14, 2009 at 4:25 pm 4 comments

PROLETEN EN PROFETEN (3)


Een miniserie over Socialisme

door Jef Coeck

 

Van de wereldrevolutie valt voorlopig niets te merken, tenzij we de aan gang zijnde crash-met-crisis als dusdanig bestempelen. Socialistische landenrevoluties waren ook al geen onverdeeld succes. De Sovjet-Unie, geïmplodeerd. Cambodja, een knekelhuis. China? Een socio-militair kapitalistisch experiment, naar men vermoedt. Het enige landje waar de socialistische staat nog enigszins overeind blijft, na een halve eeuw van stormen, is Cuba – wellicht meer dankzij dan ondanks het wereldwijd embargo.

Altijd was er wel iets in de geschiedenis dat een marxistisch scenario in de weg stond. De proletariërs wilden niet mee. De bourgeoisie sloeg te hard terug. De kapitalisten speelden vals. Of er stond een psychotische leider op die om zich heen begon te roven en te moorden.
‘Socialism has failed. Now capitalism is bankrupt. So what comes next?’, vraagt de 90-jarige Britse historicus Eric Hobsbawm zich af. (1) En hij levert meteen het antwoord: ‘De toekomst behoort, net als het heden en het verleden, aan de gemengde economieën waarin openbaar en privé op een of andere wijze verstrengeld zijn. But how? Op welke wijze?’

NOUVEAU POOR

Het is merkwaardige taal uit de mond van een belegen marxist. Want ‘gemengde economie’, dat is toch sociaaldemocratie, een compromis dat door de ware socialisten wordt verfoeid? Ook door Hobasbawm, trouwens. Hij is niet mals voor New Labour in Engeland, met zijn Third Way (2) en aanverwante partijen en praktijken in de rijke wereld van Europa, Amerika en Australasia. ‘Thatchers in trousers’, noemt hij ze, de neosocialisten à la Blair en Gordon, inclusief de Democratische Partij in de VS.

 illustr 1

In het post-Bush tijdperk wordt er uitgerekend in de States harder dan ooit nagedacht over socialisme. In een even merkwaardige als boeiende serie artikelen geeft de linkse Amerikaanse krant The Nation een forum aan een twintigtal bekende en minder bekende denkers, met als ambitieuze opdracht ‘Reimagining Socialism’ (3), het socialisme her-uitvinden.
De reeks werd op gang geschreven door Barbara Ehrenreich en Bill Fletcher (E&F), twee bekende activisten/publicisten. Ze wilden in eerste instantie reageren tegen de infantiele gedachte dat de Amerikaanse economie met deze crisismaatregelen de linkse kant opgaat, een gedachte die ook aan de basis lag van het intussen roemruchte Newsweek-artikel ‘We Are All Socialists Now’. (4) Volgens Newsweek loert het Europese model om de hoek, de Franse variant nog wel. Het begint met de nationalisering van banken en industrieën en voor we het weten, suggereert het gezaghebbende weekblad, zijn baseballpetten en donuts op straffe van waterboarding vervangen door alpenmutsen en croissants. No kidding!
De aan gang zijnde golf van ‘nationalisaties’ socialisme noemen, is een lachertje. Het lijkt er zelfs niet op, daar zijn alle columnisten het zowat over eens. Hoe kan zo’n waanidee dan postvatten? ‘Niet vergeten dat ook een stilstaande klok twee keer per etmaal het juiste uur aanwijst.’  
Verwacht mag worden dat socialisten op zijn minst een mobilisatie voor revolutionaire verandering op gang brengen, die volgens E&F “would create an infrastructure for governance, built out of – among other puzzle pieces – unions, community organisations, advocacy groups and new organisations of the unemployed and nouveau poor”.
De Nouveau Poor dus als moderne versie van de Proletariërs en als zelforganiserend tegenwicht voor de Nouveau Rich van Wall Street & Co. De productiemiddelen moeten door de opstandige samenleving gewoon in bezit worden genomen. Voilà.
Het blijft een mooie gedachte. Maar hoe onteigen je de industriële infrastructuur van het globale kapitalisme? In Marx’ tijd was het al niet simpel. Vandaag lijkt het niet meer dan een droom, of nachtmerrie, naargelang. De deelnemers aan het Forum slingeren tussen ongelovig schuddebollen en high-five, tussen noodgedwongen afkeuring en onstuitbaar enthousiasme.

