Posts tagged ‘Stalin’

ISRAËL EN DE TWEE KLOKKEN

Door Johan Depoortere

“Dat het ingewikkeld is,” schrijft Amerika-correpondent Björn Soenens op Facebook  in een poging om de aanpak van de openbare omroep te verdedigen tegen kritiek op de berichtgeving over de Israëlische terreur in Gaza. “Niemand is alleen maar goed, of alleen maar slecht,” heet het nog. Wie zal dat tegenspreken? Stalin was ongetwijfeld een toffe peer onder de kameraden, Hitler wou af en toe graag een baby knuffelen en onder Mussolini “reden de treinen op tijd.” Misschien is Netanyahu wel een lieve opa voor zijn kleinkinderen. Ik twijfel eraan maar vooral: het zal me worst wezen omdat het totaal irrelevant is. Persoonlijke morele schuld of onschuld is hooguit een zaak voor de biechtstoel en niet voor het journaal of de krant. Daar komt het erop aan de realiteit te onthullen ook al is die verborgen onder een dikke laag mythe, propaganda en hype. Moralistische praatjes helpen daarbij niet, wel integendeel.

De openbare omroep heeft het moeilijk met onthullende journalistiek : zie de conflictgeschiedenis van Maurice Dewilde over Walter Zinzen tot Luc Pauwels en Wim Van den Eynde. Ze verschilt daarin nauwelijks van de meeste mainstream media omdat het de opdrachtgevers en de financiers zijn die de krijtlijnen bepalen. In het geval van de openbare omroep zijn dat de gevestigde politieke partijen en de consensus over de partijen heen. Israël is daarvan het meest sprekende voorbeeld: al 70 jaar duwt die consensus Israël en het zionisme in de slachtofferrol, ook al is dat aantoonbare onzin. Over de partijen heen laat de consensus weliswaar milde kritiek toe op de zittende Israëlische regering, maar zelden of nooit fundamentele kritiek op het koloniale en racistische karakter van de zionistische ideologie. Dezelfde brede consensus over de partijen heen bepaalt dat Israël tot onze invloedssfeer behoort, onderdeel van “het vrije westen.” Vandaar een Israëlische deelname aan het Eurovisie songfestival, vandaar een Giro in Israël. Om diezelfde reden werd het Mobuturegime in de openbare omroep – en niet alleen daar – met fluwelen handschoenen aangepakt. Ooit werd een Panorama-uitzending wegens te kritisch voor Mobutu geschrapt. Zo was het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime lange jaren onaantastbaar wegens dezelfde consensus: Mandela was een terrorist en het zwarte verzet terrorisme net zoals het Palestijnse verzet tot vandaag onder die noemer valt. Een Palestijn die een Israëlische soldaat met een mes aanvalt is een terrorist, bombardementen op Gaza die duizenden slachtoffers maken zijn “zelfverdediging.”

2018-05-17 Brussel-6328

Lucas Catherine

Wie aan dat beeld tornt is persona nog grata voor de openbare omroep. Lucas Catherine, één van de best geïnformeerde specialisten van het Midden Oosten is al jaren ongewenst in praatprogramma’s en debatfora. Voor de uberzionist Michael Freilich en de zelfverklaarde experte Mia Doornaert daarentegen wordt de rode loper uitgerold. Freilich heet dan de “woordvoerder van de joodse gemeenschap” te zijn hoewel hij niemand vertegenwoordigt behalve zichzelf. In naam van het “evenwicht” krijgt Freilich ruimschoots de kans om zionistische propaganda te slijten op de VRT-website. Correspondente Ankie Rechess bestaat het om zonder noemenswaardige tegenspraak de lijn van de extreemrechtse regering van Israël te papegaaien en de schuld voor de dodelijke Israëlische terreur aan de grens bij Hamas te leggen. Daarmee zingt ze mee in het aanzwellende koor van de exegeten van het zionistische geweld die – niet voor het eerst – de schuld bij de slachtoffers leggen. De zeldzame keer dat een prinicipiële anti-zionist als Dyab Abu Jahja het woord krijgt wordt hij geneurtraliseerd door een ultraconservatief à la Rik Torfs of Jan Segers, de hofschrijver van het Van-Thillo-imperium.

De ideologie van de “objectiviteit,” de mantra van “de twee klokken:” het klinkt mooi, maar het is al te vaak een façade waarachter zich de heersende belangen verschuilen – en dus een leugen. Om het met de historicus Howard Zinn te zeggen: “Je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein.”

