Posts tagged ‘Lumumba’

BRUSSEL 1967

door Lucas Catherine

U kent het spreekwoord ‘als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel’. In 1967 was dit zeker niet zo: hier regende het al lang voor het een jaar later in mei in Parijs begon te druppelen. Daarom dat ik al die expo’s hier over Parijs-Mei 68 zo beu ben. 1967 was in Brussel een wonderjaar, zou Hendrik Conscience geschreven hebben, maar wat hier in 1967 gebeurde had natuurlijk te maken met het onweer in Leuven in mei 1966.

We leefden in een CVP-staat waar de Kerk meer macht had dan goed voor ons was. De bisschoppen zouden het in Leuven laten merken met hun fameus ‘mandement’ tegen Leuven Vlaams, daarbij gesteund door de CVP onder leiding van Paul Van den Boeynants. Zelf heb ik die verstikkende CVP-staat voor het eerst ondervonden toen ik na mijn Brusselse collegejaren besloot om in Leuven linguistiek te gaan studeren. De sfeer op die univ was bekrompen, drukkend zelfs en dat voor iemand als ik die toch uit een katholiek college kwam. Niet alleen viel die linguistiek tegen: één uur en dat was het, en voor de rest werd je opgeleid om kinderen de verbuiging van der, die, das aan te leren en ze erop attent te maken dat Shakespeare niet vervelend was. Maar wat erger was: we moesten twee uur kerkgeschiedenis volgen en dan nog eens metafysica, een soort gecamoufleerde godsdienstles waarin ‘bewezen’ werd dat god bestond, dat Sartre een onbenul was en de nazi Heidegger de grootst levende filosoof. En sex bestond nog niet. Ludo Martens werd van de universiteit gestuurd, niet omwille van zijn politieke ideeën maar omwille van het sex-nummer van het studentenblad Ons Leven, waar hij verantwoordelijk voor was. Het academiejaar was dan ook nog maar halfweg of ik schreef me in aan een Brusselse filmschool. Het linkse Brussel van 1967 dat niet te lijden had onder de verstikkende CVP-staat, ook al werd die toen geleid door de Brusselaar Paul Van den Boeynants.

Het Brussels filmmuseum, onderleiding van oud-verzetsman Jacques Ledoux, organiseerde in Knokke in 1967 een Experimenteel Filmfestival. Daar waren niet alleen experimentele films te zien, maar je kon er ook homo-erotische films bekijken van een Griek wiens naam ik ben vergeten en dat in het Casino van Knokke. En, er was ook spektakel: een Japanse jonge dame begon zich op de galatrappen uit te kleden en kroop poedelnaakt in een grote zwarte zak om niet meer te verroeren. Ze heette Yoko Ono – toen nog nooit van gehoord. (1) Hugo Claus liet er zijn versie van Marieke van Nijmegen opvoeren. “Masscheroen en God,” of beter “de Drievuldigheid,” werd gespeeld door drie naakte mannen, waaronder de directeur van mijn school, Rudi Van Vlaenderen. Naar aanleiding van mei 68 in Parijs werd het later ook nog eens opgevoerd in de Brusselse Bozar.

Masscheroen (Rudi Van Vlaenderen is de man in het midden)

Als Claus blote mannen toont, ik een blote vrouw dacht de toen nog onbekende Jef Geeraerts en in dat zelfde Bozar werd in datzelfde jaar 1967 zijn “Zeven Doeken van de Schepping” opgevoerd in een regie van een leraar van ons, Dré Poppe – later stichter van NTG-Gent- en de blote vrouw werd gespeeld door zijn dochter Martine Poppe en dat was een schoon kind. Ik kon het weten want ze vrijde toen met mijn boezemvriend. Wij daar naartoe, maar buiten het beeld van Martine herinner ik mij niets meer van dat stuk, behalve een onnozele haikoe die erin werd gedebiteerd: ‘De zon komt op, De Zon gaat onder, Langzaam telt de Chinese boer zijn kloten’. Geeraerts was toen al overroepen.

Maar de censuur sloeg ook in Brussel toe, en wel bij de interessantste, meertalige boekhandel rechtover Bozar, Librarie Corman. Mathieu Corman(2) was een communist met anarchistische neigingen die nog in de Spaanse burgeroorlog bij de Durutticolonne had gevochten en wars was van elke censuur.

Mathieu Corman in Asturië

Het is in zijn boekhandel dat in 1969 van dezelfde Geeraerts, “Gangreen I” kortstondig werd aangeslagen. Maar je vond er naast artistieke, literaire of libertijnse boeken – ik kocht er mijn eerste nummers van Hara Kiri – heel veel politiek. Zo alles wat Francois Maspéro in Parijs publiceerde. Als ik door mijn bibliotheek ga vind ik er nog van terug: ‘La Guerre de Guérilla’ van Che Guevara, ‘Guerre du Peuple, armée du peuple’ van Vo Nguyen Giap, de Vietnamese generaal die de Fransen versloeg in Dien Bien Phu, alles uit 1967.