NO WE DON’T

Veel valt te herleiden tot de vraag of en in hoever kapitalisme en socialisme verzoenbaar zijn. Voor Marx was dat absoluut niet het geval. Maar sedertdien lijken we er toch enigszins op vooruit te zijn gegaan? Kapitalisme en socialisme zijn allebei failliet verklaard en hebben nu tenminste een gemeenschappelijk doel: weg met het oude systeem, leve de nieuwe economie. Daardoor ontstaat de heilsverwachting van een nieuwe maatschappij. De vraag stellen is ze verleggen. Welke economie en welke maatschappij?
Gaan we voor de geest van Davos, het Wereld Economisch Forum (5), met een hiërarchisch georganiseerde uitbuiting en blijvende tegenstellingen? Of verkiezen we de spirit van Porto Alegre, het Wereld Sociaal Forum (6), met een redelijk democratische en zo rechtvaardig mogelijke verdeling? Het is een principiële en radicale keuze, zeggen de nieuwe marxen.
Of/of. Niet en/en. Nietwaar, beweren neosocialisten, er is een middenweg mogelijk al of niet bij wijze van overgang.
 
 illustr 2
A better world is possible.
Ongetwijfeld waar. Alleen, hoeveel slechter zal het eerst nog worden? Dat gaat vanzelf en snel, voorspellen E&F: ‘Het industriële kapitalisme heeft, met hulp van het industriële communisme, een zodanige milieuvernietiging teweeg gebracht dat onze soort samen met vele andere soorten dreigt te verdwijnen. Het klimaat verhit, olievoorraden slinken, woestijnen rukken op, zeeën rijzen, vissen sterven uit. Je hoeft geen doemdenker te zijn om te beseffen dat het volgende punt op de agenda ons eigen uitsterven is. ‘And do we have a plan, people? Let’s put it right out on the table: we don’t.’
Als we al geen plan of model voor een socialistische economie annex maatschappij hebben, een aantal principes bestaan al wel: gelijke inkomensverdeling, grotere economische zekerheid, meer respect voor de aarde, openbare controle over investeringen en technologie, en controle van de arbeiders over hun werk. Een handvol en een mondvol.
Een betere, een socialistische wereld komt er alleen door de invoering en de consequente doorzetting van een aantal keiharde economische principes, vindt Parecon (7). De beginselen en de beweging van Participatory Economics, participatieve economie, zijn nu ongeveer twintig jaar oud.

RECHT&VAARDIG

Een klassenloze en daardoor rechtvaardige economie is het streefdoel. Iedereen moet in gelijke mate participeren, zijn mogelijkheden gebruiken, zijn inkomen verhogen. Er moet gesleuteld worden aan zowel de productie als de arbeidsverdeling.
In de huidige economie bestaat er een ‘coördinerende klasse’ (advocaten, dokters, ingenieurs, managers e.d.). Zij is ondergeschikt aan het kapitaal maar staat boven de werkers. Moderne bewegingen moeten het monopolie uitschakelen van kapitalisten over de productiemiddelen, maar ook het monopolie van de coördinators over de verdeling van de arbeid.
Michael Albert, oprichter van zowel Parecon als de alternatieve mediagroep ZCom (8), streeft behalve de klassenloosheid nog na: gelijkheid, solidariteit, verscheidenheid, zelfbestuur, ecologisch evenwicht en economische efficiëntie. Plus volwaardige informatie.
Deze aspiraties worden gedwarsboomd door privatisering, corporatieve arbeidsverdeling, beslissingsmacht van de top, markten en centrale planning. Het pad naar een betere toekomst gaat gepaard met een lange mars door de bestaande kapitalistische instellingen. Er zal nog hard geknokt moeten worden over inkomen, werkvoorwaarden, beslissingsbevoegdheid, toewijzing van verantwoordelijkheden, regeringsuitgaven.
Dit is één vorm van ‘reimagining socialism’: van onderuit, lange termijn, veel sisyphusarbeid en een belangrijke rol voor de vakbonden. Een directe oplossing voor de crisis biedt Parecon niet. Sommigen noemen dat ronduit Utopisme. De eerste vereiste is nu een snelle en ingrijpende staatsinterventie, vinden nogal wat forumleden. Anders belanden we voorgoed in het ‘lemon socialism’, privatisering van de lusten, socialisering van de lasten.
 
 illustr 3

Het alledaagse kapitalisme heeft, ook in zijn economische vermomming, alles te maken met culturele gewoonten, levenswijze, gender, ras en sexualiteit. Daarom wordt niet flauw gedaan over groepen die vanuit hun niche meehelpen de socialistische maatschappij dichterbij te brengen. Homo’s bijvoorbeeld krijgen meer negatieve belangstelling van de rechtse kerken dan positieve van de linkse beweging. Groepen als Queers for Economic Justice (9) dienen serieus te worden genomen.

