Bric à Bracke in Gent

Originally posted on Dirk Tuypens:

Er woedt een storm rond Bart De Wever. Niets nieuws. Hij behoort nu eenmaal tot het genre politicus dat het moet hebben van goedkope ik-zeg-het-zoals-het-is-uitlatingen met een hoog sensatiegehalte. Zonder op tijd en stond een mediastorm voelt hij al snel elke grond onder zijn voeten wegzakken.

De Weveriaanse stormen zijn altijd berekend, de winst is vooraf nauwkeurig uitgeteld. Zelfs als het gaat om uitspraken die het bruine randje ver overschrijden. Dat krijg je nu eenmaal als je zowat het voltallige personeel en electoraat van de eigen-volk-eerst-vrienden opeet. Dat zorgt voor zure oprispingen die nogal sterk ruiken naar lauw geserveerde 70 punten-prak. Je kan niet blijven volhouden dat je die andere partij weliswaar leegzuigt, maar verder niets te maken hebt met het gedachtengoed ervan.

Als het stormt rond De Wever, komen de andere tenoren van de N-VA vanzelf in zijn slagschaduw te staan. En zo wordt ondertussen al bijna vergeten dat…

View original 463 woorden meer

maart 26, 2015 at 1:41 pm Een reactie plaatsen

HEEFT HET PAPIEREN BOEK NOG EEN TOEKOMST? (6)

1.books

Tom Ronse

Zeg me niet dat dit salon geen aandachtige lezers heeft. Zoals EL die me een mail zond waarin hij Sisyphus’ noeste arbeid toejuicht, waarvoor we hem bedanken, en me er tevens op wijst dat ik een serie van essays met bovenstaande titel nooit heb afgemaakt. En hij citeert de slotzin van mijn vijfde en voorlopig laatste stuk in die reeks: “In  de volgende aflevering zoek ik antwoorden op de vraag hoe de overgang naar een wereld van electronische informatieverspreiding traditionele boek-kunstvormen zoals de roman beinvloedt”. Dat schreef ik in april 2012.  Het zou een van mijn vele onafgewerkte projecten gebleven zijn, als EL niet aan mijn mouw had getrokken. Belofte maakt schuld. Het helpt dat het onderwerp me boeit.(1) Dus duiken we er weer in. Over de vraag in de titel -of het gedrukte boek nog een toekomst heeft- hebben we het eigenlijk niet meer. In de vorige afleveringen kwamen we tot de conclusie dat het papieren boek niet zal verdwijnen maar wel marginaler zal worden. Nu gaat het over de vraag hoe de electronische drager het boek inhoudelijk verandert. Hoe zit het met de toekomst van de literatuur?

2. Late American novel

In 2011 verscheen een boek, The Late American Novel: Writers on the Future of Books, waarin 26 bekende schrijvers deze vraag trachtten te beantwoorden. De titel en de ouderwets-futuristische prent op het voorplat doen verwachten dat het e-boek er ruim aan bod in komt maar vreemd genoeg is dat niet het geval. Slechts enkele schrijvers vermelden het en dan nog meestal met enige weerzin.

 

 

3. oldandnew De uitzondering is de romanschrijver Reif Larsen die denkt dat de voorstanders van het gedrukte boek ooit zullen klinken als de Victorianen die kaarslicht zoveel beter vonden dan Edisons nieuwerwetse electrische lantaarns.  Hij probeert zich in te beelden welke nieuwe terreinen de e-boeken zullen exploreren, eens ze in hun nieuwe schulp zijn gegroeid. Ze kunen de rigide grenzen van het blad opblazen, schrijft hij enthousiast. Beelden kunnen in de tekst opdoemen of er boven zweven. Multimedia trailers in plaats van kaften. De tekst zal “zwaar gesupplementeerd” worden met multimedia zoals gesproken woord, muziek, video, opties voor interacties tussen lezers en een zijpaneel met “real-time Twitter reviews.” Vanuit het standpunt van een verhalen-verteller lijken de mogelijkheden om de lezer mee te nemen in nieuwe verhaal-werelden zowel onbeperkt als angstaanjagend, concludeert  Larsen.  De truc bestaat er volgens hem in om te weten “when to harness the power of the new media and when to let the simplicity of the text work its magic.” De verleiding om met de nieuwe media te spelen kan er echter toe leiden dat al te vaak voor het eerste wordt gekozen.