Zie ook: https://salonvansisyphus.wordpress.com/2014/07/31/de-apothekersweegschaal-van-abicht/

May 18, 2018 at 12:46 pm 5 comments

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

July 14, 2017 at 3:46 pm 3 comments

CHURCHILL: MYTHE EN REALITEIT

_46311101_chruchill_ap

Hij wordt de Grootste Brit Aller Tijden genoemd en soms lijkt het of hij in zijn eentje de oorlog tegen Hitler heeft gewonnen. Maar in recente revisionistische geschiedschrijving komt Winston Churchill naar voren als een incompetente bullebak, die door zijn blunders en eigengereidheid de oorlog langer heeft laten duren en méér slachtoffers heeft laten maken dan nodig was. Churchill was onwrikbaar in zijn verzet tegen Hitler, maar evenzeer zo tegen de onafhankelijkheid van India en de Britse  kolonies. Zijn palmares als minister en regeringsleider is op zijn zachtst gezegd gemengd en zijn critici noemen hem in hoge mate verantwoordelijk voor de ineenstorting van het imperium en de rampzalige economische toestand na de oorlog.  In Churchill, zijn  magistrale biografie uit 2001, gaat Roy Jenkins de controverse niet uit de weg, maar hij noemt  Churchill één van zijn grootste helden. Nigel Knight, hoofddocent aan het Churchill College in Cambridge, maakt de Churchillmythe met de grond gelijk. De titel van zijn kritische biografie zegt het helemaal: Churchill, The Greatest Briton Unmasked.

winston-churchill

De jonge Churchill zocht militaire glorie en naambekendheid

Winston Spencer Churchill werd in 1874 geboren in een aristocratische Britse familie als één van de nazaten van de hertog van Marlborough. Zijn moeder was Amerikaanse, zijn vader, Randolph een welbespraakt politicus met een korte en controversiële carrière. Na een periode in het koloniale imperiale leger in India en een spectaculaire ontsnapping uit een Zuid-Afrikaans gevangeniskamp gaat Winston net als zijn vader in de politiek. Hij schopt het tot minister in het liberale kabinet Asquith waar hij First Lord of the Admiralty – minister van Marine – wordt.

In 1915  is Churchill de grote promotor van een plan om de oorlog te beëindigen door Turkije, een bondgenoot van de As, met een doorbraak in de Dardanellen uit te schakelen. Het wordt een ongelooflijke ramp en  één van de grootste tragedies van de Eerste Wereldoorlog. In de negen maanden durende gevechten vallen 140000 slachtoffers aan de kant van de geallieerden. De Gallipoli-campagne zal de oorlog alleen maar langer doen aanslepen, geen enkel strategisch doel wordt bereikt. In zijn memoires over de periode  The World Crisis schuift Churchill de verantwoordelijkheid voor de catastrofe op alles en iedereen behalve hemzelf.

gallipoli1915

Kanonnenvoer in de Gallipolicampagne 1915

Gallipoli maakt voor de eerste keer een einde aan Churchills carrière als minister, maar zoals later zal blijken trekt hij uit het debacle geen lessen. Integendeel, “Gallipoli” wordt een patroon in zijn strategisch denken: in plaats van frontaal aan te vallen gelooft hij rotsvast in grote omsingelende bewegingen om de vijand te verzwakken door eerst zijn bondgenoten uit te schakelen. Ondanks het verzet van zijn eigen legerleiding en admiraals herhaalt hij het Gallipoli-experiment in 1940. Dit keer door een mislukte poging om Hitler vóór te zijn en Noorwegen te bezetten. Het resultaat was het omgekeerde van wat Churchill beoogde: de Duitse bezetting van Noorwegen en een bittere nederlaag voor de Britse vloot.

Hetzelfde geloof in de “onrechtstreekse aanval” bracht Churchill in Wereldoorlog II op een aanvaringskoers met de Amerikaanse bondgenoot. Roosevelt en de Amerikaanse generaals zetten vanaf het begin van hun deelname aan de oorlog in op een aanval tegen Duitsland door een landing op de Franse kusten. Churchill geloofde rotsvast in de theorie van de “zachte onderbuik” van de naziheerschappij in Europa. Die ‘zachte onderbuik” was Italië. Maar na de val van Mussolini stuurde Hitler Duitse troepen naar Italië onder leiding van de bekwame generaal Kesselring die de opmars van de geallieerden tot staan bracht. Churchills omsingelingsstrategie was andermaal buitengewoon kostbaar aan mensenlevens en tijd: de landing in Normandië werd uitgesteld en de verwoestende campagne in Italië had nauwelijks een verzwakking van de Nazistrijdkrachten  tot gevolg.

