EEN ZALM DIE STROOMAFWAARTS ZWEMT

Het totemdier van De Morgen is de zalm, een vis die ervoor bekend staat dat hij onbevreesd tegen de stroom in zwemt. Helaas treft men in de krant vaak vissen in aan die met de stroom meedrijven; die braafjes de school volgen.

Een recent voorbeeld daarvan is een artikel in De Morgen van 31 oktober, breed getiteld “Anarchistische terreur steekt weer de kop op”. Daar boven: “Drie Belgische defensiebedrijven in brand gestoken, inlichtingendiensten verwachten nog aanvallen”.

Laat ons met de titel beginnen. Wat is terreur? Het woord wordt meestal gebruikt in uitdrukkingen als ‘terreur zaaien’ en terreurbewind”, wat betekent geweldpleging om angst, paniek en onderwerping te veroorzaken. De aanslagen gepleegd door groepen als Isis, Al Qaida  en de bende van Nijvel vallen daar duidelijk onder. De Saoedische, Westerse en Russische bombardementen in Afghanistan, Yemen, Syrië, enz., eveneens.  Maar de “aanslagen” waarover dit artikel gaat niet.

Laat ons aannemen dat de auteur, Yannick Verberckmoes, “terreur” als synoniem voor “terrorisme” gebruikt. Over het politiek gebruik – of beter misbruik- van dat woord heeft Noam Chomsky in zijn recent door EPO uitgegeven boek een mooi hoofdstuk geschreven. Wat onderscheidt terrorisme van militaire acties? Dat burgers het doelwit zijn, is geen bruikbaar criterium, want in oorlogen is dat ook steevast het geval. Dat het geweld politieke doeleinden heeft, eveneens.  Wat er overblijft is wie het geweld pleegt: als een staat het doet, zijn het “militaire acties”of “klandestiene operaties”, als de geweldpleger geen staat is (maar het meestal hoopt te worden) is het terrorisme. Tenzij de geweldplegers aan onze westerse, christelijke kant staan; dan zijn het geen ‘terrorists’ maar ‘freedom fighters’. Journalisten die deze Newspeak overnemen, papegaaien Big Brother.

Alleen al het woord “defensiebedrijven” dat in dit artikel wordt gebruikt om de wapenindustrie te omschrijven is Newspeak. De bedrijven in kwestie maken tanks, raketten die dienen om steden te verwoesten in het Midden Oosten, niet om België te verdedigen. Met defensie heeft dat niets te maken. Vroeger was men eerlijker, toen heette het ministerie van Defensie nog ministerie van Oorlog.

Maar terug naar de “terreur” waarover deze zalm gaat. De aanleiding voor het artikel is een brand eind september in een loods van een bedrijf in een industrieterrein in Mechelen. Dat bedrijf, Varec, maakt rupsbanden voor tanks en andere militaire voertuigen. Er waren geen slachtoffers (van de brand, wel te verstaan, hoeveel slachtoffers vielen door de wapens die Varec hielp maken weten we niet). De “aanslag” werd niet opgeeist, niet door anarchisten noch door iemand anders. Er is geen spoor van een dader. Sterker nog, het is helemaal niet zeker dat er een dader was. Ondanks de stelligheid waarmee Verberckmoes in zijn boventitel spreekt van brandstichting, vindt hij niemand die zijn hypothese wil bevestigen. Hij gaat aankloppen bij het federale parket, bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en Defensie maar iedereen houdt zich op de vlakte. Het verst komt hij bij Nele Poesmans van het Mechelse parket die zegt dat de mogelijkheid dat de brand gesticht werd “niet uit te sluiten” valt. Gazet van Antwerpen schrijft: “Over de oorzaak is volgens de lokale politie nog niets bekend”.

Hoe die brand is ontstaan weet ik niet. Maar ik weet wel dat een journalist die een vermoeden voorstelt als een feit een grove beroepsfout maakt. Hij maakt ‘fake news’.

Waarop steunt Verberckmoes zich om de brand een anarchistische aanslag te noemen? Zijn eerste argument is dat er in dezelfde periode nog een brand was in een wapenbedrijf. En bij Thales Belgium, een bedrijf dat raketten en andere offensief oorlogstuig maakt (wat Verberckmoes verzuimt te vermelden), werd een geimproviseerde bom aangetroffen die zonder problemen werd verwijderd. Tussen die drie feiten moet er een verband bestaan, vindt Verberckmoes en dat verband kan volgens hem alleen “anarchistische terreur” zijn.  Zijn bewijs: De Franse website “Info Libertaire” tweette: “Genk, Herstal, Mechelen: mooi hoe panden van de militaire industrie in rook opgaan”.  Meer bewijs heeft onze onderzoeksjournalist niet nodig.

Om zijn wankele stelling te ondersteunen gaat hij te raad bij “experten” die zijn opinie over “de weer oplaaiende terreur van extreem-links” onderschrijven. Dat zijn Ben West, een analist van Stratfor, een geopolitiek consulting bedrijf dat ook bekend staat als “the Shadow CIA” en nauw aanleunt bij de echte CIA en het State Department, en Claude Moniquet, een ex-“veiligheidsagent” van de Franse CIA, de DGSE. Die trekken een lijn tussen de “aanslagen” in België en gebeurtenissen in Frankrijk, zoals het in brand steken van politiewagens en zien internationale netwerken die dat orchestreren.

Moniquet krijgt het laatste woord. “Voorlopig hebben die groepen enkel nog infrastructuur vernietigd maar het risico dat ze zich op personen gaan richten is reëel.” Voel je de koude rillingen over je ruggegraat lopen?

Men wil ons bang maken.

 

Tom Ronse

Dit is slechts één voorbeeld van hoe journalistiek propaganda, en meer specifiek, bangmakerij wordt.  Ik beweer niet dat dit artikel De Morgen in zijn geheel typeert; de krant publiceert ook uitmuntende journalistiek. Ik stond mee aan de wieg van De Morgen en heb er heel lang voor gewerkt en hoop er ook in de toekomst nog af en toe aan mee te werken. Of dat nog kan na een stuk als dit? We zien wel.

 

 

 

november 17, 2017 at 7:21 am Plaats een reactie

CATALONIË: DE VERSCHROEIDE AARDE

Door Johan Depoortere

Wat ging er om in het hoofd van Carles Puigdemont en zijn medestanders in de Catalaanse regering toen ze besloten een omstreden en illegaal referendum over onafhankelijkheid te houden en later om op basis van een twijfelachtige meerderheid in het regionale parlement de onafhankelijkheid uit te roepen? Van naïviteit kun je de heren en dames nauwelijks verdenken: het zijn allen door de wol geverfde politici. Wat dan zou de strategische berekening van Puigdemont en de zijnen kunnen zijn geweest? Zouden ze van de Spaanse rechtse regering hebben verwacht dat die haar bezwaren zou inslikken en passief zou toezien hoe een deel van het land zich afscheurt? Hadden ze gehoopt op steun van Europa? Hadden ze erop gerekend feiten op de grond te creëren die niet meer waren terug te draaien. Of hadden ze een strategie van de verschroeide aarde: – een crisis zonder weergaande in het leven roepen en dan maar hopen dat uit de fall-out toch iets als een onafhankelijk Catalonië zou oprijzen: la politque du pire.