In januari van datzelfde linkse wonderjaar 1967 wou Rudi Barnet – nu als 80-jarige actief in de BDS-beweging tegen Israël – het stuk van Aimé Césaire opvoeren over de moord op Lumumba, “Une saison au Congo.” Geen enkel theater durfde het aan, ook al kreeg hij de steun van Hugo Claus en vele anderen, waaronder mijn directeur Rudi Van Vlaenderen. Het werd een opvoering in een klein cultureel centrum in Anderlecht, met alle politie-intimidatie die er bij hoorde. De rol van generaal Janssen was voor Rudi Van Vlaenderen.

Une Saison au Congo

Tot slot was er de impact van de Chinese Culturele Revolutie, zonder dat de studenten De Gedachten van Mao Tsetoeng hadden gelezen vielen ze voor de man en wel hierom. Toen de studenten daar in Peking zich roerden tegen de bureaucratie van het regime door dit op grote muurkranten (Dazibao) te verkondigen kregen ze onverwachte steun van de Grote Roerganger die hen met een eigen dazibao aanmoedigde om in heel China het stof van de oude cultuur te doen wegwaaien. Dat was wat anders dan Leuven of België. Groeperingen die zich naar Mao’s voorbeeld marxistisch – leninistisch gingen noemen sproten dan ook op in Brussel: Mao Spontex, UUU-Université-Usine-Unité, UCMLB, dat later opging in Amada, nu PvdA en zelfs de officiële KP kende een splitsing. Brussel en later heel België zou nooit meer de ‘rust’ kennen die de CVP-staat zo wenste. De meeste partijen werden gesplitst en ook de staat. Alle rust was weg want zoals Bertold Brecht over de revolutionair al dichtte: ‘waar hij gaat zitten, gaat ook de onrust zitten.’ Ik was toen twintig en ben nog altijd tamelijk ‘onrustig’.

(1) De toenmalige BRT heeft het optreden van Yoko Ono gefilmd, net als de opvoering van Masscheroen. Beide opnames werden door de BOB (Bijzondere Opsporingsbrigade) in beslag genomen en deze historische documenten van onschatbare waarde zijn daarna verdwenen in de krochten van het justitiepaleis.

(2) Over de ongemeen boeiende figuur van Mathieu Corman presenteerde journaliste-filmmaakster Greet Brauwers haar documentaire vorige zomer op Theater aan Zee in Oostende. Zie: https://www.hln.be/regio/oostende/-hij-was-zoveel-meer-dan-boekhandelaar~ab93e5fe/

Zie ook: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2014/12/van-durruti-naar-corman.html

 

 

 

 

October 6, 2018 at 10:54 am 4 comments

HET CONGOLESE VERLEDEN VAN DE PVDA

door Walter Zinzen

‘Waarom wordt alles wat extreemrechts doet steeds onder de loep gelegd en is dat niet het geval voor extreemlinks?’, vroeg de Antwerpse burgemeester zich onlangs af. Het moet een retorische vraag geweest zijn, want hij kent het antwoord natuurlijk maar al te goed. Vlaams Belang is een voor racisme veroordeelde partij, die niet tot inkeer is gekomen. Van de PVDA daarentegen kan je veel slechts denken, maar racistisch is ze niet. En ze is de beginselen van de parlementaire democratie toegedaan.

Voor deze partij is een cordon sanitaire overbodig, hoewel Gwendolyn Rutten (Open VLD), Bart De Wever (N-VA) en Rik Torfs daar kennelijk geen bezwaar tegen zouden hebben. Bij de SP.A zijn er lieden, zoals voorzitter Crombez, die overwegen om niet alleen samen met Groen, maar ook met de PVDA naar de kiezer te trekken. Dat lokt dan weer verontwaardigde reacties uit bij andere SP.A’ers: de PVDA heeft contacten met Noord-Korea en vindt Castro geen dictator, met die partij mag niet worden samengewerkt. Waarop de PVDA-voorzitter dan weer zucht dat hij verlost wil worden van de schaduw van het verleden. Daar willen we hem graag in volgen. Laten we dus even naar dat verleden kijken.

Ludo Martens in 1979

Ludo Martens in 1979

Toen Amada (Alle Macht aan de Arbeiders) op een congres in 1979 vervelde tot Partij van de Arbeid, stelde voorzitter Ludo Martens een gastspreker voor: Laurent-Désiré Kabila, vader van de huidige Congolese president Joseph Kabila. Martens zou later een boek publiceren over Kabila de oude, om aan te tonen dat die een echte revolutionair was, een nieuwe Lumumba (in de dagboeken van Che Guevara, die zijn revolutie naar Congo probeerde te exporteren, wordt Kabila evenwel een hoerenloper, dronkenlap en luiaard genoemd). Toen zijn idool in 1997 dictator Mobutu opvolgde als Congolees staatshoofd, verkaste Martens naar Kinshasa om er Kabila te adviseren. Hij slaagde erin de woede op te wekken van Louis Michel (MR), toen Belgisch minister van Buitenlandse Zaken, wegens ‘anti-Belgische’ drijverijen. Kabila werd in 2001 vermoord en Martens overleed in 2011.