GLOBAL  GOVERNANCE

Enkele uitgangspunten blijven onwrikbaar. Hoe realistisch is het bijvoorbeeld om de globale economie te willen reguleren zonder enige centrale planning? Maar enkel met planning en afspraken op hoge c.q. internationale niveaus, dreigen we er ook niet te komen. Weinigen weten nog dat er al decennia zoiets bestaat als een Socialistische Internationale (10). Naar eigen zeggen, of althans dat van haar President, heeft de SI een heus plan bij de hand. Het heet Global Governance,  globaal bestuur. Het betreft hier eigenlijk minder een stevig plan dan een zwak voornemen.
Een Commissie, voorgezeten door Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en met als lid onder vele anderen Elio Di Rupo, heeft opgeroepen tot de vorming van een nieuwe internationale financiële organisatie. De World Finance Organisation moet er komen naar analogie met de World Trade Organisation, maar mag de bestaande financiële instellingen als IMF en Wereldbank niet vervangen.
Bij monde van SI-President George Papandreou vernemen we de uitgangspunten. ‘De G20 is een stap in de goede richting maar ontoereikend. Grotere transparantie is gewenst. Strengere regulering. Sluiting van belastingparadijzen. Algemene globale normen.’
Vrome wensen dus waar zinnige mensen, zelfs de haaien van corporaties en banken, niet  principieel op tegen kunnen zijn. Echte controle houdt de Global Governance niet in petto. Ze is ook allerminst bedoeld als aanzet tot een wereldregering. Maar bij mislukking heeft de SI-voorzitter wel een dreigscenario klaar. Papandreou: ‘Als we er niet in slagen de globalisatie te democratiseren, zullen fundamentalisme en populisme de overhand nemen. Als we ons niet bezig gaan houden met de sociale problemen en de mensen weten te beroeren in hun machteloze onrecht, zal er gewelddadig protest uitbreken zoals afgelopen december in Griekenland.’
 
illustr 4

Daar werd de woede geloosd met straatguerilla en gedoofd met inzet van het leger. Het staat wel vast dat de Grieks-Amerikaanse voorzitter van de SI, die ook voorzitter is van de Griekse socialistische partij Pasok, zich beter thuis voelt in Davos dan in Porto Alegre. En met hem veruit de meeste van de 170 aangesloten leden/partijen. Van sommige kan men zich zelfs afvragen of ze überhaupt in een Internationale thuishoren. De Israëlische ‘socialist’ en SI-ondervoorzitter Ehud Barak, de held van Gaza, bijvoorbeeld.

RIJKELUISSOCIALISME

Regeringen praten en handelen alsof de recessie een soort natuurramp is, die te lijf kan worden gegaan met symptoombestrijding en liefdadigheid. Dat verwijt duikt meermaals op. E&F waarschuwen: ‘Niet de markt, niet de kapitalisten, niet een elitair groepje van Überplanners  laten we onze toekomst bepalen. Die moeten we voortaan zelf in handen nemen. Met drie principes voor ogen: planning, controle en solidariteit.’
Ook de uitdagingen zijn in een drievoud te vatten: Economy, Ecology, Empire. Met dat laatste worden de machtsverhoudingen in de wereld bedoeld, met of zonder behoud van het totnutoe heersende Amerikaanse overwicht. Maar de economie is veruit het meest dwingende issue.
Dat erkent ook de ervaren journalist (Los Angeles Times), professor en activist Robert Scheer, hoofdredacteur van de infowebsite Truthdig (11). Corporate Socialism, dat is wat ze ons in de maag willen splitsen, vindt hij. Dit ‘Socialism for the Rich’ is in volle opgang en niet sinds vandaag. Het presidentiële trio dat daarvoor verantwoordelijk is, bestaat uit de beide Bush-en met als trait-d’union Bill Clinton. De democraten zijn dus op zijn minst historisch medeplichtig. Een goed systeem van regelgeving, door Roosevelt ingevoerd na de Grote Depressie, is systematisch ontmanteld, afgebroken en verguisd.
En het gaat maar door. Redding van de auto-industrie? Waarom laten we ze niet rustig overgaan in handen van Japanners en Zuid-Koreanen?  De regering moet er maar op toezien dat de nieuwe eigenaren zorgen voor opvang en herscholing van werklozen, hun gezondheidszorg en gewaarborgde pensioenen. Wees mild voor de werkers en haal het geld waar het zit: bij de moguls, de hoge pieten die de Amerikaanse droom aan diggelen hebben geslagen. ‘De enige reden waarom ze nog niet in de gevangenis zitten voor hun verlakkerij is, dat ze hun pleitbezorgers hebben in het Congress. Die herschrijven de wetten zodanig dat de misdaad wettelijke regel wordt.’