Carles Puigdemont zingt de Catalaanse nationale hymne in het parlement dat net de onafhankelijkheid heeft verklaard

Als dat de bedoeling was van de separatisten dan werden ze door Madrid op hun wenken bediend. Door zijn gewapende horden van para-militairen op vreedzame betogers en kiezers af te sturen en politieke leiders de cel in te draaien gaven premier Mariano Rajoy en zijn semi-franquistische Partido Popular de Catalaanse independentistas op een zilveren dienblad het cadeau waarvan ze alleen hadden kunnen dromen. Voortaan hoefde niet meer over de zwakke argumenten voor onafhankelijkheid te worden gedebatteerd: Catalonië had zijn martelaren. Dat uit alle opiniepeilingen, referenda en stembusgangen blijkt dat minder dan de helft van de Catalanen voor het idee van onafhankelijkheid zijn gewonnen verdwijnt nu naar de achtergrond. Het referendum van 1 oktober dat aan geen enkel criterium van een geldige volksraadpleging voldeed wordt geligitimeerd door het geweld van de Guardia Civil en op de sociale media gebruiken de aanhangers van de onafhankelijkheid hun particuliere wiskunde om over een grote overwinning te kunnen gewagen: meer dan 700000 stembrieven zijn immers door de Guardia Civil in beslag genomen en die worden voor het gemak in gelijke proportie met de getelde bij de ja-stemmen gerekend.

Puigdemont en de Spaanse premier Mariano Rajoy in betere tijden

De afgezette Catalaanse minister-president is nu in België ondergedoken om te ontsnappen aan het Spaanse gerecht dat hem beschuldigt van rebellie en nog een paar misdrijven. Zijn collega-minsters zijn intussen opgepakt en tegen Puigdemont is een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Puigdemont is er om evidente redenen niet op gebrand om kennis te maken met de binnenkant van een Spaanse gevangenis. Zijn vlucht naar België is uit menselijk oogpunt dan ook begrijpelijk, heldhaftig zeker niet. Nadat hij het huis in de fik heeft gestoken verdwijnt de brandstichter door de achterdeur. Om nog meer olie op het vuur te gooien pleit de Leuvense professor in de politieke wetenschappen Bart Maddens er in De Standaard voor om in Brussel – of wie weet Antwerpen – een Catalaanse regering in ballingschap te gedogen. Na de rellen in de Brederodestraat voorwaar een geniaal idee van de professor om een buitenlands conflict te importeren.

Bart Maddens, professor en nationalistische activist

Puigdemont is het slachtoffer van een crisis die hij zelf heeft opgepookt. Nu is hij blijkbaar tot het besef gekomen dat een harde opstelling nergens toe leidt en dat in een tweegevecht tussen twee ongelijke partijen de zwakste uiteindelijk het recht van de sterkste ondergaat. De voormalige minister-president heeft namelijk verklaard dat hij de uitslag van de verkiezingen die door Madrid worden uitgeschreven zal aanvaarden. Hoezo? Catalonië was toch onafhankelijk ? Hoe kan een onafhankelijk land zich neerleggen bij verkiezingen die worden opgedrongen door een bezettende macht – zo immers zien de Catalaanse independentistas de beslissingen uit Castilië. Betekent dat nu dat Puigdemont de onafhankelijkheidsverklaring niet al te ernstig neemt? Daar moeten zijn aanhangers maar een antwoord op geven. Eerder al – toen de minister-president zelf van plan was verkiezingen uit te schrijven om daarmee de toestand te ontmijnen – werd hij door zijn radikale achterban voor verrader uitgekreten. Puigdemont haalde bakzeil, zwichtte voor de radikalinskis in zijn eigen regering en riep de onafhankelijkheid uit. Nu stapt hij mee in het plan dat door Madrid is uitgedokterd. Zijn terugkeer tot de redelijkheid, of – zijn capitulatie voor wie dat zo bekijkt – komt dus redelijk laat. Gelukkig voor de minister-president in ballingschap is er alweer de stupiede reactie van Madrid die van hem een politieke vluchteling en een martelaar maakt. En een martelaar kan zelfs capitulatie vergeven worden.

november 3, 2017 at 9:44 am Plaats een reactie

DE ZIONISTISCHE PARADOX

Door Johan Depoortere

Voor wie ook maar oppervlakkig de Palestijns-Israëlische kwestie bestudeerd heeft zijn de feiten en de namen bekend: Theodore Herzl, Sykes-Picot, Balfour, verdelingsplan, de oorlogen, het verzet. Toch is het goed en nuttig dat Lucas Catherine en Jef Coeck de geschiedenis van het Zionistische koloniale project weer onder de aandacht brengen. Zie de vorige aflevering van Het Salon van Sisyphus: PALESTINA BESTAAT MAAR NIET ALS STAAT.

Terreuraanslag in Mogadishu

Het conflict dat aan de basis ligt van heel veel wat in het Midden-Oosten en ver daarbuiten fout gaat dreigt namelijk ondergesneeuwd te worden door de actualiteit van terrorisme en oorlog: een ver-van-mijn-bed-show behalve als de bommen in ons eigen postzegelgroot landje ontploffen. Dat in Mogadishu 500 doden vallen in een terreuraanslag veroorzaakt nauwelijks een rimpeling in onze mainstream media. En toch is er ook tussen deze afgrijselijke terreurdaad en het conflict in het Midden Oosten een lijn te trekken. Het Arabische nationalisme als antwoord op de zionistische expansie is grotendeels gemuteerd tot politiek islamfundamentalisme met alle uitwassen vandien. Over de oorzaken daarvan zijn bibliotheken vol te schrijven, maar in dat verhaal nemen de oorlogen in Irak en Afghanistan een centrale plaats in.

De geschiedenis van Israël en het Palestijnse verzet is rijk aan paradoxen. Lord Balfour, die de Joden een land beloofde dat niet van hem was, stond bekend als een anti-semiet net zoals zijn premier Lloyd George. Diens regering geloofde vast in de wijdverspreide mythe dat “het internationale jodendom” de wereld beheerste en door de belofte van een “joodse staat” zouden ze dat internationale jodendom ertoe kunnen bewegen de wereldoorlog te doen kantelen in het voordeel van de geallieerden. (http://foreignpolicy.com/2010/09/08/how-anti-semitism-helped-create-israel-2/). Paradoxaal maar misschien ook niet. Zionisme en antisemitisme zijn immers elkaar spiegelbeeld. Zionisme kan niet zonder antisemitisme, de vijand aan wie het zijn bestaan te danken heeft. Niet voor niets zien hedendaagse zionisten overal ter wereld het antisemitisme heropleven. Premier Netanyahu probeerde na de aanslagen in Parijs Franse joden ervan te overtuigen dat ze slachtoffers zijn van dat “nieuwe antisemitisme” en dat ze dus beter naar Israël kunnen emigreren. Het publiek in de Parijse Grote Synagoge reageerde op Netanyahu’s speech door spontaan de Marseillaise in te zetten.