We zullen ons eiland verdedigen, wat het ook zal kosten, we zullen vechten op de stranden, We zullen vechten op de landingsplaatsen, we zullen vechten in de velden en op de straten, we zullen vechten in de heuvels. We zullen ons nooit overgeven. Onsterfelijke woorden van de grote communicator die Churchill was. Na de Duitse inval in Frankrijk in het voorjaar van 1940 stond Groot-Brittannië helemaal alleen in de strijd tegen het Naziregime en Churchills bevlogen toespraken hebben ongetwijfeld de Britse bevolking gesterkt in het verzet tegen wat een overmachtige vijand leek. Maar volgens Nigel Knight was Churchill in hoge mate verantwoordelijk voor de belabberde toestand van de Britse defensie aan de vooravond van de oorlog. Als minister van Financiën vanaf 1925 had hij zwaar gesnoeid in de defensieuitgaven, net  toen de Nazi’s in Duitsland op weg waren naar de macht.

6a00d83451db7969e2014e5fbef3fd970c-800wi

Neville Chamberlain: “Peace for our time”

Na de verschrikkingen van de eerste Wereldoorlog was de bevolking zowel in Groot-Brittannië als in Frankrijk oorlogsmoe en geneigd tot pacifisme. Zelfs na Hitlers aanhechting van Oostenrijk en de inval in Tsjechoslawakije was militaire actie tegen Duitsland niet aan de publieke opinie te verkopen.  Toen Neville Chamberlain na de beruchte ontmoeting met de Führer in Munchen in Londen terugkwam en met het beruchte papiertje zwaaide dat volgens hem “peace with honour, peace for our time” bracht werd hij luid toegejuicht. Churchill was een roepende in de woestijn toen hij die andere gevleugelde woorden uitsprak: “We have sustained a total and unmitigated defeat” en exact voorspelde hoe het Naziregime de rest van Oost-Europa zou opslorpen. Maar  Churchill zat niet in de regering en het is niet duidelijk wat Groot-Brittannië en Frankrijk – zo ze het al eens werden – op dat moment militair tegen Hitler hadden kunnen ondernemen.

pic08churchill2
Churchill in het door Duitse bommen geteisterde Londen

De slag om Groot-Brittannië – The Battle of Britain – was Winston Churchill’s “finest hour.” Met grote persoonlijke moed doorstond hij de verschrikkelijke bombardementen op Londen. Groot-Brittannië stond er alleen voor: Frankrijk was verslagen, Stalin had een pact gesloten met Hitler en de VS waren nog niet in oorlog tegen Japan en Duitsland. Churchills retoriek was van doorslaggevend belang om de “appeasers” – zij die geneigd waren een deal te sluiten met Hitler – de pas af te snijden en de bevolking voor te bereiden op een lange en bittere strijd. Maar later ging hij zich meer en meer met de dagelijkse oorlogsvoering bemoeien tot wanhoop van de generaals en admiraals die zijn wilde strategische en vaak onrealistische en tegenstrijdige plannen moesten uitvoeren. Toen de Amerikanen  in de oorlog betrokken werden zag Churchill met lede ogen hoe hijzelf en Groot-Brittannië steeds meer tot een tweederangsrol werden gereduceerd. Het kwam tot ernstige conflicten met de Amerikaanse generaal Marshall die zo snel mogelijk tot een frontale aanval tegen Duitsland op het continent wilde overgaan. Churchill stond voortdurend op de rem maar werd later toch als de held van de invasie in Normandië gevierd.

Mohandas+Karamchand+Gandhi

Mohandas Karamchand Gandhi

Dezelfde verbetenheid waarmee Churchill tegen Hitler en de Nazis streed legde hij ook aan de dag in zijn verzet tegen de vrijheidsstrijd van India en de Britse kolonies. Voor Mahatma Ghandi had hij niets dan misprijzen: “Het is alarmerend en walgelijk,” zo schreef hij “te zien hoe Meneer Gandhi (…) als een fakir halfnaakt de trappen van het paleis van de Vice-koning bestijgt om als gelijke te onderhandelen met de vertegenwoordiger van de Koning-Keizer.” Churchill kon zich niet verzoenen met de gedachte dat de tijd van het Britse Imperium was afgelopen. Ook dat was een bron van conflicten met zijn “vriend” Franklin Roosevelt.Dat het Groot-Brittannië van voor de oorlog nooit meer zou terugkomen drong pas laat tot Churchill door. In de eerste verkiezingen na de oorlog leed hij een verpletterende nederlaag. Zijn rol was uitgespeeld, al werd hij nog twee keer premier. Zijn falende gezondheidstoestand werd voor het publiek verborgen gehouden. Maar nog één keer kwam hij met zijn retorisch talent in de geschiedenisboeken terecht. De fameuze toespraak in 1946 aan de bescheiden Amerikaanse universiteit van Fulton (de Alma Mater van president Truman) waarin hij de term “Ijzeren Gordijn” lanceerde wordt zowat als het begin van de Koude Oorlog beschouwd. Maar volgens zijn critici was het net Churchill die verantwoordelijk was voor het “Ijzeren Gordijn” door in Jalta Stalin de controle te geven over Oost-Europa in ruil voor de belofte dat Griekenland in de Westerse invloedssfeer zou blijven.

