ISRAELS TRUMPMOMENT

img_0477

Jonathan Cook

Op 3 januari werd de Israelische soldaat Elor Azaria door een militaire rechtbank schuldig bevonden aan doodslag. Azaria, een verpleger in het leger schoot in maart vorig jaar in Hebron een Palestijn door het hoofd, die gewond en weerloos op de grond lag. Het proces en de veroordeling veroorzaakten een schokgolf in de Israelische samenleving. Sympathisanten van de veroordeelde soldaat dreigden met geweld en richtten hun woede niet alleen tegen de legerleiding maar tegen de hele gevestigde orde en de “elite” in het algemeen. Het klinkt, na de Brexit en de verkiezing van Trump vertrouwd in de oren. Een “Trumpmoment” noemt de Britse journalist Jonathan Cook het dan ook.
Cook is een kritische waarnemer van Israel, de enige buitenlandse correspondent in Palestijns-Israelisch gebied.

De volgende bijdrage verscheen eerder in The National (Abu Dhabi) en in het Amerikaanse Counterpunch.
Johan Depoortere

ISRAELS TRUMPMOMENT

Door Jonathan Cook
Het Verenigd Koninkrijk heeft zijn Brexit. De Verenigde Staten hebben president Trump. En Israel heeft nu Elor Azaria. Nee het klinkt niet hetzelfde, maar ook hier zou het wel eens om een keerpunt kunnen gaan met verstrekkende gevolgen.

Israeli soldier Elor Azaria, who was caught on video shooting a wounded Palestinian assailant in the head as he lay on the ground, sits during a hearing at a military appeals court in Tel Aviv during which he was charged with manslaughter on April 18, 2016. Prosecutors presented the indictment to a military court over the March 24 killing, which occurred minutes after the Palestinian had stabbed another soldier and lay prone on the ground wounded by gunfire, according to Israeli authorities. He was also charged with conduct unbecoming of his rank and position in the army. / AFP / JACK GUEZ (Photo credit should read JACK GUEZ/AFP/Getty Images)

Elor Azaria is de Israelische soldaat die op 24 maart vorig jaar in Hebron een gewonde Palestijn die weerloos op de grond lag met een kogel in het hoofd doodschoot. Het incident werd gefilmd en vorige week werd Azaria door een militaire rechtbank schuldig bevonden aan doodslag. Dat vonnis gaf aanleiding tot twee verschillende foute interpretaties.

Volgens de enen is Azaria de rotte appel, een soldaat die zijn moreel kompas verloor onder de druk van zijn stresserende opdracht in Hebron. De andere verklaring, die populair is bij liberale Israelis, luidt dat het vonnis net bewijst dat Israel een stevige rechtsstaat is. Zelfs een soldaat die over de schreef gaat wordt door het “meest morele leger” ter wereld tot de orde geroepen.

In werkelijkheid kunnen we van de publieke reactie op het vonnis meer leren dan van de rechterlijke beslissing zelf.

Er waren verschillende dichte rijen soldaten nodig om te voorkomen dat de rechters door de massa buiten werden gelyncht. Topgeneraals van het leger kregen lijfwachten. Het geroep om annulering van het vonnis klinkt oorverdovend en het wordt aangevoerd door premier Netanyahu.

Azaria is geen “rotte appel.” Hij is de lieveling van het publiek. Dat zijn daad niets uitzonderlijks heeft blijkt uit de reactie van zijn collega’s die compleet onverschillig toekeken toen hij de trekker overhaalde. Uit opiniepeilingen blijkt dat Azaria enorme populariteit geniet – 84% – onder de 18- tot 24jarigen, de leeftijd van de dienstplicht in Israel.

Het proces zelf was intussen geen bewijs van israelisch ontzag voor de wet – het is twaalf jaar geleden dat de laatste soldaat, een bedoein, veroordeeld werd voor doodslag. Het toonde alleen aan dat de druk op Israel toeneemt. Camera’s en smartphones maken het moeilijker om de misdaden van soldaten toe te dekken. Voor de veroordeling van Azaria was het gefilmd bewijsmateriaal doorslaggevend en Israel hoopt met het proces een onderzoek door het Internationaal Strafhof te voorkomen.

Ook de verdediging van Azaria sloeg de plank mis zoals de Israelische columnist Nahum Barnea opmerkte. Gesteund door een golf van publieke verontwaardiging beschuldigden ze Azaria’s oversten van leugens en intimidatie. De aanklagers hadden de klacht al teruggeschroefd van moord tot doodslag. Het hof zou er wellicht mee hebben volstaan een berouwvolle Azaria te veroordelen voor het onterecht gebruik van een vuurwapen. Maar gezien de taktiek van de verdediging hadden de rechters de keuze tussen partij kiezen voor de soldaat of voor het leger.

Net als de Brexit en Trump legde de zaak Azaria niet alleen een diepe sociale kloof bloot, maar was het ook een overgangsmoment. Zij die een deugdelijk systeem zien dat een rotte appel straft zijn ver in de minderheid ten opzichte van hen die een verrot systeem zien dat een held slachtoffert.

Opiniepeilingen laten zien dat het vertrouwen van het Israelische publiek in de meeste instellingen keldert: gaande van justitie tot de media die, hoe onzinnig ook, door “extreem links” heten te worden gedomineerd. Alleen het leger staat nog torenhoog in aanzien.

Dat komt ten dele omdat Israelische ouders er hun zonen en dochters aan moeten toevertrouwen. Het leger in twijfel trekken zou neerkomen op twijfelen aan de stichtingslogica van Israel als versterkte vesting: namelijk dat alleen het leger tussen hen en de “barbaren” staat die de poorten van de vesting bestormen.

img_0476

Naftali Bennett, leider vande kolonistenpartij en minister vaqn onderwijs.