Larsen heeft zelf van zijn roman The Selected Works of T.S. Spivet  een “geamplifieerde”e-versie gepubliceerd (Penguin, 2012. De filmversie van het boek, The Young and Prodigious Spivet , was vorig jaar in de bioscopen).

4. Spivet poster

Het e-boek kun je als Ipad app downloaden.  Ipad-lezers klagen echter dat hun schermpje te klein is om al de extra’s – video, commentaren- die de e-versie bevat te tonen. Je moet ze  zelf binnen je gezichtsveld trekken. Sommige lezers vinden al die zijsprongen die het verhaal onderbreken irritant. Hoe meer toeters en bellen, hoe aantrekkelijker de rust van de simpele tekst hen lijkt.

5. reading manara

Strandscene door Milo Manara

 

Dat is ook de opinie van de Britse schrijver China Miéville. In een speech voor de Edinburgh World Writers’ conference in 2012  stelde hij dat de voorspellingen over de digitale productie van een nieuwe soort literatuur overroepen bleken. “The hypertext novel? A few interesting experiments. The enhanced ebook, with soundtrack and animation? A banal abomination.”  Ondanks alle experimenten is het volgens hem opvallend dat de traditional narrative-arc-shaped fiction goed standhoudt.  Maar terwijl de digitale productie volgens hem nog geen inhoudelijke of vormelijke revolutie van de literatuur heeft teweeg gebracht, ziet hij de digitale distributie van literatuur als een onstuitbare trend. En je kunt de distributie van de roman niet radicaal herstructureren zonder dat dit een impact heeft op zijn vorm en inhoud. Miéville erkent dat.  “We naderen niet alleen een tijdperk waarin niemand die dat niet wil voor een boek zal moeten betalen maar ook een waarin de digitale beschikbaarheid van de tekst de relatie tussen lezer, schrijver en boek zal veranderen”.

De meest ingrijpende verandering volgens Miéville: “The text won’t be closed.”

“Anyone who wants to shove their hands into a book and grub about in its innards, add to and subtract from it, and pass it on, will, in this age of distributed text, be able to do so without much difficulty, and some are already starting.”

Inderdaad kan men op het web al heel wat sites vinden waar mensen zich literair uitleven door nieuwe avonturen te bedenken voor personnages uit bekende romans en films (verder meer daarover). Op  muzikaal vlak is de invloed van de digitale distributie nog veel duidelijker. Het  remixen van bestaande albums is al heel gewoon worden en heeft op zijn beurt nieuwe songs en composities beinvloed die dan weer door anderen als grondstof worden gebruikt voor nieuwe combinaties. Men zou kunnen zeggen dat de hele muziekwereld er “democratischer” door werd, alleszins meer collectief en interactief.  Elke tiener kan zijn eigen mix maken en online zetten en vele doen dat ook.  Waarom zou de literaire wereld aan die trend ontsnappen?  Is het te vermijden dat er online tal van “redacteurs” opduiken met hun eigen versie van het werk van anderen?

Vele auteurs vinden dat vooruitzicht natuurlijk een nachtmerrie.  Hun werk is hun privé-eigendom dat anderen mits betaling mogen lezen, beluisteren of bekijken en er verder hun poten moeten van afhouden. Maar wat doe je eraan?  Repressie –nieuwe wetten en politie-acties tegen “piraterij”, vervolging van ‘sharers”, enz. – roeit tegen de tijdsstroom in; het is een achterhoede-gevecht. Miéville  heeft er geen good woord voor over: “It’s disingenuous, hypocritical, ineffectual, misunderstands the polyvalent causes and effects of online sharing, is moribund, and complicit with toxicity.”