Winston Churchill was een reus van de 20e eeuw. Hij was een man met grote talenten en even grote gebreken.  Met zijn retoriek tilde hij het moreel van de Britten op, maar zijn politieke en militair-strategische keuzes leidden vaak tot catastrofes. Hij beschouwde zichzelf als een strategisch genie, maar dreef met zijn wisselende inzichten en stemmingen de professionele militairen tot vertwijfeling. Ook politiek was hij moeilijk onder één noemer te vatten: als een kameleon verkleurde hij van Conservatief tot Liberaal en daarna weer tot Conservatief. In zijn wereldbeeld was het Britse Imperium eeuwig en de het Britse volk vanzelfsprekend superieur. Roy Jenkins noemt hem “the greatest human being ever to occupy 10 Downing Street.”  Maar het is – ironie van de geschiedenis – aan Hitler te danken dat Churchill in onze herinnering zulke mythische proporties heeft aangenomen. Zonder Hitler, zo schrijft Nigel Knight, zou Churchill nooit minister van de Marine, laat staan premier zijn geworden. Hij zou, net als zijn vader in de eeuw daarvóór, zijn carrière in 1929 hebben beëindigd als minister van Financiën. Maar dat is natuurlijk wijsheid achteraf. Hoe de geschiedenis er zonder Hitler en zonder Churchill zou hebben uitgezien kan geen mens zeggen.

Johan Depoortere

Churchill

Roy Jenkins

Macmillan 2001

Churchill, The Greatest Briton Unmasked.

Nigel Knight

David & Charles 2008

 The Rise and Fall of the Third Reich

Willian L. Shirer

Rosettabooks, NY 2011

http://www.guardian.co.uk/books/2001/oct/14/biography.politicalbooks

http://news.bbc.co.uk/today/hi/today/newsid_8234000/8234106.stm

April 8, 2013 at 6:47 pm 1 comment

POETIN BETICHT HET WESTEN ‘terecht’ VAN INMENGING

Noot vooraf: Dit stuk in de Nederlandse Volkskrant van vandaag sluit als een kurk op de fles bij het vorige artikel, van Johan Depoortere en Aleksander Skorobogatov.
Lees ze dus liefst allebei. Dictators zijn soms minder dom dan wij ze achten. https://salonvansisyphus.wordpress.com/2012/08/03/absurd-theater-in-rusland/  (jc)

door Thomas von der Dunk

Poetin laat er geen gras over groeien, en daar valt weinig tegen te doen. De Duitse oudbondskanselier Schröder noemde hem ooit een loepzuivere democraat, en de Italiaanse oudpremier Berlusconi was als mede-macho ook zeer van hem gecharmeerd, want vermoedelijk jaloers op zijn vermogen om de wet naar zijn hand te zetten. ‘Maar zou er nu nog iemand enige illusie koesteren omtrent de intenties van de Russische president’, vraagt Thomas von der Dunk zich af.

Als oud-KGB-man ziet hij overal mogelijke complotten en zit hem het wantrouwen jegens alles en iedereen in het bloed. Daarop bestaat vanouds maar één antwoord: nog meer controle.
Op alle mogelijke manieren probeert Poetin oppositie tegen zijn steeds autocratischer bewind onmogelijk te maken. Op ongeautoriseerde demonstraties – en demonstraties tegen Poetin worden door Poetin niet snel geautoriseerd – zijn draconische straffen komen te staan.

En alle ngo’s, die in potentie de kiem zouden kunnen vormen voor een toekomstige civil society, worden voortaan onder strak toezicht geplaatst. Bestaan zij deels dankzij giften vanuit het buitenland – en dat is vaak het geval – dan moeten zij zich als ‘buitenlands agent’ laten registreren.

Sinds Stalins tijd zijn er, geloof ik, niet meer zulke perfide ideeën uit het Kremlin opgeborreld. Zeker: onder Brezjnev was de vrijheid van de Russen nog altijd een stuk beperkter dan nu, maar toch was die eerder een versteende bureaucraat dan een machtsbelust dictator. In haar propaganda bleef de communistische partijleiding ook meer steken in sleets geworden leninistische formules dan dat die de Goebbelsiaanse doortraptheid, en daarmee schijnbare geloofwaardigheid, bezaten die Poetin soms tentoon-spreidt.

Die doortraptheid schuilt daarin dat wat Poetin verkondigt vaak op het eerste gezicht nauw aansluit bij de waarheid, waardoor hij zijn eigenlijke intenties makkelijker verbergen kan. Hij beticht zijn opponenten regelmatig van dingen die feitelijk niet onjuist zijn, maar doet dat om heel andere bedoe-lingen dan hij met zijn beschuldigingen suggereert.

