WIT-ZWART FOTOGRAFIE IN KONGO

K 1 AquaBuls_NEW

door Lucas Catherine
 

Een mens houdt nogal wat brol bij en het mooie is, dat als je het lang genoeg bijhoudt het antiek wordt, of toch minstens vintage.
Zo heb ik enkele fotocamera’s teruggevonden tijdens een reshuffle van dingen die nu te oud zijn om nog weg te gooien. Met eentje, een echte Kodak heb ik zelf mijn eerste foto’s gemaakt. Het is zo een zwarte doos met als objectief een stukje  geslepen glas dat toen voor een lens doorging. Het filmrolletje was nog gedeeltelijk in papier.
En toeval bestaat niet, maar ik was net het reisboek van onze Brusselse burgemeester Charles Buls (1881-1899) in Congo aan het lezen, uit de tijd dat Congo nog Kongo was. ‘Croquis Congolais’ (1899). Zoals alle flaminganten toen schreef hij het liefst in het Frans. Hij had zo’n Kodak mee. Dat concludeer ik tenminste uit dit fragment: “Iets verder duiken twee Zwarte Eva’s op. Ze zijn nog onberoerd door de beschaving en reageren niet wanneer ik mijn Kodak op hen richt…”

 

K 2 Kodak1898

 

Dat kon dus dankzij Kodak. De fotografie had net een grote sprong gemaakt. In 1888 bracht George Eastman de eerste camera met rolfilm voor het grote publiek op de markt met de slogan: “You press the button, we do the rest!”. Of in de versie van De Nieuwe Snaar, honderd jaar later:

“Ja zo’n prachtstuk voor m’n lens

is mijn allergrootste wens

‘k hoef alleen maar goed te mikken

in de hoop dat het zou klikken.”

De camera kreeg de naam KODAK. Je kon hier honderd snapshots mee maken, dan was de filmrol op. Je stuurde dan je camera met film naar Eastman-Kodak en je kreeg je foto’s afgedrukt terug en een nieuwe camera met een nieuwe film. In 1891 volgde dan de eerste echte  losse rolfilm.

Charles Buls had dus zo’n Kodak van het allerlaatste model mee. Tien jaar eerder was dit nog niet mogelijk. Toen werkte men nog op glasplaten. Ze hadden een lange belichtingstijd nodig. De camera moest onbeweeglijk op een statief staan en ze moesten dadelijk ontwikkeld en gefixeerd worden.

 

K 3 Stanleyglas_NEW

 

De glasplaat is gebroken en in het glas is het onderschrift gegrift, zoals toen gebruikelijk was.

 

Dit kon men nog niet reproduceren in boeken. Stanley zal dan ook zijn boeken illustreren met gravures naar zijn foto’s. Het had zo zijn voordeel voor deze sensatiejournalist, ingehuurd door Leopold II om bij een groot publiek zijn kolonisatie te promoten. Hij kon daarmee zijn verhaal nog sensationeler maken, zoals met deze gravure over hoe hij omging met zijn eigen mensen.

 K 4 StanleySchiet_NEW

Ook Jerôme Becker die Karema, de eerste Belgische kolonie in Afrika had bestuurd kende dit technisch probleem toen hij in 1887 zijn boek uitgaf: La Vie en Afrique. Becker had nochtans een fotocamera en 200 glasplaten mee genomen, net als de producten voor ontwikkeling en fixering. Zijn boek is echter niet met foto’s geïllustreerd maar met tekeningen naar zijn foto’s.
In 1897 bij de Koloniale tentoonstelling in Tervuren kon dit al wel. In het begeleidend boek “L’Etat Indépendant du Congo à l’Exposition de Bruxelles” staan al enkele foto’s, maar sterk geposeerde en vooral tekeningen naar foto’s. De foto’s die Stanley twintig jaar voor Buls in Kongo maakte, trekken dan ook op niets. Dit is een van de betere:

 

K 5 Stanleyrivier_NEW

 

Een alternatief middel voor de eerste toeristen was dan ook de waterverftekening. Buls zal de twee technieken toepassen. Zijn aquarel van de stroom spreekt dan ook meer aan: zie de illustratie bovenaan dit stuk.

 

Die foto’s waren in zwart-wit, maar inhoudelijk eerder wit over zwart. Ze vertellen veel over hoe de witten over de zwarten dachten. Erg stereotiep. Neem deze – onscherp want niet op glasplaat maar met een rolfilm Kodak genomen – foto van Charles Buls: Les Eves Noires:

 


K 6 Eva's 001

De foto is dan wel flou, het stereotype is  haarscherp. Om nogmaals De Nieuwe Snaar te citeren:

“Want de angst voor het cliché

levert nooit een goed idee

Dat is het drama

In de fotografie.”

 

En het veranderde niet met de komst van de kleurfilm. Integendeel, de stereotypen werden nog groter. Ik ben het dan ook grondig oneens met Simon & Garfunkel toen die zongen: “Mama don’t take my Kodachrome away. Makes you think all the world’s a sunny day, oh yeah!”
Stereotypen in kleur zijn nog gevaarlijker dan die in zwart-wit. Doe ze weg, zoals De Nieuwe Snaar zingt:

“Als ik in mijn donkere kamer
Al die foto’s overzie
Zoek ik dikwijls naar een hamer…”

En, sorry aan De Nieuwe Snaar voor deze niet zo ortodoxe interpretatie van hun liedje.

mei 22, 2016 at 4:41 pm 2 reacties

ABOU JAHJAH, KOP VAN JUT

       Wat zat er achter de rel bij De Bezige Bij?

Door Hugo Durieux

Nu het relletje rond De Bezige Bij en Dyab Abou Jahjah met een sisser is afgelopen, is het goed eens terug te kijken naar wat er mogelijk echt aan de hand was. In Belgische media (De Standaard, De ideale wereld) werd het voorgesteld alsof enkele Nederlandse auteurs problemen hadden met het imago van Abou Jahjah als woordvoerder van een nieuwe generatie islamitische jongeren. David Van Reybrouck en Tom Lanoye wezen dan weer op de achterstand van Vlaanderen ten opzichte van Nederland wanneer het gaat om de maatschappelijke integratie van moslims, en op het feit dat er dus ook vandaag een verschil in toonaard kan zijn in het streven naar emancipatie.