Laurent-Desire Kabila

Laurent-Desire Kabila

Als de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter is met de PVDA erbij, tja, dan moet het maar.

Behoort dit alles tot een verleden dat huidig voorzitter Mertens niet met zich wil meeslepen? Geenszins. Voor de PVDA van vandaag is ook zoon Kabila een volgeling van Patrice Lumumba, die streeft naar échte onafhankelijkheid. Dat diezelfde Kabila van Congo een graailand heeft gemaakt om zichzelf en zijn familie schaamteloos te verrijken (zoals in een uitvoerig gedocumenteerde studie van Bloomberg onlangs is aangetoond) zal de lezer van het partijblad Solidair niet te weten komen. Zoals ook de moorden, folteringen en willekeurige arrestaties door Kabila’s veiligheidsdiensten onbesproken blijven. Dat is allemaal westerse propaganda. Net zoals wijlen Martens de misdaden van Stalin nazipropaganda noemde, die nadien door het Westen is overgenomen. Martens was trouwens een verwoede vijand van Fidel Castro, die volgens hem een bondgenoot was van de ‘valse communisten’ in Moskou. Wat dat betreft is er wel degelijk een breuk met het verleden.

De vraag is of dit soort aberraties een bondgenootschap met andere linkse partijen onmogelijk moet maken. Een aanbeveling is het zeker niet, maar op gemeentelijk vlak zal het niet zoveel uitmaken wat de PVDA over Congo en andere buitenlanden denkt. In Borgerhout bestuurt de partij nu al mee, kennelijk tot tevredenheid van de partners. Maar wie overweegt het bed te delen met de PVDA moet wel goed weten wat voor vlees hij in de kuip heeft. En moet, vooral, nagaan of een samenwerking niet meer kiezers verjaagt dan aantrekt. En of coalities met bijvoorbeeld CD&V nog mogelijk zijn. Zeker in Antwerpen is dat geen overbodige vraag. Maar als blijkt dat de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter wordt met de PVDA erbij , tja, dan moet het maar. ‘Restafval’, het zou wel eens een geuzennaam kunnen worden.

dit stuk verscheen in De Standaard, vrijdag 6.1

January 6, 2017 at 2:54 pm Leave a comment

LUMUMBA: DOOD MAAR NIET BEGRAVEN

 

concept Piet Wittevrongel

concept Piet Wittevrongel

door Jef Coeck

Maandag 18 januari 2016 is het 55 jaar geleden dat de eerste democratische premier van de eerste onafhankelijke republiek Congo, Patrice Lumumba, na een macaber voorspel van vele maanden doelbewust om het leven werd gebracht door een Belgisch-Amerikaanse coalitie van politici, geheime diensten en staatshoofden. En wie weet, van nog meer sinister volk?

Het is merkwaardig dat de mainstream press in België – met uitzondering van het weekblad Knack – collectief is vergeten haar vooruitzichtenkalender te raadplegen. De Nederlandse zender NPO2 had wel in haar archieven gekeken: een vol uur Lumumba op zondagavond. 18 januari 1961 moet in elke Belgische journalisstenagenda staan aangekruist als ‘to remember’, een quotering die in dit geval aardig wat copij had kunnen opleveren. Het is des te spijtiger dat het stuk in Knack vergald wordt door de verwarrende en dus foute titel: ‘Nieuwe onthullingen/ Hoe Eisenhower het doodvonnis van Lumumba tekende.’ Voor de goede orde: Eisenhower, president US, deed dat wel degelijk maar het was al lang en breed bekend voor wie de zaak een beetje gevolgd had en dus alles behalve een nieuwe onthulling.

lum 8
Hiervoor baseer ik mij met name op het standaardwerk van de Amerikaanse journalist/docent, Pulitzerwinnaar en kenner van de geheime diensten, Tim Weiner. In zijn boek ‘Legacy of Ashes’ (Ned. vert. Een spoor van vernieling) uit 2007 draait hij niet om de hete brij. In deze geschiedenis van de geheime dienst CIA zijn meerdere pagina’s gewijd aan het ‘geval Lumumba’. Vermits blijkbaar weinigen in dit land het boek gelezen hebben, zal ik er ruim (zij ingekort) uit citeren.