6. China Mieville

China Mieville

 

Hij bekritiseert zijn eigen vakbond, de Creators’ Rights Alliance, die een manifest uitgaf waarin ze onder meer opriep om “het intellectueel eigendomsrecht” in de scholen te propageren: “All schoolchildren should be encouraged in the habit of using the © symbol with their work, whether it be an essay or a musical composition. The concept behind copyright is so simple that a child can understand it: “I made it: it’s mine.”‘

Miéville vindt dat advocating the neoliberalisation of children’s minds. That is scandalous and stupid. The text is open. This should – could – be our chance to remember that it was never just us who made it, and it was never just ours.”

“Mijn werk” was nooit mijn werk alleen en het was nooit alleen van mij. We hebben altijd cultuur geproduceerd op een collectieve manier.  De informatie-technologie herleidt alles tot fragmenten die op verschillende manieren geassambleerd kunnen worden maar zo was het eigenlijk vroeger ook. Cultuur is informatie en informatie bestaat slechts als inhoud van communicatie. De technologische revolutie in de distributie van informatie heeft het collectieve, interactieve karakter op de spits gedreven. Dat botst  met de maatschappijvorm die steunt op individueel bezit.  Om van digitale goederen individueel bezit en dus koopwaar te maken, moet het doorgeven van informatie bij wet worden ingeperkt.  Maar de aard van het internet, van de digitale technologie, maakt de controle erover moeilijk, zo niet onmogelijk. Niemand kan nog tegenhouden wat er op het web verschijnt. Natuurlijk is er ook een hele industrie die zich erop toelegt om informatie ontoegangelijk te maken voor niet-betalers maar het blijft een permeabele muur, zo standvastig als die van Berlijn.

Dit heeft een krisis veroorzaakt in de muziek-industrie en het uitgeversbedrijf. Maar de muziek en de literatuur lijken te floreren. Een van de duidelijkste gevolgen van de kostenloze reproductie van informatie is dat er ontzaglijk veel meer gepubliceerd wordt.  Niemand hoeft nog aan de normen van uitgevers of muziekbazen te voldoen om zijn/haar werk online te verspreiden. Iedereen kan zich auteur noemen, zelfs van cd’s en gedrukte boeken: dank zij de electronische technologie is self-publishing goedkoop geworden en het is niet zo moeilijk om opgenomen te worden in de cataloog van massa-distributiebedrijven als Amazon.

7. reading stand

Zelfs zij de hunkeren naar vroeger kunnen niet ontkennen dat de trend positieve aspecten heeft.  Online wordt een schat aan informatie beschikbaar gemaakt die zonder het internet verborgen zou blijven of zelfs niet zou bestaan.  Een goed voorbeeld is de scherpe stijging van vertalingen, vooral in het Engels, waardoor literatuur een wijder speelveld kreeg. Opmerkelijk is dat heel wat vertalingen tot stand komen door de gezamenlijke inspanningen van vrijwilligers, uit liefde voor een werk dat geen kans maakt op commercieel sukses.

Men zal opwerpen dat de kwantitatieve stijging van het informatie-aanbod vooral een stijging van het aanbod van rotzooi was. Dat de verminderde rol van uitgeverijen en muziekbedrijven betekent dat er minder op kwaliteit wordt geselecteerd. Dat het informatie-aanbod krioelt van teksten die schreeuwen om een bekwame redacteur. Dat valt niet te ontkennen. Maar het is ook waar dat er in het aanbod van de mooi gedrukte boeken van de traditionele uitgeverijen ook veel rotzooi zit. Literaire kwaliteit en commercieel sukses zijn twee verschillende dingen. Soms vallen ze samen maar vaak doen ze dat niet.