 

Abou Jahjah

Abou Jahjah

Toch is dit cultuurverschil niet waar het initieel om ging. De heisa werd uitgelokt door enkele schrijvers en columnisten die moeite hebben met Abou Jahjah’s kritiek op het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen. Het relletje haalde de Belgische media toen De Groene Amsterdammer begin april drie volle pagina’s wijdde aan de verontwaardiging van enkele auteurs van De Bezige Bij (Theodor Holman, Leon de Winter, Jessica Durlacher en Marcel Möring) over een boekcontract voor Abou Jahjah. Het gaat om de uitgave van ‘Pleidooi voor radicalisering’, een pamflet van 96 pagina’s dat in september zou verschijnen in de Horzelreeks. Met die verontwaardiging waren zij overigens behoorlijk laat: het contract werd al in februari gesloten. En gek genoeg, de auteur zat al bij De Bezige Bij. Op de website van de uitgeverij wordt zijn ‘Dagboek Beiroet-Brussel’ voor € 20,95 aangeboden als print on demand.

 

Meteen werd de argumentatie bovengehaald waarin kritiek op Israël en antizionisme gelijkgesteld worden aan antisemitisme en oproepen tot jodenhaat. Die retorische truc is natuurlijk niet nieuw, maar misschien is het goed om er nog eens naar te kijken tegen de achtergrond van de beweging Boycott, Divestment and Sanctions (BDS) die over de hele wereld groeiende steun verwerft en tot enige onrust leidt in Israël en blijkbaar ook binnen de Amsterdamse grachtengordel.

 

Antizionisme = antisemitisme?

Leon De Winter

Leon De Winter

Jessica Durlacher

Jessica Durlacher

Leon de Winter (meneer Durlacher) en Jessica Durlacher (mevrouw De Winter) staan te pas en te onpas op de barricaden om bij elke kritiek op Israël ‘antisemitisme!’ te roepen. In Vrij Nederland van 5 april 2003 geven zij een dubbelinterview. Daarin schrijft interviewer, VN-redacteur Max van Weezel: “Voor de Palestijnen is de situatie niet leuk, beseft het echtpaar. Maar er worden zoveel volkeren onderdrukt – van de Hutu’s in Rwanda tot de Tsjetsjenen in Rusland. Maar daar hoor je de media niet over. Die hebben het liever over de wandaden van de Israëliërs omdat dat joden zijn.”

Redactrice Margreet Fogteloo, die de zaak onder de aandacht brengt in De Groene Amsterdammer, citeert dan weer Theodor Holman: “Zijn ze gek geworden? Geert Lubberhuizen, oprichter van De Bezige Bij, zat in het verzet, samen met leden van de Paroolgroep. Ze hielpen Joodse kinderen de oorlog door.” Dan denk ik: ja, nou en? Waarom zou je niet in het verzet tegen de nazi’s kunnen zitten en ‘Joodse kinderen de oorlog door helpen’, en nu tegen de Israëlische politiek zijn en de Palestijnen steunen in hun verzet tegen de bezetting? Jessica Durlacher wordt in hetzelfde stuk geciteerd: “Iemand die het woord zionisten gebruikt voor joden en zichzelf een fanatiek antizionist noemt, tja, hoe noem je zo iemand?” Tja, hoe noem je iemand die kritiek op de Israëlische politiek gelijkstelt met antisemitisme en jodenhaat?  Daarmee worden overigens meteen ook joodse antizionistische organisaties als Een ander Joods geluid in Nederland of Een andere Joodse stem in België weggezet als verraders of in het beste geval misleide en onnadenkende naïevelingen.

Maar noch in de geschiedenis, noch vandaag is er een één-op-één relatie tussen joden en Israël. Zelfs in de periode van de affaire-Dreyfus en de pogroms in Rusland aan het eind van de negentiende eeuw was slechts een zeer kleine minderheid van de Europese joden geïnteresseerd in het nationale project van de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl. Sterker nog, vóór de tweede wereldoorlog gingen antisemitisme en zionisme heel goed samen: de oprichting van een Joodse staat zou de mogelijkheid bieden om de joden uit Europa weg te krijgen. Vandaag zijn de hevigste zionisten dan weer vaak evangelische christenen. Bekijk de recente EO-reportage over Kris Carlier die met steun van Christenen voor Israël in Oekraïne onvermoeibaar joodse gezinnen opzoekt om hen te overtuigen zich in het Beloofde Land  te vestigen. Christenen voor Israël is al twintig jaar bezig met dat project ‘Breng de Joden thuis’. De christelijke steun aan het zionisme heeft trouwens wat dubbelzinnigs, lijkt mij. Volgens hun geheel eigen evangelische lezing van de bijbel is de terugkeer van de joden naar het Beloofde Land immers een voorwaarde voor de vestiging van het Koninkrijk Gods. Maar helaas, daar schieten die joden dan weinig mee op; terwijl zij nog aan het wachten zijn op de komst van de Messias, zullen zij niet gered worden op de dag van het Laatste Oordeel, tenzij zij zich inmiddels bekeerd hebben tot Jezus. Niks uitverkoren volk dus uiteindelijk.

Het is niet aan mij om Abou Jahjah te verdedigen, daar gaat dit stuk niet over. Ik kan alleen zeggen dat in wat ik van hem lees – zijn wekelijkse column in een Vlaamse krant – ik niet kan zien dat hij ooit joden heeft aangevallen omdat zij jood zijn. Integendeel, steeds valt mij op hoe zorgvuldig hij het onderscheid tussen joden en zionisten in stand houdt. En als hij al eens beweerd heeft dat Israël moet verdwijnen, lijkt mij dat nog altijd een stuk minder heftig dan de politiek van de voldongen feiten waarmee Israël bezig is geheel Palestina in te palmen (onder meer door de verwoesting van scholen, speelplaatsen, havens, die met Europees belastinggeld zijn gebouwd).

