Posts tagged ‘Sarkozy’

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

July 14, 2017 at 3:46 pm 3 comments

FILLON EN DE FRANSE WEDREN NAAR RECHTS

Het wordt vaste prik: de opiniepeilers die er een potje van maken. Vorige zondag weer: in de voorverkiezingen voor de Franse “Républicains” zet François Fillon de peilers een neus door de kanshebber Juppé te verslaan en Sarkozy met KO uit te schakelen. Wie is die François Fillon? Een “gematigde” als we la Doornaert in De standaard mogen geloven. Freddy De Pauw, jarenlang buitenlandspecialist voor dezelfde krant ziet dat helemaal anders. Hieronder zijn analyse die eerder in De Uitpers verscheen.

Johan Depoortere

FILLON EN DE FRANSE WEDREN NAAR RECHTS

door Freddy De Pauw

nicolas-sarkozy-et-francois-fillon-4_4939147

François Fillon met zijn voormalige baas Nicolas Sarkozy

 

De ‘primaire’ van de Franse rechterzijde heeft één grote verliezer, gewezen president NicolasSarkozy die slechts een vijfde van zijn eigen kamp achter zich kreeg. Dat is op zichzelf reden tot opluchting, ware het niet dat de al even sinistere ex-premier François Fillon nu wellicht de kandidaat van rechts wordt bij de presidentsverkiezingen van mei 2017. Andere grote verliezers: de opiniepeilers wier prognoses mijlenver van de uitslag zaten. En ook een beetje Marine Le Pen van het Front National die aan Fillon een zwaardere concurrent heeft dan ze aan Sarkozy zou hebben gehad.

Primaire

Sarkozy had vorig jaar met enig gemak de strijd om het leiderschap over de rechtse UMP, intussen Les Républicains (LR), gewonnen. Het was een springplank naar de ‘primaire’ die de kandidaat van rechts moest aanwijzen. Grote concurrent was ex-premier Alain Juppé, met op de achtergrond nog vijf andere kandidaten onder wie Fillon, premier tijdens het presidentschap van Sarkozy (2007-2012).

Die ‘primaire’ is uitgedraaid op een wedstrijd om elkaar rechts voorbij te steken. Zelfs Juppé, de ex-premier van president Jacques Chirac die zich opwierp als de grote gematigde verzoener, ging in rechtse versnelling. Sarkozy spitste zijn campagne toe op ‘l’identité’ française, zelfs verwijzend naar de Gallische wortels… en beloofde bij herverkiezing een referendum over immigratie en een over veiligheid. Hij was blijkbaar nog altijd geïnspireerd door zijn vroegere uiterst-rechtse goeroe Patrick Buisson die hem in het Elysée bijstond.

Kwezels

In die wedren naar rechts bleef Juppé wel enig verschil maken, gesteund door de centrumrechtse UDI. Alle peilingen gaven hem gewonnen, tot het derde debat aan de vooravond van de primaire zelf. Ineens sprintte Fillon naar voor, van 12 naar 29% in sommige peilingen. Er kwam 44 % uit de bus waarin 4 miljoen Fransen hun stem uitbrachten.

Fillon kon in die eindsprint rekenen op de mobilisatie van de “cathosphère”, de katholieke integristen die met succes honderdduizenden Fransen op de been hadden gebracht in de Manif pour tous, de massademonstraties tegen het homohuwelijk.

Want ook al werd Sarkozy, als president die moet waken over scheiding tussen kerk en staat, erekanunnik van de basiliek Sint-Jan-in-Lateranen in Rome, toch steekt Fillon hem inzake kwezelarij voorbij. Fillon is in alle opzichten radicaal rechts: in alle mogelijke ethische kwesties zit hij op dezelfde golflengte als Marion Maréchal-Le Pen, de nicht van Marine Le Pen die in kwesties als het homohuwelijk rechts van haar tante staat. Fillon is een ultra-neo-liberaal, al waren alle andere concurrenten – Juppé inbegrepen – dat ook.

Thatcheriaan

Fillon heeft het meest drastische “soberheidsplan”. Hij wil de overheidsuitgaven met 110 miljard euro inkrimpen. Onder meer door flink te snijden in de sociale zekerheid: pensioenleeftijd optrekken tot 65 jaar, knippen in de gezondheidssector, 500.000 openbare ambten opdoeken, de 39-urenwerkweek in de openbare diensten.. Anderzijds wil hij 40 miljard euro minder “lasten” voor de bedrijven en de bedrijfsbelasting verlagen tot 25%. Voeg eraan toe dat hij de nu al beperkte invloed van de vakbonden in de bedrijven wil beknotten, en men weet waarom hij de Franse Thatcher wordt genoemd.

