Posts tagged ‘Robbe De Hert’

Het Brussel van Elsschot

 

Wie Elsschot zegt denkt Antwerpen. De film Lijmen Het Been van Robbe De Hert met onder andere Mike Verdrengh en Koen de Bouw heeft de koekenstad als decor. Dat klopt niet met het boek van Elsschot en ook niet met de realiteit waarop het gebaseerd is: het tragikomische verhaal van Boorman, mevrouw Lauwereyssen en Frans Laarmans speelt zich af in Brussel, en wel in het historische hart van de hoofdstad waar reclameman Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, zijn bureau en zijn stamcafé had, wellicht het “café van Dikke Jeanne.” Elsschot en Brussel, het is een band die onbekend en onderbelicht is en daar wil een andere Brusselaar iets aan doen: Lucas Catherine met name die in Elsschots oude buurt woont en die eerder naam maakte als eminente kenner van het Midden-Oosten en het Israëlisch-Palestijns conflict. Het verband tussen die twee – Elsschot en de Arabische wereld – legt hij hieronder zelf uit.

Johan Depoortere

Tachtig jaar geleden verscheen Lijmen/Het Been als één boek.

Misschien denkt u nu, hoe komt het dat Lucas Catherine die toch vooral over Kongo, de Arabische wereld en Islam schrijft, het over Willem Elsschot heeft? Wel dat is een heel verhaal:

In 1979, toen nog geen journalist het woord jihad had gebruikt kocht ik het zeer academische boek: The doctrine of Jihad in Modern History. In de eerste paragraaf viel al de eerste voetnoot, en wel bij de zin: of all Islamic institutions, jihad is certainly the one that offers the most admirable ressources for studies on the inexhaustible and complex theme of the relationship between Islam and Western colonialism.1

De auteur had hier duidelijk de marmer- en piano-tekst van Boorman en Laarmans uit Lijmen/Het Been toegepast. Dit is de oorspronkelijke Elsschottekst: De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigeux et inépuisable thème de la décoration.

En van het een komt het ander en heb ik Lijmen/Het Been herlezen en wat bleek voor mij als Brusselaar: Je kon dat boek gebruiken als een soort historische gids om mijn wijk, de Vismet en dat is dus de oude Brusselse haven te leren kennen tijdens de Belle Epoque en het Interbellum.

untitled--2

Het echtpaar Elsschot op wandel in Laken, bij het Chinees Paviljoen (foto Letterenhuis)

Willem Elsschot heeft tussen 1911 en 1914in Brussel op nogal wat adressen gewoond: Waterloose steenweg 41 (St-Gillis); Waverse steenweg 929 (Oudergem) en in Laken, Bockstaellaan 237, 3deetage boven Café Le Cygne (patronne: Dikke Jeanne), nu bakkerij. Hij vlucht naar Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog, maar zal Brussel iedere donderdag bezoeken, onder andere om zijn kleinzoon Tsjip in Ukkel te zien (E. Cavellstraat 106), stad waar hij ook naar toevlucht tijdens WO II.

Je mag niet vergeten dat ook zijn La Revue Continentale Illustrée = Algemeen Wereldtijdschrift voor Handel, Financiën, hier in Brussel op meerdere adressen gevestigd was, oa Quai des Charbonnages 74, Koolmijnenkaai, Molenbeek en in oktober 1913 : Brandhoutkaai 51 (Vismet, nu Citadinnes). Wat ook nogal eens vergeten wordt is dat hij een reclamebureau bezat: La Propagande Commerciale met een kantoor in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort .

Alfons De Ridder heeft zijn pseudoniem, Willem Elsschot in Brussel gelanceerd, maar het verwijst eigenlijk naar een dorp in Limburg van waaruit zijn moeder afkomstig was. Ook zijn eerste roman Villa des Roses heeft hij van hieruit uitgegeven. Het contract met de uitgever schreef hij neer op briefpapier van La Revue Continentale/ Het Algemeen Wereldtijdschrift.