Neem al Chodorkovski: indertijd beschuldigd van oplichting en zelfver-rijking, en een poging een greep naar de staatsmacht te doen. Met de bewijsvoering is tijdens die processen zonder twijfel geknoeid, maar het is niet zo dat dan het absolute tegendeel waar is en de officiële beschuldigingen alle grond missen.

Chodorkovski mag in het Westen als held gelden, hij heeft zich, voordat hij achter de tralies belandde, als een boef gedragen – een van de redenen waarom de gemiddelde Rus het echt niet betreurt dat hij naar Siberië verdwenen is, en achter de uitkomst van Poetins rechtspraak staat.

Chodorkovski is geen haar beter dan de oligarchen die nog wel de gunst van het Kremlin bezitten. Dat hij nu een martelaar van de vrijheid geworden is, is omdat hij verloren heeft.

Alleen: om het recht was het Poetin zelf uiteraard niet te doen – rechtspraak bezit voor hem slechts een instrumentele functie, als dekmantel en handig middel ter uitschakeling van een concurrent, waardoor tevens de ongewenste opkomst van tegenmachten in de vorm van een ongecontroleerd maatschappelijk middenveld de voet dwars wordt gezet.

Hetzelfde geldt voor veel van de ngo’s, die nu wettelijk onder curatele worden geplaatst. Ik citeer het bericht in De Volkskrant van 14 juli: ‘Volgens het Kremlin is de wet nodig om buitenlandse inmenging in Ruslands binnenlandse aangelegenheden te voorkomen. President Vladimir Poetin beschuldigde het Westen er vorig jaar nog van dat het de parlementsverkie-zingen probeerde te beïnvloeden’.

Is die beschuldiging waar? Ja. Het Westen steunt veel van die ngo’s. Wat willen veel van die ngo’s? Een democratischer, westerser Rusland, lees: minder Poetin. Bij alle sympathie die het Westen terecht voor dat streven koestert: dat ís natuurlijk wel een vorm van buitenlandse inmenging, en dat autocratische machthebbers daar niet van gediend zijn, is niet onlogisch. Zoiets geldt niet alleen voor Assad.

Zelfs democratische machthebbers zijn daarvan overigens niet gediend. Ik weet niet hoe Washington zou reageren als Moskou ngo’s in Amerika zou financieren, die een meer oosters Amerika zouden voorstaan. Of liever: ik weet dat wel. De met Russisch geld onderhouden Amerikaanse communistische partij werd tijdens de Koude Oorlog door de meeste Amerikaanse presidenten niet als het toonbeeld van onbaatzuchtige vaderlandsliefde beschouwd. Ook háár aanhangers werd met wettige middelen het leven zuur gemaakt, omdat hun activiteiten als staatsgevaarlijk werden beschouwd.

Dat wij een democratische beweging in een dictatoriaal land sympathieker vinden dan een dictatoriale beweging in een democratisch land (en dat daar ook heel goede morele argumenten voor bestaan), doet aan die feitelijke parallel niets af: de opmars ervan ondermijnt de positie van de zittende macht en versterkt de invloed van het buitenland dat haar ondersteunt.

Nogmaals het berichtje van zojuist: ‘De Amerikaanse regering had al eerder haar bezorgdheid geuit over de ontwerpwet, maar het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken wees die kritiek van de hand. Het sprak van ‘grove inmenging in de binnenlandse aangelegenheden”.

Opnieuw: hoezeer ieder fatsoenlijk mens die bezorgdheid van de Ameri-kaanse regering zal delen, de constatering van Moskou is juist: het betekent, gezien de noodzaak van dit soort maatregelen voor Poetin om zijn macht te behouden, een forse inmenging in de binnenlandse aangelegenheden.

Daarin schuilt juist Poetins perfiditeit: hij kan zo de goedwillende oppositie bij de eigen bevolking verdacht maken met feiten en argumenten die juist niét gelogen zijn, maar objectief kloppen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en columnist van Volkskrant.nl.

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/6178/Thomas-von-der-Dunk/article/detail/3296794/2012/08/05/Von-der-Dunk-Poetin-beticht-het-Westen-terecht-van-inmenging.dhtml

Poetin wil geen mietje zijn (met video)

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2690/Opmerkelijk/article/detail/3297687/2012/08/07/Stoere-Poetin-is-niet-gediend-van-een-handkus.dhtml

August 6, 2012 at 11:55 am Leave a comment

DE KRUITHOF-PAPERS (boekrecensie)

door Jef Coeck

Niets van waarde is moeiteloos, om het maar te zeggen met een variant op een bekende versregel. Toen de Gentse moraalfilosoof Jaap Kruithof in 2009 stierf, was hij tot zijn laatste snik (hij werd 75) bezig geweest met denken, discussiëren, lezen en schrijven. Hij liet een gigantisch oeuvre na, dat slechts ten dele in boekvorm is verschenen. Vele van zijn toespraken, cursussen, lezingen bestaan alleen nog in de vorm van handgeschreven notities, van hemzelf of van zijn toehoorders, vaak slechts uit gedachten die zijn blijven hangen. Die ‘slechts’ is hier niet denigrerend bedoeld, wel integendeel. Het is toch de gerechtvaardigde hoop van iedere denker dat iets van zijn hersenspinsels blijft voortleven na zijn dood? Gedachten hebben, anders dan mensen, een hiernamaals.