Bart De Wever met de burgemeester van Haifa. De Wever ondertekende een samenwerkingsakkoord met de zionistische staat.

Nog een paradox: de geestelijke erfgenamen van het vooroorlogse fascisme en antisemitisme zijn nu de fanatiekste verdedigers van Israël. De Antwerpse burgemeester Bart De Wever reageerde negatief toen zijn voorganger de joodse gemeenschap excuses aanbood voor de rol van zijn stad bij de jodenvervolging onder de Nazibezetting. Maar De Wever ziet er geen graten in om Israël met een officiële delegatie te bezoeken en op die manier zijn steun te betuigen aan het zionistische apartheidsregime. In een interview met Joods Actueel blaast De Wever uitvoerig de loftrompet:“De prestatie die Israël levert om vanuit dat absolute nulpunt dit land in korte tijd te ontwikkelen tot op het huidige niveau (is) ongeëvenaard impressionant.” Daarmee herhaalt hij een klassieke meme van de zionistische propaganda. Over de Palestijnen geen woord laat staan over de oorlogen tegen Gaza, de repressie, de diefstal van water en grond, de moorden zonder vorm van proces, het buldozeren van huizen, het vernietigen van olijfgaarden en de onwettige bezetting van de Westbank.

Pastor John Hagee, leider van de Cornerstone Church

Niet alle joden zijn zionisten en niet alle zionisten zijn joden. Amerikaanse christelijke fundamentalisten behoren tot de fanatiekste verdedigers van Israël. Tijdens een bezoek aan de Cornerstone Church in San Antonio (Texas) kon ik een weekend lang genieten van kitscherig politiek toneel (gebracht door een gezelschap uit Israël), gezang en gebed alles in het teken van Israël. De Cornerstone Church is één van de grootste Amerikaanse mega-televisiekerken. De leider van de kerk, pastor John Hagee is een aanhanger van de “Rapture-”beweging: het geloof dat het einde der tijden elk moment kan aanbreken. “Het kan gebeuren op het moment dat ik dit bureau verlaat,” zei pastor Hagee me in een interview. De gelovige christenen zullen dan fysiek ten hemel worden opgenomen. De achterblijvers wacht een ellendig einde. Maar wat dan met de joden? “Die zullen zich op het fatale moment massaal tot het christendom bekeren,” verzekerde Hagee me. Ziedaar hoe christendom en zionisme te verzoenen zijn!

oktober 23, 2017 at 4:53 pm Plaats een reactie

PALESTINA BESTAAT, MAAR NIET ALS STAAT

Statue of Godfrey of Bouillon on Place Royale or Koningsplein (Royal Square) in Brussels, Belgium

door Jef Coeck

 

 

Kan u zich herinneren wanneer u voor het laatst het woord ‘Palestijn’ zag of hoorde in de mainstream media? Dus niet in specifieke publicaties over het onderwerp.Toevallig is het deze dagen wel het geval, omdat de Palestijnse rivalen Hamas en Fatah aan een toenadering bezig zijn. Maar afgezien daarvan kan het lang geleden zijn, want het lijkt erop alsof Palestina niet bestaat. Voor een deel is dat ook waar. Toch zijn er Palestijnen, ze worden gepest, gevangen gezet of gedood door hun kolonisatoren, de staat Israël. Wanneer de repressie massaal gebeurt, zoals enkele keren in Gaza, herinneren we ons plots dat er vroeger zoiets bestond als ‘het heilig land’. Vooral de hoofdstad Jeruzalem had (heeft) een bewogen geschiedenis.

Onze specialist, Lucas Catherine, heeft de bewogen Palestijnse geschiedenis opgeschreven met alle soms verbijsterende details. Palestina, dat nu Israël heet, is een kunstmatige constructie van de wereldpolitiek. De oorspronkelijke bewoners zijn grotendeels verdreven of gekneveld. Aan de basis van dit kolonialisme ligt het Zionisme, een theorie die ontworpen werd door Theodor Herzl (1860-1904). Dat volgde dan weer op de pogroms (jodenvervolging) met name in Rusland maar ook elders. Herzl vond dus dat dit racistisch gedoe pas kon ophouden als de joden over een eigen staat zouden beschikken.

Zijn idee vond aanvankelijk weinig bijval.Voor Herzl maakte het niet uit waar de joodse staat zou komen, voor zijn part in een grote lap onbewoonde Afrikaanse brousse. Daar kwam verandering in toen de rabbi’s er zich mee bemoeiden. Voor hen kon maar 1 land in aanmerking komen: het land waar de tempel had gestaan. Was dat land bewoond? Jazeker, maar dat werd ontkend, alsof Palestijnen geen mensen zijn. De mooie droom van een pluralistische staat met gelijke rechten voor iedereen, zonder geweld verworven en zonder een spat expansiedrang, kon Herzl wel vergeten. Het moest een exclusief joods-religieuze staat worden. Hij draaide bij.

Zover gekomen, begon de lobbying van alle kanten. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de Ottomanen (wij noemen ze Turken) de baas in zowat het hele Midden- en Nabije Oosten. Nog voor de oorlog was afgelopen, hadden Frankrijk en Engeland al in het geheim de Turkse erfenis  onder elkaar verdeeld.  Dat was het verdrag Sykes/Picot. (1916)

België speelde daarin een niet onbelangrijke rol. Niet enkel waren ‘wij’ de erfgenamen van Godfried van Bouillon, die in 1099 de eerste christelijke koning van Jeruzalem werd. Niets om fier over te zijn, maar in zogenaamd diplomatieke kringen een argument om Palestina, die mierenhoop, aan België te geven. De Belgen vormden in Caïro – het hart van de Arabische wereld –  de belangrijkste groep na de Britten. Baron Empain had vlakbij Caïro een nieuwe stad gescticht, Heliopolis, zonnestad. Zijn eigen villa was zo gebouwd dat ze meedraaide met de zon. Ook trams en treinen kwamen uit België. De drang naar Palestina paste perfect in het Sykes-Picot akkoord, dat een apart, neutraal, internationaal regime voor Jeruzalem voorzag. Een soortement Brussel van het Midden-Oosten.