Cover Revue Continentale Illustrée (bibliotheek Ugent)

Elsschot zei zelf: Niet alleen walg ik van de reclame, maar ook van de commercie in het algemeen. En ik heb Lijmen geschreven omdat ik er op één of andere manier van af moest komen. De gebeurtenissen in de boeken hebben zich ook in de werkelijkheid voorgedaanIk heb feitelijk niets anders dan een dagboek bijgehouden.

Brussel, en dan vooral het Brussel van net voor de Grote Oorlog is dan ook erg goed te herkennen in Lijmen/Het Been.Gezien al die adressen heeft Elsschot nogal wat rond gehangen in onze stad en zich verplaatsen was toen nog geen probleem. Brussel had net de paardentrams vervangen door elektrische trams en het centrum was prima verbonden met voorsteden als Ukkel, Sint-Gillis, Oudergem, Elsene of Laken. Zo zong Jef Casteleyn op de wijze van de Marseilleise

Pour admirer notre Belgique

Comme la richesse elle l’a changée

On voyait des trams éléctriques

Remplis de Belges et Etrangers

En de auto’s verschenen in het stadsbeeld. Het eerste Brusselse autosalon werd al in 1899 georganiseerd in de Pôle Nord (tussen de Kathelijnekerk en het de Brouckère plein) en vanaf 1902 gebeurde dit jaarlijks in het Jubelpark.De auto zou de trein gaan beconcurreren, of zoals Korthals het tegen Boorman uitlegt: Vroeger werden onze lieve doden gewoon per spoor verzonden, net als haring. Zij werden gewogen, mijnheer, en moesten op een vrachtbrief tot eindelijk onze veertien (zijn gemotoriseerde lijkwagen) aan die gruwel een einde heeft gemaakt. 

Leopold II voorziet in zijn testament al de aanleg van de eerste autoweg Brussel-Oostende.

De Vismet met de Brandhoutkaai (collectie Plaizier)

De Vismet vandaag

Tussen smederij Lauwereyssen, Vlaamse steenweg 62, en het redactieadres van La Revue Continentale Illustrée lag de vroegere haven. Ze werd stelselmatig gedempt. Het dok dat voor het nummer 51 van de Brandhoutkaai lag was het laatste en verdween één jaar voor Elsschot er kwam werken. De Vismarkt werd er opgericht, tussen de Kathelijnekerk en de Populierstraat, maar het noordelijk deel van wat we nu nog de Vismet noemen werd chic. De cavitjes en kabberdoesjen die typisch waren voor de havenwijk ruimden plaats voor meer burgerlijke gebouwen. En ook de industrie rond de haven trok weg: de duurte van de grond, waardoor de meeste fabrieken de wijk moeten nemen uit het centrum, zoals Boorman de toestand samenvatte aan mevrouw Lauwereyssen..

De Varkensmarkt, aan het einde van de Vismet, werd verbreed, net als het kanaal. En parallel met de Vismet werd de Dansaertstraat aangelegd als veel bredere concurrent voor de smalle Vlaamse steenweg. Wat nog eens de grondprijs de hoogte in joeg en van de Vlaamse Steenweg een ingesloten populaire wijk maakte tussen riante nieuwbouw. Het wordt haast een Vergeten Straat, denk aan haar beschrijving in het Algemeen Wereldtijdschrift: Kent gij de rue de Flandre? Bezoekt haar en lezer, ook al had gij haar bestaan niet vermoed, en gij zijt ons dankbaar, niet? Want geen gids ter wereld, ook niet het reisbureau Orient, dat anders van aardige hoekjes afweet, had u er nooit heengebracht…Lezer gij hebt nu een hoekje van Brussel bezocht, waarvan gij het bestaan niet had vermoed.