Als iedereen een schrijver kan worden wat blijft er dan over van de speciale status van de auteur? Een vaak gehoorde klacht van gevestigde auteurs is dat het internet het schrijversvak devalueert en daar hebben ze geen ongelijk in. Het schrijversvak is inderdaad gedevalueerd: reken maar uit hoeveel de gemiddelde schrijver per uur verdient. Er zijn natuurlijk uitzonderingen en extreme uitzonderingen maar de gemiddelde schrijver is een armoezaaier. Zijn/haar werk wordt ondergewaardeerd. “Well, yes”, zegt Miéville.  “Just like the work of nurses, teachers, public transport staff, cleaners, social workers, which has been undervalued a vast amount more for a whole lot longer. We live in a world that grossly and violently undervalues the great majority of people in it.”

8 read

En dat wordt steeds erger omdat het logisch is om te bezuinigen op wat geen winst opbrengt. Miéville’s voorstel om de situatie te behelpen door “serieuze schrijvers” een door de staat betaald salaris te geven, lijkt dan ook een luchtkasteel. Omdat het gros van de menselijke activiteit door de hoepel van de winstgevendheid moet springen en die winstgevendheid in het gedrang komt, wordt steeds meer menselijke activiteit ontredderd. Ook het schrijversvak.

Er is natuurlijk nog altijd een circuit dat leidt van noeste eenzame arbeid naar commercieel sukses en rijkdom. Als schrijver kun je daarvan dromen, daarop mikken. Vele Amerikaanse schrijvers structureren hun romans met het oog op hun eventuele verfilming. Als je in een taal als het Nederlands schrijft, en je markt dus beperkt is door de bescheiden omvang van je taalgebied, is de kans dat je ooit van de opbrengst van je literaire kunst zult kunnen overleven bijzonder klein. Al lijken ze in Scandinavie wel een formule te hebben gevonden.

Iedereen die zich aan het schrijven zet weet dat. Iedereen die een tekst op een blog of een website plaatst, weet dat hij of zij er niet rijk van zal worden. Toch houdt dat besef miljoenen niet tegen om literatuur te produceren. Misschien koesteren ze een fantasie waarin ze ondekt zullen worden, zoals elke basketter droomt van de NBA. Maar eigenlijk weten ze het best, hun product is niet verkoopbaar want het is niet winstgevend. Ze doen het toch, niet om te verkopen maar om weg te geven. Om te communiceren. Ze schrijven collectief. Er ontstaat een cultuur van geven en nemen die haaks staat op de klassieke rolpatronen, ook die van de literatuurproductie.

Toch lijkt ook de literatuur die rechtstreeks voor digitale distributie is gemaakt de klassieke vormen niet in vraag te stellen. De roman, het gedicht, het kort verhaal: ze zijn zo taai als kakkerlakken, zoals Miéville opmerkt. Er zijn nieuwe vormen, zoals verhalen die interactief tot stand komen via Twitter maar die hebben, voor zover ik weet, voorlopig weinig indruk gemaakt. De Twitter-vorm (maximaal 140 leestekens per tweet) biedt mogelijkheden voor Haiku-dichters als Herman Van Rompuy maar anderen vinden het een keurslijf. Er is geen Twitter-roman. En de nood om romans te schrijven en te lezen lijkt ook in het internet-tijdperk springlevend.

In de volgende aflevering van deze serie bekijk ik enkele literaire producten van het internet van wat dichterbij.

 

10 patti      11 inprint

(1) Al sinds lang: mijn eindthesis aan de universiteit was getiteld: “De toekomst van de massa-media” (1972). Kun je nagaan hoe leuk het is om dat vandaag te herlezen.

 

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2012/04/10/heeft-het-papieren-boek-nog-een-toekomst-5/

http://www.amazon.com/The-Late-American-Novel-Writers/dp/1593764049

http://www.theguardian.com/books/2012/aug/21/china-mieville-the-future-of-the-novel

 

 

maart 25, 2015 at 6:35 am Een reactie plaatsen

CUBAANSE STEMMEN

DSC_3726

Onze wijn is bitter, maar het is onze wijn.”