 

‘Minder grijpbaar’

Magreet Fogteloo schrijft over De Bezige Bij: “uitgerekend deze uitgeverij, geworteld in het verzet tegen de nazi’s, gaat in zee met iemand die openlijk antizionistisch is en – minder grijpbaar – antisemitisch.” Wat moet je begrijpen onder antisemitisme dat ‘minder grijpbaar’ is? Het is er wel, maar je merkt het niet? Betekent dit dat in haar ogen Abou Jahjah’s antisemitisme verborgen zit in zijn antizionisme? Dan neemt zij gewoon het standpunt van Holman & co over. Misschien speelt hier sympathie of solidariteit met naaste collega’s. Theodor Holman had tot voor kort in De Groene een wekelijkse column onder de naam Opheffer; Marcel Möring schrijft er min of meer regelmatig over zijn omgang met technologie (vaak komisch en herkenbaar). Maar misschien is er ook meer aan de hand.

Volgens Fogteloo is vooral onder linkse intellectuelen “‘de joodse zaak’ niet meer populair, het mededogen voor gediscrimineerde minderheden heeft zich verlegd naar moslims. De nieuwe solidariteit is terug te voeren op het voortdurende conflict in Israël en het brute geweld tegen de Palestijnen. De wet van het getal doet de rest: er zijn miljoenen moslimmigranten in Europa die luid van zich laten horen, terwijl de joodse gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog is geminimaliseerd en verregaand geassimileerd.” Probeert de redactie dan tegendraads te zijn, door als ‘genuanceerd weekblad’, zoals hoofdredactrice Xandra Schutte haar blad noemt, ruimte te bieden aan zionistische argumenten? Of geloven zij nog steeds in de idee van een links zionisme?

jaffa2032520x20449

Boycot, Desinvesteren en Sancties

Misschien wel. Zo maakte De Groene Amsterdammer op 25 juni 2015 vier volledige pagina’s vrij voor twee bijdragen tegen de beweging Boycot, Desinvesteren en Sancties (BDS). Oud-redactrice Anet Bleich mocht een gastcolumn schrijven, waaruit de redactie in dikke letters het citaat naar voren haalde “Van links Nederland mag ik toch wel verwachten dat het Israël niet als een hete aardappel laat vallen?”. Toegegeven, het stuk zelf is genuanceerder in zijn argumentatie, maar ook hier weer die gelijkstelling van Israël (in dit geval beperkt tot Tel Aviv) en joden (in Mokum).

Ook mag Natascha van Weezel over drie pagina’s beargumenteren dat de eisen van de voorstanders van een economische en culturele boycot van Israël niet helemaal koosjer zijn. (Wie? Jawel, Natascha is de dochter van Max van Weezel en Anet Bleich, die hierboven al ter sprake kwamen, en die in de jaren 1970 en ’80 bekend waren als redacteuren van de twee belangrijkste linkse weekbladen in Nederland, respectievelijk Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Vooral Anet Bleich had er toen al een handje van weg om elke kritiek op het zionisme of Israël af te doen als smerig antisemitisme – ik herinner mij haar razende tirade in het blad tegen het boek van Lucas Catherine De zonen van Godfried van Bouillon – de zionistische lobby in België  uit 1980).

Maar goed, Natascha van Weezel. Het argument dat een boycot op het gebied van economie, wetenschap, cultuur en sport wel degelijk heeft bijgedragen tot het einde van het apartheidsregime in Zuid-Afrika gaat volgens haar niet op, want “het is op zijn minst prematuur” om Israël een apartheidsstaat te noemen. Immers, de Arabische inwoners van Israëlische steden hebben “in theorie nog steeds gelijke rechten” en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever wordt door Israël beschouwd als tijdelijk, en gedicteerd door de omstandigheden. Eerder dan van apartheid, is er in Israël en Palestina “veeleer sprake van een onopgeloste strijd om grondgebied”. Ook het argument dat BDS tenminste vreedzaam protest is, is relatief volgens Van Weezel: “Alleen bestaat er een dunne lijn tussen vreedzaam handelen en de stap naar het gebruik van verbaal of fysiek geweld. Doordat de bds-beweging constant hamert op de ‘schandalige misdaden’ die Israël begaat en inwoners van het land af en toe voor nazi’s uitmaakt, lopen sommige acties uit de hand.” Volgt het voorbeeld van Kopenhagen, waar vier bussen in brand gestoken werden en met anti-Israëlische leuzen beklad, nadat het gemeentelijk vervoersbedrijf besloten had BDS-reclame van de bussen te verwijderen. Dit soort geweld, ze zullen er in Gaza eens hartelijk om lachen, denk ik.

Tenslotte, “het belangrijkste bezwaar tegen Boycot, Desinvesteren en Sancties”, schrijft Natascha van Weezel, “is het gevaar dat je er precies de verkeerde mensen mee treft. Met een economische boycot raak je bedrijven en grote concerns, die voor een deel werkzaam zijn in bezet gebied. Maar met de academische en culturele boycot raak je individuen.” Zij heeft het dan onder andere over kunstenaars en schrijvers als Amos Oz en David Grossman, die minstens evenzeer in de maag zitten met de bezetting als BDS. Verder vermeldt zij een aantal culturele initiatieven, waarin Palestijnse en Israëlische kunstenaars al dan niet tot een geslaagde samenwerking konden komen.

Tegen die voorbeelden staan er echter ook andere. Zo citeert Salon.com op 11 april 2016 een brief van 22 Israëlische antropologen aan de American Anthropological Association (AAA): “We agree that we have reached a crisis point, where under certain international conditions, another mass expulsion of Palestinians could occur—or worse… We believe it is possible to take a positive stand against this reality. The Palestinian call for BDS is at its core an anti-colonial, non-violent form of international protest against an enormously violent occupation.” De brief is een bijdrage aan de stemming die van 15 april tot 31 mei binnen de AAA loopt over een resolutie  tot academische boycot van Israël. In december 2014 werd met meer dan 630 stemmen tegen 52 besloten de resolutie voor te leggen aan de gehele organisatie.  De AAA bundelt tientallen academische beroeps- en studentenorganisaties en zou meteen de grootste academische vereniging zijn die dit standpunt inneemt.