Vlaamse Steenweg (collectie Plaizier) “En zo was ik met mijn rouwende drijver op een onzalige voormiddag toevallig in een zijstraat van de Chaussée d’Anvers terecht gekomen, niet ver van de Rue de Flandre waar Lauwereyssen en dikke Jeanne zaken deden. De groentemarkt was in volle gang. Er stonden talloze handkarretjes, ieder met een schreeuwend wijf, en op het trottoir verdrongen zich de koopsters alsof er voor allen niet genoeg zou zijn.” (Het Been – OP DE MARKT)

Café op de Vlaamse Steenweg: de inspiratie voor “het café van Dikke Jeanne?”

Langs de grote centrale lanen die onder Leopold II waren aangelegd over de gedempte Zenne, vestigden zich de eerste grote luxe restaurants. De vreemdeling die door ’t centrum van Brussel slentert en die, verdoofd door de drukte en de herrie, ergens bij de Beurs op een bank gaat uitrusten… verbeeldt zich nu eenmaal dat het centrum van die weelderige stad alleen uit hotels, koffiehuizen, patisserieën en parfumwinkels bestaat.De meer populaire restaurants vond je in de Beenhouwersstraat en langs de Vismarkt. Elsschot zal trouwens Louis-Paul Boon voor het eerst ontmoeten in Les Armes de Bruxelles, in die Beenhouwersstraat.

Het is de tijd dat de Belgische keuken haar eigen stijl ontwikkelt, onder meer dankzij Gaston Clément (1879-1973) die als kok voor Leopold II en Albert I werkte. Hij is niet alleen de founding father van de Belgische keuken, maar promoot ook een nieuwigheid in onze voeding, de conserven. Van hem zijn de legendarische woorden: ‘de beste asperges zijn de asperges uit blik’. En die conserven nemen in het Museum voor Inlandse en Uitheemse Voortbrengselen (de centrale gang in het kantoor van het Wereldtijdschrift) het meeste plaats in. Mevrouw Boorman komt er zich regelmatig bevoorraden en veertien jaar later vraagt Boorman zich in Het Been af of zij niet is gestorven aan al die conserven.

In Boormans Museum prijkt naast een standbeeld van Leopold II, een negerafgod, een werpspeer en een baal rubber. De exploitatie van Congo had na de Belgische overname in 1910 een geweldige toename gekend. Alle produkten uit de kolonie werden in Antwerpen gecommercialiseerd, behalve twee luxe items: de banaan en de cacao. Dat de banaan bij het gewone volk een luxeproduct was, blijkt in Het Been, wanneer tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften een van de bieders, ostentatief vier bananen zit te eten. Alleen mensen met geld konden ze zich veroorloven en het mevrouwtje doet dan ook het hoogste bod: “Zo liet ook mijn buurvrouw de vellen van haar vierde banaan afhangen, zonder de laatste hap te doen…tot mijn buurvrouwtje dat de hele morgen gegeten en gezwegen had, haar onttakelde banaan in de hoogte stak om de aandacht van de notaris te trekken en rustig driehonderdvijftig bood. 

Bananen kwamen toen exclusief uit Congo – het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat de Amerikanen hun Latijns-Amerikaanse bananen bij ons zullen introduceren – en in de havenwijk waren er dan ook verschillende bananenrijperijen. Zo waren de huidige binnenparking van restaurant La Belle Maraichère en het kunstencentrum Argos oorspronkelijk bananenrijperijen.

Inladen van Bananen in Kongo (foto Otraco)

En dan is er de cacao die de reeds bestaande chocolademakerijen niet alleen een boom bezorgde, maar de Congolese cacao zorgde van toen af voor de speciale diepe smaak van de Belgische chocolade. De cacao was van ons, en dus niet duur, dus mocht er extra veel in de cacaoboter. En toen kwam een Griekse Ottomaan uit Gent op het lumineuze idee om, zoals men frieten op straat aan het gewone volk verkocht, zijn pralines op de centrale lanen aan de paraderende bourgeoisie te verkopen. Leonidas Georges Kestekides had met zijn chocolade een prijs gewonnen op de koloniale tentoonstelling van 1910 en verhuisde in 1924 (het jaar dat Lijmen verscheen) zijn fabriek van Gent naar de Devaustraat (naast de Kiekenmarkt) en opende enkele winkels langsheen de centrale lanen2. Ze bestaan nog.