Lofwaardig is de poging van de uitgever die trachtte in een bloemlezing het belangrijkste te vatten en ons aan te bieden. EPO zocht en vond daarvoor de steun van andere filosofen en intellectuele vrienden van Kruithof: Rik Pinxten, Ronald Commers, Luc Desmedt, Francine Mestrum, Ine Pisters, Hubert Dethier en Eric Goeman. Zij leverden korte inleidingen bij diverse hoofdstukken en andere tekstonderdelen.

Kruithof was een universeel denker. Hij had doorwrochte meningen over zowat alle maatschappelijke en humanitaire aspecten die men kan be- en overdenken, van geld, genot en geloof tot economisme, cultuurpolitiek en de geluidsindustrie. Natuurlijk ook over socialisme, dat hij zijn ‘derde huis’ noemde – na het protestantisme waarin hij was opgevoed en het humanisme waarin hij was getuimeld. Een eerste citaat: “In het derde huis, dat van het socialisme – niet te verwarren met sociaaldemocratie – blijf ik wonen. Ik zal mijn solidariteit met allen die de kapitalistische onderdrukking van de mens door de mens bestrijden, nooit opgeven. Op voorwaarde dat in de socialistische visie ook de planetaire totaliteit met alles wat daarin leeft de waarde krijgt die haar toekomt.”

ZWAK LINKS

Dat is, op zijn minst gezegd, ambitieus. Al even ambitieus zij het niet vrolijk was zijn toekomstvisie, uiteengezet in o.a. een interview met Guido van Meir in Humo. We schrijven 1984. Het is interessant om na te gaan wat van die visie ruim 25 jaar later zoal terecht is gekomen. Enkele citaten.

De interviewer constateert dat de neoliberalen – toen al – de wind in de zeilen hadden. Kruithof vat de wereldproblemen samen in vier punten: de tegenstellingen Oost-West/ Noord-Zuid/ Mens-Natuur en Kapitalisme-Socialisme. Deze problemen kunnen worden gecounterd met de combinatie pacifisme, tiermondisme, ecologisme en socialisme. Vraag: het is een mooi model maar zal het ooit concrete kansen krijgen zonder voorafgaande maatschappelijke aardbevingen?

Kruithof: ”Ik zie die kansen na 2000, niet ervoor. Ik koester geen hoop op een sterke linkerzijde in Europa voor 2035-2050, want links is verzwakt, in het centrum opgegaan en dat centrum maakt een bankroet mee. Verder zit het Westen op wereldschaal nog in een gunstige positie, zodat men een verdedigende houding aanneemt. Er komt dus een toenemende polarisering, maar tot 2000 in het voordeel van rechts. Voor links zal twintig procent wel het maximum zijn. De volgende vijftien jaar zal rechts bovendien zijn positie in de massamedia aanzienlijk versterken. Het grootkapitaal zal de media rechtstreeks willen controleren en ik zie niet in hoe men dat in die periode kan tegengaan.
“Ik denk dat de zaken zullen veranderen door de samenloop van een aantal dingen, die op het eerste gezicht niet zo snel gaan. Het eerste punt is de daling van de levensstandaard. Dat zal niet direct gebeuren maar ik geloof niet dat het Noorden zijn hoge levensstandaard zal kunnen behouden. (…) Naast de bewustzijnsindustrie van de media is er de militarisering. Alles moet bewaakt worden, overal moeten doodseskaders opgericht worden, wat een enorme investering met zich brengt. (…) Ik heb er last van. Ik weet niet hoe je het in je leven moet combineren om met al die dingen bezig te zijn. Je ziet die vier problemen almaar groter worden en vraagt je af: hoe kan daar op de een of andere manier een rem op worden gezet.

De impliciete vraag van de interviewer ‘Hebben we feitelijk geen wereldrevolutie nodig?’ wordt door Kruithof even impliciet zij het overduidelijk met ‘ja’ beantwoord. Wie dan meteen denkt aan mondiale gewapende opstanden tegen alle vormen van staatsgezag, kan zijn ambitie wel opbergen. Tenminste, wat Kruithof betreft. Hij is een groot voorstander van de Staat, of in elk geval van een overheid. Dat bleek met name uit zijn bekendste boek ‘Het neoliberalisme’ (EPO, 2000).