Maar er is meer: in tegenstelling tot die verachte instellingen heeft het leger zich sneller aangepast en geconformeerd aan de ruimere veranderingen in de Israelische samenleving.
Het gaat al langer niet meer om de kolonisten – de bewoners van de illegale nederzettingen – maar om “kolonisme.” Er zijn veel meer kolonisten dan de 600000 die in de nederzettingen wonen. Naftali Bennett, de leider van Joods Tehuis , de partij van de kolonisten, en minister van onderwijs, woont in Ranana, een stad in Israel en niet in een nederzetting.

Kolonisme is een ideologie, een die gelooft dat de Joden een “uitverkoren volk” zijn met Bijbelse rechten die de rechten van Palestijnen en niet-Joden overtroeven. Uit opiniepeilingen blijkt dat 70% van de Israelische Joden denken dat ze door God verkozen zijn.

De kolonisten hebben het leger overgenomen – zowel demografisch als ideologisch. Zij domineren nu het officierenkorps en bepalen de politiek op het terrein.

Het getuigenis van Azaria toont hoe diep hun invloed verankerd is. Zijn eenheid brengt met de commandanten vaak vrije tijd door in het huis van Baruch Marzel, een leider van Kach, een groep die in de jaren 90 buiten de wet werd gesteld wegens zijn genocidaal anti-Arabisch programma. Azaria beschreef Marzel en de kolonisten in Hebron als “familie” van de soldaten.

Bezettingslegers zijn van nature meedogenloos repressief. Decennia lang heeft de legerleiding haar soldaat de vrije hand gegeven tegen de Palestijnen. Maar met de toename van het aantal kolonisten is ook het beeld van het leger zelf veranderd.

Van een leger van burgers die de nederzettingen beschermen is het verveld tot een militie van de kolonisten. Het middenkader dicteert nu de moraal van het leger, niet langer het hoogste echelon zoals defensieminister Moshe Yaalon vorig jaar moest vaststellen toen hij zich tegen het rijzende tij probeerde te verzetten.

Het leger voelt zich niet langer in het minst geremd door de zorg om zijn “moreel” imago, noch door de bedreiging van internationaal crimineel onderzoek. Het trekt zich nauwelijks iets aan van wat de wereld denkt, net zo min als de huidige generatie politici die zich pal achter Azaria opstellen.

Het proces van de soldaat was verre van een triomf voor de rechtsstaat maar integendeeld de doodsreutel van een stervende orde. Over enkele dagen wordt de strafmaat bepaald en die zal naar alle waarschijnlijkheid, om het publiek te sussen, licht uitvallen. Als het vonnis teniet wordt gedaan door gratieverlening zal de overwinning van de kolonisten totaal zijn.

januari 16, 2017 at 9:41 pm Plaats een reactie

HET CONGOLESE VERLEDEN VAN DE PVDA

door Walter Zinzen

‘Waarom wordt alles wat extreemrechts doet steeds onder de loep gelegd en is dat niet het geval voor extreemlinks?’, vroeg de Antwerpse burgemeester zich onlangs af. Het moet een retorische vraag geweest zijn, want hij kent het antwoord natuurlijk maar al te goed. Vlaams Belang is een voor racisme veroordeelde partij, die niet tot inkeer is gekomen. Van de PVDA daarentegen kan je veel slechts denken, maar racistisch is ze niet. En ze is de beginselen van de parlementaire democratie toegedaan.

Voor deze partij is een cordon sanitaire overbodig, hoewel Gwendolyn Rutten (Open VLD), Bart De Wever (N-VA) en Rik Torfs daar kennelijk geen bezwaar tegen zouden hebben. Bij de SP.A zijn er lieden, zoals voorzitter Crombez, die overwegen om niet alleen samen met Groen, maar ook met de PVDA naar de kiezer te trekken. Dat lokt dan weer verontwaardigde reacties uit bij andere SP.A’ers: de PVDA heeft contacten met Noord-Korea en vindt Castro geen dictator, met die partij mag niet worden samengewerkt. Waarop de PVDA-voorzitter dan weer zucht dat hij verlost wil worden van de schaduw van het verleden. Daar willen we hem graag in volgen. Laten we dus even naar dat verleden kijken.

Ludo Martens in 1979

Ludo Martens in 1979

Toen Amada (Alle Macht aan de Arbeiders) op een congres in 1979 vervelde tot Partij van de Arbeid, stelde voorzitter Ludo Martens een gastspreker voor: Laurent-Désiré Kabila, vader van de huidige Congolese president Joseph Kabila. Martens zou later een boek publiceren over Kabila de oude, om aan te tonen dat die een echte revolutionair was, een nieuwe Lumumba (in de dagboeken van Che Guevara, die zijn revolutie naar Congo probeerde te exporteren, wordt Kabila evenwel een hoerenloper, dronkenlap en luiaard genoemd). Toen zijn idool in 1997 dictator Mobutu opvolgde als Congolees staatshoofd, verkaste Martens naar Kinshasa om er Kabila te adviseren. Hij slaagde erin de woede op te wekken van Louis Michel (MR), toen Belgisch minister van Buitenlandse Zaken, wegens ‘anti-Belgische’ drijverijen. Kabila werd in 2001 vermoord en Martens overleed in 2011.

Laurent-Desire Kabila

Laurent-Desire Kabila

Als de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter is met de PVDA erbij, tja, dan moet het maar.

Behoort dit alles tot een verleden dat huidig voorzitter Mertens niet met zich wil meeslepen? Geenszins. Voor de PVDA van vandaag is ook zoon Kabila een volgeling van Patrice Lumumba, die streeft naar échte onafhankelijkheid. Dat diezelfde Kabila van Congo een graailand heeft gemaakt om zichzelf en zijn familie schaamteloos te verrijken (zoals in een uitvoerig gedocumenteerde studie van Bloomberg onlangs is aangetoond) zal de lezer van het partijblad Solidair niet te weten komen. Zoals ook de moorden, folteringen en willekeurige arrestaties door Kabila’s veiligheidsdiensten onbesproken blijven. Dat is allemaal westerse propaganda. Net zoals wijlen Martens de misdaden van Stalin nazipropaganda noemde, die nadien door het Westen is overgenomen. Martens was trouwens een verwoede vijand van Fidel Castro, die volgens hem een bondgenoot was van de ‘valse communisten’ in Moskou. Wat dat betreft is er wel degelijk een breuk met het verleden.