Ook de al bestaande kleine warenhuisketen Delhaize werd groot dankzij haar koloniale produkten. In 1906 werden ze hofleverancier voor cacao en koffie uit Kongo en waren mede-financiers van het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1910. Ze hadden ondermeer een winkel op de hoek van de Vlaamse steenweg en het Kathelijneplein. Ze versierden hun winkels met een Belgische Leeuw (vandaar Delhaize Le Lion), de slogan: gebruikt de producten uit onze kolonie en met een borstbeeld van Leopold II. Het is dan waarschijnlijk niet toevallig dat Boorman zijn Museum op dezelfde manier inrichtte.

Vitrine Delhaize –1920 (colectie Delhaize)

Niet alleen de fabrieken trekken weg uit deze nieuwe, chique wijk, ook La Revue Continentale verlaat de Brandhoutkaai en trekt over het kanaal naar de Steenkoolmijnkaai 74.

Maar niet alleen La Revue Continentale Illustrée diende Elsschot als inspiratiebron, ook zijn reclamebureau La Propagande Commerciale (met een adres in A’pen, maar ook in de rue de la Reinette 11, Pippelingstraat, bij de Naamse Poort). Met dit bureau geeft hij onder andere de officiële catalogi uit van de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Antwerpen en Luik (1930). Na ruzie met zijn vennoten (1931) geeft hij in eigen naam de catalogus uit van de Wereldtentoonstelling in Brussel, 1935. De rue de la Reinette loopt parallel met de Naamse Poort en daar was al tijdens de Kongo Vrijstaat van Leopold II een koloniale wijk ontstaan. Centrum was het Café de l’Horloge waar nu een metro-ingang is. Dat was een heel chic café waar het koloniaal kapitaal vergaderde. Je betaalde er niet met geld maar met jettons. Die moest je in tamelijk grote hoeveelheid ineens aankopen, zo beperkte men de clièntèle tot alleen maar de kapitaalkrachtigen.

Dit Art Nouveau Café werd tijdens de aanleg van de kleine ring als voorbereiding voor Expo 58, afgebroken en opgekocht door de grote baas van de Hiltonketen. Het werd steen voor steen genummerd en terug opgebouwd in Cairo in de Nile Hilton waar het bekend staat als Taverne du Champ de Mars, naar het Brusselse plein waar het stond. Minder begoede kolonialen spraken af in meer populaire cafés bij het begin van de Waversesteenweg. Het meest bekende was Le Lion Belge en dat moet Elsschot zeker bezocht hebben. Waarschijnlijk diende het als voorbeeld voor Brasserie du Lion Royal waar Boorman Laarmans zijn contract laat ondertekenen.

De koloniale wijk aan het begin van de Naamse Poort, gezien vanaf de Pippelingstraat (archief Stad Brussel)

Maar hiermee zijn we al ver van smederij Lauwereyssen, rue de Flandre 62 en het café van Dikke Jeanne.In deze oude havenwijk nemen de sociale conflicten toe. De kloof tussen rijk en arm wordt er erg groot, getuige het verhaal van de mosselvrouw die op afbetaling een pelsmantel had gekocht bij Weinstein, een van juifs de la rue Sainte Cathérine en die na vier jaar niet meer kon afbetalen. In Brussel stonden de joden bekend om hun handel in textiel en ook in pels. Mijn tante Julia heeft jaren bij de jood in de pels gewerkt tot ze er stoflong van kreeg. De bekendste winkel waren de Grands Magasins Hirsch in de Nieuwstraat (waar nu de C&A is). Hirsch is de Brusselse folklore ingegaan omdat zijn kleren tweedehands werden verkocht uitgespreid op de grond van de Voddenmet die daarom ook ondermeer als bijnaam kreeg Hirsch par Terre. Dat er in de Kathelijnewijk nogal wat joodse mensen woonden kan je nog merken aan de koperen herinneringsstenen naast klerenwinkel Au Coin de Rue ter gedachtenis van het echtpaar De Leeuw-Levie, in Auschwitz vermoord door de nazi’s in 1943.