KLEIN IS FIJN

illustr 4 b
Als het vroeger regende in Parijs, drupte het in Brussel. Als er nu gesjoemeld wordt in Wall Street, slaat de hele wereld tilt. Amerika is onze voor- en achtertuin, onze koepel en ons fundament. Maar er is nog leven buiten States, zo vernemen we in het The Nation-forum. Veel deelnemers verwijzen naar min of meer kleinschalige experimenten of evoluties die aan de ogen van het grote publiek onttrokken blijven.
Latijns-Amerika is een broeihaard van neosocialistische ijver. De stelregel luidt: zonder actie van onderuit zal er geen verandering bovenaan komen. Met gewapende revolutie zijn de ervaringen niet bemoedigend, zie de Sandinistas in Nicaragua. De sociale bewegingen in het continent heten nu een grotere uitdaging te zijn voor dereguleerders en privatiseerders, dan de georganiseerde arbeidersbewegingen in West-Europa en Noord-Amerika. In Venezuela, Bolivia, Ecuador en Paraguay hebben die bewegingen nieuwe regeringen aan de macht gebracht met een nieuwe radicale vorm van democratie. Hier wordt geprobeerd een mix te vinden van etatistische, sociale, coöperatieve, kleine privé- en individuele ondernemingen.  Van Cuba krijgen ze steun voor de installatie van gezondheidszorg en onderwijs. Als Cuba nu op zijn beurt van zijn bondgenoten leert wat politiek pluralisme is, kan het resultaat niet stuk. De instorting van de Argentijnse economie heeft geleid tot experimenten met arbeiderszelfbestuur, fabrieksbezettingen en districtsraden in Buenos Aires, waar de gezamenlijke toekomst wordt bediscussieerd. De Beweging van Landloze Arbeiders in Brazilië heeft de linkse president Lula aan de macht gebracht en weten te herverkiezen. De Zapatistas in Mexico? Je hoort er weinig van maar ze zijn er nog, nu al vijftien jaar lang (12).
 
illustr 5

Volgens activiste Rebecca Solnit moeten we niet zitten wachten op de revolutie, ze heeft al plaatsgehad. Niet het grijpen van de staatsmacht is het doel, wel het omzeilen en uiteindelijk elimineren van die macht. Het is geen wereldrevolutie maar een vorm van directe democratie. Er wordt aan gurrillalandbouw gedaan, in Detroit, in San Francisco en op andere plaatsen in de States. Coöperatieven verzorgen de basisbehoeften, voedsel om te beginnen. De revolutie slaagt bij stukken en beetjes. Nu is het zaak die beetjes te verbinden. ‘Klein is misschien niet altijd fijn, maar groot is in elk geval stom en lelijk.’ Solnits visie blijft niet onbetwist door andere Forumleden.