Cuba is volop in transitie. Het economische model van de Revolutie staat onder zware druk. De hervormingen van Raúl hebben voor de meeste Cubanen het dagelijks leven niet gemakkelijker gemaakt, integendeel. Door invoering van het marktprincipe – zij het met mondjesmaat – dreigen veel Cubanen tussen twee stoelen te vallen: de bescherming van de socialistische verzorgingsstaat valt weg en de weldaden van het kapitalisme zijn voor een minderheid weggelegd. De ongelijkheid in de Cubaanse maatschappij neemt zienderogen toe. Op onze tien dagen durende reis door het land en tijdens ons verblijf in Havana hebben we met een paar dozijn Cubanen gesproken: mannen en vrouwen die onze weg kruisten: lifters, taxichauffeurs, eigenaars van “casas particulares” (de Cubaanse vorm van B&B), ambtenaren, mensen op straat.

Uit de gesprekken komt geen rooskleurig beeld naar voren van de situatie op het socialistische eiland waar op elke hoek Revolutionaire slogans de bevolking oproepen tot “discipline” en “productie.” “La Revolución es Invencible” heet het maar ook: “Sí se Puede,” geleend van Obama. Maar er gaapt een reusachtige kloof tussen de gedateerde revolutionaire retoriek en de dagelijkse werkelijkheid. Wat de Cubanen – zo blijkt uit onze gesprekken – bezig houdt zijn niet de idealen van Che Guevara en Fidel Castro maar de strijd om het dagelijks bestaan. Gezondheidszorg en onderwijs zijn gratis – een aantal van onze gesprekspartners laten niet na dat te beklemtonen – maar de lonen zijn laag – volstaan niet om behoorlijk van te leven al lijdt niemand honger. Aan de basisbehoeften wordt voldaan maar alles wat daar enigszins bovenuit stijgt: kleren, schoenen, reizen is duur en voor de meesten nauwelijks bereikbaar. Transport is een reusachtig probleem. Mensen worden als vee vervoerd in zestig jaar oude vrachtwagens die verschrikkelijke roetwolken verspreiden. Bussen rijden soms wel, soms niet, stoppen soms soms ook niet. Vandaar de vele tientallen lifters op alle grote wegen. Toeristen zijn dol op de antieke Amerikaanse auto’s die miljoenen keren worden gefotografeerd maar de Cubanen moeten dag in dag uit leven in de uitlaatgassen van die milieu-onvriendelijke oude bakken die maken dat de lucht in de steden niet te ademen valt. Het historische centrum van Trinidad is een uitzondering: daar worden auto’s uit het centrum gebannen.DSC_4227

DSC_2893

Cubanen zijn een uiterst vriendelijk en gastvrij volk, maar de economische noodzaak heeft van de onderdanen van Fidel en Raúl een bedelaarsvolk gemaakt. Een gebaar met de rechterhand wrijvend over de linkerarm: “Heb je geen zeep?” Wasgebaren over het kapsel: “Heb je geen shampoo?” “Heb je misschien een pen, een potlood, een zonnebril…” In alle toeristische centra zie je het fenomeen van de “jinoteros:” jonge mannen meestal die je proberen mee te lokken naar een “paladar” (restaurant bij particulieren) of een “casa particular” en die daarvoor een percentje en een fooi opstrijken. “Jinoteras” bieden dan weer diensten aan van een andere aard. Wat zou Che hiervan denken als hij terug zou komen?

mappa_guia_cubaOnze reis voerde van Marina Hemingway in de buurt van Havana naar Santa Clara, Sancti Spiritus, Trinidad, Ciego de Avila, Camagüey, Bayamo, Santiago, Guantanamo tot in het uiterste oosten van het land Baracoa en Varadero waar de mooiste stranden ingenomen worden door toeristenhotels – een kwalijk voorbeeld van alles overwoekerend massatoerisme. Waar we konden namen we lifters mee. De meesten spraken openlijk over de problemen van het land – de ouderen meer uitgesproken dan de jongeren. Bijna iedereen klaagt over de penibele economische toestand, weinigen geven de regering of de “Revolución” de schuld. Ondanks de verbeterde betrekkingen met de VS zijn de verwachtingen over de toekomst niet hoog gespannen. ¿Quien sabe? “Wie weet” is meestal het antwoord op de vraag of het in de toekomst beter wordt.

Voor een goed begrip: op Cuba bestaan twee muntsystemen naast elkaar. De meeste Cubanen worden betaald in peso “Moneda Nacional.” Eén peso is ongeveer 4 eurocent. Het gemiddelde maandloon is 500 peso – 20 euro. Basisproducten worden in peso betaald en zijn voorhanden in de staatswinkels (bonnen voor sommige producten), en op de vrije markt: de boerenmarkten, de verkopers op straat. Al de rest – alles wat wordt ingevoerd – moet betaald worden met de zogenaamde “convertibele peso” of CUC. Eén CUC is ongeveer één euro of 24 pesos in moneda nacional. Buitenlanders betalen praktisch alles in CUC, maar ook Cubanen willen waar het kan aan CUCs geraken. De hele toeristische sector draait om CUCs – vandaar dat een taxichauffeur vele keren het maandloon van een dokter kan verdienen omdat hij in CUC wordt betaald.DSC_2216

Marina Hemingway

Bij aankomst in een Cubaanse haven wacht je een hele reeks formaliteiten vóór je officieel het land in mag. Het begint met een dokter voor de gezondheidsinspectie, daarna komen achtereenvolgens ambtenaren van douane en immigratie aan boord, een drugshond snuffelt de hele boot door, een tweede hond die de procedure herhaalt. Twee ambtenaren van de sanitaire inspectie – beminnelijke oudere heren – die kijken of je geen verboden voedingsproducten binnenbrengt (citrusvruchten, eieren, varkensvlees – allemaal verboden). Eén van de twee neemt neemt een citroen uit het fruitmandje en stopt hem in zijn boekentas. Als het formele gedeelte is afgelopen en de papieren zijn ingevuld vragen de twee of we misschien een blikje tonijn of sardienen kunnen missen voor hun lunch. De immigratie-ambtenaar die daarna de visa aflevert wordt binnenkort voor de eerste vader en vraagt voor hij de papieren opbergt of we misschien een kleinigheid kunnen missen, maar reageert met de glimlach als hij nul op rekest krijgt. Welkom op Cuba!

DSC_2275

Marina Hemingway

Wordt het beter in de toekomst, nu de betrekkingen met de VS hersteld worden? Ik vraag het aan Jorge, de andere immigratie-ambtenaar in Marina Hemingway. Jorge haalt de schouders op:

Het hangt van het Amerikaanse Congres af en het Congres wordt gedomineerd door de Republikeinen.”

Trinidad

Julia, huisvrouw, staat te liften aan de uitvalsweg in Trinidad. Op de bus wachten heeft geen zin, zegt ze: Soms komt hij , soms ook niet.

Ik moet rondkomen met 200 peso (acht euro) per maand. Mijn man heeft de Spaanse nationaliteit en krijgt om de twee jaar van Spanje een pensioen van 100 euro.

Gezondheid en onderwijs zijn gratis gratis dat wel maar voor de rest is het leven hier erg hard. De lonen volstaan niet om van rond te komen. Een kilo rijst kost twintig peso (bijna een euro), een kilo vlees kost tot 30 peso (1,25 euro) op de vrije markt, de helft in de staatswinkel. Kleren en schoenen zijn onbetaalbaar voor mijn inkomen.

Ciego de Avila

Marciana – beter bekend als “Merci” – is gescheiden. Ze woont in haar eigen huis en kan haar inkomen aanvullen met wat ze toegestopt krijgt van haar zoon die agent is bij een bewakingsfirma. Haar zwager was politieke gevangene en is daarna uitgewezen naar de VS waar hij van een uitkering leeft. Maar hij komt elk jaar ongehinderd naar Cuba terug om de familie te bezoeken.

Hoe is de situatie van het land? Slecht, heel slecht. Ik heb een inkomen van 350 peso (14 euro) per maand. Ja, ik betaal geen huur, maar ik heb te weinig om rond te komen. Iedereen is ontevreden. Water moet ik kopen van de tankwagen die langs komt, elektriciteit is duur.