Het is ook de tijd dat de socialisten sterk worden. Na de invoering van het meervoudig algemeen stemrecht hadden de liberalen hun absolute meerderheid in de Brusselse gemeenteraad verloren. Liberaal burgemeester Charles Buls neemt dan ook ontslag omdat hij, zoals hij in zijn dagboek schrijft: je ne veux être ni le prisonnier des cléricaux, ni l’allié des socialistenEn de vakbonden worden sterk – Horta had al in 1899 het Volkshuis gebouwd – en mevrouw Lauwereyssen klaagt dan ook: als bij afspraak wordt het gereedschap neergegooid en gaan de heren vloekend aan het staken. En wat je dan ook praat, het baat niet. Zij eisen verkorting van werktijd en verhoging van loon… Zij hebben twee bondsleden op mij afgezonden, mensen van hun metaalbewerkersbond of hoe het dan ook moet heten. Drie weken lang heb ik nog weerstand geboden, maar toen moest ik wel toegeven…

Was dit ook de visie van Willem Elsschot? Ik betwijfel het want in Kaas dat tussen Lijmen en Het Been in verscheen (in 1933) schrijf hij haast een lofzang op de toenmalige Sovietunie (van Stalin!): Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Men zegt zelfs dat zij in Rusland de heren geworden zijn. Als het waar is dan hebben zij dat verdiend dunkt mij. Zij schijnen het trouwens met hun bloed gekocht te hebben.

Volkshuis van Victor Horta, nu afgebroken (collectie Plaizier)

Toen Elsschot, op aandringen van Nederlandse vrienden Het Been als een vervolg schreef op Lijmen moest hij zijn personages van tien jaar eerder laten evolueren. Dikke Jeanne uit het café in de Vlaamse steenweg vermagerde wegens suikerziekte en veranderde van haarkleur. Laarmans was weer een gewone bediende geworden, maar wat met Boorman?

Elsschot’s voormalige zakenpartner, René Leclercq, met wie hij zeven jaar eerder had gebroken, had psychische problemen gekregen en had zich laten behandelen in de kleine privé-kliniek Sans-Souci van dokter Titeca. De naam Titeca is trouwens in het Brussels nog een synoniem voor ‘zothuis’. Maar Boorman wordt elders opgesloten. Hij wordt door de politie aangehouden wegens ordeverstoring tijdens de veiling van de stock Wereldtijdschriften van mevrouw Lauwereyssen en de Brusselse politie voert gekken niet af naar een privé-kliniek, maar wel naar de psychiatrische afdeling van Brugmann, het OCMW-ziekenhuis van de stad. Daarvoor inspireert Elsschot zich op de lotgevallen van een goede kennis, Leo Frenssen, een ambulante kruidenier waar hij vaak mee discussieerde. Frenssen had in Antwerpen een partij gesticht voor Een Redelijke en Demokratische Communistische Maatschappij en gaf zo een krantje uit: De Voorlichter. Ze behaalden in 1938 zes zetels in de gemeenteraad en een jaar later wordt hij zelfs volksvertegenwoordiger. Tijdens een van zijn betogingen in Brussel werd Leo Frenssen door de politie opgepakt en naar de psychiatrische afdeling van het Brugmann-ziekenhuis gebracht. Hij vertelde zijn wedervaren in De Voorlichter en Willem Elsschot was er zo over verontwaardigd dat hij het verhaal gebruikt in de gasthuisscène van Het Been. Veel details kloppen: de zingende zot in bad, de geschifte die telkens opnieuw zijn bed dwangmatig opmaakt en de testen die Frenssen moest doen: onder meer snel na mekaar herhaalde malen Trente troisième régiment d’artillerie te zeggen. Bij Elsschot wordt dit Derde rijdende artillerie brigade.