Intussen bleek de Zionistische strijd nog niet gewonnen. Er waren belangrijke tegenstanders, zoals de joodse geleerde en alom gewaardeerde Albert Einstein (1879-1955/ ontdekker van de reletiviteitstheorieën). Hij zei: ‘Ik zou liever hebben dat wij een redelijk akkoord met de Arabieren sluiten, waarin wij stellen dat wij vreedzaam naast elkaar leven, dan dat wij een Joodse Staat zouden stichten… De idee van een Joodse Staat met grenzen, een leger en een overheid, hoe beperkt ook, zal het judaïsme schaden… Wij zijn niet langer de joden uit de tijd van de Makkabeeën. Een terugkeer naar een volk in de politieke betekenis van dit woord, zou ons de spirituele erfenis die we van onze profeten hebben ontvangen, ontnemen.’

Ongeveer alle plannen werden doorkruist. België kreeg Palestina niet. Sykes-Picot werd de bodem ingeslagen door Sykes’ landgenoot, lord Balfour (1848-1930). Deze Britse minister van Buitenlandse zaken, ex-premier, gaf op eigen houtje een ver reikende verklaring uit, nota bene op een moment dat de wereldoorlog nog niet eens afgelopen was en Balfour zelf door niemand gemandateerd. De verklaring luidt dat Groot-Brittanië de kolonisatie van Palestina door Europese joden met alle middelen zou steunen. Het document was gericht aan Lord Walter Rothschild, zelf geen zionist maar een vriend van Chaim Weizmann, voorzitter van de Zionistische Federatie en wat later de eerste president van Israël. Voorts wordt de indruk gewekt dat er in Palestina weinig of geen bewoners waren. Dat is een leugen. Voor de Eerste Wereldoorlog telde Palestina 754.275 inwoners, van wie slechts 7 procent joods was.

Lucas Catherine beschrijft in detail de leugens, de gewapende milities, het geweld, de massamoorden en dito deportaties. In de meer dan dertig boeken die hij totnutoe schreef, ontpopt Catherine zich als een begenadigd verteller, de meester van de anecdote. Hier zien we hem op een heel andere wijze aan het werk. Niet dat hij de anecdote heeft afgezworen, maar zijn stijl is hier veel soberder, afgestemd op feiten – zonder dat hij zijn sympathie voor de Palesstijnen verloochent. Toch is het boek evenwichtig. Het laat ook ruimte voor de arme en vervolgde joden die zich soms al na korte tijd bedrogen voelden door de loze beloften van het Zionisme.

De geschiedenis van Palestina in de vorm van Israël is nog kort, sedert 1948. Toch zijn er al drie Arabisch-joodse oorlogen geweest, waaruit Israël steeds sterker  en groter tevoorschijn kwam. Van kritiek, door de VN, door organisaties voor mensenrechten, door afzonderlijke staten, trekt het zich niets aan. Het is hun land, door god gegeven (Gott mit uns!, riepen de kruisvaarders al in hun taal: Deus vult). Intussen gaat de decimering van de Palestijnse bevolking onverminderd door. Israël heeft geen grondwet, dat zou maar een hinder zijn! En de gewone wetten zijn gesneden op maat van de Apartheid. Israëli’s hebben alle rechten, Palestijnen hoofdzakelijk het recht om onderdrukt te worden.

Komt er ooit een einde aan deze surrealistische trein van de apocalyps? Velen twijfelen er aan. Een ding staat vast: het geweld dat we de jongste twintig jaar kennen vanuit het Midden en nu ook al Verre Oosten, houdt op een bijna mystieke wijze verband met het tragische lot van de Palestijnen. Ook als er een redelijke verdeling van Israël/Palestina zou gebeuren, kunnen de wreedheden uit het verleden nooit worden uitgegomd. Inclusief, inderdaad, de Shoah.

*Lucas Catherine, Palestina, Geschiedenis van een kolonisatie, Berchem, EPO, 2017

oktober 19, 2017 at 3:56 pm Plaats een reactie

HET MEDEDOGEN VAN ALEXANDER DE CROO

Walter Zinzen en Alexander De Croo in De Afspraak van 16 december 2016. http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/1.2846467

Door Johan Depoortere

“Mededogen” synoniem volgens van Dale voor “barmhartigheid,” een christelijk geladen term die in het debat over immigratie en asiel zelden wordt gebezigd. Oud-journalist Walter Zinzen introduceerde het woord tijdens een debat in “De Afspraak” op 16 december 2016. Hij kreeg – zo leek het op het eerste gezicht – flink lik op stuk van zijn gesprekspartner, vice-premier Alexander De Croo. Op hoge toon beweerde De Croo dat zijn rechts-liberale regering op dat stuk niets te verwijten valt. Immers – zo heette het – België toonde méér mededogen dan de buurlanden door 65000 Syriërs asiel te verlenen. Letterlijk zegt De Croo: “Het mededogen is dat ons land 65000 Syriërs opgevangen heeft.” De Croo zegt er niet bij over welke periode hij het heeft, maar het heeft er alle schijn van dat de vice-premier hier een beetje zat te jokken. De cijfers van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen zijn op hun website makkelijk terug te vinden. In 2016 dienden een totaal van 18710 vluchtelingen een asielaanvraag in. Daarvan kwamen er 6500 uit Afghanistan, Syrië en Irak. Ruim de helft van de asielaanvragen kregen een positieve eindbeslissing. Voor de Syriërs (samen met de Afghanen en de Irakezen) dus minder dan één tiende van het cijfer dat De Croo hanteert.

Woorden zeggen niet alles, maar wel heel veel. De immigratiepolitiek van deze regering is er geen van “mededogen” maar van verdediging tegen wat wordt voorgesteld als een “toestroom,” een “vloedgolf” en andere metaforen die de burger angst moeten aanjagen voor de “vreemdeling,” of – erger nog – de “gelukszoeker.” Voorbeelden van hoe dat ook anders kan waaien ons soms toe uit onverwachte hoek. Wie kent bijvoorbeeld Toomas Hendrik Ilves, tot voor kort president van het Baltische Estland? Ilves is de zoon van vluchtelingen. Zijn ouders zijn tijdens de bezetting van Estland door de Sovjetunie van Stalin naar Zweden en later naar de Verenigde Staten gevlucht. Daar is de toekomstige president, die in Stockholm is geboren, opgegroeid. Op 2 februari 2016 sprak Ilves als staatshoofd het Europese parlement in Straatsburg toe. Walter Zinzen – hij weer – laat er ons kennis mee maken met een artikel in MO, waarin hij uitvoerig uit de toespraak van Ilves citeert.

Toomas Hendrik Ilves, voormalige president van Estland

“De grote aantallen vluchtelingen mogen ons niet afschrikken”, zo betoogde Ilves in het Europees parlement, want “we hebben veel erger mee gemaakt. In het Europa van 1946 waren er in Duitsland alleen 12 miljoen binnenlandse vluchtelingen en nog eens 12 miljoen ontheemden met 20 verschillende nationaliteiten. De toenmalige UNRRA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration), besteedde toen, omgerekend in hedendaags geld, 50 miljard euro om dit probleem op te lossen. Ik citeer dit getal om aan te tonen hoe ontzaglijk de taak was waar onze grootouders voor stonden in een tijd dat Europa nog geen instellingen had, en er soms zelfs geen soevereine regeringen waren.”

Die prestatie van toen moet ons inspireren voor de problemen van vandaag vindt Ilves: ‘We zullen deze migratiecrisis oplossen als we dezelfde vastberadenheid als onze voorouders aan de dag leggen.” Maar de president – zo schrijft Zinzen in zijn commentaar op de toespraak – is niet blind voor de problemen van vandaag. Zijn speech kwam niet zo lang na de aanslagen in Parijs en hij beseft dat het terrorisme populisten en extremisten in de kaart speelt. Hij reageert: ‘We kennen het argument dat we geen vluchtelingen kunnen accepteren omdat het terroristen zijn, gemakshalve vergetend dat de vluchtelingenstroom naar Europa juist bestaat uit mensen die op de loop zijn gegaan voor hetzelfde regime, dezelfde brutaliteit en moordzucht die we in Parijs hebben gezien.”

“Hoe komt het dat zo weinig politieke leiders dat standpunt delen? vraagt Zinzen zich af. “Behalve Ilves zelf (die dus ondertussen president af is) en Merkel ken ik er maar één: de Canadese premier Trudeau. Maar Merkel en haar aanhang worden steevast afgebrand, belachelijk gemaakt en bespot door de Bart De Wevers, de Jean-Marie De Deckers, de Theo Franckens en Maarten Boudry’s van deze wereld. Wie vindt dat vluchtelingen recht hebben op een menselijk onthaal wordt door deze heren weggezet als gutmensch.”

Of als “cultuurmarxist” zou je er kunnen aan toe voegen. En Zinzen besluit met een andere historische parallel. “Toen de nazi’s aan de macht kwamen in Duitsland en nadien een groot deel van Europa bezetten, sloegen honderdduizenden joden op de vlucht. Maar niemand wilde ze hebben. Het “neutrale” Zwitserland sloot zijn grenzen,het fascistische Portugal en Spanje deden hetzelfde. In Zuid-Amerika werd schepen boordevol vluchtelingen de toegang tot het vasteland geweigerd, ja zelfs in Palestina – toen nog onder Brits bestuur – waren Joodse vluchtelingen niet welkom.

Yuval Noah Harari verhaalt in zijn wereldwijde bestseller Homo Deus hoe de Portugese consul in Bordeaux tegen de wil in van zijn bazen visa afleverde aan 30.000 Franse joden, zodat ze Portugal binnen konden. Aristides de Souza Mendes heette de man. Hij werd ontslagen omdat hij zijn orders niet had opgevolgd. Hij heeft wel 30.000 mensenlevens gered. Een gutmensch dus, of, wie weet, een cultuurmarxist. Nietwaar, heren van de joods-christelijke traditie.”

Het volledige MO-artikel kun je hier lezen

oktober 12, 2017 at 1:22 pm 1 reactie

DE PUINHOPLEN VAN RECHTS

Johan Depoortere

De puinhopen van rechts

Door Jan Blommaert

hine-manuel

Ik betwijfel of Ivan Van de Cloot het leuk zal vinden dat ik met hem begin, maar daar laat ik me weinig aan gelegen. Enige tijd geleden bracht dhr Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, immers een studie uit over de toekomst van het pensioenstelsel. Daarover geïnterviewd zei hij onder andere het volgende. De pensioenleeftijd van 65 jaar is volgens hem compleet achterhaald. Immers, toen die leeftijdsgrens in de jaren 1950 bepaald werd, was de gemiddelde levensverwachting van de Belg zowat 70 jaar. Nu ligt die zowat tien jaar hoger, en het gevolg daarvan is dat mensen op pensioen gaan die fysiek en mentaal nog best heel wat meer jaren aan de slag zouden kunnen blijven. Koppel dat argument aan de financiële zorgen over ons pensioenstelsel, en je hebt een dwingend argument om af te stappen van die fetish van 65 jaar. Van de Cloot is van oordeel dat we allen tot ons 70ste aan de arbeid zullen moeten blijven; dat “wijzen tal van studies uit. Wie iets anders vertelt, weet niet waarover hij het heeft.” Aldus Ivan Van de Cloot in gesprek met het Nieuwsblad, enthousiast bijgetreden door een hele schare deskundigen, van VBO topman Pieter Timmermans tot en met SP-A boegbeeld Frank Vandenbroucke.

Ivan Van de Cloot

Wat ik hieruit opmaak is dat voor Van de Cloot en anderen we blijkbaar moeten werken tot we geen mens meer zijn. We zijn op ons 65ste nog niet helemaal uitgeleefd, en als we leven moeten we werken. Leven en werken: voor Van de Cloot leven we om te werken, dat is de enige reden voor ons bestaan. In de oude en achterhaalde opvatting was dat echter werken om te leven – om goed te leven, dat wil zeggen: om vrije tijd te hebben, om naast het werk ook nog burger te zijn, en vader of moeder, vriend of vriendin, echtgenoot, buur, medewerker van allerlei organisaties, om ons met politiek bezig te houden, met kunst en cultuur, om eens een krant, magazine of een goed boek te lezen, om met de kinderen ergens heen te gaan of, later, de kleinkinderen rot te verwennen, om mee te helpen met de verbouwingen van zoon of dochter, de overstroomde kelder van je buur mee te helpen opruimen, naar de Colruyt rijden voor een bejaarde uit de buurt. Enfin: om niets te doen in de ogen van Van de Cloot en zijn fans, om niet actief te zijn dus. Of iets scherper geformuleerd: om een sociaal profiteur te zijn, een parasiet die de samenleving handenvol geld kost.

Mens zijn: het mensbeeld dat Van de Cloot en zijn kameraden aanhangen reduceert de mens tot één factor – arbeid. Ons bestaan heeft enkel nut en belang in zoverre we ons hele mens-zijn wijden aan gesalarieerde arbeid, arbeid in dienst van ‘de economie’, want die economie is in crisis en behoeft nu niks minder of niks meer dan een Endlösung waarbij iedereen moet werken tot hij of zij erbij valt. Arbeit macht frei. De plaats die we innemen, de lucht die we inademen, ons hele bestaan: we moeten het verdienen met ‘actief zijn’, ‘werkzaam zijn’, onszelf ‘inzetten’ voor dat ene belangrijke doel: economische groei. Wie ‘niet actief’ is doorbreekt de regels van goed en kwaad en moet, zo zegt Patrick Janssens, lik op stuk krijgen, want ‘voor wat hoort wat’. Ons loutere bestaan veroorzaakt zoveel kosten dat we ons leven moeten verdienen. Doen we dat niet, dan hebben we geen plaats in de samenleving. We zijn dan losers, en onze samenleving draait enkel nog rond winners.

Dat is het mensbeeld dat vandaag de dag wordt gepredikt. In dat mensbeeld is iedereen per definitie een arbeidskracht. Iedereen moet er zelf voor zorgen dat die arbeidskracht maximaal kan worden aangewend. De arbeidsmarkt wordt immers in toenemende mate competitief, en niemand mag er nog van uit gaan dat er zoiets is als een ‘loopbaan’ met ‘werkzekerheid’. Er zullen banen geschapen worden, maar die banen worden niet gekoppeld aan mensen: iedereen moet concurreren voor die banen, en die concurrentie houdt twee constanten in. Ten eerste moet men de eigen loonverwachtingen realistisch houden, dus lààg, want anders is de aanbodprijs van arbeid niet competitief; ten tweede moet men zichzelf permanent bijscholen en herscholen zodat men op ieder moment een competitief speler de arbeidsmarkt is. Beide constanten worden onder de eufemiserende paraplu van ‘flexibiliteit’ gevat, en enkel wie flexibel is heeft job security. Voeg beide begrippen samen en je hebt de term die de officiële EU strategie inzake arbeid definieert: ‘flexicurity’. Flexicurity is net zoals ‘inburgering’ een begrip dat alles individualiseert. Er zijn geen collectieve organisaties meer in de arbeidsmarkt, geen solidariteit, geen herverdelingsprincipes door middel van ‘uitgesteld loon’ – sociale zekerheidsbijdragen. Er is kapitaal, er is arbeid, en het tweede dient het eerste. Enkel zo – dat zeggen mensen zoals Van de Cloot, Noels, Timmermans en een schare sociaaldemocraten – zal onze economie uit het slop raken en zullen we de concurrentie van de geglobaliseerde wereldspelers zoals China, India en Brazilië aankunnen. Doen we dat niet, dan zijn we een vogel voor de kat.

***

De mens is uit de samenleving weggehaald en wordt nog enkel binnen de economie geplaatst. De samenleving is afgeschaft en vervangen door een arbeidsmarkt en die markt is een vrijhandelsruimte – een ruimte van vrijheid, want ze is eindelijk ‘vrij gemaakt’ (‘geliberaliseerd’). Frei gemachte Arbeit. Ze is nu bevrijd van alle beperkingen die doorheen anderhalve eeuw sociale strijd waren aangebracht: sociale zekerheid, collectieve loonafspraken, beschermde statuten voor bepaalde werknemers, overleg met alle partijen in het economische proces, democratische inspraak in de planning en de strategie, en ga zo maar voort. Al die verwezenlijkingen van de sociale, democratiserende en emancipatorische strijd sinds Marx en Rerum Novarum worden op drie jaar tijd voorgoed ongedaan gemaakt. Sinds de bankencrisis van 2008 staan we immers in een nieuwe wereld, waarin economie niets meer met de samenleving te maken heeft. Het zijn twee los van elkaar bestaande dingen die elk aan heel andere wetten beantwoorden. De samenleving kost hopen geld en wordt beheerd door wat we een democratie noemen; de economie brengt het nodige geld op en wordt beheerd door de ondernemers en hun regeringen: de EU, het IMF, de OESO. Onafhankelijke denktanks zoals Itinera, onafhankelijke ratingbureaus zoals Fitch en Moody’s, en onafhankelijke media zoals de Financial Times en The Economist verzorgen de vrije meningsuiting in dit economische regime. Van de Cloot heeft dus even veel te zeggen – zoniet meer – als Rudy De Leeuw, en Dominique Strauss-Kahn was tot voor kort machtiger dan eender welke regeringsleider. Die laatsten moesten zich immers periodiek onderwerpen aan het oordeel des volks; Strauss-Kahn had van dergelijke irritante rituelen geen last.

Die visie van twee werelden, waarbij de economie volkomen zelfstandig leeft en zijn eigen regels volgt, zonder enige democratische controle laat staan inmenging, werd eind maart 2011 door de EU-top in Brussel verheven tot officiële Europese doctrine. De EU besliste daar in één adem ook dat de hele samenleving ten dienste moet staan van die economie. Het doel daarvan heet ‘het verzekeren van onze welvaart’. De prijs die we ervoor betalen is de afschaffing van de samenleving, het opofferen van datgene wat we begrijpen onder de term ‘een leven hebben’, het afschaffen van het sociale vangnet en van iedere vorm van materiële herverdeling, het invoeren van een fundamentele onzekerheid inzake onze eigen welvaart, en het permanent aanvaarden van een wereld waarin het verschil tussen winners en losers elk ander onderscheid wegvlakt. Wat die welvaart in realiteit inhoudt is me dan ook een raadsel; wie ervan zal genieten is me deels duidelijk. In ieder geval hebben we geen leven meer, of we nu werk hebben of niet. Ons leven als mens is ons afgenomen; in ruil daarvoor zijn we – wat? Verlengstukken van de machine zoals bij Marx? Permanent beschikbare krachten voor Adecco Interim? Uniforme en daardoor vervangbare witte boorden, zoals Human Resources managers ons proberen te vormen? Ik weet het niet, maar het ligt ergens binnen die ruimte.

Ik noem die visie een ideologie, en ik noem die ideologie extreem-rechts. Wie de mens reduceert tot zijn of haar arbeid en al de rest daaraan wil opofferen; wie vindt dat we enkel leven om de winsten van anderen te maximaliseren; wie vindt dat democratie enkel nog over details mag gaan; wie vindt dat iedereen die niet mee kan met de mallemolen van de flexicurity – om welke reden ook – een soort misdrijf pleegt en dus mag gestraft worden; wie vindt dat de hele samenleving moet gemobiliseerd worden in functie van een economische aristocratie; en wie vindt dat daarover geen enkele vorm van debat toegelaten is – zo iemand noem ik niet ‘gematigd’, niet ‘redelijk’, niet ‘nuchter’, zelfs niet ‘neoliberaal’. Ik noem zo iemand radicaal, extremistisch, fundamentalistisch, hysterisch, en rechts, want hij of zij verwerpt alle grote waarden van onze liberale democratie, en alle verwezenlijkingen van anderhalve eeuw strijd voor de verbetering van onze samenleving. Wie vandaag de dag de arbeider van Marx en Dickens wil heruitvinden is extreem-rechts. Hij of zij mag dan ook niet schrikken wanneer deze terugkeer naar de tijden van Marx en Dickens ook weer aanleiding geeft tot enorme protesten, rebellie en revolte, en tot een heropstanding van de grote sociale bewegingen. Wie zijn geschiedenis niet kent zal ze herhalen, nietwaar.

***

Ik ben van oordeel dat we in een extreem-rechtse, neoliberale revolutie zitten. De dominantie van dit gedachtegoed is een langer proces, maar sinds de bankencrisis van 2008 maken we een revolutionaire versnelling mee, waarin alle maskers worden afgeworpen en waarin organisaties zoals de EU hun laatste laagje sociaal vernis hebben afgeschaafd. Rijdend op de onzekerheid en de angst bij veel mensen voor een economische catastrofe schrijft de EU nu teksten die een decennium geleden ondenkbaar zouden geweest zijn omdat ze zo radicaal en extreem het primaat van de economie en het dictaat van de arbeidsmarkt uitdragen. Regeringen zoals die van Cameron in Groot-Brittanië en Rutte in Nederland zijn zo radicaal dat men Thatcher en Reagan al bij al gematigd zou vinden. Kunst en cultuur zijn linkse hobby’s die hun eigen geld dan ook maar op de markt moeten gaan zoeken; onderwijs heeft als enige doel het produceren van grote aantallen kant-en-klare hoogopgeleide en hoog-performante arbeidskrachten; werkloosheid, ziekte en ouderdom zijn eveneens kwesties die men vanuit het marktperspectief moet zien – wat kosten ze, en wat brengen ze op? En werken, dat moet kunnen tegen élke prijs die de markt eraan geeft – één Euro per uur, vier Euro, die lonen zijn al realiteit in het economische Disneyworld genaamd Duitsland. Kortom, de huidige regeringen in Europa schaffen gewoon de hele samenleving af en vervangen ze door de dictatuur van het ondernemerschap.

Merkwaardig genoeg vinden heel wat mensen dat al bij al niet zo erg. Men voelt zich wel wat bezorgd en onrustig over deze nieuwe extreem-rechtse tendens, maar berusting en gelatenheid zijn de dominante respons. ‘We zullen wel allemaal langer moeten werken zeker’, ‘de gouden jaren zijn voorbij’, ‘er is geen alternatief’ – dat soort uitspraken hoort men voortdurend, en ze tonen aan dat de geesten gemasseerd zijn. Al drie jaar lang horen we slechts één liedje over de economie en de samenleving, en zoals we weten is dit het oeroude recept van propaganda: zeg hetzelfde duizend maal, en laat het door duizend mensen voortdurend herhalen, men zal wel geloven dat het waar is. Wat mensen nu geloven is dat economie los staat van de samenleving, en dat we ons nu voluit ten dienste van de economie moeten stellen. De Paul Dhoores en Ivan Van de Cloots, Geert Noelsen en Paul De Grauwes van dit land hebben een historische en al bij al ongelooflijke overwinning geboekt: ook al is hun visie in 2008 compleet en finaal failliet gebleken, toch zijn ze erin geslaagd deze postmoderne vorm van waarzeggerij door heel veel mensen te doen aanvaarden en geloven als opperste wijsheid.

Dat is een unieke prestatie voor economen, want doorheen de hele geschiedenis van de economie legden economen voortdurend de band tussen economie en samenleving. Meer nog: economen stelden zichzelf voortdurend tot doel om door een beter begrip en een betere organisatie van de economie de samenleving beter te maken. Men zal zich herinneren dat de discipline zelf lange tijd bekend stond als ‘politieke economie’, en dat mensen zoals Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus veel ruimere problemen dan strikt economische aanpakten. Naast The Wealth of Nations schreef Smith bijvoorbeeld ook nog The Theory of Moral Sentiments, en hij zag beide werken samen als de grondslag voor een nieuwe mens- en maatschappijwetenschap. Ook Marx kan men uiteraard moeilijk van een exclusief economistische visie verdenken; Veblen, Keynes, Amartya Sen en Galbraith evenmin. Bij elk van deze economen stond economische ontwikkeling ten dienste van een hoger doel: een betere, meer rechtvaardige samenleving waarin mensen zichzelf naast hun arbeid kunnen ontplooien als mens. Wat Marx betreft: zijn werk werd aangedreven door precies dat doel: de mens bevrijden van stompzinnige arbeid en werktijd vervangen door tijd om te leven als burger, als democraat, als mens.

Economen die de economie afzonderen van de samenleving wekken mijn wantrouwen op, zeker wanneer ik merk dat elke maatregel die ze voorstellen om de economie te hervormen eigenlijk een maatregel is die de hele samenleving hervormt. De quasi-afschaffing van werkloosheidsuitkeringen, van minimumlonen, van collectieve arbeidsovereenkomsten, de quasi-volledige afbouw en commercialisering van de publieke sector – ziekteverzekering, onderwijs, pensioenen – en het uitschakelen van eender welke vorm van democratische controle en inspraak over het economische leven: dat zijn geen economische maatregelen, dat zijn maatregelen die ons hele samenlevingsmodel omgooien. De samenleving heeft daar gigantische belangen bij, en het zou in een democratie dan ook zo moeten zijn dat de samenleving daarover zijn zeg mag doen. Dat is de reden waarom ik zij die dit ontkennen extreem-rechts noem, en waarom ik spreek over een extreem-rechtse revolutie: na deze ingreep zal er van ons huidig samenlevingsmodel niets meer overblijven, dan een rechtse puinhoop waarin mensen terug gesalarieerde slaven zijn en waarin politici zich met wat geluk nog mogen bezighouden met de kleur van de zebrapaden. Men gebruikt zogezegd objectieve economische argumenten om een ruimere ideologische agenda door te drukken. Wie daar voor is mag nu z’n hand opsteken.

***

De hand opsteken – ik kom stilaan aan het einde van mijn verhaal. Indien men voor de extreem-rechtse revolutie een democratisch draagvlak zou zoeken, dan zou men er geen vinden. Indien men mensen precies uitlegt waarover dit allemaal gaat, en welke verliezen mensen dreigen op te lopen indien ze dit zomaar aannemen, dan zal snel blijken dat dit nieuwe extreem-rechts geen grein steun geniet bij de mensen. Het is precies omdat we er nu met zo velen van uit gaan dat de economie niet meer tot ons democratisch bestel behoort, dat we dreigen slachtoffer te worden van de maatregelen die nu op alle fronten worden uitgewerkt – incluis op de onderhandelingstafel van Di Rupo. Links heeft dan ook een dringende taak: de samenleving heruitvinden, en die samenleving aan mensen uitleggen. We moeten hen uitleggen dat de economie gewoon een deel is van de samenleving, en dat de belangen van miljoenen mensen niet zomaar door een ratingbureau of een verbond van zelfstandige ondernemers kunnen bepaald worden. De belangen van de mensen zijn de belangen van die mensen, ze zijn niet van iemand anders. Als democraat moet men dit scherp stellen en blijven herhalen. Wie hieraan iets wil afdingen kan moeilijk aanspraak maken op het etiket van democraat. Links moet dus de samenleving heruitvinden en opnieuw uitleggen: tegen mensen uitleggen dat het hier gaat om een democratie van vrije en gelijke mensen, en dat die democratie alles omvat wat die vrije en gelijke mensen aangaat. Voor minder moeten we niet gaan. En als Ivan Van de Cloot daarmee niet akkoord gaat, kan me dat eigenlijk geen bal schelen.