Augustus 1960

‘Tijdens een vergadering van de Nationale Veiligheidsraad gaf de president de directeur van de inlichtingendienst de opdracht de man te elimineren die door de CIA werd beschouwd als de Castro van Afrika – Patrice Lumumba, de premier van Congo.
Lumumba was via vrije verkiezingen gekozen en hij had de VS om steun gevraagd toen zijn natie het wrede koloniale juk van België afschudde en in de zomer van 1960 de onafhankelijkheid uitriep. Amerikaanse hulp kwam nooit omdat de CIA Lumumba beschouwde als een door drugs benevelde communistische sukkel. Dus toen België paratroepers begon te sturen om in de hoofdstad orde op zaken te stellen, accepteerde hij vliegtuigen, voertuigen en ‘technici’van de Sovjets ter ondersteuning van zijn nauwelijks functionerende regering.

De week waarin de Belgische soldaten arriveerden, stuurde Dulles (hoofd van de CIA/jc) Larry Devlin, hoofd van de standplaats in Brussel, om de leiding over de CIA-post in Kinsjasa op zich te nemen en Lumumba tot doelwit van een geheime operatie te maken. Op 18 augustus, na een verblijf van zes weken in het land, telegrafeerde Devlin het CIA-hoodkwartier:
CONGO ONDERGAAT KLASSIEKE POGING OVERNAME DOOR COMMUNISTEN. (…) ONGEACHT OF LUMUMBA ECHT COMMUNIST IS OF COMMUNISTENSPEL SPEELT (…) ER REST WELLICHT WEINIG TIJD VOOR ACTIEF INGRIJPEN OM TWEEDE CUBA TE VOORKOMEN.

Allen Dulles sprak de kern van die boodschap diezelfde dag uit op de vergadering van de Nationale Veiligheidsraad. Overeenkomstig een geheim getuigenis dat jaren later ten overstaan van de Senaat werd afgelegd door de notulist Robert Johnson, richtte president Eisenhower zich tot Dulles en zei hem onomwonden dat Lumumba diende te worden geëlimineerd (zie noot 1/jc). Na een dodelijke stilte die zo een vijftien seconden duurde, ging de vergadering verder.

Dulles telegrafeerde acht dagen later: HIER OP HOOFDKWARTIER IS EENDUIDIGE CONCLUSIE DAT ALS LLL (codenaam Lumumba) AAN BEWIND BLIJFT, HET ONVERMIJDELIJKE RESULTAAT CHAOS ZAL ZIJN EN IN ERGSTE GEVAL WEG VRIJMAAKT VOOR OVERNAME CONGO DOOR COMMUNISTEN (…) WIJ CONCLUDEREN DAT ZIJN VERWIJDERING URGENT HOOFDDOEL IS EN ONDER HUIDIGE VOORWAARDEN EEN VAN DE HOOGSTE PRIORITEITEN MOET ZIJN VAN ONZE GEHEIME OPERATIE. VANDAAR DAT WIJ U RUIMERE BEVOEGDHEID GEVEN.

Boudewijn, Lumumba, Kasa Vubu

Boudewijn, Lumumba, Kasa Vubu

De voorbereiding

Sidney Gottlieb, de meester-chemicus van de CIA met een klompvoet, bracht per vliegtuig een tas met flesjes vol dodelijk gif naar de Kongo en overhandigde die aan het hoofd van de CIA-post. Er zat ook een injectiespuit bij om de dodelijke druppels in voedsel, drank of een tube tandpasta te injecteren. Het was Devlins taak Lumumba van het leven te beroven. De twee mannen hadden een nerveus onderhoud in Devlins appartement in of rond de nacht van 10 september. ‘Ik vroeg wie de opdracht had gegeven om die instructies over te brengen’, verklaarde Devlin onder ede tijdens een geheime verklaring die in 1998 werd vrijgegeven. Het antwoord was ‘de president’.

Devlin verklaarde dat hij het gif in zijn kantoorkluis opborg en zich het hoofd brak over wat hij moest doen. Hij herinnerde zich dat hij dacht: Ik zou verdomme wel gek zijn dat rond te laten slingeren. Na verloop van tijd nam hij de gifflesjes mee naar de oever van de Kongo en begroef ze. Hij zei dat hij zich schaamde voor de opdracht Lumumba te vermoorden. Hij wist dat de CIA wel andere middelen tot zijn beschikking had.
De trein valt niet te stoppen

De inlichtingendienst had de volgende leider van de Kongo al geselecteerd: Joseph-Désiré Mobutu, ‘de enige man in de Kongo die in staat is krachtig op te treden’, zoals Dulles de president vertelde tijdens de vergadering van de Nationale Veiligheidsraad op 21 september. De CIA voorzag hem begin oktober van een kwart miljoen dollar (zie noot 2), gevolgd door zendingen wapens en munitie in november. Mobutu nam Lumumba gevangen en bracht hem, in de woorden van Devlin, in handen van een ‘gezworen vijand’.