Brugmann Ziekenhuis (collectie auteur)

Dezelfde Elsschot schreef ook een gedicht over communist Van der Lubbe – dat trouwens eindigt met mocht je beulen, groot en klein, door den Rus vernietigd zijn. Maar daarnaast schrijft hij ook, in 1947, een gedicht tegen de terechtstelling van nazi-collaborateur Borms. Zoals ze in Brussel zeggen: daane Elsschot, heum es nie veu ien gat te vange.

De auteur bij de gedenkplaat gemaakt door de de Brusselse kunstenaar Benoît van Innis op de plek aan de Vlaamse Steenweg waar zich wellicht de smederij van mevrouw Lauwereyssen bevond.

Lucas Catherine, Zaterdagplein –neuvest de Vismet en ’t Begaanhof,2018

1Willem Elsschot, Lijmen. In: Verzameld werk, Amsterdam 1963.

2Patisserie Centrale Leonidas. De term pralines Leonidas duikt pas in 1937 op.

June 6, 2018 at 3:29 pm 7 comments

ZICHEM, DE WITTE EN DE MAAGDENTOREN

De Demer en de Maagdentoren

De Demer en de Maagdentoren

door Jef Coeck


Deze maand is het 130 jaar geleden dat Ernest Claes (1885-1968) geboren werd, de heimatschrijver uit en over Zichem, het dorp dat bekend staat als een onaanzienlijke geografische vlek op de grens van Kempen en Hageland. Er heersen een paar misverstanden, zowel over Claes, over zijn hoofdfiguur, als over zijn streek van afkomst.

De nietmeerzojongen onder ons herinneren zich nog de televisiereeks ‘Wij, heren van Zichem’ (1969/ later heruitgezonden), met pastoor Munte (Luc Philips) in een hoofdrol. Razend populair en maar vaag gebaseerd op de boeken van Claes. Zijn populairste werk ‘De Witte’ is twee keer verfilmd, ook dat draagt bij tot de collectieve herinnering. In 1934 Z 2maakte Jef Vanderheyden er de eerste Belgische klankfilm voor de bioscoop van. Het was een razend succes, cinema Colosseum op de Antwerpse Meir liep maandenlang vol. De prent was een geromantiseerde versie van Claes’ boek.

In 1980 vond filmer Robbe De Hert het welletjes geweest: hij maakte een authentiekere, meer sociale versie van ‘De Witte van Sichem’. Hoofdrol was toen Eric Clerckx. Zo is meteen de dubbelzinnigheid rond het boek geschetst. Pittoreske armoede die veelal tot humoristische anecdotes leidt, of de sociale wantoestanden te vergelijken met het boek ‘Door Arm Vlaanderen’ van de Waalse socialist Auguste De Winne (1901). Het boek van Claes uit 1920 heeft elementen van beide, wellicht daaraan dankt het zijn populariteit. Als we Z 3een vergelijking met Nederland zouden maken is de Witte van Bruyninckx zowat Pietje Bell, terwijl die van De Hert meer heeft van Ciske de Rat.

De schrijver, germanist van opleiding, was zich zeker bewust van die tweedeling. Wellicht uit commerciële redenen hield hij het liever aan de lichte kant – hoewel hij in andere van zijn boeken authentieke emoties en psychische processen wist bloot te leggen. In de katholieke klasbibliotheken stonden, tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw Ernest Claes (maar niet De Witte – té stout) en Felix Timmermans – althans hun ‘ongevaarlijk’ geachte werken – naast de Vlaamse Filmkes en Karl May. Dat was het dan. Zelfs Guido Gezelle ontbrak, want vergde teveel uitleg. Van Louis Paul Boon of Hugo Claus kregen wij niets te lezen of te horen.