En wat artiesten betreft, in februari 2015 bijvoorbeeld tekenden nog meer dan duizend Britse kunstenaars (waaronder mensen als Brian Eno, Julie Christie, Richard Barrett, John Berger, Adrian Sherwood) deze Artists’ Pledge: “We support the Palestinian struggle for freedom, justice and equality. In response to the call from Palestinian artists and cultural workers for a cultural boycott of Israel, we pledge to accept neither professional invitations to Israel, nor funding, from any institutions linked to its government until it complies with international law and universal principles of human rights.” In België timmert BACBI (Belgian Campaign For An Academic And Cultural Boycott Of Israel) al een tijdje aan de weg.

 

Doet het toch pijn?

Is het overdreven te stellen dat Boycot, Desinvesteren en Sancties  wereldwijd aan belang wint? Vermoedelijk niet. Zo werd op 10 mei van dit jaar bekend dat Omar Barghouti, een van de oprichters van de Palestijnse BDS-beweging, geen reisdocumenten meer krijgt van Israël en dat zijn permanente verblijfsvergunning mogelijk zal worden ingetrokken. Die beslissing werd overigens al min of meer aangekondigd op de conferentie Stop BDS, einde maart in Jeruzalem. Hoewel de meer dan duizend aanwezigen (president Rivlin, parlementsleden en andere politici, inlichtingendiensten, journalisten, zakenlui, …) voortdurend hoorden verklaren dat Boycott, Divestment and Sanctions weinig voorstelt, gaven de verslagen in Israëlische media (972mag.com, mondoweiss.net, Jerusalem Post) toch een ander beeld. Zo waarschuwde de hoofdredacteur van de organiserende krant dat Israël niet over vijf of tien jaar terecht mag komen in de situatie van Zuid-Afrika tijdens de boycot. Minister van Inlichtingen, Atoomenergie en Vervoer Yisrael Katz opperde het idee om militanten van de BDS-beweging gericht uit te schakelen. (Het is dezelfde Katz, die na de aanslagen van 22 maart in Brussel, verklaarde dat de Belgen zich teveel bezig houden met chocolade eten en van het leven genieten, en beter een voorbeeld zouden nemen aan Israël.) Ook aan het woord kwamen verder onder meer ex-minister van Justitie Tzipi Livni, de voorzitter van het World Jewish Congress Ron Lauder, comedian Roseanne Barr en president Rivlin zelf. Kortom, misschien kwamen al die mensen die getuigden hoe onbelangrijk de boycot is, wel bewijzen hoe zeer men er mee inzit.

De tekenen dat de wereldwijde beweging  Boycot, Desinvesteren en Sancties wel degelijk pijn doet in Israël zijn er al langer, zo laten Natascha van Weezel en Anet Bleich zien in De Groene Amsterdammer. Maar dit voorjaar kwam een aantal zaken ineens samen: de stemming binnen de American Anthropological Association, de Stop BDS conferentie in Jeruzalem, de onrust bij een aantal Nederlandse zionisten met toegang tot de media. Abou Jahjah was misschien gewoon een gedroomde zondebok.

 

Hugo Durieux is jurist en filosoof.  Hij schrijft: “Ik heb ruim tien jaar gewerkt als journalist, overwegend in Nederland. Nadien was ik lange tijd universitair en hogeschooldocent, en vervolgens jurist en (project)manager in de non-profitsector. Tegenwoordig woon ik in de Belgische Ardennen.” Zijn website: http://durieux.eu

 

Enkele jaren geleden hebben we in dit salon een fel debat gevoerd over de zin of onzin van de Boycott Israel –beweging.  Lees het hier: https://salonvansisyphus.wordpress.com/2010/02/07/boycott-nee-dank-u/

 

 

mei 20, 2016 at 5:02 am Een reactie plaatsen

TUYMANS TOONT ZIJN MISPRIJZEN

Tuymans voor "Corso III"

Tuymans voor “Corso III”

Tom Ronse

In zijn nieuwe expo die vorige week opende in de David Zwirner galerij in New York toont Luc Tuymans zich aan zijn introverte kant. De titel van de show ontleent hij aan Jean-Luc Godards film “Le Mépris”. Dat is wat ik tegenwoordig vaak voel”, zegt de schilder.

Tuymans’ werk verliest veel in reproductie. Je moet er lijfelijk voor staan en het de tijd geven om in te dringen.  De negen schilderijen komen goed tot hun recht in de ruime,  in zacht wit licht badende zalen van de museale galerij. Je herkent ze meteen als Tuymansen. Het gedempte palet, de horizontale borstelstreken, de wazige contouren, de thema’s van isolatie, verval en herinnering. Maar in deze werken hangt ook een sfeer van nostalgische tederheid.

Tuymans Le Mepris low res

Er is een schilderij dat zoals de hele show “Le Mépris”heet. Het toont een detail van het interieur van de villa in Capri waar Godards film werd opgenomen.  Een donkere, dode open haard met daarachter een venster. Door dat venster heb je normaal een spectaculair uitzicht maar Tuymans is anti-spectaculair. Dus verbergt hij het zeezicht achter verblindend wit zonlicht.  Het beeld is niet gebaseerd op de film. Tuymans heeft het van het internet geplukt. Het is een stille getuige van iets dat zich hier heeft afgespeeld. Een momentopname en tegelijk tijdloos.

 

Installatiebeeld Corso I (foto Tom Ronse)

Installatie van “Corso I”

Tuymans voelt affiniteit met Godard. “Le Mépris” vindt hij een meesterwerk. Maar de originele inspiratie voor deze expo kwam niet van die film maar van Tuymans’ eigen jeugdherinneringen.  In Zundert, de stad waar zijn moeder vandaan komt (tevens de geboorteplaats van Van Gogh) wordt jaarlijks een corso gehouden, een stoet van praalwagens versierd met bloemen. Als kind was Lucje een participant die dahlia’s op de wagens hielp prikken en er onder liep, met andere kinderen die de wagens voortduwden. “Als galeislaven”, zegt Tuymans. Maar in de vijf werken die de corso van Zundert als thema hebben, zijn geen kinderen te zien, noch andere mensen. We zien de praalwagens na de stoet, na het feest, als iedereen naar huis is gegaan en de bloemen stil verwelken tot compost. Vergankelijkheid en de melancholie die ermee gepaard gaat, loeren om de hoek.