4768082_6_ac6e_alain-juppe-lors-d-une-conference-a-lille_c4d468de6cb8e8caa756c01156865631

Alain Juppé, burgemeester van Bordeaux

Juppé hoopt in de tweede ronde op “een nieuwe verrassing”, maar de kans dat hij Fillon vloert is bijzonder klein. Sarkozy heeft alvast opgeroepen om te stemmen voor Fillon met wie hij nochtans een zeer slechte verhouding heeft maar die politiek dichter bij hem staat. Fillon heeft tijdens de campagne voor de primaire Sarkozy voor de voeten geworpen dat hem enkele rechtszaken boven het hoofd hangen. Libië viel tussendoor ook enkele keren, waarmee “subtiel” werd verwezen naar de beschuldigingen dat wijlen de Libische leider Kadhafi in 2007 Sarkozy’s campagne financierde, wat misschien meespeelde in de hardnekkigheid waarmee Franse diensten Kadhafi in 2011 opjaagden.

Rechtse concurrentie

De kans is dus zeer reëel dat Fillon volgend jaar de arena ingaat als de kandidaat van rechts – of van een deel ervan. François Bayrou, al eerder kandidaat van centrum-rechts, zei eerder dat als Sarkozy kandidaat zou zijn, hij ook zou meedoen – maar Juppé zou hij steunen. Hij heeft niet gedacht aan Fillon, maar daar deze zeker niet minder rechts is dan Sarkozy, zou hij normaal volgend jaar kandidaat zijn.

En dan is er natuurlijk Marine Le Pen voor wie Fillons zege niet zo een goed nieuws is. Haar Front National (FN) en Fillon vissen in dezelfde reactionaire vijvers – vooral bij het publiek achter Manif pour tous scoort Fillon goed, mogelijks beter dan Marine Le Pen die zich op afstand hield van deze Manif.

Stevenen we dan af op een tweede ronde van de presidentsverkiezingen met een match Le Pen-Fillon? Een detail: zowel Fillon als Le Pen willen goede vrienden zijn met Moskou. De rechterzijde van rechts en het FN zijn bewonderars van de Russische president Vladimir Poetin, een man van orde en goede zeden.

We kunnen na de afgang van de peilers beter voorzichtig zijn, kiezers kunnen erg onvoorspelbaar en wispelturig zijn. En er kan nog zoveel gebeuren in de komende zes maanden. Indien het inderdaad dit duel wordt, dan zitten we voor links met een nog triestiger situatie dan in 2002. Toen nam vader Jean-Marie Le Pen het in de tweede ronde op tegen president Jacques Chirac. Veruit de meeste linkse kiezers knepen hun neus dicht en stemden voor Chirac. Maar Chirac is een progressief vergeleken bij Fillon.

Links?

Links in de hele brede zin van het woord heeft een duel Le Pen-Fillon dan wel grotendeels aan zichzelf te wijten. De neoliberale politiek van president Hollande en premier Valls heeft de Franse sociaaldemocratie in een wezenlijke crisis gestort. Wat links ervan staat, is erg verdeeld (zie Uitpers http://www.uitpers.be/index.php/europa/1066-links-zelfvernietigend-op-weg-naar-elysee).

emmanuel-macron-a-contacte-francois-bayrou-et-jean-lassalle-ces-dernieres-semaines

Emmanuel Macron, “noch links, noch rechts”

Intussen is daar de kandidatuur bijgekomen van “noch-links-noch-rechtse” Emmanuel Macron. Terwijl de groenen van EELV in een primaire kopstuk Cécile Duflot wandelen zonden ten gunste van Yannick Jadot die dus als groene kandidaat aantreedt. Naast de andere linkse kandidaten: twee van uiterst-links (Artaud – Lutte Ouvrière – en Poutou –NPA), Jean-Luc Mélenchon van la France insoumise, de nog aan te duiden kandidaat van de PS en misschien ook nog een kandidaat van de communistische PCF. Vanuit de linkse hoek hoeft rechts dus niet veel te vrezen, die schakelt zichzelf uit voor de tweede ronde.

November 22, 2016 at 8:30 pm Leave a comment

FIJN ADRESJE IN PARIJS

Komende zondag wordt in Frankrijk de tweede en beslissende ronde uitgevochten voor de gunst van de kiezer, in de presidentsverkiezingen waarbij alleen nog de aftredende Nicolas Sarkozy en de aantredende François Hollande als potentieel winnaar overblijven. Gisteravond was er het enige en dus ultieme tv-debat tussen beide kandidaten. Heel Frankrijk en Franstalig België zaten bijna drie uur lang voor de buis. Volgens de VRT was het debat onbeslist met voorsprong voor Hollande. Maar er is meer aan de hand dan puur politiek vertier. (jc)

 

door Béatrice Delvaux

Gisteravond kon je niet één Franstalige voor wat dan ook lijmen. Ze hadden onder geen beding hun sofa, hun glas wijn en hun plasmascherm in de steek gelaten. Meer dan van Barcelona-Real of de eerste uitzending van Titanic genoten ze van een traktatie die ze maar eens in de vijf jaar krijgen: het debat van de twee Franse presidentskandidaten.