De vraag is of dit soort aberraties een bondgenootschap met andere linkse partijen onmogelijk moet maken. Een aanbeveling is het zeker niet, maar op gemeentelijk vlak zal het niet zoveel uitmaken wat de PVDA over Congo en andere buitenlanden denkt. In Borgerhout bestuurt de partij nu al mee, kennelijk tot tevredenheid van de partners. Maar wie overweegt het bed te delen met de PVDA moet wel goed weten wat voor vlees hij in de kuip heeft. En moet, vooral, nagaan of een samenwerking niet meer kiezers verjaagt dan aantrekt. En of coalities met bijvoorbeeld CD&V nog mogelijk zijn. Zeker in Antwerpen is dat geen overbodige vraag. Maar als blijkt dat de kans om op het Schoon Verdiep een nieuwe bewoner te installeren groter wordt met de PVDA erbij , tja, dan moet het maar. ‘Restafval’, het zou wel eens een geuzennaam kunnen worden.

dit stuk verscheen in De Standaard, vrijdag 6.1

januari 6, 2017 at 2:54 pm Plaats een reactie

RESOLUTIES

1-buster-keaton

nieuwjaar8

2-perfect

3-resolutions

4-new-year

6-used-year

7-calvin-new-year

8-new-year

nieuwjaar6

9-firework

januari 2, 2017 at 9:33 pm Plaats een reactie

REGELS ZIJN SOMS BELANGRIJKER DAN DEMOCRATISCHE CONTROLE

 

 

scheids-4

 
door Antdreas Tirez

 

Als je niet zomaar kan rekenen op de kiezer om machthebbers democratisch goed te controleren, zijn strikte regels een alternatief. Maar ze moeten dan wel goed gevolgd worden. Ook en vooral door machthebbers. De partijen Groen en Ecolo willen met een wetsvoorstel rond lobbyen meer transparantie bewerkstelligen over contacten tussen belangenorganisaties en beleidsmarkers. Het voorstel – enkel gericht op legeraankopen – is om onder meer een transparantieregister op te zetten dat alle contacten en hun inhoud registreert.

Die verhoogde transparantie laat oppositie, media of andere belangengroepen toe beter te controleren wat er achter de schermen gebeurt. Dat is essentieel om het vertrouwen in en de efficiëntie van ons politiek systeem te verbeteren. Het feit alleen al dat besluitmakers weten dat ze gecontroleerd kunnen worden, geeft hen een prikkel om niet enkel de regels beter te volgen, maar ook om beter werk af te leveren. Meer transparantie kan dan ook de werking van onze instellingen verbeteren.

Meer transparantie volstaat echter niet. Er moet ook voldoende aandacht zijn van de kiezer voor de fouten die door verhoogde transparantie naar boven zouden komen. Zoniet zal de verkozen politicus zich er weinig van aantrekken. En van de kiezer is geweten dat die zich doorgaans weinig tot niet interesseert voor het politieke reilen en zeilen. Die desinteresse kan worden verklaard doordat de individuele kiezer zich realiseert dat het niet de moeite loont om de publieke besluitvorming van nabij op te volgen. Die stelling staat centraal in de Public Choice theorie, zeg maar de economische theorie van de politiek. Vooral in de Verenigde Staten kent de theorie aanhang. Hier veel minder. En dat verbaast me telkens weer, want deze theorie geeft een krachtig denkkader om de politieke besluitvorming beter te doorgronden.

Informeren

De Public Choice theorie onderscheidt zich door de besluitvorming niet zozeer vanuit groepen of machtsblokken te benaderen, maar vanuit individuen binnen die blokken. Bij elke beslissing wegen die individuen hun voor- en nadelen af. De overheid, een politieke partij of ‘de kiezer’ is dan geen monolithisch blok, maar een groep van individuen met soms verschillende posities en belangen. Wat de kiezer betreft, stelt de theorie dat die tot het besluit komt dat het niet de moeite loont om zich goed te informeren over politiek.

De reden is heel simpel: de individuele kiezer weet dat zijn ene stem nooit het verschil zal maken bij een verkiezing. Dus waarom al die moeite doen om, ook al verloopt alles heel transparant, zich terdege te informeren? Uiteindelijk slaat ook één goed geïnformeerde stem geen deuk in een pakje politieke boter. Enkel als je toevallig van nature geïnteresseerd bent in politiek, informeer je je goed. Maar dat gebeurt dan omdat die bepaalde kiezer de politieke besluitvorming gewoon leuk vindt, en die aantallen zijn zeer beperkt. Reken dus niet op de kiezer om de machthebbers democratisch goed te controleren – op wat schandaaltjes na. Die kiezer heeft immers – overigens rationeel – besloten zich weinig of niet te interesseren om die controle geïnformeerd uit te oefenen.

Scrupuleus

De Public Choice theorie schuift een alternatief naar voren voor de democratische controle: regels. In de eerste plaats is dat de grondwet. Die beperkt de bewegingsruimte van wetgevers en andere machtshebbers. Dat werkt pas goed als de machthebbers collectief beseffen dat het voor de maatschappij en voor hen op lange termijn beter is die regels scrupuleus te volgen. Dat machtshebbers publiekelijk die regels aan hun laars dreigen te lappen, is dan ook een groot gevaar. Toen Donald Trump voor de verkiezingen aangaf dat hij bij verlies de uitslag niet per se zou aanvaarden, leidde dat terecht tot grote consternatie.