Corso II

Corso II

Maar er is meer. De praalwagens, verlaten door mensen, bevrijd van de feestcontext, gaan hun eigen leven leiden. Ze worden vreemde voertuigen die lijken te zweven in een grijze mist. Tuymans wijst op “Corso III” waarin een vorm op een praalwagen doet denken aan een radarschijf of een gigantische luidspreker. “Het lijkt een soort propagandamachine uit de Sovjet Unie”, zegt Tuymans, “en tegelijk heeft het iets ludiek. Dat interesseert me, iets wat “off” is, wat aan de oorspronkelijke bedoeling van de makers ontsnapt”. Hoe past de titel “Le Mépris” op deze werken, vraag ik hem. “Het gaat over het feestelijke dat omslaat in iets totaal anders”, antwoordt hij enigmatisch. “Dat is een zeer persoonlijk gevoel. Misprijzen is dat ook, als je het verinnerlijkt”.

De beelden zijn gebaseerd op archief-foto’s en kiekjes die zijn vader nam in 1958 (Tuymans’ geboortejaar) maar zijn daar tegelijk ver van verwijderd. “Ik schilderde ze vanuit een verwrongen nostalgie maar met een nasmaak van het gebeuren”, legt Tuymans uit.  De praalwagens zijn gestileerd tot bijna abstracte vormen. “Als je er dichtbij gaat staan spatten de vormen uit elkaar”, zegt Tuymans, “het is een soort conceptueel impressionisme.”

Zoals uit eerder werk al bleek, vertoeft Tuymans graag in het het grensgebied tussen figuratie en abstractie. Of, zoals hij het uitdrukt, “de combinatie van signaal en niet-signaal” fascineert hem.  Dat is nog duidelijker in de triptiek “Murky Water”, drie grote, bijna abstracte doeken gebaseerd op polaroids die Tuymans op een zonnige dag nam van water in een gracht in het Nederlandse Ridderkerk. Ze doen denken aan accidentele foto’s, genomen door iemand die eigenlijk zijn vrouw op dat pittoreske bruggetje wou trekken maar in plaats daarvan, omdat zijn camera te vroeg afging, troebel water, een stuk kade, de schaduw van een geparkeerde wagen of een straatlamp fotografeerde. Tuymans maakt het banale pregnanter dan het spectaculaire. De stilte is tastbaar.

Murky Water I

Murky Water I

De werken hebben iets droevigs. Tuymans wijst op een blikje dat op het water drijft in “Murky Water I”. “Dat fantablikje bracht me op het idee om “Le Mépris” de noemer van deze show te maken”, zegt hij. Een fantablikje komt in de film niet voor, wel Tuymans’ thema van verval, vergankelijkheid en melancholie.

Zoals gewoonlijk gaat het werk over de constructie van herinnering maar Tuymans is vooral bekend door werk dat de herinnering aan historische evenementen bekijkt. Deze expo is introverter. “Dat klopt”, zegt Tuymans. “Ik wissel thematische tentoonstellingen waarin ik extrapoleer af met andere waarin ik introverteer. Dat is een tandem die al 30 jaar werkt”.

Evolueert zijn stijl? “Mijn startpunt was het idee dat ik geen stijl wou ontwikkelen”, zegt Tuymans, “maar als ik zoals op de retrospectieve in Doha vorig jaar naar mijn vroeger werk kijk, zie ik natuurlijk wel een evolutie. Maar ze is niet doelbewust. Het is een taal die me ook ontsnapt. Dat houdt het spannend. Tot vandaag is elk schilderij een wonder dat het lukt. Dat is niet vanzelfsprekend. Het schilderen is een intens, nerveus proces. En als het dan lukt, dat is bijzonder aangenaam.”

Nogal wat mensen vinden hem een moeilijke kunstenaar. Stoort hem dat? “Helemaal niet”, zegt Tuymans. “Mijn kunst is introvert. Tot mijn zestiende was ik een quasi-autist. Ik wantrouw mezelf, er is een grote afstand tussen mezelf en het beeld dat ik schilder. Dat maakt het moeilijker voor de toeschouwer. Maar dat was van meet af aan mijn optie. Als je een goed kunstwerk ziet, heb je een probleem. Je begrijpt het niet meteen. Je hebt tijd nodig. Het kostte me 20 jaar om Warhol te appreciëren. De directeur van het museum van Honolulu vond mijn werken afschuwelijke rotzooi tot hij ze in zijn dromen begon te zien. Nu is hij een van mijn grootste fans”.

Murky Water II

Murky Water II

Een kortere versie van dit artikel verscheen eerder in De Morgen.

Tuymans Lumumba

Tuymans Lumumba

“Le Mepris” is te zien tot 25 juni. Meer info op davidzwirner.com

 

In het Antwerpse MAS kan men intussen to 18 september de expo “Glasses” zien, Tuymans eerste thematische retrospectieve. Het gaat om portretten van mensen met brillen. Meer info op mas.be

mei 17, 2016 at 2:15 am Een reactie plaatsen

NUIT DEBOUT: OPSTAND VAN DE JEUGD ZONDER TOEKOMST.

Na onder andere de Indignados in Spanje en Occupy Wall Street in de VS komen nu ook in Frankrijk jongeren en ouderen in verzet tegen de neoliberale platwals. Is de Nuit Debout-beweging een blijver of is het de zoveelste tot mislukken gedoemde poging om de onmacht van links te doorbreken?

Continue Reading mei 12, 2016 at 1:03 pm 5 reacties

HOE GEEL NEW YORK INSPIREERDE

Jacqueline Goossens sprak met met Ellen Baxter

Ellen Baxter (foto Mashid Mohadjerin)

Ellen Baxter (foto Mashid Mohadjerin)

Deze tekst is een actualisering van een artikel dat eerder in De Morgen verscheen.

Ellen Baxter was 21 toen ze in 1975 naar Geel trok. De New Yorkse psychologe bleef een jaar in het Vlaamse stadje om er de eeuwenoude traditie van thuiszorg van psychiatrische patiënten te bestuderen. Daarna begon ze het Geelse model van tolerantie en integratie in de Big Apple toe te passen. Ondanks veel tegenkanting stampte ze de Broadway Housing Communities uit de grond, een veilige thuis voor ruim 400 voormalige daklozen, waaronder de helft psychiatrische patiënten. Haar aanpak, die nu ‘supportive housing’ heet, kreeg navolging in heel de VS.