Lum 6

De CIA-basis in Elisabethstad, diep in het hart van de Kongo, rapporteerde dat ‘een Belgische officier van Vlaamse origine Lumumba executeerde met een reeks kogels uit een machinepistool’ twee dagen voor de volgende president van de Verenigde Staten werd geïnstalleerd. (De inauguratie van JFK als opvolger van Eisenhower vond plaats op 20 januari 1961/ jc)

Met de aanhoudende steun van de CIA verwierf Mobutu uiteindelijk de volledige controle over de Kongo na een strijd om de macht die vijf jaar duurde. Hij was voor de inlichtingendienst de favoriete bondgenoot in Afrika en tijdens de Koude Oorlog het centrum voor geheime Amerikaanse operaties over het hele continent. Hij regeerde gedurende drie decennia als een van de meest wrede en corrupte dictators die voor miljoenen dollars aan staatsinkomsten achteroverdrukte afkomstig van de verkoop van diamanten, mineralen en strategische metalen, en hij slachtte enorme aantallen mensen af om zijn macht veilig te stellen.’ (tw)

Lum 2
NOOT 1

Er is overweldigend bewijsmateriaal dat Eisenhower Lumumba dood wilde hebben. Er kan geen twijfel over bestaan dat ‘elimineren’ in dit geval de fysieke daad betekent. (Overigens geldt bij de CIA e regel dat voor politieke moorden enkel de president toestemming kan geven.)‘De president wilde dat een man die hij als een doortrapte schurk en een uiterst gevaarlijk man zag – net als heel veel anderen onder wie ik – uit de weg werd geruimd. Dat zei Richard Bissell later in een oral-history-vraaggesprek voor de presidentiële bibliotheek van Eisenhower. Bissell was een hoge boss van de CIA, die onder meer de (mislukte) invasie van de Varkensbaai op Cuba organiseerde.
Bissell: ‘Ik twijfel er niet in het minst aan dat hij (de president) wilde dat Lumumba uit de weg werd geruimd en hij wenste dat hartgrondig en meteen, als een urgente en zeer belangrijke aangelegenheid.’ Dat is dus volledig in overeenstemming met het telegram dat Allen Dulles naar zijn ondergeschikte, de uitverkoren moordenaar Larry Devlin stuurde.

NOOT 2

Een persoonlijke getuigenis van betalingen aan de bondgenoten van de CIA in Congo, is afkomstig van Owen Roberts, later Amerikaans ambassadeur onder president Ronald Reagan. Roberts was in 1960 (bij de Congolese onafhankelijkheid) DE expert over Congo op het inlichtingen- en onderzoeksbureau van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington. Hij had twee jaar in de Congolese hoofdstad gediend en was de eerste Amerikaanse ambtenaar van BZ die alle nieuwe leiders persoonlijk kende. Hij onthulde onder meer dat de Congolese delegatie bij de Verenigde Naties geld kreeg van de CIA.

————————–Lum 7

Bronnen:

* Tim Weiner, Een spoor van vernieling, De geschiedenis van de CIA, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007
* Luc De Vos, Emmanuel Gerard, Philippe Raxhon, Jules Gérard-Libois, ‘Lumumba/De complotten? De moord’, Davidsfonds, Leuven, 2004
* Manu Ruys, Waarom Lumumba moest sterven, Pelckmans, Kapellen, 2000
* Ludo de Witte, De moord op Lumumba, Van Halewyck, Leuven, 1999
* Walter Pauli, Nieuwe onthullingen: Hoe Eisenhower het doodvonnis van Lumumba tekende, in Knack van 12 januari 2016

In deze lectuur vindt u ook wat er vooraf ging aan de moord en wat er met het lijk van Lumumba gebeurde. (jc)

January 17, 2016 at 7:46 pm 4 comments

BRIEF AAN MOÏSE TSHOMBE (1919-1969)

door Luc Leysen 

“Der Mohr hat seine Arbeit getan, der Mohr kann gehen.”
(Friedrich von Schiller, “Die Verschwörung des Fiesco zu Genua”, 3de bedrijf, 4de scène)

Ik ken u, Meneer de President. Ik ken u, Moïse – mag ik “Moïse” zeggen? Met deze ontzagwekkende voornaam, de Franse versie van het Bijbelse “Mozes”, heeft uw zeer gelovige en zeer ondernemende vader u immers het leven ingestuurd. Maar wees gerust, Excellentie: ik zal het wel keurig bij een vormelijk “u” houden. Al in de jaren vijftig waren de Belgische koloniale notabelen van de koperstad Elisabethville het er over eens: aan de bar van de Lido monkelden zij over hun whiskyglas heen, dat die Moïse Tshombe toch maar de enige nikker was waar men “vous” tegen zei.