Franstalig België kijkt naar de Franse televisie, leest Franse kranten, bezoekt Franse websites. En het wordt verwend. De Franse radio- en televisiezenders proberen elkaar te overtroeven met debatten en interviews. Libération, L’humanité en Le Nouvel Observateur hebben hun keuze al gemaakt: allemaal zijn ze tegen Sarko. Maar de uittredende president heeft ook ‘zijn’ krant, Le Figaro, eigendom van vliegtuigbouwer Dassault, die hem al maanden steunt. Toch maakt nu een ander medium het nieuws: Mediapart, een online krant met een betaalmuur. Nicolas Sarkozy brengt Mediapart voor de rechter, want de website heeft dit weekend documenten gepubliceerd die zouden bewijzen dat Kadhafi de verkiezingscampagne van de president in 2007 heeft gefinancierd.

Mediapart is het interessantste medium van het moment, een online krant die het economisch model ontdekt heeft waar alle collega’s jacht op maken. Het noemt zichzelf een ‘digitale, onafhankelijke en participatieve krant’. Het is Mediapart dat de buiten hun weten opgenomen gesprekken gepubliceerd heeft tussen Liliane Bettencourt, de erfgename van L’Oréal, en haar financiële adviseurs. De website beperkte zich tot de fragmenten die het publiek moest kennen: de bewijzen dat een van de grootste fortuinen van de planeet belastingen had ontdoken. Resultaat: een herziening van de belastingaanslag in het voordeel van de Franse staat.

De publicatie van de Libische documenten, afgelopen zondag, is geen alleenstaand geval. Mediapart onderzoekt de zaak al tien maanden. Toen hij tijdens de campagne over het schandaal werd ondervraagd, weigerde Sarkozy de confrontatie, iets wat bijna nog nooit gebeurd was. Resultaat: Mediapart heeft de tien vragen waarop de beschuldigde president moet antwoorden op zijn voorpagina gezet, net als op het hoogtepunt van het conflict tussen La Repubblica en Silvio Berlusconi.

Mediapart wordt geleid – en is gesticht – door een goeroe: Edwy Plenel, een kopstuk van de hedendaagse Franse pers. Hij was het die onthulde dat de Franse geheime diensten achter de bomaanslag zaten die de Rainbow Warrior, het schip van Greenpeace, tot zinken bracht. Onderzoeksjournalistiek is de grote specialiteit en de grote religie van deze besnorde, lichtgeraakte trotskist, een buitengewoon gedreven reporter die door François Mitterrand werd afgeluisterd. Enkele jaren na de Rainbow Warrior-affaire werd hij directeur van de redactie van Le Monde. Onder zijn hoede onthulde Martine Orange, een economische journaliste, het bedrog van de Vivendi-rekeningen en bracht ze Jean-Marie Messier, de topman van het bedrijf, ten val.

 

Plenels ontslag bij Le Monde, in 2004, was het begin van een tocht door de woestijn. Le Soir bood hem een column aan, wat hij aanvaardde. Vandaag is iedereen het erover eens dat België in die periode een van de ‘Afghaanse tenten’ was die hem hielpen om te overleven. Want Plenel moest en zou journalist blijven. Hij klom opnieuw de ring in, met een overtuiging: het Franse medialandschap had een onafhankelijk medium nodig. Dankzij het internet kon hij het avontuur wagen. Zijn concept, een mix van onderzoeksjournalistiek en opiniedebatten, zou de rest doen. Hij leende geld, sprak vrienden aan en opende een intekening voor het grote publiek. In maart 2008 ging Mediapart met 25 onderzoeksjournalisten van start. Plenel waarborgde hen twee jaar salaris. Daarna zouden ze wel zien.

Sindsdien heeft Mediapart almaar meer abonnees gekregen, is het financieel in evenwicht en heeft het een stevige reputatie opgebouwd. Er is al een Engelstalige versie gelanceerd, want Plenel is zich, meer dan zijn collega’s, bewust van de beperkte uitstraling van eentalig Franse media.

Een klacht van Sarkozy tegen Mediapart, dat als een ‘broeinest’ (van leugens) wordt bestempeld? Plenel blijft er rustig bij, gesterkt door zijn geloof in een mondig Frankrijk dat politiek actief wil zijn. ‘De hoge opkomst in de eerste ronde is ook een van de verklaringen van ons succes.’

Béatrice Delvaux is gewezen hoofdredactrice van de grootste Franstalige Belgische titel Le Soir. Na een intern conflict is zij nu senior writer voor dezelfde krant. Ze wordt ook geregeld gevraagd voor deelname aan debatten op de Vlaamse televisie. (jc)

www.mediakritiek.be

May 3, 2012 at 1:48 pm 1 comment

DE VERLEIDING VAN HET LIJDENDE FRANKRIJK

François Hollande in de lift

Séduire la « France qui souffre »
par Hugues Le Paige

(Nederlandse samenvatting onderaan)

 

« Je vous appelle à vous rassembler le 6 mai, sans rien demander en échange, pour battre Sarkozy ! Je vous demande de vous mobiliser comme s’il s’agissait de me faire gagner moi-même l’élection présidentielle. Je vous demande de ne pas traîner les pieds ! » : Jean-Luc Mélenchon ne pouvait pas être plus net qu’il ne l’a été hier soir. Et il ne fait aucun doute que l’immense majorité de ses électeurs voteront François Hollande au deuxième tour. Mais, par contre, Jean-Luc Mélenchon ne détient pas pour autant « les clefs » de l’élection, comme il l’affirmait hier soir. Certes, un score à deux chiffres était, il y a six mois encore, un objectif majeur et incertain pour le Front de Gauche. Mais la dynamique de sa campagne et les promesses des sondages avaient fait rêver. La bataille perdue pour la troisième place est lourde de conséquences même si bien évidemment le Front de Gauche n’en est pas responsable, lui qui s’est battu avec acharnement et sans fioritures contre le Front National.

Mais le fait est là, à la fois dramatique et significatif de l’état de la France après cinq ans de sarkozysme : c’est bien Marine Le Pen qui se place au centre de l’échiquier politique et dont les électeurs décideront de l’issue du deuxième tour. Avec la belle victoire de François Hollande et le rejet massif du président sortant, voilà l’élément essentiel du premier tour. Marine Le Pen qui parle désormais de la « nouvelle droite » a pleinement gagné son pari. Dans un premier temps, elle s’est écartée du discours ultralibéral de son père. Elle a enrobé son discours xénophobe de « valeurs républicaines », parlant notamment au nom de la laïcité. Elle a, en quelque sorte, « démocratiser la xénophobie », comme le dit le sociologue Sylvain Crepon. Marine le Pen a réussi la « dédiabolisation » de son parti avant de revenir, en fin de campagne, à ses fondamentaux, l’insécurité et l’immigration. Il faut dire qu’elle a eu en Nicolas Sarkozy le meilleur des agents électoraux. Avec sa campagne à droite toute, sous la houlette de son conseiller maurassien Patrick Buisson, le président sortant pensait, comme en 2007, siphonner les voix du Front National. Retour à l’envoyeur ! Cette fois, c’est l’extrême droite qui a asséché les terres sarkoziennes. Et c’est bien Marine Le Pen qui détient les clefs du second tour. Elle appellera sans doute à l’abstention. Il faudrait que de 75 à 80 % de ses électeurs se reportent sur le président sortant pour que celui-ci ait une chance d’être réélu. Mission impossible d’autant qu’il devra faire le grand écart pour tenter d’additionner des voix frontistes et centristes.

Mais là ne s’arrêtera pas le bouleversement du paysage politique français. Avec près de 20% des suffrages, Marine Le Pen peut, pour la première fois (dans le système majoritaire à deux tours), envisager de tailler des croupières à la droite parlementaire lors des législatives. Avec ce que cela peut signifier en termes de recomposition de la droite française, le véritable objectif de Marine Le Pen. Les conséquences de son succès du 22 avril 2012 sont encore incalculables.

Hier soir, sur les plateaux de télévision, les représentants de l’UMP et PS se rejoignaient dans la compassion pour cette « France qui souffre », entendez les électeurs du Front National. Ils seront bien au centre de toutes les préoccupations. Nicolas Sarkozy jouera son va-tout en s’installant encore un peu plus sur les terres lepénistes. Mais il aura bien du mal à séduire cet électorat qui regarde avec mépris ce « président-antisystème » qui a perdu, à ses yeux, toute crédibilité. De plus, ce faisant, Sarkozy laissera à son adversaire la stature du rassembleur. Dès hier soir, le candidat de la gauche en avait déjà revêtu les habits. Ils semblaient faits sur mesure. François Hollande était rassembleur et déjà présidentiel. (hlp)

Samenvatting:
De klein-linkse kandidaat Mélanchon heeft opgeroepen om bij de tweede ronde van de Franse verkiezingen op 6 mei, voor grote broer François Hollande te stemmen. Maar Mélanchon is niet de sleutelfiguur.
Dat is, buiten kijf, Marine Le Pen van het Front National (20%). Haar xenophobe campagne rond veiligheid en immigratie sloeg aan. Zij kan nu geen kandidaat meer zijn maar heeft haar kiezers opgeroepen om zich te onthouden.
Echter, Sarkozy zal driekwart of meer van haar kiezers nodig hebben om verkozen te raken. Het is zeer onwaarschijnlijk dat hij dit ‘lijdende Frankrijk’ van Marine naar zich toe kan halen. Dat verhoogt aanzienlijk de kansen van de socialistische winnaar van gisteren, François Hollande. (jc)

April 23, 2012 at 1:46 pm 6 comments

HET GEPAMPER AAN DE TOP

De topvergaderingen zijn niet meer te tellen, G-20, Europese Commissie, spoedberaad over Griekenland, noem het maar. Wat doen ze daar dan? Volgens prof. J. Blommaert voeden ze elkaar met de foute ideeën, waardoor de samenleving dreigt terug te vallen in een toestand van voor de democratie, een toestand van alles voor weinigen en niets voor velen. (jc)

door Jan Blommaert

Voor Merkel, Sarkozy en kompanen is de multiculturele samenleving failliet. Juist, en meer nog: wanneer we hen hun gang laten gaan  dan is de samenleving failliet, de hele samenleving, de samenleving tout court. Ze is dan vervangen door een competitieve vrijhandelszone waarin iedereen nog slechts een arbeidskracht is en waarin ons hele leven moet afgesteld worden op het behoud van onze plaats in deze arbeidsmarkt. Al de rest van wat we onder ‘samenleving’ begrijpen heeft geen belang meer; als er nog iets dergelijks bestaat dan zal het zijn omdat mensen daar privé en uit ‘hobbyisme’, ruimdenkendheid of liefdadigheid initiatieven toe nemen.

In ons beeld van onszelf en ons sociaal model zullen dergelijke sociale, culturele en politieke vormen van activiteit en ontplooiing afwezig zijn. Hun plaats is ingenomen door een alles dominerende factor: arbeid.

Hoe bij dit alles de waarden van een verlichte open democratie zullen overleven  – de dingen die de Merkels en de Sarkozy’s zo graag aanroepen – is me een raadsel. Ik noem deze neo-liberale doctrine extreem-rechts: ze is sociaaleconomisch extreem rechts want ze is een aanslag op ons gehele samenlevingsmodel en mensbeeld, waarin alles nu wordt teruggevoerd op winsmaximalisatie en waarin mensen terug alleen maar het verlengstuk van de machine worden, zoals Marx het omschreef.

Ze is een aanslag op ons hele samenlevingsmodel, op de grote waarden van de Verlichting en het liberalisme. Het is met andere woorden een rechtstreekse aanslag op precies die waarden die Merkel, Sarkozy en anderen inroepen om het einde van het multiculturalisme te proclameren.

Welnu, in de wereld die zij zich dromen leven we niet meer in een verlichte open democratie. Samen met een groot gedeelte van onze menselijkheid zijn wie die en route ergens kwijtgespeeld. Er is werk aan de winkel indien we dat willen voorkomen.

—————————–

Wie wijst op alternatieve mogelijkheden om de schuldenlast van de staat of de begrotingstekorten aan te pakken, wordt snel afgedaan als een populist. Men kan bijvoorbeeld denken aan de verhoging van de inkomsten van de staat – een billijke belasting op winsten van ondernemingen, een Tobintaks of (en dit is al helemaal een taboe) een vermogensbelasting.

Wie deze suggesties formuleert is steevast een ‘linkse populist’. Mensen die opmerken dat het toch wel merkwaardig is dat België officieel een belastingparadijs is voor de grote ondernemingen en vermogenden, terwijl de gewone werknemer kreunt onder een van de zwaarste belastingsystemen ter wereld, krijgen dit verwijt meteen naar de kop.

Het punt is echter dat de linkerzijde zich veel te snel in haar schulp terugtrekt wanneer dergelijke verwijten worden gemaakt en veel te weinig tegengas geeft.


Jan Blommaert is hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan de universiteiten van Tilburg en Gent. Bovenstaande tekst bevat enkele fragmenten uit zijn jongste boek ‘De heruitvinding van de samenleving’ (EPO, Berchem, 2011, 158 pag.). Het laatste hoofdstuk is een samenvatting annex commentaar van de klassieker ‘De la démocratie en Amérique’ van de weer actueel geworden Franse 19de-eeuwse denker en staatsman Alexis de Tocqueville. (jc)

November 3, 2011 at 5:27 pm 1 comment

LIBIË, DAAR GAAN WE WEER

De Franse president Sarkozy en de Britse premier Cameron worden als helden ingehaald in Tripoli. In hun kielzog worden oliecontracten afgesloten. De oorlog is een succes. Onze minister van oorlog glundert. We vergeten even de duizenden doden en verminkten, de lynchpartijen tegen zwarte arbeiders of vermeende huurlingen, de duizenden wapens in de handen van rebellen en burgers.

Het is weer hetzelfde oude verhaal,  zegt Chris Hedges, een voormalige verslaggever van de New York Times: de val van de dictator, de juichende menigtes, de ronkende verklaringen over vrijheid en democratie. Hedges heeft het allemaal al eens eerder meegemaakt.  Hij kent het Midden-Oosten waar hij jarenlang correspondent was en Libië in het bijzonder. Hij was er bureauchef voor de prestigieuze krant en had lange interviews met kolonel Kadhafi. Ja, die is even gek als hij eruit ziet, en even gevaarlijk, stelt Hedges. Maar nu zijn we de luchtmacht, de foeriers en de “special forces” geworden van “rivaliserende stammen, schurken van het oude regime en moslimextremisten, die onder elkaar diep verdeeld zijn door oude vetes en een lange geschiedenis van gewelddadige conflicten.” Met “we” bedoelt Hedges  de Amerikanen, maar het geldt evenzeer voor ons.

We hebben ons laten meezuigen in een burgeroorlog. Voor president Obama was het een “militaire actie,” en geen oorlog. Met die handigheid kon hij de grondwet met voeten treden en het Congres links laten liggen. Daarmee volgde hij in het spoor van zijn voorganger en maakte hij van minachting voor de wet een zaak van beide partijen. Obama verzekerde ons dat het niet ging om “regime change,” een loze uitspraak, even hol als zijn verkiezingsbeloften. Hij zette de oorlogen in Irak en Afghanistan meedogenloos voort en breidde de aanvallen met raketten en onbemande vliegtuigen evenals de klandestiene operaties drastisch uit in Pakistan, Jemen, Somalië en nu Libië.

Troepen van de Nationale Overgangsraad belegeren Bani Walid

De Navo-bombardementen op Sirte, het bastion van Kadhafi, leggen de hypocrisie bloot van onze “humanitaire interventie” in Libië. De rebellen willen de wereld niet alleen van Kadhafi bevrijden maar van al wie in zijn stam de laatste 42 jaar van het regime heeft geprofiteerd. De Navo bombardeert de stad met fragmentatiebommen die duizenden onschuldige slachtoffers maken, een aanfluiting van de VN-resolutie die zes maanden geleden het groen licht gaf voor  “alle noodzakelijke maatregelen om de burgers en de bevolkte gebieden te beschermen die met aanvallen bedreigd worden.” Volgens de nieuwe Libische machthebbers zijn in de laatste zes maanden 50000 doden gevallen, burgers en strijders. Net als in Afghanistan en Irak heeft onze interventie waarschijnlijk méér doden gemaakt dan het vorige regime. Maar het ging in werkelijkheid nooit om het beschermen van burgers maar om olie.

Libië heeft de op acht na grootste oliereserves ter wereld. Dat is de reden waarom we verontwaardigd reageren als Kadhafi zijn eigen burgers aanvalt maar blind zijn voor de nachtmerrie in Congo waar het leven voor de gewone Congolees vele malen slechter is. Dat is de reden waarom de Nationale Overgangsraad (NTC) China en Brazilië uit de olievelden heeft verjaagd om ze over te dragen aan Westerse maatschappijen.

De geschiedenis kent legio voorbeelden van veroveringslegers die worden toegejuicht. Of het nu gaat om de Nazis in Oekraïene in de Tweede Wereldoorlog, of de Israëlische bezetter in Zuid-Libanon of de Amerikanen in Bagdad, steeds weer muteren de bevrijders al na korte tijd in gehate bezetters. Als het de Libische bevolking begint te dagen dat het ons om de olie te doen is zal dat de haat tegen Amerika, die als een heidebrand door het Midden Oosten raast, alleen maar aanwakkeren. We recruteren zelf de volgende generatie terroristen die wachten op de gelegenheid om ons met gelijke munt te betalen voor wat we hun aandoen.

Mustafa Abdel Jalil, leider van de Overgangsraad

De Nationale Overgangsraad is het vehikel waarmee het Westen het nieuwe Libië vorm wil geven. Het bestaat uit voormalige aanhangers van Kadhafi, stammenleiders en islamisten en ze haten elkaar. Libië keert terug naar het tijdperk vóór Kadhafi: een kolonie onder koning Idris die Standard Oil de oliewetten liet schrijven. De recent ingestorte of wankelende despotische regimes in Tunesië, Libië, Egypte en Syrië vonden ooit hun revolutionaire legitimiteit in het pan-Arabisme van Gamel Abdel Nasser. Ze werden het slachtoffer van hun eigen corruptie en brute repressie. Geen goed woord voor hen. Niettemin betekent hun instorting een terugkeer van de imperialistische en koloniale verhoudingen die figuren als Nasser in het leven hebben geroepen en die ongetwijfeld hun hedendaagse erfgenamen zullen doen opstaan.

De vendetta’s in Libië zijn al begonnen. Regeringsgebouwen in Tripoli werden geplunderd. Arme gastarbeiders uit zwart Afrika werden afgetuigd en gedood. Vermeende Kadhafigetrouwen gemarteld en vermoord. Ik vrees – zo schrijft Hedges – dat het alleen maar erger wordt. De Overgangsraad heeft zich verzet tegen de aanwezigheid van VN-waarnemers. Net als Kadhafi verkiest het nieuwe regime het vuile werk in stilte op te knappen. Het is een oude waarheid: de slachtoffers van gisteren worden maar al te vaak de daders van vandaag.

Johan Depoortere

Lees hier het volledige artikel (plus reacties) van Chris Hedges.

Chris Hedges is auteur van onder andere  Death of the Liberal Class en The World as it is

 

September 19, 2011 at 3:26 pm Leave a comment

Ten Oorlog!

Minister van Oorlog Pieter De Crem kon zijn enthousiasme nauwelijks verbergen: Ons land trekt ten strijde tegen de nieuwe supervijand, gisteren nog onze beste vriend en olieleverancier Kadhafi. Alle partijen in het parlement, Groenen en socialisten incluis, roepen mee in het koor dat gedirigeerd wordt door Sarkozy en Barack Obama. Wat het einddoel is van de wapeninzet, hoeveel burgerslachtoffers er zullen vallen, wat als Kadhafi zich terugtrekt in zijn bunker en zijn troepen de verschroeide aarde toepassen, wat als hij van het toneel verdwijnt? Het zijn allemaal vragen die onbeantwoord blijven. Eerst bombarderen, daarna zien we wel.

Een humanitaire missie met bommenwerpers? “Geloof niet in de humanitaire bedoelingen van Washington,” zegt Noam Chomsky – noch bij uitbreiding in die van Frankrijk, Engeland, Italië en België zou je kunnen zeggen. Als het erom gaat de burgerbevolking te beschermen tegen een waanzinnige dictator komen we rijkelijk laat, vindt de eminente kenner van het Midden Oosten, Robert Fisk. Waarom hebben we daar 42 jaar geleden niet aan gedacht? Maar Kadhafi was afwisselend de vriend en de boeman van het Westen. Na het Lockerbiedrama maakte Tony Blair hem weer verteerbaar met olie als glijmiddel.

Intussen zijn de eerste doden in deze “humanitaire missie” gevallen. Niemand weet hoeveel er zullen volgen. Zoals steeds zullen de geüniformeerde woordvoerders bazelen over de “chirurgische precisie” waarmee aanvallen op de Libische luchtafweer en de tanks van Kadhafi worden uitgevoerd. Sinds Irak en Afghanistan weten we beter. Het aantal “vergissingen” is niet meer te tellen, net als dat van de onschuldige burgerslachtoffers  die nooit om hun mening werden gevraagd over de bombardementen die hen moesten “beschermen.”

Net als in Afghanistan kiezen we dus kant voor één partij in wat steeds meer op een burgeroorlog lijkt. Kwaad met kwaad bestrijden levert alleen nog méér ellende op voor de burgerbevolking, dat is toch de les die we uit Afghanistan zouden mogen trekken. Robert Fisk legt uit hoe de anti-Kadhafi strijders in Benghazi een oude rekening te vereffenen hebben. De leiders zijn  aanhangers van de Senoussie clan. Koning Idris, door Kadhafi in 1969 van de troon gestoten, kwam uit diezelfde groep tribale families. De rood-zwart-groene vlag waar de rebellen in Benghazi nu mee zwaaien is die van de verdreven koning.

“We willen geen tweede Sbrenica” zeggen de voorstanders van de militaire actie nu en ze verwijzen daarbij naar de moordpartij door Servische milities in een Bosnisch dorp dat onder bescherming stond van Nederlandse VN-troepen. Voor het gemak vergeten ze even – zo concludeert Fisk – dat Sbrenica op het moment van de moordpartij beschermd werd door, jawel, een no-flyzone.

Johan Depoortere

Lees hieronder het volledige artikel van Robert Fisk in The Independent:

Robert Fisk: First it was Saddam. Then Gaddafi. Now there’s a vacancy for the West’s favourite crackpot tyrant

Gaddafi is completely bonkers, a crackpot on the level of Ahmadinejad and Lieberman

Saturday, 19 March 2011

So we are going to take “all necessary measures” to protect the civilians of Libya, are we? Pity we didn’t think of that 42 years ago. Or 41 years ago. Or… well, you know the rest. And let’s not be fooled by what the UN resolution really means. Yet again, it’s going to be regime-change. And just as in Iraq – to use one of Tom Friedman’s only memorable phrases of the time – when the latest dictator goes, who knows what kind of bats will come flying out of the box?

And after Tunisia, after Egypt, it’s got to be Libya, hasn’t it? The Arabs of North Africa are demanding freedom, democracy, liberation from oppression. Yes, that’s what they have in common. But what these nations also have in common is that it was us, the West, that nurtured their dictatorships decade after decade after decade. The French cuddled up to Ben Ali, the Americans stroked Mubarak, while the Italians groomed Gaddafi until our own glorious leader went to resurrect him from the political dead.

Could this be, I wonder, why we have not heard from Lord Blair of Isfahan recently? Surely he should be up there, clapping his hands with glee at another humanitarian intervention. Perhaps he is just resting between parts. Or maybe, like the dragons in Spenser’s Faerie Queen, he is quietly vomiting forth Catholic tracts with all the enthusiasm of a Gaddafi in full flow.

So let’s twitch the curtain just a bit and look at the darkness behind it. Yes, Gaddafi is completely bonkers, flaky, a crackpot on the level of Ahmadinejad of Iran and Lieberman of Israel – who once, by the way, drivelled on about how Mubarak could “go to hell” yet quaked with fear when Mubarak was indeed hurtled in that direction. And there is a racist element in all this.

The Middle East seems to produce these ravers – as opposed to Europe, which in the past 100 years has only produced Berlusconi, Mussolini, Stalin and the little chap who used to be a corporal in the 16th List Bavarian reserve infantry, but who went really crackers when he got elected in 1933 – but now we are cleaning up the Middle East again and can forget our own colonial past in this sandpit. And why not, when Gaddafi tells the people of Benghazi that “we will come, ‘zenga, zenga’ (alley by alley), house by house, room by room.” Surely this is a humanitarian intervention that really, really, really is a good idea. After all, there will be no “boots on the ground”.

Of course, if this revolution was being violently suppressed in, say, Mauritania, I don’t think we would be demanding no-fly zones. Nor in Ivory Coast, come to think of it. Nor anywhere else in Africa that didn’t have oil, gas or mineral deposits or wasn’t of importance in our protection of Israel, the latter being the real reason we care so much about Egypt.

So here are a few things that could go wrong, a sidelong glance at those bats still nestling in the glistening, dank interior of their box. Suppose Gaddafi clings on in Tripoli and the British and French and Americans shoot down all his aircraft, blow up all his airfields, assault his armour and missile batteries and he simply doesn’t fade away. I noticed on Thursday how, just before the UN vote, the Pentagon started briefing journalists on the dangers of the whole affair; that it could take “days” just to set up a no-fly zone.

Then there is the trickery and knavery of Gaddafi himself. We saw it yesterday when his Foreign Minister announced a ceasefire and an end to “military operations” knowing full well, of course, that a Nato force committed to regime-change would not accept it, thus allowing Gaddafi to present himself as a peace-loving Arab leader who is the victim of Western aggression: Omar Mukhtar Lives Again.

And what if we are simply not in time, if Gaddafi’s tanks keep on rolling? Do we then send in our mercenaries to help the “rebels”. Do we set up temporary shop in Benghazi, with advisers and NGOs and the usual diplomatic flummery? Note how, at this most critical moment, we are no longer talking about the tribes of Libya, those hardy warrior people whom we invoked with such enthusiasm a couple of weeks ago. We talk now about the need to protect “the Libyan people”, no longer registering the Senoussi, the most powerful group of tribal families in Benghazi, whose men have been doing much of the fighting. King Idris, overthrown by Gaddafi in 1969, was a Senoussi. The red, black and green “rebel” flag – the old flag of pre-revolutionary Libya – is in fact the Idris flag, a Senoussi flag. Now let’s suppose they get to Tripoli (the point of the whole exercise, is it not?), are they going to be welcomed there? Yes, there were protests in the capital. But many of those brave demonstrators themselves originally came from Benghazi. What will Gaddafi’s supporters do? “Melt away”? Suddenly find that they hated Gaddafi after all and join the revolution? Or continue the civil war?

And what if the “rebels” enter Tripoli and decide Gaddafi and his crazed son Saif al-Islam should meet their just rewards, along with their henchmen? Are we going to close our eyes to revenge killings, public hangings, the kind of treatment Gaddafi’s criminals have meted out for many a long year? I wonder. Libya is not Egypt. Again, Gaddafi is a fruitcake and, given his weird performance with his Green Book on the balcony of his bombed-out house, he probably does occasionally chew carpets as well.

Then there’s the danger of things “going wrong” on our side, the bombs that hit civilians, the Nato aircraft which might be shot down or crash in Gaddafi territory, the sudden suspicion among the “rebels”/”Libyan people”/democracy protesters that the West, after all, has ulterior purposes in its aid. And there’s one boring, universal rule about all this: the second you employ your weapons against another government, however righteously, the thing begins to unspool. After all, the same “rebels” who were expressing their fury at French indifference on Thursday morning were waving French flags in Benghazi on Thursday night. Long live America. Until…

I know the old arguments, of course. However bad our behaviour in the past, what should we do now? It’s a bit late to be asking that. We loved Gaddafi when he took over in 1969 and then, after he showed he was a chicken-head, we hated him and then we loved him again – I am referring to Lord Blair’s laying on of hands – and now we hate him again. Didn’t Arafat have a back-to-front but similar track record for the Israelis and Americans? First he was a super-terrorist longing to destroy Israel, then he was a super-statesman shaking hands with Yitzhak Rabin, then he became a super-terrorist again when he realised he’d been tricked over the future of “Palestine”.

One thing we can do is spot the future Gaddafis and Saddams whom we are breeding right now, the future crackpot, torture-chamber sadists who are cultivating their young bats with our economic help. In Uzbekistan, for example. And in Turkmenistan. And in Tajikistan and Chechenya and other “stans”. But no. These are men we have to deal with, men who will sell us oil, buy our arms and keep Muslim “terrorists” at bay.

It is all wearingly familiar. And now we are back at it again, banging our desks in spiritual unity. We don’t have many options, do we, unless we want to see another Srebrenica? But hold on. Didn’t that happen long after we had imposed our “no-fly” zone over Bosnia?

March 20, 2011 at 9:48 am 3 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,590 other followers