Jaren geleden schreef de New York Times dat ze leek op een jonge Liv Ulmann. Ze heeft nog altijd iets engelachtig. Maar mispak u niet. Kim Hopper, haar strijdmakker door de jaren heen, beschreef haar als “een van die stille ijverige vrouwen die in een zonnestraal zitten te naaien in een Vermeer-interieur. Maar ze heeft het instinct van een straatbokser en de verbetenheid van een pitbull”.

Aan Geel bewaart ze warme herinneringen. Al was het begin niet gemakkelijk. “Hoewel ik als kind door het werk van mijn vader enkele jaren in Nederland had gewoond, begreep ik geen woord van het Geels dialect”, vertelt ze. Ze vond een kamer bij een ‘kotmadam’.“Ik voelde me er meteen thuis. De vrouw was een vriendelijke, wat excentrieke kunstenares. Er was een grote zonnige tuin met veel bloemen en een konijn. Ik kreeg een tweedehandsfiets waar ik meteen op wou springen maar mijn kotmadam zei, dat mag niet want je hebt geen nummerplaat. Ik wou haar eerst niet geloven. Tijdens mijn eerste weken stond ik versteld over de ingewikkelde Belgische bureaucratie. Strafst van al was dat de Geelse politie me een ‘bewijs van goed gedrag en zeden’ vroeg. Ik dacht dat de agent een grapje maakte.”

“Ik heb in Geel 75 ‘kostgevers’ -zoals de gastfamilies worden genoemd- en hun ‘kostgangers’ -de patiënten- bezocht en geinterviewd. Nooit heb ik zoveel taart, koekjes en koffie verorberd als toen. Geen enkele gezinssituatie was dezelfde. Ik praatte met een vrouw die al jarenlang een patiënt in huis had die de gewoonte had om de knoppen van zijn kleren te rukken. Ze naaide die elke avond opnieuw geduldig aan. Het trof me dat ze dit vanzelfsprekend vond. Andere kostgangers woonden al zo lang bij gezinnen dat ze op de duur zelf verzorgers werden voor hun intussen bejaarde pleegouders. Het storend gedrag van sommigen, zoals luid roepen of met dingen gooien, werd stoicijns getolereerd. Ik ontmoette psychiatrische patiënten en mentaal gehandicapten maar ook mensen waarvan ik me afvroeg of ze niet in staat zouden zijn om zelfstandig te wonen. Ik bezocht een kostganger die in een mooi huis woonde dat hij had geerfd van het doktersgezin dat hem indertijd had opgenomen. Hij had een huishoudster die voor hem kookte, waste en poetste. Een andere man was 22 jaar eerder geplaatst bij een landbouwersgezin. De boer was intussen overleden en de man runde de boerderij met de hulp van een andere patiënt. Ik sprak met een kostganger die de gewoonte had om lange wandelingen te maken naar omliggende dorpen. “Iedereen kent hem dus hij loopt geen gevaar”, zei de vrouw die voor hem zorgde. Hij woonde bij het gezin sinds de tweede wereldoorlog. Bij gezinnen met jonge kinderen viel het me op hoe ongedwongen die met de patiënten omgingen.

Professioneel was Geel een openbaring. Eerder had ik een studie gemaakt over de Amerikaanse psychiatrische instellingen. Daar was de zorg meestal schandalig slecht. Ik was op zoek naar een alternatief. Zonder Geel te idealiseren, realiseerde ik me dat de manier waarop er met de psychiatrische patiënten werd omgegaan de juiste was. Het was gebaseerd op gezond verstand en respect, mijlen verwijderd van de afstandelijke ‘professionele’ aanpak die ik aan de unief had geleerd.”

Het was niet allemaal werk in Geel. “Ik denk met plezier terug aan de gastvrijheid, de lekkere maaltijden, de mooie fietstochten. En als Geel me te klein werd, verdween ik enkele dagen naar Antwerpen, Amsterdam of Londen.” Een dochter van haar kotmadam nam haar mee naar bijeenkomsten van Amada, de voorloper van de PvdA. Het was in de tijd van de Glaverbel-staking. “Op een dag stond ik zelfs op een foto van betogers in de Gazet van Antwerpen. Toch werd me nog af en toe gevraagd of ik een CIA-agente was.” Ze was heel verdrietig toen haar tijd in Geel er op zat. “Ik zat te wenen op de terugvlucht. Een lieve Sabena-stewardess probeerde me te troosten. Ik was zo blij dat ze Vlaams sprak. De wijn die ze me bracht hielp ook.”

Eind 1976 was ze terug in New York, een chaotische stad met steeds meer daklozen, waaronder duizenden psychiatrische patiënten. Die waren door massale sluitingen van psychiatrische inrichtingen en scherpe stijgingen van de huurprijzen op straat beland. “Op een van mijn eerste avonden in de stad ging ik naar het toilet in het busstation. Dakloze vrouwen waren bezig zich te wassen of hun was te doen. Anderen probeerden te rusten op de stenen vloer. Het was mensonterend. Toen besloot ik om me voor hen in te zetten.”

Ellen benaderde de New Yorkse overheid met een voorstel voor kleinschalige opvang naar Geels model maar ze kreeg overal het deksel op de neus. Intussen vormde ze met andere verontwaardigde New Yorkers de ‘Coalition for the Homeless’ die meer wou dan eten en kleren uitdelen en een radicale beleidsverandering bepleitte.

“36.000 Homeless People in the City”, blokletterde de New York Times in april 1980 op haar voorpagina boven een verslag over een rapport, geschreven door Baxter en de medische antropologe Kim Hopper. Het was gebaseerd op gesprekken met honderden daklozen in de metro, parken, trein- en busstations, kerken en gaarkeukens. Baxter en Hopper stelden hen twee vragen: ‘Waarom bent u dakloos?” en “Hoe overleeft u op straat?”

Vandaag geeft New York City elke nacht onderdak aan ruim 60.000 daklozen, waaronder bijna 24.000 kinderen. Dat is meer dan ooit sinds de depressie in de jaren 1930. Maar de omstandigheden waarin ze de nacht doorbrengen zijn aanzienlijk beter dan in de jaren 1980. Mede dank zij Baxter die na de publicatie van het ophefmakend rapport samen met Hopper en advocaat Robert Hayes de stad een proces aandeed in naam van de daklozen. “We argumenteerden dat de grondwet van de staat New York de stad verplicht onderdak te geven aan iedereen die erom vraagt”, vertelt Baxter. “De rechter gaf ons gelijk. Maar ons overwinningsgevoel was van korte duur. De stad gaf de daklozen wel onderdak maar in die opvangcentra heerste chaos en had niemand privacy. Een van de ergste was de Fort Washington Armory in noord-Manhattan. In een gigantische militaire oefenzaal sliepen er tot 1.200 mannen in bedden die op amper een halve meter van elkaar stonden. Drugsverslaafden, sociopaten, psychopaten en misdadigers zaten er samen met weggelopen jongeren, werklozen en anderen down on their luck. Verfstrepen op de vloer gaven aan voor wie de bedden bestemd waren: gele strepen voor de psychisch gestoorden, blauwe voor TBC-lijders en rode voor seropositieven. We eisten de sluiting van die hel, wat in 1993 eindelijk gebeurde.”

In datzelfde jaar noemde de New York Times Baxter “perhaps the city’s most accomplished not-for-profit entrepreneur”. Ze had toen Broadway Housing Communities opgestart, zes woonprojecten voor ex-daklozen in de buurt van de Armory in Washington Heights, toen een van de meest door drugs ontwrichte wijken van New York. Ellen liet zich niet intimideren. Haar woonprojecten hebben de reputatie veilig en net te zijn. In elk gebouw staat een team van sociale werkers ter beschikking om bewoners te helpen. Maar het zijn bewoners zelf die de receptie bemannen. Andere huurders doen kleine herstellingen, noteren klachten en lossen conflicten op. “Als je hier woont, moet je mede-verantwoordelijk zijn”, zegt Ellen, “anders begint de wet van de straat te heersen”.

Haar eerste project, The Heights, opende in 1986. Er wonen 55 mensen. Iedereen heeft zijn kamer. Op elke verdieping zijn er drie badkamers en een keuken. “Ik heb drie jaar moeten wachten op toestemming van de stad. Ze vreesden dat we een goedkoop hotel gingen uitbaten waar iedereen zijn gang zou kunnen gaan.”

In afwachting nam Baxter een initiatief dat later cruciaal bleek voor het succes van The Heights. Ze stelde een flat in Washington Heights beschikbaar als drop-in center. Daklozen konden er douchen, schone kleren en een maaltijd krijgen en hun spullen opbergen. Twee sociale werkers deden de permanentie. Ze hielpen hun dakloze bezoekers met het vinden van ontwenningscentra, dokters en scholing. De daklozen mochten het adres van de flat gebruiken om pensioen of sociale bijstand aan te vragen.

Baxters doorzettingsvermogen wierp vruchten af. Begin 1986 had ze de nodige 1.2 miljoen dollar verzameld om The Heights te kopen en in te richten. “Onze eerste bewoner was Jack Langford”, herinnert Baxter zich, “ons outreach team had hem gevonden op het einde van een subway-perron. Ze roken hem voor ze hem zagen. De stank van zijn gezwollen en ontstoken benen was zo erg dat hij het zelf niet kon harden. Hij bedekte zijn wonden met een plastiek zeil. We konden hem laten opnemen in een hospitaal. Hij bleef er twee maanden. In het begin sprak hij niet maar later bloeide hij open.”

Een andere bewoner van het eerste uur was Stella. “Ik zag haar voor het eerst in het toilet van een busstation waar ze aan het slapen was. Een klein mager vrouwtje, verslaafd aan heroine. Ze droeg kleurige kleren, opvallende juwelen en felle make-up. Ze was vriendelijk en gul. Ze bracht spulletjes mee die ze op straat vond, om aan medebewoners te geven. Als ze kwaad werd, vloekte ze als een zeeman. Ze probeerde van drugs af te blijven maar het was een voortdurende strijd. Ze bleef bij ons wonen tot ze stierf aan kanker. We waren er het hart van in. Ons tweede gebouw, in 1988 geopend, hebben we naar haar genoemd. De Stella.”

Ellen Baxter runt nu zeven flatgebouwen, bijgestaan door 80 medewerkers waaronder drie voltijdse advocaten. Ze geeft me een rondleiding en stelt me voor aan bewoners. Haar ogen stralen als we wandelen door de mooi ingerichte peuter- en kleuterschool van de Dorothy Day, een van de gebouwen. Een deel van de flats is er voorbehouden aan gezinnen met kinderen. Zowel de kinderen als het personeel zijn zichtbaar blij haar te zien. Hier krijgt ze een warme handdruk, daar een omhelzing en ginder een zoen. Ik voel me als in het gezelschap van de lievelingstante van een heel grote familie. “Ik woonde in een busstation”, vertelt een blinde vrouw terwijl ze de kop van haar labrador streelt, “ik weet niet wat er van mij zou geworden zijn zonder Ellen”. Een man van rond de veertig, een kunstschilder, zegt dat Ellen hem letterlijk van de straat raapte. “Ik was een vogel voor de kat”, zegt hij. “ Aan drugs en drank, eenzaam, denkend aan zelfmoord… dankzij haar leef ik nog.”

Het is een zonnige lentedag. We staan op het dak van Ellens zevende en nieuwste project, de Sugar Hill Apartments in de 155ste straat in Harlem. Ook hier is de helft van de flats voorbehouden aan psychiatrische patiënten, sommige met hun gezin. Er is een kinderdagverblijf en een kleuterschool voor 200 kinderen en een kindermuseum, het Sugar Hill Childrens’Museum of Art and Storytelling.

Het zicht is adembenemend. We zien de beide rivieren die Manhattan omarmen en in de verte, aan de andere kant van het eiland, het nieuwe World Trade Center. “Jij als Belgische”, vraagt Ellen met een schalkse blik, “ken je iets van duiven kweken?” Een klein beetje, zeg ik, mijn vader en grootvader waren duivemelkers. “Ik droom ervan om op dit dak een duivenhok te bouwen zoals ik er in Geel heb gezien. En om onze bewoners warm maken om voor de dieren te zorgen”.