Ik ken u, Moïse. Ontmoet hebben wij elkaar nooit. Maar u bent er in mijn leven wel altijd geweest. Als schoolknaap hing ik met mijn oor aan de Grundig Musikbox om uw fratsen te volgen: de Rondetafelconferentie in Brussel, de viering van de Congolese onafhankelijkheid in Kinshasa – en dan: de dappere secessie van uw eigen provincie, de Onafhankelijke Staat Katanga. Wist ik toen veel dat het om een illegale, lucratieve stunt van het Koninkrijk België en de kopergigant Union Minière ging. Met heimelijke bewondering zag ik, een kind van de koude oorlog, de Brusselse jeunesse dorée met rood-wit-groene Katangese nummerborden op hun sportwagentjes door de stad scheuren. Achter een renaissancegevel aan de Madeleinekerk, in het luxueus ingerichte “Maison du Katanga”, deelde men zelfs aan schooljongens glossy foldertjes en zelfklevers uit. Een jaar of vier eerder had men ons een lapje stof met de Magyarenvlag en de woorden “Hongarije – wij helpen” op de mouw gespeld, letterlijk. En nu was er weer zo’n symbool, het fraaie wapen van een kersverse republiek, die zich te midden van de Congolese chaos tot bastion tegen de communisten in Afrika proclameerde. Offficieel onder uw hoede. Er lagen nogal wat kolonies in de buurt waar men nog lang niet aan onafhankelijkheid dacht, Mozambique, Angola, Rhodesië, dat was handig. Binnen een week hadden jullie een vlag, een grondwet, een volkslied, eigen postzegels, een Katangese franc, en zelfs een bereden Garde Républicaine. Allemaal door rechts België geritseld.

U viel op tussen dat zootje ongeregeld

Later, veel later zou ik wijzer worden. Maar tóen was u, Mijnheer de President, de enige Congolese politicus waar wij niet meewarig over deden. U was een commerçantenzoon. U viel op onder dat kakelende zootje ongeregeld, met hun pronkerige Pontiacs en hun vlinderdasjes. Die vieze Lumumba, dat was vast ook zo een opschepper. Uw lange lijf, dat zagen we op de televisie, zat keurig in het pak. En u kon het goed uitgelegd krijgen, in een zeer behoorlijk Frans.

Maar de wereld was tegen u. Na amper drie jaar was het Katangese avontuur voorbij. Alle sympathiebetuigingen uit Laken, alle geld van de Union Minière en alle bloedige wapenfeiten van de “affreux”, uw kranige blanke huurlingen hadden niet mogen baten. Toen de Belgen begonnen hun koperroyalties niet aan u maar direct aan het centrale gezag in Léopoldville over te maken, was het uit. De UNO-troepen maakten er definitief een eind aan. Weet u nog, Moïse, die gruwelijke beelden van dat Belgisch koppel met hun Duitse herdershond in een witte Kever op een uitvalsweg van, was het Jadotville, die door Indische blauwhelmen onder vuur werden genomen? Hoe die bebloede man zich op het lijk van zijn vrouw stortte? Journaalbeelden van toen die blijven kleven. (Een scène trouwens die David Van Reybroucks vader, blijkens zijn prachtige Congoboek, live heeft meegemaakt).

Een Belgisch complot

Achteraf bekeken is het beschamend hoe weinig ons die tienduizenden zwarte lijken bijgebleven zijn. En één daarvan kregen we helemaal niet te zien: dat van de charismatische premier Patrice Lumumba, die zowat dé symboolfiguur was geworden van alle verdoemden der aarde. Die moord was een Belgisch complot, maar u hebt ze, Excellentie, met grote gretigheid gedoogd, en daarmee de hele derde wereld tegen u in het harnas gejaagd. Wat u met die andere moord te maken had, toen de DC-6 van de goedogende, lastige UNO-Secretaris-Generaal Dag Hammarskjöld in het grensgebied met Rhodesië neerstortte, daarover is het laatste woord nog niet gesproken.

U stierf in gevangenschap

Ik ken u, Moïse, ook al werd het na Katanga stil om u. U maakte nog een korte comeback als premier van de gehele republiek Congo. Maar toen werd u door Mobutu gewipt, en moest u in Spanje als zakenman aan de kost zien te komen. Tot één van uw obscure businesskornuiten u in een privévliegtuigje ontvoerde naar Algerije. Daar stierf u in gevangenschap, alleen en door uw schone vrienden uit Brussel, Parijs en Washington verlaten. Een hartkwaal, zei men. In 1969 stond ik zowaar aan uw graf, als kersverse verslaggever voor de Duitse televisie. Ik hoor nog het schrille gekrijs van de klaagvrouwen. Ik wachtte voor de deur van het methodistische kerkje in de Brusselse Marsveldstraat en volgde u, in uw laatste Amerikaanse limousine, naar het vertrouwde Wezembeek-Oppem, want daar ligt de druilerige begraafplaats van de Brusselse gemeente Etterbeek. En daar bent u nog steeds, onder een onopzichtige donkere grafplaat met enkel uw naam erop. Het is een smaad voor elke Afrikaan om niet in de aarde van zijn voorvaderen begraven te worden. Maar zou het misschien kunnen, gezien uw antecedenten, dat de Belgische klei u net zo lief is?