ENERGIEREVOLUTIE

Terug naar Europa, met Hobsbawm. Hoe komt deze oude marxist tot de verrassende conclusie dat in de gemengde economie onze enige redding ligt? Zijn dialectische redenering is helder in haar eenvoud.
De oude arbeiderspartijen, hun regeringen en beslissers, zijn verslaafd geraakt  aan de vrije-marktfaveurtjes die ze jarenlang gretig hebben opgesnoven. Ze gingen echt geloven dat de kloof tussen super-rijken en de rest er niet al te zeer toe deed, omdat ‘iedereen’ er toch beter van werd? Ze geloofden dat een land kon floreren met maximale economische groei onder alle omstandigheden, plus wat commerciële gehaaidheid. Ze gingen voetstoots aannemen dat de vrije ondernemingsgewijze aanpak in alles de beste was, het model der modellen ook voor openbare diensten, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Als de zich socialistisch noemende partijen dat alvast begrijpen is de crisis niet voor niets: economische groei is geen doel maar een middel. Economische groei mag gerust een middel zijn om de inkomens en consumptiemogelijkheden van het induvidu te vermeerderen. Maar het is vooral een middel om de hoop en levenskansen van mensen en gemeenschappen te verhogen.
Hobsbawm: ‘De proef op de som van een progressieve politiek is niet privé maar publiek. Amartya Sen noemt het ‘capabilities’ (13), toename van de mogelijkheden voor alle mensen om het soort leven te leiden dat ze willen. Het betekent noodzakelijk dat de overheid beslissingen neemt die ook de privé-vermogens betreffen. De non-profitsector moet in elk geval een openbare aangelegenheid zijn, geen privé-zaak. Nergens zal dit beter te merken zijn dan in de aanpak van het grootste probleem van de eeuw, de milieucrisis. Welke naam je daar ook op plakt, het zal altijd neerkomen op meer verwijdering van de vrijemarkt in de richting van overheidsingrijpen. En de tijd speelt niet in ons voordeel.’

Zo belanden we bij de vaststelling die we, lezend over socialisme, al eerder maakten: vanaf heden gaat de toekomst – voor zover voorradig – via de weg van de energietransitie (Rik Coolsaet). En wat Karl Marx betreft? Veel van zijn analyses en voorspellingen houden stand. Maar ook Marx was een kind van zijn tijd. Medio 19de eeuw was het ondenkbaar dat er een eind zou komen aan de industriële ontwikkeling, de economische groei en de toename van het welvaartsvolume. Een eind in de zin van OP=OP, een maatschappij waarin niets meer te verdelen alleen nog te redden valt, dat ging zelfs het begripsvermogen van de oercommunist te boven.
Peter Mertens, auteur en boegbeeld van de voorheen marxistisch-leninistische Partij van de Arbeid, citeert nu met instemming de anarcho-communisten van Greenpeace in hun pleidooi voor een ‘energierevolutie in Europa’. Weinigen die aanspraak maken op het label ‘socialistisch’ zullen dat tegenspreken.

Ook veel gehoord in deze kontekst: Geen Roden zo rood als de Groenen. En over liedjes gesproken, laten we hierbij een krachtig pleidooi houden voor de wederinvoering van de Protestsong (14).

(wordt vervolgd?)

———–
SHOPPING
————-

1  Eric Hobsbawm & reacties
http://www.guardian.co.uk/commentisfree/2009/apr/10/financial-crisis-capitalism-socialism-alternatives

2 The Third Way
http://news.bbc.co.uk/1/hi/uk_politics/458626.stm

3 Reimagining socialism
http://www.thenation.com/doc/20090323/ehrenreich_fletcher?rel=hp_picks

4 Newsweek
http://www.newsweek.com/id/183663

5 World Economic Forum
 http://www.weforum.org/en/index.htm

 6 World Social Forum
http://www.forumsocialmundial.org.br/index.php?cd_language=2

7 Parecon/Participatory Economics
http://www.zcommunications.org/zparecon/zpareconfaq.htm

8  Z Communications
http://www.zmag.org/

9 Queers for Economic Justice
 http://q4ej.org/about

10 Socialistische Internationale
http://www.socialistinternational.org/about.cfm

11 Robert Scheer
 http://www.truthdig.com/

12 Zapatistas
http://www.zapatistarevolution.com/

13 Amartya Sen
 http://en.wikipedia.org/wiki/Capabilities_approach

14 Woody Guthrie
http://www.woodyguthrie.org/Lyrics/Better_World.htm

  illustr 6

May 12, 2009 at 10:24 am Leave a comment

KNIESTUKJE 2: REACTIES

Ik dank al diegenen die me publiek via deze blog of privé via email aanmoedigende reacties gestuurd hebben. Sommige reacties zijn zelf kleine essays die de blog verrijken. Hieronder enkele reacties van mijn kant.

 

Over mijn stuk over de zelfdoding van Bettina Schardt vonden sommigen dat ik “nogal kort door de bocht ging”. Zoals Marcel opmerkte, het onderwerp is complex. Ik ben akkoord met Rikkie Van Lent die schreef: “ Dat neemt niet weg dat er aan de basis zelf, bij de meeste mensen in de verzorgingssector, de wil bestaat om een hoogstaande service aan te blijven bieden. Misschien moet de westerse beschaving ook eens in de leer gaan bij b.v. de Afrikaanse, waar het nog logisch is dat een ouder familielid door zijn nakomelingen wordt verzorgd maar daarnaast ook nog maatschappelijke taken blijft vervullen.”