Kruithof: “Hoe we het ook draaien of keren, er is maar één instantie in de moderne samenleving die in principe bekwaam is op te komen voor het algemeen belang en dat is de overheid. Zij alleen kan de maatschappelijke rijkdom herverdelen, algemeen geldende regels opstellen en doen naleven via wetten en reglementen. Slechts zij kan de gelijkheid van elke burger voor de wet garanderen. Alle andere krachten ageren voor particuliere belangen van kleine of grote groepen. Vermindert de macht van de overheid, dan betekent dat noodzakelijkerwijze dat de beveiliging van het algemeen welzijn in het gedrang komt.”

Dat is geen kritiekloos aanvaarden van alle staatsgezag, integendeel. Kruithof: “Alle overheden, waar ook, hoeven heus niet te worden bewierookt. We weten dat de machtigste sociale groepen het staatsapparaat naar hun hand hebben gezet en nog zetten. De anarchisten hebben de vele wantoestanden terecht met verve aangeklaagd. Toch mogen die reacties niet leiden tot een uitzichtloos individualisme, groepsegoïsme en negativisme tegenover de staat. Slechts de overheid is bij machte voor een algemene coördinatie te zorgen en bij conflicten tussen groepen de rol van geloofwaardige scheidsrechter te spelen…”

STENEN GOOIEN
Ach, we zouden eindeloos door kunnen gaan met citeren want in elke zin wordt weer een nieuw gezichtspunt, accent of nuance aangebracht. Geen onderwerp was hem te min. Als fervent melomaan en zelf muzikant, had hij uitgesproken meningen over geluiden in het algemeen en de geluidsindustrie in het bijzonder.

“Muziek van onze tijd klinkt dag en nacht, tijdens de werkdagen en in het weekend, gedurende alle seizoenen. Er bestaat geen werk- of ontspanningsmuziek meer, geen lente-, zomer-, herfst- of wintermuziek. Ook geen ochtend-, middag- of avondklanken. Om het even wat kan op elk moment. We overschrijden alle grenzen.
“Over de kwaliteit van het gebodene is er ook weinig gunstig nieuws. Op de meeste radio- en televisiezenders zendt men steeds goedkope rock- en popmuziek uit. Zullen de fans op de duur beseffen dat ze door de muzikale propaganda worden misleid? Ik zou niet weten hoe. Waarom laat men zich blijvend verblinden door goedkope spullen van gerenommeerde groepen die niets beters kunnen ten gehore brengen? Cultureel verval, jammer maar waar.”

Ja, een geboren optimist was hij niet, die Kruithof. Ook geen doemdenker, meer wel een real- pessimist. Echt geliefd bij grote lagen van de bevolking was hij al evenmin, het tegendeel zou verbazing wekken en aan volksliefde c.q. –woede had hij lak. Dat wordt in het laatste hoofdstuk van dit boek goed in de verf gezet door Eric Goeman:

“Wij hebben direct na de bekendmaking van het overlijden van Jaap Kruithof de aanval beleefd tegen zijn militante denken. Op Facebook werden pogingen gedaan om hem meteen te verguizen, te vernietigen, belachelijk te maken. Hem desnoods verantwoordelijk te stellen voor alle kwaad van de voorbije vijftig jaar. Nauwelijks enkele minuten nadat de dood van Jaap in het radionieuws werd gemeld, verschenen allerlei blogs waarin de miljoenen doden onder Mao Zedong en Stalin, de verloedering van de seksuele zeden, het wangedrag van te libertair opgevoede kinderen en het verval van het Vlaamse gezin allemaal in de grote schoenen werden geschoven van deze ‘dogmatische’ denker. Dat Jaap een steen door de glimmende ruiten van de bourgeoisetalage was, staat vast. En hij heeft het ook zo gewild.”

Dat is ongetwijfeld waar. Zelf schuwde hij het stenengooien niet. Tot slot een kleine persoonlijke anecdote. In de jaren 90 was ik een tijdlang samensteller van de toen nog jonge Weekendbijlage van De Morgen. Ik had het plan opgevat om twee tegengestelde figuren met elkaar te laten corresponderen in de krant, over relevante onderwerpen. Wat te denken, zo dacht ik bij mezelf, van een gevatte briefwisseling tussen Mark Eyskens en Jaap Kruithof? Eyskens ging onmiddellijk akkoord (of wat had u gedacht?). Toen belde ik Kruithof: “Mark Eyskens? Kom nou, zeg. Ik correspondeer toch ook niet met Hitler?”

One of his fifty ways tot say ‘no’. Hij had op zijn minst evenveel wijzen om ja te zeggen. (jc)

* Jaap Kruithof, Teksten voor de toekomst, 510 blz., EPO, Berchem, 2012

July 8, 2012 at 12:02 pm 5 comments

PARADE VAN DE SCHONE SCHIJN

door Jef Coeck

Dit weekend vindt op het Rode Plein in Moskou de grootste militaire parade aller tijden plaats, bij de 65ste verjaardag van de Bevrijding na WO II. Er nemen 10.000 manschappen aan deel, voor het eerst ook Britten, Fransen en Amerikanen. (De foto’s bij dit stuk zijn genomen op de repetitites.)

Tegelijk is er, volgens The Guardian, een voorzichtige rehabilitatie aan de gang van de zowel aanbeden als verguisde leider Josef Stalin. Zijn ‘helfhaftige’ oorlogsverleden wordt in het zonnetje gezet en zijn beeltenis verschijnt weer sporadisch in de metro en op andere openbare plaatsen. Niet op het Rode Plein, daar zou nog teveel verzet tegen bestaan. Maar voor sommige waarnemers is het duidelijk dat Stalin past in Poetins plannen om Rusland weer als een te vrezen supermacht op de kaart te zetten.

Wie voorlopig alvast niet op enige rehabilitatie kan rekenen is de dissidente en lang doodgezwegen schrijver Vasili Grossman, oorlogsverslaggever en romancier. Er zijn weinig 20ste-eeuwse Russische romans die zo gevaarlijk werden geacht voor het Sovjetregime als Grossmans ‘Leven en Lot’. Elke ontwikkelde Rus kent het boek als de roman die in 1961 werd ‘gearresteerd’ – in plaats van de auteur zelf – en in de twee daarop volgende decennia verdwenen leek.

Britse berenmutsen op het Rode Plein

Grossman zelf werd niet vervolgd, niet eens uit de Schrijversbond gezet, maar wel deskundig gemarginaliseerd en doodgezwegen. Hij heeft diverse pogingen ondernomen om zijn manuscript terug te krijgen, onder meer via een brief aan Chroestsjov. De schrijver kreeg een antwoord van partij-ideoloog Soeslov: dat zijn boek een bedreiging vormde voor de Sovjetstaat en op zijn vroegst ‘over twee- of driehonderd jaar’ zou kunnen verschijnen. Grossman was een gebroken man. In 1964 overleed hij aan kanker.

Leven en Lot, literair vaak vergeleken met Tolstoj’s Oorlog en Vrede, wordt gerekend tot de meest vernietigende anti-Sovjetromans ooit geschreven, samen met Solsjenitsyns Goelagarchipel. De Grote Vanderlandse Oorlog en de slag bij Stalingrad waren onaantastbare symbolen van het morele gelijk van de communistische staat tegenover het fascistische Duitsland. Als dan in een prangende roman juist de gelijkenis tussen beide totalitaire systemen wordt aangetoond, met vele en deskundige details, komt het regime in de verdrukking. En vervolgens de auteur.

Grossman was als oorlogscorrespondent voor het legerblad ‘Rode Ster’ getuige van talloze gevechten, onder meer de slag om Stalingrad. Later trok hij door de Oekraïne, waar hongersnood heerste, en naar zijn geboortestad Berditsjev, waar alle joodse inwoners onder wie zijn moeder waren uitgemoord. Hij bezocht als een van de eerste journalisten de kampen Majdanek en Treblinka. Zijn verslag daarvan gold als dossiermateriaal op het proces van Neurenberg.

De matrozen van Krojnstadt?

Tien jaar na Grossmans dood zorgden enkele van zijn vrienden, onder wie Andrej Sacharov, voor een microfilm van het manuscript. Die werd naar het buitenland gesmokkeld en het boek verscheen voor het eerst in 1980, in het Russisch bij een Zwitserse uitgever. Acht jaar later, in 1988, kwam Leven en Lot in Rusland zelf uit, wat volgens Todorov ‘het einde van het Sovjetregime markeerde’.  In 1989 viel de Berlijnse muur.

Grossmans dochter Ekaterina is nu 80 en woont in Londen. In een interview met The Guardian zegt zij dat Stalin een onterecht groot vertrouwen in Hitler had, dat hij het niet-aanvalspakt tussen Moskou en Berlijn zou respecteren. ‘Stalin was niet voorbereid op de oorlog. Onze grenzen waren niet stevig genoeg. De Sovjet-overwinning was zeker niet Stalins persoonlijke verdienste.’

*Vasili Grossman, Leven en Lot, Amsterdam, Balans, 2008

http://www.guardian.co.uk/world/2010/may/06/vasily-grossman-russia-victory-day

May 7, 2010 at 4:25 pm 1 comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,590 other followers