Uw gezicht op de montagetafel

Honderden keren heb ik later, toen ik al wat bijgeleerd had, de frames van uw gezicht op de montagetafel één voor één revue laten passeren: archieffilmbeelden, 16mm in zwart-wit, waar ik gebruik van maakte voor documentaires over Congo, en over de criminele blunders van de Belgische dekolonisering. Onderwerpen die hier te lande niet meteen aan de grote klok werden gehangen. Die onfrisse Congo met al zijn gedekte potjes, die hoorde thuis in het mijnenveld van de binnenlandse politiek. Maar in het onwennig democratische Duitsland van Willy Brandt zonden ze zoiets uit. Uitgestreken, uw tronie, behalve een lichte frons, expressieloos, alles onder controle, steeds beschaafd. En altijd geflankeerd door witte gezichten. Honderden keren ben ik u toen ook tegengekomen in gesprekken met kroongetuigen uit de glorietijd van uw grootste bravourestuk, de afscheuring van Congo’s rijkste provincie. Met huurlingen, adviseurs en collega’s. In Brusselse soldenierskroegen of op Afrikaanse barza’s. De blanken maakten neerbuigende grapjes over u. De zwarten waren woest, of schaamden zich. Een volksheld, Moïse, was u duidelijk niet. Ik ben in de jaren zeventig naar Katanga gevlogen. Dat moest ondertussen Shaba heten, vanwege de authenticité, die samen met andere draconische maatregelen vanuit de hoofdstad door uw erfvijand Mobutu was uitgevaardigd. In Lubumbashi, ex-Elisabethville, werd nadrukkelijk over u gezwegen. Maar helemaal dood was u niet: tot tweemaal toe probeerde uw gewezen Katangese gendarmenleger vanuit Angola de stad Kolwezi te heroveren, en telkens bracht het Franse en Belgische para’s op de been.

Dat zoete, brutale, vleselijke, onvoorspelbare continent

En dan heb ik u herkend, Moïse, keer op keer, toen ik mij als vaste correspondent in Afrika mocht onderdompelen. In dat zoete, brutale, vleselijke, onvoorspelbare continent, normaal gesproken het fatsoenlijkste van de wereld, maar steeds vaker ten prooi aan brachiale gruwel. Ik heb u herkend in de lankmoed en de hoffelijkheid van duizenden Afrikanen. Van staatshoofden en marktvrouwen, schoolmeesters en zakenlui, hoertjes en boertjes, plaatslagers en prinsen. In Sierra Leone of in Zambia, in Senegal of in Kameroen. En in Congo, natuurlijk. Zij vertelden honderduit over hun toekomstvisioenen, zoals u dat ook zo goed kon. Enkele van uw geschriften en speeches klinken werkelijk als een blauwdruk voor een nieuw, welvarend, multiraciaal en harmonisch Afrika. Uw trouwe bewonderaars, want die zijn er nog steeds, in Europa én in Afrika, zien u zelfs als een soort Nelson Mandela avant la lettre.

Het presens is in Afrika niet zo in trek

Maar in de loop van mijn Afrikaanse jaren werd ik almaar sceptischer over mijn zwarte gesprekspartners. Hun grammatica verried ze. Zij bezigden enkel de verleden tijd (over de nefaste gevolgen van slavenhandel en kolonialisme) of de toekomstige (over de grandioze toekomst die hun en hun land vast wel te wachten stond). Geen woord over wat zij hier en nu dachten te ondernemen tegen hun condition inhumaine. Het presens is in Afrika niet zo in trek.

Of was er – zo broedde ik nachtenlang in één of andere groezelige, door een aftandse Chinese ventilator gekoelde hotelkamer – met al die gesprekken misschien iets anders aan de hand? Zou het kunnen dat u, Moïse, en al die anderen, stelselmatig enkel die praatjes opdreunden, waarvan jullie dachten dat ze de witmens wel konden behagen? In dat geval: chapeau! Maar dan dringt zich tevens een treurige vraag op. De schrijver Rudyard Kipling (jawel, die van het Jungleboek) vatte zijn ervaringen in het koloniale Indië samen met de woorden: “Oh, East is East and West is West, and never the twain shall meet”. Anders gezegd: tussen beide zal steeds een fundamenteel misverstand heersen. Geldt dat soms ook voor “black and white”? En bent u, Moïse, daar dan niet het zinnebeeld van?

Enkel een marionet?