(inleidende tekst, Gentse Feesten debatten 2011)

september 25, 2017 at 9:06 am Plaats een reactie

DIGITALE ALTERNATIEVEN

Dit is de elfde aflevering in de reeks “Heeft het papieren boek nog een toekomst?”  De vorige staat HIER.

Door Tom Ronse

 

Niet alle digitale literatuur valt onder de noemer “pulp fiction”.  Er zijn ook vele sites gewijd aan “serieuze” literatuur, aan goed geschreven fictie. In wezen verschillen die niet zo veel van de traditionele literaire tijdschriften behalve dan dat ze veel meer kunnen publiceren. Een site zoals Literary Hub  functioneert als een literair dagblad. Elke dag zijn er nieuwe artikels, verhalen, recensies, gedichten en zo meer. Zo’n site moet goed georganiseerd zijn anders verdwaalt de lezer. Een professionele webdesign is een vereiste. Literary Hub toont hoe het kan.  Een bekend voorbeeld in ons taalgebied is Tzum .

Verandert de electronische drager de literatuur inhoudelijk?  Sommigen zeggen van wel. De ogenblikkelijke overdracht zou tot meer dynamische schrijfstijlen leiden en de grotere wisselwerking tussen auteur en lezers zou de literatuur ook inhoudelijk interactiever maken. Zelf kan ik over deze hypthetische evolutie niet meepraten; daarvoor lees ik te weinig fictie.

Wel valt het me op dat in die literaire sites net als in de meeste digitale fictie-sites zonder literaire pretentie relatief weinig gebruik wordt gemaakt van de hypertekstuele mogelijkheden die het internet biedt. Grafische experimenten, multimedia, illustratie of parallele vertelling met video-clips en muziek zijn zeldzaam.

 

Een meer  experiment-vriendelijke opstelling vinden we in de zogenaamde alt-lit  (alternatieve literatuur) stroming. Een participant, alt-lit auteur No Glykon , definieert die aldus: “In probably the most simple terms, it’s Internet writing. It’s using the tools of the Internet and the figures of speech of the Internet to write.”  Hij noemt alt-lit een “literaire internetgemeenschap”.   De deelnemers zijn meestal jong, van de eerste generatie die met het internet is opgegroeid. Het internet is niet alleen hun medium, het vormt ook hun boodschap, om Marshall MacLuhan (“Het medium is de boodschap”) te parafraseren.

Vormelijk betekent dit onder meer dat de teksten sterk beinvloed zijn door internet-taal  (het jargon, de afkortingen,  de emoticons…), internet-stijl (direct, in korte brokken, soms alles in hoofdletters of alles in kleine letters…) en internet-slordigheid (die ze imiteren met bewust misspelde woorden, vreemd gebruik van leestekens en lettertypes). Alt Lit-dichters gebruiken visueel internet-materiaal zoals screenshots, chat-fragmenten , afbeeldingen (“image macros”) en animatie, niet als illustratie maar al integraal onderdeel van hun poëzie. Ze experimenteren met de automatische aanvul-functie van web browsers, met de antwoorden die zoekmotoren geven op hun poëtische vragen, met twitter-stijl poëzie (zie hoofdstuk zeven van deze serie). Ze zijn overigens niet de enigen die werken met op het internet gevonden tekstflarden. Google-poëzie is een populair fenomeen.  Lees er HIER meer over.

 Alt-lit-auteurs kiezen bewust voor zelf-publicatie van hun werk op het internet, als e-books, in de ‘sociale media’ (vooral Facebook, Twitter en Tumblr), in blogs en vlogs (video-blogs op YouTube), in  combinaties van al deze. Af en toe verschijnt er zelfs iets in gedrukte vorm maar dat is eerder uitzondering dan regel.

De internet-media faciliteren de communicatie tussen de auteurs en tussen auteurs en lezers. Die interactie, en het feit dat ze niet-commercieel is, is belangrijk in deze subcultuur.  Ze maakt van alt-lit een gemeenschap. Een therapiegroep, volgens critici.

Inhoudelijk is het internet een belangrijk thema in alt-lit, naast gebroken harten, drugs, uitzichtloosheid, verveling en vervreemding, de pijn van het zijn.  Geen wonder dat de Franse existentialisten  als voorlopers van alt-lit worden beschouwd. Het is “Bonjour Tristesse” en “La Nausée” all over again, in brokken en stukken. De anti-ironische “New Sincerity” stroming ( Dave Eggers, David Foster Wallace en Karl Ove Knausgard  gelden als voorbeelden) is een andere invloed.  Eerlijkheid is de opperste deugd. Niets is te goor om op te biechten. De vuile was moet uitgehangen worden.  Wat vaak tot zelfbeklag of zelfverachting leidt. Maar liefst toch met enige humor; hoe absurder hoe beter.

Niet iedereen vindt de stroming relevant. “Alt-lit is for boring, infantile narcissists“, schrijft Josh Baines in  Vice.com .Volgens hem is alt-lit “het ergste dat de literatuur is overkomen”.

Maar het is te gemakkelijk om de zwartgalligheid  van alt-lit af te wimpelen als een hedendaagse versie van een tijdloze laat-adolescente weltschmerz.  De wanhoop en doelloosheid die er uit opwalmen weerspiegelen wel degelijk ons tijdsgewricht en moeten dus ernstig genomen worden. Overigens is er in de alt-lit cultuur zelf een tegenstroom ontstaan van mensen die een meer hoopvolle kijk op het leven hebben.

Baines verwijt alt-lit ook dat er enorm veel kaf tussen het koren is. Maar het is ook mooi dat alt-lit een platform biedt aan onervaren auteurs die nieuwe dingen proberen met digitale literatuur. No Glykon vergelijkt de beweging met opkomst van punk in de jaren 1970. “For punk, it’s “learn three chords and you have a song.” I think Alt Lit is like that. It’s crude, it’s DIY” (do it yourself).

Natuurlijk heeft de beweging ook haar sterren. De bekendste is Tao Lin, wiens werk ook in gedrukte vorm een wereldwijd sukses is. Podium  gaf zijn autobiografische roman Taipei uit in het nederlands.   Bret Easton Ellis, de schrijver van “American psycho”,  prees hem als  “the most interesting prose stylist of his generation” .

 

                                               Tao Lin

Tao Lins proza is doordrenkt van internet-taal. Zijn roman Richard Yates bestaat uitsluitend uit fragmenten van Gmail chats tussen de protagonisten.

Een goede informatiebron over alt-lit vind u HIER .

 

Volgende hoofdstuk: literatuur en computer games.

 

september 14, 2017 at 4:26 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.334 andere volgers