Mijn intentie was niet kritiek op de verzorgers, maar aangeven dat het veraangenamen van de zonsondergang voor bejaarden makkelijk een maatschappelijk hoofddoel zou kunnen zijn: de wil en de middelen daartoe bestaan, net als voor zoveel ander zinnig werk dat nu niet of slecht wordt uitgevoerd omdat we de gevangenen zijn van een achterhaalde sociale orde.

 

Over mijn kritiek op links schreef Jaycee:

“De motor van onze economie, de bankindustrie, is nu gecrashed. Ik probeer met, samen met jou, een ander banksysteem met bijhorende wereld in te beelden. Maar het lukt me niet.
De schuld van links is, zoals je zegt, onmiskenbaar. Maar Links (van groenen over sociaaldemocraten tot communisten) hebben de ‘vrije markt’ niet uitgevonden. Dat deden de machtigen en de rijken, naar het woord van Adam Smith: ‘De regering is er om de rijken te beschermen tegen de armen.’ Help, Tom!”

 

Beste Jaycee, ik probeer me helemaal geen ander banksysteem in te beelden. Ik probeer me een wereld zonder banken in te beelden. Een economie met een andere motor, de collectieve noden van de mensheid. Links doet dat niet: die heeft de markt weliswaar niet uitgevonden maar intussen toch innig omarmd. Het klopt dat rechts er is “om de rijken te beschermen tegen de armen” maar links is er om het kapitalisme te beschermen tegen de werkende bevolking, tegen de armen, en soms zelfs tegen de rijken en tegen zichzelf.

 

In een genuanceerde reactie op mijn krisis-analyse schreef Patrick Decoodt onder meer:

“Ik vind volgende stelling dus onjuist :” De globalisering bevorderde bovendien een herverdeling van waarde op de markt die de winsten van de hoog ontwikkelde landen aandikt en die van de minder ontwikkelde afkalft.” De globalisering heeft de winst van een aantal grote multinationals aangedikt, hun gebruik van goedkope arbeidskracht is geglobaliseerd zoals je goed uitlegt. Het klopt m.i. niet dat de arme landen waarin de uitbuiting van lokale arbeid door multinationals is toegenomen “afkalvende winsten” hebben, zelfs niet dat ze armer zijn geworden. China of India, zowel Staat als bevolking, zijn nu toch niet gemiddeld armer dan 20 jaren terug.”

 

Beste Patrick, ik beweer ook niet dat ze armer zijn geworden. Hun integratie in de wereldmarkt heeft ongetwijfeld hun productiviteit verhoogd en hun export-winst heeft een multiplicator-effect op de binnenlandse economie. Maar dat op zich weerlegt de stelling niet dat er op de wereldmarkt een voor bedrijven uit die landen ongunstige ruilvoet tot stand komt. Niet de hele economie wordt versluisd naar landen als China en India, wel ‘fordistische’ industrie, klassieke grootschalige massaproductie wiens winstvoet in de eerste grote naoorlogse krisisperiode (de jaren 1970) fors gedaald was. Maar de overgrote meerderheid van de ‘cutting edge’-bedrijven in alle sectoren blijft in handen van westers/Japans kapitaal. Mijn stelling is dat die bedrijven, omdat zij de beste middelen hebben om door technologische vernieuwing hun kosten voortdurend onder de gangbare norm te brengen en om nieuwe producten op de markt te brengen, een meerwinst aan hun prijzen kunnen toevoegen die ze enkel aan hun superieure marktpositie danken. Maar dit is een onderwerp waardoor ik me hier niet wil laten meeslepen, uit vrees om de aandacht van mijn toch al niet zo talrijke lezers te verliezen.

 

Tenslotte nog een bloemetje voor deze nuchtere observatie van Marcel Grauls:

“Economie wordt vaak als een exacte wetenschap voorgesteld: wiskunde, curven, tabelletjes en zo. Dat ergert me. Maar het is wel degelijk alfa, niet beta. Je kunt Nietzsche en Aspe al even makkelijk in curven stoppen.”

 

December 30, 2008 at 8:18 am Leave a comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,637 other followers