Toen ik het met mijn vriend Yemi in Lagos over u had, mailde hij terug: “Tshombe! Die verrader! Of was hij misschien toch een oprechte nationalist?” Was u, zoals u nu al onherroepelijk de geschiedenis bent ingegaan, enkel een marionet in de handen van Belgische dorpspolitiekers en koperbaronnen? Of had u heel die tijd stiekem misschien toch een eigen agenda, een koene visie voor Afrika, vanuit uw oereigene wortels – iets wat uw werelddeel en vooral uw geschonden vaderland momenteel goed kunnen gebruiken?

Manu Ruys van De Standaard

Kunt u zich nog Manu Ruys herinneren, die jonge verslaggever van “De Standaard”, toen? In zijn huis aan zee vertelde hij mij na enige aarzeling, dat hij u een Afrikaanse VDB vond – Van Den Boeynants, de naoorlogse sjoemelpoliticus uit het moederland, die als geen ander politiek met nering wist te verzoenen. Of die Duitse ambassadeur die zo met u dweepte, Burkhard Baron von Müllenheim-Rechberg? Als bejaarde ex-diplomaat schreef hij een boekje over u. Citaat: “Voor het welzijn van Afrika hadden er veel meer Tshombe’s moeten zijn. Maar op z’n eentje werd hij de zondebok voor alle frustraties van het Afrikaanse nationalisme. Zijn lot nam onvermijdelijk de vorm van een drama aan. Shakespeare had er een flinke kluif aan gehad.” Wie u waarschijnlijk nooit ontmoet heeft, is de journalist Ryszard Kapuscinski. Die logeerde toen vast niet in de Memling of de Léopold Deux, want dat kon hij zich als correspondent van het Poolse persagentschap PAP niet permitteren. De man schreef aardige boeken over Afrika, hoewel hij het met de waarheid zoals bekend niet altijd even nauw nam. In 1965 schreef hij in de Poolse “Gazeta Wyborcza” een tot dusver onvertaald essay over u, Moïse. Het begint als volgt: “Een neger die zich schaamt sluit de ogen. Heel Afrika sluit de ogen bij de klank van het woord Tshombe. Bij ons wordt hij verkeerd begrepen. Tshombe is geen verrader, want hij heeft nooit iemand verraden. Het volk heeft hij nooit verraden: hij heeft er steeds een hartsgrondige hekel aan gehad. Lumumba heeft hij niet verraden: hij heeft hem altijd gedreigd dat hij op het schavot zou eindigen. Eenheid en vrijheid waren voor hem van geen tel: dus ook die idealen kon hij niet verraden. Tshombe was van meet af aan wat hij steeds is gebleven – een schurk. Maar als in het schurkendom iets als grandeur mogelijk is, dan heeft hij die wel bereikt.”

Potige Kempische Scheutisten

Heeft u er tenminste wat pret aan beleefd, Moïse, aan dat bestaan? Was het allemaal protestantse plichtsbetrachting? Dat zou kunnen, want u werd per slot van rekening niet door potige Kempische Scheutisten opgevoed, maar door rigide Methodisten uit Amerika. Of was het puur opportunisme en winstbejag? Indien geld uw enige drijfveer was, dan is ook dat wel begrijpelijk. Uw vader had het u als kind al ingehamerd: “De blanken, jongen, zullen ons nooit au sérieux nemen. Enkel door stinkend rijk te worden, kunnen wij een beetje respect afdwingen.” Leopold II, onze Congokoning, volgde merkwaardig genoeg precies dezelfde logica als het om het precaire gewicht van de monarchie in een democratisch bestel ging. Juist daarom had hij de veelbelovende Congo-Vrijstaat in de wacht gesleept, die hij pas decennia later aan de staat België zou verkwanselen.

Bent u dader geweest, Moïse? Slachtoffer? Allebei? Of gewoonweg onnozel? Toen u in 1963 uw secessie op moest geven en Katanga verlaten, wilde u nog één keer uit de poppenkast stappen waar u drie jaar lang in geacteerd had. Over het verraad van de Belgen verbolgen, beval u uw huurlingen om de Del­commune‑stuwdam en enkele andere in­stallaties van het koperconcern Union Minière in de lucht te laten vliegen. Maar de bouwwerken staan er vandaag nog. De mercenaires ‑ dat bewee­rden zij althans nog in de jaren zeventig dijenkletsend op Brusselse barkrukken ‑ hadden ondertus­sen even de firma gebeld. En die had er veel geld voor over, als haar vastgoed niet de lucht in zou gaan. U bent toen, ook daar bestaan filmbeelden van, het dynamiet zelf gaan inspecteren. Het zag er keurig uit. Maar de huurlingen hadden enkel losse patronen geëtaleerd. De blanken hadden u gelinkt. En u, Moïse, wist van niets. Voor de zoveelste keer.

Luc Leysen (64), is gewezen Afrikacorrespondent van de Duitse televisie ARD. (jc)


http://opinie.deredactie.be/2010/07/13/brief-aan-moise-tshombe/

July 14, 2010 at 7:28 am 1 comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers