Posts tagged ‘Zanzibar’

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

De Koppensneller van Wetteren

Door Lucas Catherine

Op 30 juni vieren de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Emile Storms, standbeeld op het prestigieuze de Meeûssquarein Brussel.

Emile Storms. Standbeeld op de prestigieuze Brusselse de Meeûssquare.

 Bij een objectieve lezing van onze koloniale geschiedenis wordt algauw duidelijk dat witte helden eigenlijk slechterikken waren en de zwarte slechterikken lokale helden.

Die witte helden kregen standbeelden. Zo Emile Storms, (geboren in Wetteren 1846) die voor de Association Internationale Africaine in 1882 naar Centraal-Afrika trok. Die AIA was een coverorganisatie van Leopold II die hij gebruikte in zijn kolonisatiepogingen. Zo organiseerde hij vijf expedities die vanuit Zanzibar naar het Tanganika-meer trokken via de grote centrale handelsroute uitgebouwd door de Swahili en Wanyamwezi handelaren. De eerste expeditie had onder leiding van Ernest Cambier aan de oostelijke oever van het Tanganika-meer Karema gesticht, de eerste Belgische kolonie in Midden-Afrika. De volgende stap zou een kolonie op de westoever worden. Dat was de taak van Emile Storms die de vierde AIA-expeditie leidde. Hij koos Mpala uit op de Marungu hoogvlakte.

Marungu is de streek ten zuid-westen van het Tanganyikameer die de schakel vormde tussen de handelsroutes uit Katanga en de grote handelsroute naar de Indische Oceaan en de Swahili-kust. Vanuit Katanga vertrok vooral koper dat werd gedolven in de mijnen die beheerd werden door de lokale vorst Mushaidi (Msiri voor de Belgen). Op de centrale route werd naast slaven vooral ivoor verhandeld

Storms vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de handelsroute naar Tabora en zo naar het Tanganika-meer. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganikameer vormde hij de in 1878 door Ernest Cambier gestichte AIA-post Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er een nieuwe post uit te bouwen, Mpala, genoemd naar de lokale chef. Het vormde de toegangspoort tot Marungu en opende de weg naar Katanga. Later zou hij zich “Emile I, keizer van Tanganyika” laten noemen. Over Marungu heerste een sterke lokale vorst, Lusinga Iwa Ng’ombe. Storms beschrijft hem zo: “Je reçois la visite de Lusinga, quelle mauvaise figure ! Ce n’est peut-être pas le chef le plus important du Marungu, mais certainement celui qui est le plus craint. Il fait bon de s’en défier”

En Lusinga ziet de komst van Storms niet zitten: “vous venez au milieu de nous, vous ne pouvez pas nous mépriser. Si vous faites du mal à Mpala ou à l’un des siens, vous mourrez ; si vous lui faites la guerre, vous mourrez, tous les vôtres mourront et votre puissance finira. » Het conflict krijgt zijn beslag als Storms weigert om zoals gebruikelijk als betaling voor verkregen diensten munitie te leveren,. Het dorp van Lusinga wordt aangevallen en plat gebrand. Hijzelf wordt gedood en zijn hoofd op een spies naar fort Mpala gedragen. Nu komt Storms in volle actie en begint hij ook kleinere, lokale chefs te vermoorden waarna ook hun hoofden op de palen van de omheining van zijn fort worden gestoken. De staatsmacht van Leopold II is nu gevestigd.

De huiskamer van Storms.

Wanneer Storms in 1885 naar Brussel weerkeert heeft hij in zijn bagage massa’s buit, waaronder nogal wat kunstvoorwerpen (nu in Tervuren), onder meer een beeldje uit het huis van Lusinga dat jarenlang temidden andere trofeeën op zijn schouw in Elsene zal staan. Maar ook de schedel van Lusinga arriveert in Brussel, net als die van twee andere lokale vorsten, Maribu en Mpampa. Ze berusten nu in het Natuurhistorisch Museum van Brussel.

Dat deed Storms niet zo maar. Strauch, de nauwe raadgever van Léopold II, had hem  op 20 juli 1883 volgende raad gegeven : “Nous vous approuvons de consacrer vos loisirs à la formation de collections d’histoire naturelle. Ne vous pressez pas d’expédier en Europe vos échantillons. (…) Ne manquez pas non plus de recueillir quelques crânes de nègres indigènes si vous le pouvez sans froisser les sentiments superstitieux de vos gens. Choisissez autant que possible les crânes d’individus appartenant à une race bien tranchée, et dont le caractère n’a pas subi de modifications physiques par suite de croisements. Notez soigneusement le lieu d’origine des sujets, ainsi que leur âge quand cela est possible.”  

De schedel van Lusinga zal door antropoloog Emile Houzé (1848-1921) worden bestudeerd en hij komt tot de conclusie: “L’angle bi orbitaire est très ouvert, ce qui n’est pas un caractère pithécoïde, mais un caractère d’infériorité dans les races humaines.”

Dezelfde Houzé verdedigde toen trouwens de stelling dat Walen moreel en fysiek superieur waren aan Vlamingen.

Met dank aan onderzoeksjournalist Michel Bouffioux.

June 25, 2019 at 4:23 pm 1 comment

Onder Israël ligt Palestina en onder Tel Aviv ligt Jaffa.

Door Lucas Catherine

Over Witte en Zwarte steden.

Tijdens de kolonisatie heeft Europa zijn cultuur opgedrongen aan de landen en volkeren die het overheerste. Dat is ook te merken aan de koloniale architectuur. Europa exporteerde zijn toenmalige architectuur naar Afrika en het Midden-Oosten. Dit gebeurde op verschillende manieren, maar grotendeels kwam het hier op neer: Vaak negeerde men de bestaande lokale stad en bouwde er een nieuwe witte, Europese stad naast. Kon men de lokale cultuur niet echt negeren dan vond men volgens de koloniale ideologie die minderwaardig of onvolmaakt en men ging de stad een nieuw, ‘mooier’ uitzicht geven. Vooral de Fransen waren hierin actief. In Noord-Afrika bouwden ze volledig nieuwe steden, meestal in Art Deco, zoals Dakar, Kenitra of Casablanca. Casablanca telt nu nog 2.000 art-deco gebouwen.

Art Deco Dakar

 

Casablanca

Kenitra

Maar ze bouwden ook in Arabiserende stijl, Arabisances. Dat kwam zo: Gustave Le Bon, de eerste grote Franse specialist in Arabische kunst schreef in 1884 La Civilisation des Arabes. Hij vond dat de Arabische kunst, en dus ook de architectuur verstard was en moest vernieuwd worden. Die beschaving moest weer op gang worden getrokken en dat was dan ook de taak van de Fransen. En zo ontstond Arabisances. In Rabat, maar ook in Tunis zijn er talrijke voorbeelden van. In feite is het een vorm van Art Deco maar de decoratieve elementen gaat men zoeken in de architectuur van het Midden-Oosten. Zo vind men in Rabat gebouwen met gevels geïnspireerd op vroegere Egyptische architectuur. Zelfs benzinestations werden in die stijl gebouwd.

Rabat

Een ander voorbeeld van zo’n mengeling tussen Art Deco en Arabisances is Heliopolis door de Belg Empain naast Cairo gebouwd. De Belgen zelf hielden het in Congo bij gewone Art  Deco

Heliopolis

Kinshasha Leopoldville

 De Britten hebben minder architecturaal ingegrepen in hun kolonies, alhoewel. Zo vonden zij dat Zanzibar te Swahili en te Indiaas was en te weinig Arabisch. De meest Arabisch uitziende gebouwen in die stad zijn dan ook van de hand van J.H.Sinclair (°1871) en Majoor E.A.T. Dutton. Zij bouwden ondermeer het Kibweni Paleis en Beit el Amani.

Beit el Amani Zanzibar

 

Zowel de Fransen, de Britten als Empain zondigden hierbij tegen basisregels van de Arabische architectuur: geen ramen aan de buitengevels en gaanderijen liepen langs de binnenkoeren, niet langs de straatkant. Al deze Witte steden zijn ondertussen overgenomen door de voorheen gekoloniseerden en de kolonisator heeft zijn greep op de stad verloren.


Er is een uitzondering: de Witte Stad, Tel Aviv die de vroegere ‘zwarte’ stad Jaffa opslorpte en die nog altijd typevoorbeeld is van hoe de Europese zionisten Palestina koloniseerden. Jaffa was de politieke en economische hoofdstad van de Palestijnen.Tel Aviv begon als een voorstad van Jaffa. Het werd pas in 1934 een aparte stad.

Jaffa, of de Bruid van de Zee verkracht

أذكر يوماُ كنت بيافا

خبرنا خبر عن يافا

Ik herinner mij dat ik ooit in Jaffa was

Vertel mij over Jaffa…

(Chanson van Fairuz, op de LP Al Quds fi al Bal, Jeruzalem in mijn gedachten)

Jaffa was in de negentiende eeuw in volle expansie. Het was een van de belangrijkste havens in het Midden-Oosten. De Palestijnen noemden haar Urus al Bahr, Bruid van de ZeeVanaf 1850 installeren Russische, Franse, Britse en Duitse consuls zich in het land. Zij geven ons een tamelijk heldere beschrijving van de economie. Uit hun rapporten blijkt dat Palestina nogal wat producten uitvoert. Vanuit Jaffa vertrekken zeep, olijfolie, fruit en groenten naar Egypte; sesamzaad, olijfolie, granen en katoen naar Frankrijk, gierst naar Groot-Brittannië en wordt er verder ook nog geëxporteerd naar Syrië, Griekenland, Italië en Malta. De Palestijnse economie kent in de jaren 1850 een sterke opgang in de graanteelt, in de jaren 1860 gevolgd door de katoenteelt.

En dan zijn er de sinaasappels. Vanaf de achttiende eeuw stond Palestina echt bekend om zijn sinaasappelen. Na het einde van de Krimoorlog in 1856 raakte de export van appelsienen in een stroomversnelling. Jaffa zelf had grote plantages (zie kaart uit 1905) maar was ook de uitvoerhaven voor de plantages in heel de streek tot Gaza, vandaar dat dit de merknaam werd. In 1873 – het zionisme moest nog worden uitgevonden – telde de streek rond Jaffa al 420 sinaasappelplantages met een jaarlijkse productie van 33,3 miljoen stuks. Na 1875 veroveren de Jaffasinaasappelen onder die merknaam de Europese markt. In een rapport uit 1880 noteert de Britse consul in Jeruzalem dat de beste belegging in Palestina de citrusplantages zijn. In 1886 vestigt de Amerikaanse consul Henry Gillman in een rapport aan Washington de aandacht op de geavanceerde enttechnieken van de Palestijnse boeren: ‘Het zou nuttig zijn dezelfde technieken in Florida toe te passen.’ Een andere Britse consul rapporteert in 1893: ‘De sinaasappelbomen uit Palestina zijn superieur aan die in de andere kolonies. Zowel in Zuid-Afrika als in Australië zou men er goed aan doen boompjes uit Jaffa te importeren.’

In 1858 bedroeg de waarde van de export uit Jaffa 12.244 Turkse pond (Palestina was tot WO I onderdeel van het Turks-Ottomaanse Rijk). In 1882 was dit verdrievoudigd tot 37.802 Turkse pond. En de bevolking groeide aan. De haven bood werk. Er ontstonden nieuwe wijken in de stad. Ten noorden, rond de haven groeide vanaf WO I de wijk Manshieh. Ze ontwikkelde zich in het duinengebied langs de zee.

Er arriveerden zelfs Europese christelijke sekten. De Duitse protestantse sekte van de Tempeliers sticht in 1871 haar eerste kolonie, Sarona net ten noordoosten van Jaffa en nu ook onderdeel van Tel Aviv (Hakiryat). Zij kwamen uit Schwaben en noemden zich naar de Orde der Tempeliers die aan de kruistochten deelnamen.

Maar er arriveerden ook de eerste Europese joden. Zij vestigden zich eerst binnen de stad Jaffa in wijken die ze hebreeuwse namen gaven: Neve Zedek (Huis der Rechtvaardigen,1887) en Neve Shalom (Huis van Vrede). Die grensden aan Manshieh. Wanneer na 1897 de eerste Europese zionistische kolonisatoren arriveren kopen die van groot-grondbezitters tuinen en plantages op die meer landinwaarts lagen, achter de duinen. Een spilfiguur hierbij was de in Jaffa geboren bouwondernemer, Yosef Chelouche. Er arriveerden ook Jemenitische joden, aangetrokken door de economische bloei van Jaffa. Zo ontstond in 1904 de meest noordelijke joodse wijk, Mahane Israël (nu Kerem Hateimanim, ‘De Jemenitische Wijngaard’). Het was een soort buitenwijk van Manshieh. Hier lag de basis van wat later Tel Aviv zou worden. De mythe zal later willen dat het een andere wijk was, het vijf jaar later gestichte Ahuzat Bayit. (zie infra).

De Witte stad, gebouwd op de Duinen.

De eerste joodse wijk in wat later Tel Aviv zou worden was dus de Jemenitische wijk van Manshieh. In 1906 stichten Europees-joodse kolonisten de vereniging Ahuzat Bayit (Thuis-stad). Zij zullen via stromannen om de Ottomaanse overheid te misleiden, een strook land van 4ha aankopen en de 60 plots onder elkaar verloten. Daarvoor hadden zij inderdaad duinengebied uitgekozen. Alhoewel, de plek heette in het Arabisch Karm Jebali (Wijngaard op de Heuveltop) en het heeft drie jaar geduurd eer de bedoeïenen die er semi-permanent verbleven konden worden weggewerkt. Deze wijk Ahuzat Bayit slorpte in 1909 drie voorheen gestichte kolonies op: Neve Tzedek, Neve Shalom en Mahane Yehuda (Het Joodse Kamp) en de nieuwe entiteit koos voor de naam Tel Aviv.

Wat het huidige Tel Aviv betreft is het duidelijk als je kaarten uit 1898, 1905 en 1917 vergelijkt dat het grootste gedeelte van het oude Tel Aviv is gebouwd op wijngaarden, tuinen en boomgaarden en dat Arabisch Manshieh op duinzand werd gebouwd. De Israëlische architect Sharon Rotbard heeft het overtuigend aangetoond in zijn boek White City, Black City waaruit ik trouwens ook erg veel andere informatie heb gehaald.

Baedecker 1905

De kaart van Baedecker is erg duidelijk, waar collines de sablestaat kwam Arabisch Manshieh daarachter lagen vignobles/wijngaarden en verder grote stukken brande/schorren. Schorren zijn begroeide, overstromingsgevoelige stukken land waarop aan landbouw of veeteelt kan worden gedaan. Denk aan het Brusselse Schaarbeek dat eigenlijk (en in het Brussels nog altijd) Schorrebeek heet. Het dorp Summeil en zijn tuinen lag op zo’n schorre en ook het gehucht Abdel Nebi. De citrusplantages lagen rond het dorp Abu Kebir.

Onder het Ottomaans bewind waren er nog geen grote problemen omdat de overheid de Europese kolonisatie afremde. De problemen kwamen er echt nadat de Britten na WOI het bestuur over Palestina overnamen en de zionistische kolonisatie officieel steunden. Toen ontstond ook het eerste verzet. In 1909 was in Jaffa trouwens al de antizionistische krant Filastin verschenen. Er volgden revoltes tegen de kolonisatie in de jaren 1920 en 1930. Telkens was Jaffa één van de centra.

Daarop besloten de kolonisten om Tel Aviv van Jaffa de facto af te scheiden. De immigratie werd opgedreven en in de jaren 1920 vertwintigvoudigde de bevolking van Tel Aviv (van 2.804 naar 42.000 inwoners). Ze begonnen ook met de aanleg van een eigen haven, apart van Jaffa.

Na WOII wilden de zionisten niet langer een staat in de staat zijn, maar hun eigen staat creëren. Dat gebeurde met geweld en moord. 418 Palestijnse dorpen werden verwoest en de bevolking verdreven. En Tel Aviv deed mee. In 1948 slorpte de stad alle Arabische buurdorpen van Jaffa op: Summeil, Ajami, Jabaliya, Abu Kebir en Sheikh Muwanis. Al die dorpen werden grondig verwoest en gebulldozerd, nadat hun Palestijnse inwoners manu militari werden verjaagd, net zo in Jaffa, dat in 1954 een deelstad van Tel Aviv werd.

Summeil-Masudiya

Die aanval tegen de buurdorpen werd al ingezet, nog voor de staat Israël op 15 mei werd uitgeroepen en ondanks het feit dat die dorpen zich alles behalve vijandelijk opstelden. In december 1947 vergaderden de mukhtars (burgemeesters) van onder meer Sheikh Muwanis en Summeil met de zionistische militie en stelden zich vriendschappelijk op. Toch werden deze dorpen in februari 1948 al vernietigd en etnisch gezuiverd. Op de plek waar eens Sheikh Muwanis lag staat nu de Universiteit van Tel Aviv.

De eerste dichtbevolkte wijk van Jaffa, Al Manshieh werd vanaf 25 april veroverd door Etzel, de zionistische militie die sympathiseerde met Mussolini en die onder leiding stond van de latere premier Menahem Begin.

Manshieh 1948

Abu Kabir

Daarna volgde Jaffa zelf dat voor 75% werd gebulldozerd en de inwoners verdreven, op zo’n 3.650 na die werden samengedreven in de zuidelijke wijk Ajami. In 1954 werd Jaffa herleid tot een hippe wijk van Tel Aviv.Van Jaffa blijven nu nog enkele kleine relicten over, voor toeristisch gebruik: De Sint-Pieterkerk, de moskee, het kanon van Napoleon, de Andromeda-rots en een pseudo-historische wijk, eerder een tourist-trap. De verovering van Jaffa verliep erg gewelddadig. Zwaar mortiergeschut dat hele woonwijken plat bombardeerde. Massaal gebruik van terreur: vanaf de heuvels werden ‘barrel bombs’ naar beneden gerold. Zo rolden twee leden van Etzel, Chelbi ben David en Shaul Bador zo’n bomvat binnen in café Venezia naast de Al Ahamra-cinema die veertig burgerdoden maakte. Die terroristen zijn nu Israëlische nationale helden.Dan volgde het plunderen. Om mij te beperken tot een zionistische bron:

De Irgun (Etzel) soldaten begonnen te plunderen. Eerst kleren, bloesjes en juwelen voor hun liefje, maar daarna begonnen ze systematisch te plunderen, alles wat maar kon meegezeuld worden: meubels, tapijten, schilderijen, huisraad, serviezen, bestek… en wat ze niet konden meenemen werd systematisch vernietigd: ramen, piano’s, lusters, een ware vernielorgie.“ Jon Kimche, Seven Fallen Pillars, Londen 1950.

Sheikh Muwanis is nu Ramat Aviv, Salama: Kfar Shalem, Manshieh: the City, Summeil: Givat Amal en Jamassin: Bavli.Ter eer en glorie van deze fascistische Etzel-militie werd Etzel House opgericht op het puin van het enige overblijvende huis van Arabisch Manshihe. Over het puin werd een grote glazen kubus gebouwd.

Etzel House, het museum van de overwinnaars.

Om de tekst te citeren op de gedenkplaat binnen: “from the shattered walls of the old building grow dark glass walls… An attempt to freeze the special moment and time of the day that Jaffa was liberated.” Maar over hoe Jaffa werd ‘bevrijd’ geen woord. Sharon Rotbard vergelijkt het architectonisch concept van dit museum met de Ruinenwerttheorie “Waarde van Ruïnes”-theorie van Albert Speer. En concludeert over dit Etzel-museum: “Never before in the history of architecture has such an ugly truth been displayed in such a false, spruced up manner.”

De Bauhaus-stad

 

In 2003 voegde Unesco Tel Aviv toe aan de lijst van het Werelderfgoed: “The White City of Tel Aviv is a synthesis of outstanding significance of the various trends of the Modern Movement in architecture and townplanning in the early part of the 20th century.”

Daarop lanceerde men in Israël de mythe dat Tel Aviv niet alleen een witte stad was, maar ook een Bauhaus-stad, een stad van de International Style. De witte elite van Israël bestaat vooral uit Askenazi joden, en dat woord betekent in het Hebreeuws: Duits. In het jiddish-Duits heten ze Yekkes. Het zijn zij die in 1933 met de nazi’s een samenwerkingsakkoord afsloten waarin een transfer van mensen en kapitaal werd vastgelegd. ‘Transfer’ is in het Hebreeuws ‘ha’avara’. Als gevolg van deze Ha’avara-akkoorden kregen tussen 1933 en 1939 16.000 kapitaalkrachtige Duitse joden toestemming om naar Palestina te emigreren en om 31.570.000 toenmalige ponden (nu miljarden euro) te transfereren. Zij werden de economische elite. Een van de bedrijven die ze oprichtten was de Nesher cementfabriek, de grootste industrie van toenmalig Palestina. Nesher is Hebreeuws voor Adler, Adelaar. Alles wat Duits is, is kwaliteit vinden de Yekkes en zij schreven dan ook de geschiedenis van Tel Aviv. Een Witte Stad met Duitse origine, dankzij een link met Bauhaus, de befaamde architectuurschool in Dessau. En het verhaal dat Tel Aviv een soort annex van de Duitse cultuur zou zijn werd in Duitsland zelf gretig overgenomen.

Maar klopt dat? Tel Aviv zou een witte stad zijn, maar eigenlijk is het een blanke stad. Veel wit zie je niet. Toen de bekende Franse architect Jean Nouvel in 1995 de stad bezocht was hij zwaar ontgoocheld: Men heeft mij verteld dat dit een witte stad is. Zie jij ergens wit? Ik niet.” Het is een grijze, vale stad.

Is het een Bauhaus stad? Nu zijn er wel vier Israëli’s die aan de Bauhaus-school hebben gestudeerd: Shlomo Bernstein, Munio Weinraub-Gitai, Shmuel Mechtekin en Aryeh Sharon. Maar zij hebben nooit een groep gevormd of samen gewerkt onder de naam Bauhaus, want zei Aryeh Sharon in een interview: “Bauhaus is geen concept, laat staan een uniforme instelling.” En vooral, ze werkten na WO II, terwijl de gebouwen die nu in Tel Aviv “Bauhaus-Style” worden gecatalogiseerd dateren uit de jaren 1920.

Maar de overgrote meerderheid van de architecten die volgens de “Bauhaus Style” in Tel Aviv actief waren hebben in Frankrijk of België gestudeerd en werden niet door Bauhaus beïnvloed maar door de Franse koloniale architectuur van ondermeer Le Corbusier, daarom dat Tel Aviv zo gelijkt op Algiers of Casablanca. In België studeerden: Haim Casdan (Brussel), Benjamin Ankstein (Brussel) en een van de bekendste Israëlische architecten, Dov Karmi (Universiteit Gent, 1929.)

Om tot slot nog eens Sharon Rotbard te citeren: “In tegenstelling tot Tel Aviv zijn de witte regeerders uit Casablanca, Algiers of Dakar vertrokken en blijven nog alleen hun gebouwen over. In Tel Aviv overheerst nog altijd de cultuur van de witte regeerders en nu meer dan ooit. Tel Aviv is dan ook een voorbeeld tot wat Casablanca, Algiers of Dakar waren geworden als de Franse kolonisatie was blijven verder duren.”

 

Lucas Catherine, vanuit zijn art-deco appartement in Brussel.

December 20, 2018 at 11:51 am Leave a comment

TABORA, STAD MET DE DRIE NAMEN

Tabora ex-Kaisershof

Tabora ex-Kaisershof

door Lucas Catherine


Tabora, zegt het u iets ? U denkt dat het om de Bijbelse berg Tabor gaat, zoals ik vroeger dacht? Helemaal niet.
En is er bij u ook een Taborastraat, zoals bij mij in Brussel? En is er ook een fritkot? Een wat bizar fritkot, met echte Belgische frieten, uitgebaat door een Iraniër die bij voorkeur klassieke muziek speelt. Tabora, een raadsel uit mijn jeugd dat nu al een tijdje is opgelost.

Sinds de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog weet ik dat het Belgisch-Congolees koloniaal leger daar den Duits heeft verslagen en dat we toen als beloning Ruanda en Burundi kregen. Maar het raadsel was nog niet echtig-techtig volledig opgelost. Tot ik in Tabora belandde.

U gaat op vakantie met booking.com, ik met Burton, Speke, Becker en Stanley. Vandaar Tabora. Want ze zijn er alle vier geweest, hebben er zelfs een paar maand gewoond. Natuurlijk kan je niet met SN Brussels naar Tabora, zelfs niet met Swiss Air. Daarvoor moet je eerst naar Dar es Salaam. Nu is Dar samen met Rabat en Brussel zo wat de enige stad waar ik me thuis voel. Sorry als ik hiermee de Antwerpenaars beledig. Mijn excuus is dat ik daar gewoond heb.

Alhoewel Dar is Dar niet meer. Heel de oude stad is niet alleen omzoomd door wolkenkrabbers, maar ook grotendeels afgebroken. Nog drie huizen uit de tijd van de Zanzibari sultan, die de stad zo’n 150 jaar geleden heeft gesticht, iets meer uit de Duitse tijd en gelukkig toch nog wat Indische art-deco gebouwen uit de jaren 1930. Die sky-scrapers, meestal door Chinese firma’s gebouwd staan grotendeels leeg. Er is daar nogal wat windhandel en foute beleggingen door pensioenfondsen in luchtkastelen. We logeerden natuurlijk in de oude stad. In zo’n hotel afgekoeld door zeewind en met een fan tegen de muggen en de malaria. Safari-inn. Het hotelletje lag vlakbij restaurant New Zahir, waar in de jaren 1960 Malcolm X en Che Guevara (vermomd als Russisch dokter) nog rondhingen. En waar ballingen van het Zuidafrikaanse ANC genoten van de lokale swahili-keuken. Ik weet niet of in ons bed iemand van hen heeft geslapen.

New Zahir

New Zahir

Niet alleen de stad is grondig veranderd, ook de sfeer in de bars. Mijn lievelingsbar is wat ze in Kinshasa een ‘terrace’ noemen. Een openlucht café. ’s Middags komen de bedienden van de omliggende firma’s er eten, en drinken en ’s avonds is het feest. Vijf jaar geleden hoorde je er alleen Afrikaanse muziek, meestal dan nog Congolese, en nu! Witter dan wit: Dolly Parton, Johnny Cash… het meest zwarte dat er te horen viel waren de Pointer Sisters (je weet wel: I want a man with a slow hand, I want a lover with an easy touch, iets wat mijn vrouw soms wel eens neuriet.)

Geef mij dan maar de bars van Tabora.
Reizen moet bij mij een doel hebben. Voor Tabora had ik er twee: grafmonumenten van de Belgisch-Congolese Force Publique en het raadsel van de stad met de drie namen oplossen. Wacht, ik heb het dadelijk over die drie namen.
Eerst in de stad geraken en dan die graven.

Je kan naar Tabora rijden, meer dan 1000 km van de kust en dat over wegen met potholes, tenzij de stukken die de Chinezen hebben gerepareerd, minstens twee dagen. De trein is ook al geen optie, want er vertrekt maar om de drie dagen een trein en die doet er ook al twee dagen over. Dan maar vliegen. Met Precision Air minder dan twee uur. En geen flauwe moppen nu, ik ken dat eens dat je een vliegtuig neemt ten zuiden van de Middellandse Zee dan hebben ze het over Insj’allah Airways en zo. Alles behalve ‘Precision’. Vergeet het. Het vliegtuig vertrok op tijd en kwam tien minuten te vroeg aan. Ik wou dat mijn trein Brussel-Oostende even betrouwbaar was. En, ik voelde mij Kuifje in Afrika. Het was nog een schroefvliegtuig. Waarom begreep ik toen we in Tabora landden. Niet alleen was het gebouw van de luchthaven kleiner dan mijn stamkroeg in Brussel, maar buiten de landingsbaan zelf die in asfalt was, moest het vliegtuig taxiën over grintpistes. Met straalmotoren zou dat nogal wat geven, na iedere landing de piste heraanleggen.

Tab 3

Tabora ligt terug in de tijd: Ons hotel was het vroegere Kaisershof. Door de Duitsers nog voor de Grooten Oorlog gebouwd in de hoop dat de Kaiser himself na de overwinning zijn Afrikaanse bezitting zou komen inspecteren. Omgeven door veel groen, bloemen, bomen, waterpartijen, heel onafrikaans. Dit trekt massaal muggen aan en malaria. Maar goed het gebouw dateert uit de tijd dat malaria werd bestreden met gin tonic en quinina-wijn. Tijdens het diner speelde een orkestje, Congolezen want op hun repertoire stond ook Marina, ja van Rocco Granata. Zeg dan nog dat de Belgische kolonisatie alleen maar kwaad heeft aangericht.

We hadden er afspraak met een lokale historicus. Gelukkig hadden we hem als gids, anders hadden we zeker niet een van de zes begraafplaatsen gevonden. We trokken zelfs tot Mabama, vijftig kilometer westwaarts van Tabora. Onze enige aanduiding was een handgeschetst kaartje uit 1924 met hun ligging langs de weg en spoorweg naar Kigoma. Die spoorweg lag er nog, maar de Chinezen hadden ondertussen wel een nieuwe weg aangelegd.
De monumenten waren in geen staat. De koperen Congosterren die ze als versiering droegen waren al decennia verdwenen, net als de naamplaten.
Dit is wat er rest van het graf van Luitenant Lambert en de onderofficieren Cipont en Enghelborgs.

Tab 4

Het was erg moeilijk te vinden. Je moest enige historische deductie-redenering gebruiken. De Belgische graven lagen langs de oude weg en de spoorweg Tabora-Kigoma. Die volgde de oude karavaanroute van de Zanzibari. En waarvoor waren die Zanzibari bekend? Hun swahili bijnaam is ‘manga’ omdat ze overal langs hun karavaanwegen mangobomen hebben aangeplant. Die gaven niet alleen veel schaduw, maar ook meerdere keer per jaar vruchten. Belgen en Congolezen kennende zouden die wel als ze een graf moesten delven de schaduw aan de voet van een mangoboom verkiezen. En inderdaad ons graf lag onder een eeuwoude mangoboom.

De herdenkingszuilen voor de Congolese soldaten en dragers hebben het iets beter overleefd. Eentje ligt zelfs in een goed onderhouden tuin net buiten Tabora:

Tab 5

Na een succesvolle makabere zoektocht, – terloops ons woord makaber komt net als het swahiliwoord voor begraafplaats, makaburi van het Arabisch makbara – moesten we klinken, met William Maswa Sizya onze gids. En toen kwam de naam Tabora ter sprake.
Als je er de Europese explorateurs op naslaat duiken er drie namen op voor de stad: Chemchem, Kazeh en Tabora .

De Belg Jerome Becker – hij was gouverneur van de eerste Belgische kolonie aan het Tanganyika-meer, Karema – kent er twee van: Chemchem en Kazeh.
De bevolking die er woont zijn de Nyamwezi – bij Europese explorateurs als Burton, Speke of Stanley bekend als Mensen van de Maan. Zij noemen de plek Chemchem, de waterbron. Toen vanuit Ruanda Tutsi veehouders er zich kwamen vestigen, noemden zij, volgens de lokale overlevering, de heuvel waarop ze zich vestigden Kazeh, naar de naam van hun chef. Om de verwarring nog groter te maken: kazeh betekent in het kiNyamwezi ook gewoon koninkrijk. Daar woonde trouwens de sultan van de Nyamwezi.

De verwarring was dus groot, zeker bij Stanley, toch al een kneus als het om topografie ging. Aan hem ‘danken’ we de naam van een van de grote rivieren in Noord-Oost Congo. Iedereen voor hem, de lokale bevolking, de Zanzibari handelaars noemden haar de Ituri. Nu is dat alleen nog zo voor een deel van die stroom. Ze staat vooral bekend als Aruwimi. En dat kwam zo. Stanley arriveerde er, zag twee lokale vissers op de stroom en vroeg hen in het swahili: hoe heet dat hier? Zij verstonden geen swahili en de ene visser bekeek de andere, en sprak: kent die ons? in de lokale taal: Aruwimi? Vandaar.

Ook in Kazeh had hij problemen. Hij vertelt het zelf (in How I found Livingstone). Bij zijn aankomst vraagt hij de Zanzibari gouverneur van het gebied, Said bin Salim: “Waar is Kazeh?”
“Zou ik niet kunnen zeggen.”
“Wat bedoel je. Burton, Speke en later Grant waren er in uw gezelschap! Hebben Burton en Speke niet in Kazeh gelogeerd bij Musa Mzuri (Mooie Mozes)?”
“Jawel, maar Musa woonde in Tabora”.
Het is dus in dit Kazeh dat zich vanaf 1825 Swahili’s van de kust en van Zanzibar vestigden. Dankzij hun Indische financiers in Zanzibar namen zij de ivoorhandel tussen Oost-Congo en Zanzibar over. Zij gingen zich iets later ook in Oost Congo vestigen met als belangrijke centrum Kasongo en stichtten er ondermeer de stad Kisangani.
De stad Tabora werd nu een groot centrum van karavaanhandel. Belangrijkste producten: ivoor en honig. Die honig was trouwens Jerome Becker al opgevallen, net als de massa’s bijen die er voorkwamen. Die honing is nog altijd een specialiteit. Vooral die van heel kleine bijen, nyuki wadogo, zoet maar met een nasmaak van limoen.

honig in de Souk

honig in de Souk

Jaarlijks trokken er zo’n 500.000 karavanen door de stad richting Congo of richting Zanzibar. De Nyamwezi hadden het monopolie op de job van drager. Dit gebeurde dus niet door slaven, zoals de koloniale geschiedschrijving wil, maar door betaalde werkkrachten wier loon meesteeg met de prijs van het ivoor van 8 Maria Theresia Dollar naar MT$ 20 in de jaren 1870. De meeste volwassen mannen in Unyamwezi werden daardoor drager. En al dat volk moest proviand mee nemen op zijn lange tocht. Zo zal de naam Tabora ontstaan. Grote zoete aardappelen werden gekookt, in grote schijven gesneden en dan in de zon gedroogd. Een soort frieten zonder bakken in vet. Die schijven konden maandenlang goed blijven en werden het basisvoedsel van de karavanen. Zo’n schijf heet in de taal van de Nyamwezi, tabora.
Deze Afrikaanse vorm van friet, zonder vet maar zongedroogd zijn stukken gezonder zouden de hipsters en andere leden van de Glutenkerk nu zeggen, werden dus uitgevonden zo rond 1857, jaar waarin voor het eerst een frietkot opduikt in de Belgische pers. Dit van een zeker Fritz uit Verviers, althans volgens Le Courier de Verviers.

July 18, 2015 at 12:50 pm Leave a comment


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,731 other followers