De schrijver

Claes en De Witte op postzegel

Claes en De Witte op postzegel

Claes kwam zelf uit een arme boerenfamilie maar kon studeren en carrière maken dankzij de Norbertijnen van Averbode – die van Zonneland en de Eucharistische Kruistocht. Hij werd behalve succes-schrijver ook vertaler, later directeur, van het Beknopt Verslag van het Belgisch parlement. Flamingant was hij van overtuiging. Van in zijn studententijd te Leuven was hij lid van Nieuwe-Orde gerichte verenigingen als het KVHV (Katholiek Vlaams Hoogstudendenverbond), hoofdredacteur van Ons Leven, en later voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS). In de jaren ’30 ‘leunde hij aan’ bij het VNV, het Vlaams-Nationaal Verbond, dat zeer Duitsgezind was en ging collaboreren met de bezetter. Of dat ‘aanleunen’ ook lidmaatschap inhield wordt in het vage gelaten. Wel werd hij na de oorlog veroordeeld voor collaboratie. Na drie maanden kwam hij vrij, kreeg zijn politieke en burgerrechten terug, ongetwijfeld wegens hoge contacten in de politieke wereld.

Z 5De heimatliteratuur die hij placht te schrijven had zeker literaire kwaliteiten, en vooral, ze viel in de smaak van de Duitsers. Na de oorlog werkte hij, onder schuilnaam, mee aan het zwaar-flamingantische (‘Dietse’) blad Rommelpot van Remi Piryns. Ernest Claes werd een leven lang – op drie maanden na – bejubeld, geprezen en geprijsd. Ontelbaar zijn de ‘omnibussen’ waarin zijn werken talloze herdrukken beleven.

Zichem/Sichem
Het volkse dorpje Zichem dat wij zo goed menen te kennen uit de boeken van Claes, ligt onder de rook van het alombekende bedevaartsoord Scherpenheuvel. Dat heeft een basiliek, nog opgetrokken door toedoen van de vorsten Albrecht en Isabella. Er kan dus geen twijfel over bestaan dat Scherpenheuvel Zichem ver overvleugelt? Fout. Het is net omgekeerd. Maar daarvoor moeten we teruggaan tot de middeleeuwen.

Z 6

In de 13de eeuw kreeg Godfried van Brabant de streek in zijn bezit. Zijn ‘heerlijkheid’ strekte zich uit van Sint-Agatha-Rode en Nethen in het zuidwesten, tot Aarschot en Zichem in het noordoosten. Godfried wilde de handel in zijn gebied stimuleren. De rivier de Demer was de natuurlijke economische ader die de stadjes Zichem en Aarschot verbond met de grote steden in het hertogdom. Om de scheepvaart te vergemakkelijken liet Godried diverse meanders afsnijden, zo ook in Zichem waar de Nieuwe Demer ontstond. Voortaan vloeide de rivier langs het markplein dwars door het centrum. Het stadje zelf bouwde hij uit tot een kleine vesting. Zichem kreeg een aarden omwalling en het stratenpatroon breidde uit. Vanaf het marktplein vertrokken drie verbindingswegen naar noord, zuidwest en zuidoost. Op de plaats waar ze de omwalling of de Demer kruisten, bouwde Godfried drie stadspoorten: de Dijkpoort, de Leuvense poort en de Diestse poort. In het laagst gelegen gebied trok de heer van Zichem een burcht op met dubbele omgrachting. Als kers op de taart verleende hij in 1302 diverse vrijheden en privileges aan de stadsbevolking. Datzelfde jaar nog sneuvelde Godfried samen met zijn enige zoon in, jawel, de Slag der Gulden Sporen te Kortrijk.

Erfenistribulaties waren het gevolg. De streek kwam in handen van Reinier I van Schoonvorst (Schönforst bij Aken). Maar het was zijn zoon Reinier II die het stadje tot bloei bracht. Er ontstonden weverijen, gildes, en eigen lakenhallen, verkoopspunten, niet enkel in Zichem maar ook in Antwerpen en Diest. Er was intussen een begijnhof geïnstalleerd en er werd een gothische kerk, de Sint-Eustachius opgetrokken. Twee schuttersgilden stonden in voor de veiligheid van de stad.