Dichter bij huis wil staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken een arrest van een administratieve rechter niet uitvoeren, ook al is hij daartoe verplicht. Hij volgt dus wetens en willens een belangrijke regel niet. Ook dat is een ernstig incident. Niet zozeer de zaak zelf, wel het niet volgen van de regel. Dat noch Theo Francken, noch de N-VA lijkt te beseffen waarom het zo belangrijk is dat machthebbers de regels volgen, is verontrustend.

We kunnen vaak niet rekenen op een goed geïnformeerde, democratische controle. Niet omdat kiezers dom zijn, maar omdat het niet rationeel is zich als individuele kiezer goed te informeren. Het alternatief is dat machthebbers zich laten inperken door regels. Maar dan moeten ze die wel volgen. Doen ze dat niet, dan hollen ze de goede werking van onze democratie uit.


Andreas Tirez

Dit opiniestuk verscheen eerst in De Tijd

Tirez is medewerker van de denkgroep Liberales

 

december 30, 2016 at 3:27 pm 1 reactie

EEN REBELSE KERST

Door Jacqueline Goossens

1903-new-york-salvation-army-crop

 

Het is kerstmis in New York. Het jaar is 1898. Je bent rijk. Heel rijk. Je hebt dure geschenken gekregen en gegeven. Je hebt overvloedig gegeten. Je gaat naar je kleedkamer naast je slaapkamer. Je kiest je mooiste jurk uit, je duurste juwelen en je opvallendste hoed. Je man, in zijn eigen kleedkamer naast zijn eigen slaapkamer,  dost zich uit in zijn sjiekste pak en hoge hoed.  Beneden staat de koets al te wachten. Het is koud. Gelukkig is er bont. Het rijtuig ratelt naar  Madison Square Garden. Voor de ingang wemelt het van paarden en koetsen. Je stapt uit. Je man  houdt de toegangskaartjes klaar. Binnen dein je op golven van parfum, gelach, zijde, diamanten en pluimen. Je neemt plaats in een van de loges. Shhhhht. Het spektakel gaat beginnen. Je kijkt in spanning naar de arena onder je.

Een lange processie van kouwelijk, vermoeid uitziende ‘acteurs’ begint binnen te stromen. Tweeduizendtweehonderd mannen en vrouwen en kinderen. Voor iedereen is er een stoel voorzien aan de lange gedekte tafels. “Eerst gaan we een hymne zingen”, brult een man  beneden, gekleed in een Leger des Heils-uniform. Het publiek boven zingt mee: “Praise God from Whom All Blessings Flow…”  Als het lied uit is, mogen de gasten aan tafel gaan zitten. Nu kan de actie beginnen: in een perfect gecoordineerde choreografie rukken honderden kelners aan met volgeladen dienbladen. “Wie wil gebraden kalkoen? Hesp? Aardappelen? Raapjes? Brood? Taart?” Iedereen! Toch iedereen die beneden in de arena zit. Groot en klein stort zich op het eten. Wat een show! Je man stoot je aan: “Kijk daar, die vrouw zonder tanden! Ze propt haar jaszakken vol met kalkoen!” Het volk beneden eet  razendsnel. Natafelen is er niet bij.  Er staan immers nog  17.800 andere hongerige schooiers op straat te wachten om gevoerd te worden. Het bestuur van het Leger des Heils is in zijn nopjes.  Op nog geen enkele kerstdag hebben ze zoveel armen en daklozen te eten gegeven. De zaak loopt gesmeerd, met Amerikaanse efficientie. De volgende dag staat er een verslag van de gebeurtenis op de voorpagina van de New York Times, onder de titel “The Rich Saw Them Feast.” “De hymne werd eenstemmig gezongen”, schrijft de Times-reporter,“status en fortuin werden heel even vergeten…het was een ontroerende gebeurtenis… In heel  Europa werd er nooit iets dergelijk op zo’n enorme schaal georganiseerd.  Dit is het begin van een nieuw tijdperk,  de overbrugging van de kloof tussen rijk en arm.”

Het kerstmisdiner aan de lopende band voor paupers ter amusement van de rijken wordt een traditie in New York. De beste show grijpt plaats  in 1902. Het Leger des Heils heeft weer twintigduizend armoezaaiers uitgenodigd, dit keer in de Grand Central Palace. Zo’n duizend genodigden zijn newsboys, arme, dikwijls dakloze jonge kranteverkopertjes die de reputatie hebben de grootste deugnieten van New York te zijn.

newsboys

Ze zijn in twee groepen verdeeld. Vijfhonderd aan de ene kant van de zaal, vijfhonderd aan de andere met daartussen nog duizend andere gasten. Het is al prijs bij de eerste gang, kalkoen met veenbessen. Volgens newsboy-traditie moet de kerstmaaltijd met het dessert beginnen maar dat wist het Leger des Heils niet. De jongens protesteren luidruchtig en beginnen te gooien  met borden, bestek en kalkoen. Zelfs de kelners en het piekfijn uitgedost publiek worden niet gespaard.

In een artikel in de Tribune de volgende dag wordt in detail beschreven wat generaal Daniel Sickles en zijn dochter Mary  overkwam: “Mary droeg een Blenheim spaniel (een duur ras) in haar armen. Hij luisterde naar de naam Bulwer (een dure naam). Toen de jongens Bulwer in de gaten kregen, begonnen ze vleespastei en kalkoen naar hem te gooien. Mary schrok zodanig dat ze Bulwer uit haar armen liet glippen. Bulwer ging daarop bescherming zoeken bij generaal Sickler.  De jongens slaakten een triomfantelijke kreet en begonnen nu messen, vorken en lepels naar het hondje te gooien. Ze riepen dat de generaal een speech moest geven…  De generaal lachte en zei dat hij dat niet kon…”

Het Leger des Heils heeft zijn les geleerd. Het volgende jaar  laat ze slechts zeshonderd newsboys toe.  Politieagenten houden deze keer een oogje in het zeil. Maar de krantejongens geven hun publiek opnieuw waar voor hun geld. Weer worden tientallen rebellen de zaal  uitgegooid. Het is niet dat de newsboys geen manieren of geen honger hebben. Maar met hun opstandig theater willen ze tonen wat ze denken over hun pervers-starende weldoeners op de balkonnen.

 

Merry Christmas. En moge de rebelse spirit van de newsboys u inspireren in 2017.

 

xmas

december 24, 2016 at 5:03 am Plaats een reactie

REVOLUTIE IN ROJAVA? EEN DEBAT

4-rojava

Een echt debat is het nog niet maar hier volgen alvast twee uiteenlopende meningen over wat er in Rojava, of Koerdisch Syrie, aan de gang is. Reacties zijn welkom.

 

titel-1

Door Hugo Durieux

 

Op 27 november vierde de PKK (Partiya Karkerên Kurdistan) haar 38ste verjaardag. Nou ja, vieren? De Koerdische Arbeiderspartij is op dit ogenblik op veel fronten in oorlog. In Syrië en Irak zijn haar troepen (met onder andere het vrouwenleger YJA-Star) verwikkeld in de onoverzichtelijke strijd die er woedt om grondgebied en invloed; in Turkije moet men zich meer dan ooit verdedigen in de oorlog die het regime-Erdogan voert tegen de partij en de Koerden in het algemeen.

Westerse media noemen de PKK nog steeds een terroristische en/of marxistisch-leninistische organisatie (in ieder geval iets wat ze als verwerpelijk beschouwen), maar in de gebieden waar de Koerdische Arbeiderspartij behoorlijk invloed heeft,  bouwt zij al geruime tijd aan een maatschappij die gebaseerd is op ideeën van ‘democratisch confederalisme’ of ‘libertair municipalisme’. Ik was verbaasd toen ik die termen terugvond in reportages over Koerdistan in Le monde diplomatique en ROAR magazine. Wie zou ooit de communistische terreurorganisatie van de besnorde duivel Öcalan in verband brengen met de inzichten van uitgerekend Murray Bookchin – een van de belangrijke theoretici van gedecentraliseerd zelfbeheer en sociale ecologie?

Het is blijkbaar in zijn Turkse gevangenis (waar hij levenslang uitzit) dat Abdullah Öcalan het werk van de oude anarchist Murray Bookchin leerde kennen – uitgerekend in een periode dat deze, op het einde van zijn leven (hij stierf in 2006), begon de hoop op te geven ooit nog zijn idee van sociale ecologie verwezenlijkt te zien. Maar Öcalan, die de onbetwiste leider was/is van de PKK, zag wel wat in een maatschappijvisie die het idee van de natiestaat opgaf, en in ruil zou gaan voor een basisdemocratische, pluriforme en ecologische confederatie van alle volkeren van het Midden Oosten. Na de Koerdische Arbeiderspartij stapten sinds 2005 ook de Syrische PYD (de Koerdische Democratische Unie Partij) en de Iranese  PJAK (Partij voor vrij leven in Koerdistan) in dit internationalistische project.

Tegenover het marxistische concept van klasse, is voor Bookchin hiërarchie het centrale begrip om maatschappijstructuren te doorgronden. ‘Klasse’ is voor hem te economistisch; het begrip verwijst te veel naar het bezit van eigendom en de controle over en de exploitatie van arbeid. Hiërarchie is dan een veel subtieler begrip, beter geschikt om machtsverhoudingen in de samenleving te begrijpen, omdat het ook rekening houdt met biologische factoren als leeftijd, geslacht en verwantschap, of sociale gegevens als etnische achtergrond, nationale afkomst en bureaucratische controle. Hiërarchische verhoudingen zijn de machtsverhoudingen die hij wil uitschakelen.

Het maatschappijmodel dat Bookchin voor ogen staat is dan eerder libertair, niet in de individualistisch-egoïstische zin die men in de Verenigde Staten aan het begrip geeft, maar eerder refererend aan de negentiende-eeuwse Europese anarchisten,  die streefden naar een nieuwe manier om democratisch zowel de productiemiddelen als het gemeengoed (de commons) te beheren. Hij noemt zijn model municipalistisch, omdat burgers zelf, via een systeem van assemblees, de controle uitoefenen over het beheer van publieke zaken. En het is confederalistisch, omdat het solidariteit, samenwerking en wederzijdse hulp nastreeft tussen gemeenschappen. Bookchin’s maatschappijmodel wijkt niet fundamenteel af van de ideeën die Bakunin en andere negentiende-eeuwse anarchisten daarover onderhielden (zie bijvoorbeeld ‘2. Classic anarchism’ in   Subsidiarity, anarchism, and the governance of complexity). In die zin is het dus een heel ander confederalisme dan wat de N-VA voorstaat; dat van Bookchin is gericht op het delen van kennis, kunde en mogelijkheden, eerder dan op egoïsme en het afschermen van de eigen rijkdom.

Bookchin sluit het gebruik van geweld niet uit. Om de sociaalecologische samenleving te kunnen verdedigen zal men desnoods een beroep moeten kunnen doen op volksmilities; voorbeelden vindt hij bij de Machnovsjtsjina oftewel het Zwarte Leger in Oekraïne (1918-1921) of de Catalaanse arbeiders- en boerenmilities uit de burgeroorlog (1937). Ook de Mexicaanse Zapatistas vormen een bron van inspiratie.

Aan het eind van zijn leven was Murray Bookchin te ziek om de evolutie van de PKK actief te volgen, maar zijn weduwe, Janet Biehl, trok wel naar Koerdistan om ter plekke de werking van de gemeentelijke assemblees en hun confederale samenwerking te bestuderen. Zij publiceerde er herhaaldelijk over in boeken en op haar website. Ook het artikel The new PKK: unleashing a social revolution in Kurdistan beschrijft meer in detail de sociale ecologie van Bookchin en de manier waarop zij gestalte krijgt in Koerdistan. Kantons als Djezireh, Kobane of Afrin hebben een federale administratieve structuur opgebouwd, waarbij afgevaardigden van de lokale volksassemblees beslissen over zaken als defensie, gezondheidszorg, onderwijs of sociaal beleid. De volksassemblees zelf regelen autonoom hun landbouw- en energiebeleid vanuit een coöperatief en ecologisch standpunt. Binnen die raden en assemblees wordt ook de niet-Koerdische bevolking betrokken (jezidi’s, alevieten, Armeniërs, Turkmenen, enzovoort). Toch kan ook Janet Biehl niet verhullen dat zich problemen voordoen, zoals klimaatverandering, waarvoor op dit ogenblik basisdemocratisch confederalisme geen antwoord kan bieden. Daarvoor kan men volgens haar op dit ogenblik niet buiten de natiestaten.

kaart-irak-syrie

Carte actuelle de la Syrie et de l’Irak. En jaune dans le nord de la Syrie sont les zones contrôlées par les Kurdes de Syrie, en vert dans le nord de l’Irak sont les zones contrôlées par les Kurdes irakiens (source : Wikimedia Commons).Pour les flamands, la même chose.

Een ding is echter meteen duidelijk: het problematische om binnen een natiestaat als Turkije,  met de formele structuren van representatieve democratie, vormen van directe democratie uit te bouwen. Terwijl Koerdische politieke partijen via het parlement streefden naar meer autonomie voor hun regio’s, werden daar aan de basis alvast structuren van basisdemocratie opgezet. Zo was het althans tot voor kort. Sinds de ‘mislukte coup’ van juli 2016  en de daarop volgende gelukte staatsgreep van Erdogan, is van de Koerdische aanwezigheid in het parlement weinig meer over, en is de oorlog tegen de Koerden weer in alle hevigheid losgebarsten. Ook in Syrië kan de dreiging weer groter worden, als het regime van president Assad er in slaagt weer meer controle over het grondgebied te heroveren. Het blijft overigens de vraag of de Turkse en Syrische regimes ooit  autonome multiculturele niet-hiërarchisch georganiseerde basisdemocratische regio’s zouden aanvaarden op wat zij beschouwen als hun grondgebied.

 

 

Niet echt

Of niet?

titel-2

Door Tom Ronse

 
In de chaos van de oorlog zijn de Koerden er met Amerikaanse hulp in geslaagd om in west-Syrië een eigen proto-staat te organiseren. Eerder al was Amerikaanse steun essentieel in de totstandkoming van een de facto Koerdische staat in noord-Irak. Er is geen politieke eenheid tussen die twee onafhankelijke gebieden. Ze hebben elk hun eigen leiders, ministeries en legers. In het Koerdische gebied in west-Syrië, Rojava genaamd, is de centrale macht in handen van de PYD, de Syrische zijtak van de PKK, de ‘Koerdische Arbeiderspartij’ die haar basis heeft in Turkije.

De grote leider van de PKK, Abdullah Öcalan, zit al jaren in een Turkse gevangenis. Daar las hij boeken van de Amerikaanse anarchist Bookchin. Die inspireerden hem in die mate dat hij prompt een ideologische omslag beval. Zijn volgelingen transformeerden van de ene dag op de andere van leninisten in anarchisten. De ironie van deze massale bekering steekt de ogen uit. Bookchins doel was, zoals Hugo schrijft, “het uitschakelen van hiërarchische verhoudingen”. Maar de invoering van zijn “municipalisme” in Rojava was een op en top hiërarchische operatie. Het gebeurde, omdat Öcalan het wilde. In Rojava kom je zijn portret even vaak tegen als dat van Kim Jong Un in Noord-Korea. Er is geen twijfel wie de baas is. En je zegt maar beter geen kwaad woord over hem, wil je niet in een kerker belanden.

Maar waarom wilde hij het? Wat zag Öcalan in Bookchin?

Daarover kunnen we enkel speculeren. Ik speculeer dit:

1. Om een onafhankelijke staat in stand te houden en uit te breiden terwijl de oorlog in Syrië zijn beloop heeft, heeft de partij een ideologie nodig die de bevolking motiveert om de oorlogsellende te verdragen en de militaire operaties enthousiast en actief te ondersteunen. Als basisdemocratie dat doel ondersteunt, waarom het niet gebruiken? Öcalan is in die zin vergelijkbaar met Mao die met zijn “culturele revolutie” ook basisdemocratie gebruikte voor zijn machtsdoeleinden. In beide gevallen bleek die basisdemocratie best verzoenbaar met een extreme personencultus die toont dat, alle volksvergadereringen ten spijt, de onderliggende maatschappelijke structuur wel degelijk hierarchisch is.

2. De YPG , het leger van de PYD, is een integraal onderdeel van de Amerikaanse militaire strategie in Syrië. Zelfs als Poetin er in slaagt om Assad opnieuw in het zadel te helpen is het hoogst onwaarschijnlijk dat Washington zijn trouwste bondgenoten in Irak en Syrie, de Koerden, in de steek zou laten. Maar het helpt natuurlijk als de Koerden zelf meewerken door zich te ontdoen van ideologische bagage die wantrouwen wekt in Washington. Dus goodbye “kommunisme” en “marxisme-leninisme”, hello “municipalisme”. Dat klinkt veel minder bedreigend.

3. In navolging van Bookchin, zegt Öcalan dat hij “het idee van een natiestaat” heeft opgegeven. In praktijk wordt er wel degelijk een staatsstructuur gebouwd in Rojava maar toch is die uitspraak belangrijk. Ze impliceert dat de PKK de territoriale eenheid van Turkije niet langer in vraag stelt. Het is een verzoenend gebaar naar Ankara. Je kunt het de man niet kwalijk nemen dat hij hoopt om ooit nog vrij te worden gelaten. Natuurlijk is dat niet van aard om Erdogan mild te stemmen. Voor hem zijn de Koerden en vooral de PKK te nuttig als binnenlandse vijand om een akkoord te zoeken.

Soldaten van Rojava

Soldaten van Rojava

In zijn stuk vermeldt Hugo de oorlog nauwelijks. Nochtans zou dat het vertrekpunt van de analyse moeten zijn. Rojava is een landje in oorlog, dat gebied tracht te veroveren. Het is daarvoor afhankelijk van de grotere landen die in de Midden-Oosten oorlogen betrokken zijn, in casu de VS. Zijn strategie moet dus noodzakelijkerwijs in harmonie zijn met die van Washington. In Rojava staat alles in functie van de noden van de oorloginspanning. De ideologie die gehanteerd wordt moet in die context bekeken worden en niet als het product van een openbaring van sint- Öcalan in zijn cel.

Bookchin stierf voor hij het allemaal kon meemaken. Wat zou hij ervan gevonden hebben? Een van zijn uitspraken is mij bijgebleven: “On nationalist soil, no revolution can sprout”. En dat is precies het probleem in Rojava.

En hier.

december 10, 2016 at 6:24 am 1 reactie

BIJ DE DOOD VAN FIDEL

44175-004-1aa92245

Fidel Castro is gestorven en de media hebben ons de clichés niet bespaard. Met karrenvrachten werden ze over ons uitgestrooid en ook de gebruikelijke onzin mocht niet ontbreken. Zo kwam de eminente Cubakenner Herman De Croo ons in een extra Terzake kond doen van het historische feit dat hij – Herman – als jonge man in de straten van Mexico voor Fidel werd aangezien en toegejuicht. Die baard weet je wel. De Croo verklapte nog een ander geheim: Castro was een dictator die daar een “ideologie rond breide om dat te camoufleren.”

Ja Fidel werd door de enen aanbeden en door de anderen gehaat en ja hij was een monument van de 20e eeuw die zijn tijdperk heeft overleefd. Castro was een buitenmaatse persoonlijkheid met een bovenmaats ego die dan ook een sterke persoonlijke stempel op de Revolutie heeft gekleefd. Maar hij bleef ontzettend populair zeker bij de generatie die de revolutie heeft meegemaakt. Volgens Marc Frank van Reuters, één van de langst verblijvende buitenlandse journalisten op Cuba, bestaat één derde van de bevolking uit enthousiaste aanhangers van het regime, een kleine minderheid zijn politieke opposanten, de rest is een grijze zone waar mensen meer bezig zijn met de dagelijkse strijd om het bestaan dan met de slogans van La Revolución.

501279

Fidel struikelt (2004)

Tot vóór de Amerikaanse burgeroorlog aan het einde van de 19e eeuw leek het voor velen in de VS een uitgemaakte zaak dat Cuba één van de Amerikaanse staten zou worden. Vooral de slavenhouders in het Zuiden maakten daar een strijdpunt van: Met Cuba in de Unie zou het slavenhoudende Zuiden immers de balans in het voordeel van de slavenstaten doen doorwegen. Het is wellicht aan de bloedige burgeroorlog te danken dat het niet zover is gekomen, wat niet belet dat Cuba tot aan de Revolutie in de praktijk een Amerikaanse kolonie was, de goktent en het bordeel voor de superrijke yankees. Toen Cuba zich met hulp van de Verenigde Staten had losgemaakt van het Spaanse juk kwam het meteen onder een andere heerschappij terecht. Tot 1940 gaf het “Platt Amendment” de Verenigde Staten een vetorecht over belangrijke beslissingen van het Cubaanse parlement en de regering en het recht om militair tussenbeide te komen als dat “nodig mocht blijken.” Tot vandaag blijft op basis van het Platt Amendment de militaire basis van Guantanamo Amerikaans grondgebied.

dsc0093

Geen personencultus voor Fidel, wel voor Ernesto Guevara

Vriend en vijand zullen het erover eens zijn dat Fidel Castro voor Cuba eindelijk de onafhankelijkheid heeft verworven waar het eiland meer dan een eeuw lang voor heeft gestreden en bloed vergoten. Maar voor die onafhankelijkheid hebben de Cubanen een enorme prijs betaald. Het embargo heeft het eiland ei zo na economisch doodgeknepen. Politieke vrijheden en mensenrechten werden geofferd op het altaar van de “Revolutie,” bureaucratie en foute beslissingen deden de rest. Het wegvallen van de “broederhulp” uit de Sovjet-Unie en de “speciale periode” die daarop volgde maakten de economische rampspoed compleet. Zonder de levenslijn van het Chavistische Venezuela kun je je nauwelijks voorstellen hoe het regime zou hebben overleefd. Nu gaat het langzaamaan beter en dat de Cubanen ondanks alles gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen kunnen blijven genieten mag een klein wonder heten. Maar het volk mort. Bijna elke familie op Cuba heeft verwanten in Miami. Cubanen vergelijken hun levensstandaard met die van hun rijke familieleden in Florida, niet met die van het naburige eiland Haïti waar armoede en ellende de ogen uitsteken.

cuba-0410

Openbaar vervoer op Cuba

Toen ik de voorbije twee jaar het eiland van Noord tot Zuid en van Oost tot West doorkruiste kon ik met tientallen mensen praten die aan de kant van de weg stonden te liften. Door het ontbreken van een openbaar vervoer die naam waardig is liften op het eiland een nationale sport. Bijna al mijn gesprekspartners kloegen steen en been over de lage inkomsten en de hoge prijzen. Met een gemiddeld salaris van 20 euro per maand is het lastig overleven, ook al komt niemand om van de honger. Dank zij rantsoenbonnen kan iedereen aan de basisbehoeften voldoen, maar alles wat daarboven uitsteekt : schoenen, kleren, speelgoed, reizen, internet  is een luxe buiten het bereik van wie het met een officieel salarisje moet stellen. Alleen wie op de een of andere manier van het manna van de toerisme-industrie kan genieten kan zich een behoorlijke levensstandaard veroorloven. Het was opvallend hoe openlijk de meeste medereizigers zonder schroom kritiek ten beste gaven op de regering en op het “systeem.” Velen gaven openlijk lucht aan hun heimwee naar vroeger – maar daarmee werd niet de periode vóór de Revolutie bedoeld, wél de jaren vóór de instorting van het “socialistische kamp” en de erbarmelijke levensomstandigheden in de zogenaamde “speciale periode” die daarop volgde.

201_raul_castro_0429

Raúl Castro: de hardliner die hervormer werd.

De hervormingen van Raúl hebben de tweespalt in de Cubaanse maatschappij verdiept. Ook op Cuba neemt de ongelijkheid toe. Eén van de eerste beleidsdaden van Raúl Castro was het ontslag van een half miljoen werknemers uit de publieke sector. Die konden vijf maanden werkloosheidsvergoeding krijgen en moesten daarna maar zien hoe ze zich uit de slag trokken. Een maatregel die meer naar neoliberalisme dan naar communisme ruikt, al konden de ontslagen ambtenaren blijven genieten van gratis onderwijs en gezondheidszorg en konden ze in hun basisbehoeften voorzien dankzij de gesubsidieerde voedselprijzen.

cuba-110

Staatswinkel op het platteland

cuba-4275

Meer markt

Maar de toename van de privésector en de “vrije markt” zorgt voor een tweedeling in de economie en de samenleving. Het dubbele muntsysteem is daar de meest zichtbare manifestatie van. De meeste Cubanen worden betaald in peso of  “Moneda Nacional.” Eén peso is ongeveer 4 eurocent. Het gemiddelde maandloon is 500 peso – 20 euro. Basisproducten worden in peso betaald en zijn voorhanden in de staatswinkels (bonnen voor sommige producten), en op de vrije markt: de boerenmarkten, de verkopers op straat. Al de rest – alles wat wordt ingevoerd – moet betaald worden met de zogenaamde “convertibele peso” of CUC. Eén CUC is ongeveer één euro of 24 pesos in moneda nacional. Buitenlanders betalen praktisch alles in CUC, maar ook Cubanen willen waar het kan aan CUCs geraken. De hele toeristische sector draait om CUCs – vandaar dat een taxichauffeur vele keren het maandloon van een dokter kan verdienen omdat hij in CUC wordt betaald. Wie het moet stellen met het officiële loontje, de “sueldito,” leeft op of onder de armoedegrens. Wie op een of andere manier kan profiteren van de toeristen kan een aardig inkomen verdienen: als gids, taxichauffeur, schoonmaker, prostituee, verhuurder van kamers, het zijn er duizenden. Neem de “jinoteros” en de “jinoteras.” Die laatsten zijn niet noodzakelijk prostituees, maar je vindt ze in toeristische centra op elke hoek van de straat. Ze bieden diensten aan, ze gidsen je door de wirwar van straatjes, brengen je naar een restaurant, naar een hotel of naar een van de als paddenstoelen uit de grond gerezen toeristenverblijven in privéwoningen en krijgen daar een deel van de opbrengst voor.

cuba-2275

Havana, Marina Hemingway

Wie zoals wij met de boot in een Cubaanse marina aankomt krijgt met een resem inspecteurs en ambtenaren te maken. Het begint met de gezondheidsinspectie. De dokter komt aan boord en vraagt meteen of hij misschien een biertje kan krijgen. Als hij vertrekt vraagt hij of hij misschien een biertje kan meenemen voor zijn vrouw. Tussendoor ontspint zich een gemoedelijk gesprek. De dokter is pas terug van Miami waar hij de droeve opdracht had zijn vader te begraven. En dat alles daar zo vreselijk duur is. Zelf heeft hij niet te klagen al moeten veel van zijn collega’s zien rond te komen door bij te klussen als taxichauffeur, automonteur of verkoper van verf en onderhoudsproducten. De ambtenaren van de landbouwinspectie die komen controleren op vervallen etenswaren of verdachte blikken aan boord zijn twee minzame oudere heren. Bij het afscheid vragen ze discreet of ze misschien die paar blikken tonijn mee naar huis mogen nemen.En zo gaat het de hele reis door Cuba door. Heeft Fidel van zijn volk een bedlaarsvolk gemaakt vragen we ons soms af. “Heb je misschien een zeepje? Shampoo? Een balpen voor de kinderen?” De havenkapitein in Cienfuegos polst of we misschien geen oude zonnebril kunnen achterlaten. Als in Marina Hemingway de eindafrekening wordt gepresenteerd komt de aap uit de mooi: “Het is gebruikelijk om bovenop het liggeld een fooi van 10% te geven”– in het zwart uiteraard. Alles met de glimlach en de Cubaanse nonchalance, zonder de minste agressiviteit. Maar het is pijnlijk te zien hoe dit trotse volk zich op die manier verlaagt om te overleven.cuba-0003

Nee, Cuba is niet het paradijs van de “Nieuwe Mens” waar Che Guevara van droomde, noch de hel zoals die in de geesten en de propaganda van de Cubaanse ballingen in Miami’s Little Havana bestaat. Misschien is de beste samenvatting nog die van Irene Aloha Wright, een Amerikaanse historica en journaliste die in 1910 schreef: “Wie langer dan tien jaar op Cuba heeft gewoond laat alle dogma’s en doctrines over dat land achter zich. Het eiland wordt niet voor niets het land van “ondersteboven” genoemd.“

Johan Depoortere

november 29, 2016 at 10:54 am 7 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.209 andere volgers