De Sugar Hills Apartments (architect David Adjaye)

De Sugar Hills Apartments (architect David Adjaye)

mei 5, 2016 at 2:13 am Een reactie plaatsen

TSJERNOBYL REVISITED

Het is vandaag 30 jaar geleden dat de grootste kernramp tot nog toe plaatsvond in Tsjernobyl, Sovjet-Unie. Bij ons maakte men zich toen geen zorgen, zoals men dat ook vandaag doet – zelfs als buurlanden beginnen te protesteren tegen scheurtjes, incidenten, sabotage (?), ongelukjes. Kernenergie blijft voor de overheid en de elektriciteitsbonzen ‘untouchable’.

Herlees daarom het stuk dat ik vijf jaar geleden schreef en waar geen officiële hond of kat een woord over loste. Verbijsterend, toch?

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2011/03/17/verjaardag-tsjernobyl-25-jaar-geen-paniek/

Open ook je ogen op : http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/1.2637058

april 26, 2016 at 12:37 pm 2 reacties

DE WERELD VERDRINKT

gideon-mendel

Tom Ronse

In Los Angeles werd enkele dagen geleden een passagier uit een vliegtuig van Southwest Airlines gezet. Hij werd ervan verdacht een terrorist te zijn. Eeen medepassagier had de bemanning gealerteerd nadat ze hem Arabisch had horen spreken in zijn telefoon. Hij had woorden gebruikt zoals “Inch’Allah” die haar jihadistisch in de oren klonken.

Van zo’n bericht verschieten we niet meer.  We worden het gewend van te leven in een angstklimaat, waarin paranoia het nieuwe normaal wordt. Dat is de schuld van de terroristen en van de oorlogen waarvan hun aanslagen een onderdeel zijn. Maar dat is ook de schuld van de media die de angst buiten alle rationele proporties opkloppen. De kans dat burgers slachtoffer worden van een terroristische aanslag is nog altijd minuscuul in vergelijking met andere gevaren die hen bedreigen.

Dat is een van de meest negatieve gevolgen van het terrorisme: het geeft de onderhuidse angst een doelwit, een fixatiepunt dat de aandacht afleidt van gevaren die ons terecht bang zouden moeten maken.

Zoals de combinatie van klimaatsverandering en armoede. Die dreigt in de komende jaren vluchtelingenstromen  op gang te brengen waarbij deze van vandaag klein bier zullen lijken.  De media rapporteren het wel als er weer eens een ramp gebeurt maar de ernst van de situatie dringt niet door. Het blijft een ‘ver-van-mijn-bed’ story.

Niet voor Gideon Mendel. Hij is een Zuid-Afrikaanse foto-journalist die niets meer hoeft te bewijzen; al zes keer won hij de World Press Photo Award.  Sinds 2007 werkt hij aan een project dat hij “Drowning World” noemt.GMendel _Srinagar-phone-25071-1024x10241 Met zijn oude Rolleiflex trekt hij naar gebieden die door grootschalige overstromingen geteisterd worden om portretten te maken van de slachtoffers in hun waterige omgeving.

Mendel wil de alarmbel trekken, de omvang van de klimaatsverstoring in de verf zetten. Hij wil vooral dat we de slachtoffers als medemensen zien, in plaats van als anonieme statistieken. De meeste foto’s in de serie zijn geposeerd. Wat niet wil zeggen dat ze vals zijn, wel dat de gefotografeerden weten wat er gebeurt, wat Mendel beoogt. Ze poseren om met ons te communiceren. Ze kijken ons recht in de ogen. In de hunne zien we een gamma van emoties.

Drowning-World-Gideon-Mendel-6

Drowning-World-Gideon-Mendel-14

Drowning-World-Gideon-Mendel-12

gideon mendel

gideon mendel2

mendel Haiti

mendel6

drowningworld-775mendel

Drowning-World-Gideon-Mendel-19

mendel 7

mendel 5

Mendel Kashmir-71 lowres

mendel 4

Gideon_Mendel_-_Drowning_World_4

mendel 12

In deze serie is Mendel journalist, activist, portrettist en ook kunstenaar. Hij is er niet vies van om de opportuniteiten van de rampzalige omgeving –zoals weerspiegelingen in het water- te gebruiken voor esthetisch effect.

11 Nov 2011, Bangkok, Thailand --- Prakru Samuteerapisut Sarathamma poses with some novice monks in the flooded Komut Puttarangsi Temple in the Taweewattana District on the western outskirts of Bangkok. This is one of more than 500 Buddhist temples which have been inundated by the recent floods in Thailand. “I have been in monkhood for 14 years. This is the first time I’ve experience such a big flood. I knew that the water would come this way. But I didn’t expect so much. We just have to accept it. It has been difficult for monks to do our duties. Every day we have to be there to help each other and all the people who have fled here for safety.There are about 200 of them. The officials do come and help us, especially the military. They brought us food and water. Many people who are staying at home also come here to collect food.If it happens again next year, we will have to be more prepared.” --- Image by © Gideon Mendel/In Pictures/Corbis

Drowning-World-Gideon-Mendel-11 mendel 8

“Drowning World” omvat foto’s gemaakt in vijf continenten en is intussen al op verschillende plaatsen tentoon gesteld. Bijna elke tentoonstelling is anders want de serie blijft groeien. In de laatste aflevering toont Mendel ook foto’s van foto’s die door de overstroming zijn aangetast. Dat is een onderwerp dat me intrigeert, als kunstenaar die de creatieve destructie van natuurelementen zoekt te integreren in zijn werk (mijn bijdrage over foto’s bewerkt door superstorm Sandy in New York kan u HIER bekijken).  De uitgewassen pigmenten doen nieuwe patronen ontstaan, nieuwe kleuren duiken op, het beeld krijgt een nieuwe gelaagdheid.

From the home of Comrade Abdul Rashid (2) Gideon Mendel

Mendels webstek: http://gideonmendel.com/

mendel 11

april 24, 2016 at 8:27 pm Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.060 andere volgers


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 1.060 andere volgers