Een prestigeproject was de Maagdentoren. De naam verwijst naar een Zichemse legende. In de 16de eeuw was de toren in het bezit van landvoogd Don Juan en zijn beeldschone dochter Rosita. Zij had haar oog laten vallen op een gewone soldaat en wilde met hem trouwen. Dat was niet naar vaders zin. Koppig was ze ook. Maar Don Juan liet niet met zich sollen. Hij sloot zijn Rosita samen met twee nonnen op in de toren. Toen dochter toch niet tot betere inzichten kwam, liet hij de drie maagden met touwen aan elkaar binden en in de Demer gooien. De landvoogd zelf werd, nog steeds volgens de legende, krankzinnig van berouw.
De Maagdentoren heet ook wel Mariatoren, Marientoren, of Merregentoren – een verbastering van de morgen of ochtend? Vermoedelijk omdat daarachter de zon opgaat.

De ingestorte toren

De ingestorte toren

Tot 1795 bleef de heerlijkheid Zichem in handen van de roemruchte graven van Nassau en prinsen van Oranje. Hierdoor belandde Zichem in het Hollandse kamp tijdens de Tachtigjare Oorlog. In naam van Oranje trachtte het stadje de optocht van de Spaanse bezetter Farnese te verhinderen, maar dat liep slecht af. In 1587 richtte de laatstgenoemde een waar bloedbad aan in de streek. Slechts 26 huisgezinnen van de 274 overleefden de val van Zichem. Op het dak van de Maagdentoren was een galg geïnstalleerd, een derde van de bevolking werd uitgemoord. Farnese had een voorbeeld willen stellen en dat lukte goed. Zoutleeuw en Diest openden zonder dralen de stadspoorten voor de Spanjaarden, zodra zij het treurige lot van Sichem vernamen.

Nadien kreeg de Maagdentoren een nieuwe bestemming als koeienstal, een functie die werd behouden tot ver in de 20ste eeuw. Daartoe werd een stuk van het gewelf weggekapt en de gracht gedempt. Er werd een nieuwe toegang uitgehakt. En wat gebeuren moest, gebeurde. In 2006 stortte het bouwsel grotendeels in.

De gerestaureerde toren

De gerestaureerde toren

Sedert kort is de Maagdentoren gerestaureerd. Nu de Sint-Eustachius nog. Dan kan het Sichem van Claes en De Witte zijn erfgoedfunctie volop vervullen, zeker met de landelijke uitzichten erom heen. En toeristen aantrekken. Die dan weer in ‘Vlaanderen vakantieland’ of aanverwante merchandising op televisie komen en een trefpunt van commercie creëren. Maar de culturele factor is niet weg te gommen.
Het tweemaandelijks tijdschrift ‘Monumenten, landschappen en archeologie’, publicatie van de Vlaamse overheid/Onroerend erfgoed, heeft een extra nummer aan de Maagdentoren gewijd.
http://www.menl.be

De Witte van Felix Timmermans

De Witte van Felix Timmermans

Voor zover ik weet is het boek ‘De Witte’ alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Maar dat is nauwelijks een bezwaar, omdat er zoveel duizenden van gedrukt zijn. Mijn vaders exemplaar (zonder jaartal maar vermoedelijk uit de jaren ’40) is een 50ste druk. Zelf kocht ik een 103de druk in 1965. Beide exemplaren bevatten de originele illustraties van Felix Timmermans.

Basiliek van Scherpenheuvel (achtergrond)

Basiliek van Scherpenheuvel (achtergrond)

Van tingelingeling den ijzerendraad,
maskes kussen is geen kwaad,
Ho-la-la ik ben mijn Mieke v’loren
Ho-la-la ik ben mijn Mieke kwijt…

(marktkramerslied uit De Witte)

October 9, 2015 at 1:21 pm 3 comments


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,581 other followers