Zoals bijna iedereen in Cuba heeft Merci een mobieltje. Dat kost haar vijf pesos per maand (20 eurocent).

DSC_2826

Camagüey


Camagüey
in het noordoosten van het eiland is een labyrint van smalle straatjes met éénrichtingverkeer. Aan de ingang van de stad staan jinoteros op de fiets auto’s met een toeristen nummerplaat op te wachten om ze naar een restaurant of “casa particular”te begeleiden. We proberen ze de ene na de andere van ons af te schudden, maar Raúl is hardnekkig en als we ons tenslotte voor de zoveelste keer in hetzelfde straatje vastrijden brengt hij ons met de glimlach naar de casa particular die we hebben uitgekozen om te overnachten. Een fooi van twee euro vindt hij niet genoeg: Fidel geeft ons weinig te eten zegt hij met de glimlach.

DSC_2851

Casa Particular van Renato

Renato (Camagüey) is Italiaan, met een Cubaanse getrouwd en woont sinds drie jaar in Camagüey . Hij is een kleine ondernemer met behalve de casa particular ook een kapperszaak en een bouwonderneming. Het huis dat bewoont heeft hij mooi gerestaureerd en bij de buren hetzelfde gedaan. Hij heeft zeven werknemers die hij 700 peso (28 euro) per maand betaalt.

Het gemiddelde maandloon is rond de 500 peso (20 euro). Ik weet niet hoe ze daarmee rondkomen maar de Cubanen kennen het systeem en de middelen om te overleven. De absolute basisbehoeften worden gedekt, maar al de rest is heel moeilijk. De prijzen voor kleren en schoenen zijn op Europees niveau.

De verwachtingen zijn niet hoog gespannen. Bij de val van de muur in Berlijn verwachtten de Cubanen grote veranderingen, nu zijn ze sceptisch en nemen het zoals het komt.

Guantánamo)

Yane is 29 jaar, getrouwd, drie kinderen. Ze heeft een opleiding boekhouding gevolgd maar niet afgemaakt omdat ze het “te saai” vond. Haar man werkt in een zoutwinningsbedrijf en brengt elke maand 800 peso (32 euro) naar huis.

Nee, daar kan ik niet mee rondkomen. Het is nauwelijks genoeg om elke dag eten op tafel te hebben. Kleren en schoenen zijn heel duur – alles wat nodig is voor de kinderen.

Jaime is 60 en econoom in een vakantiedorp voor pioniers (kinderen tot 14 jaar). Hij had erop gerekend met zijn zestigste op pensioen te kunnen gaan, maar de door de hervormingen van Raúl moet hij twee jaar langer werken.

Onze samenleving veroudert omdat vrouwen niet meer dan twee kinderen willen. Daardoor moet ik nu langer werken en ik zie het helemaal niet zitten, ik haal het gewoon niet.

Ik heb nu 350 per maand (14 euro) – mijn pensioen zal nog lager zijn. Hoe moet ik daarmee rondkomen? Jullie zijn toeristen, je kunt heel het land bezoeken maar wij Cubanen kunnen niet op vakantie gaan omdat we er het geld niet voor hebben.

De economische situatie in het land is heel slecht. Natuurlijk is het embargo daar schuld aan, maar we hebben ook fouten gemaakt. Overal worden fouten gemaakt. Hier ook. Mijn grootvader was lid van de Beweging van de 26e juli – de organisatie van Fidel. Hij was eigenaar van een tankstation en toen dat na de overwinning van de Revolutie werd genationaliseerd was hij zeer ontgoocheld. Hij is als bitter man gestorven.

Het embargo is crimineel. Kinderen sterven in gespecialiseerde ziekenhuizen in Havana aan kanker omdat we de nodige medicijnen niet kunnen invoeren.

Misschien moeten we méér markteconomie hebben maar met een socialistische politiek. Hoewel, zoals het nu in China is, dat is ook niet goed. Een vriend van me is muzikant en heeft door China gereisd. Hij stond versteld hoe duur alles daar is. Arbeiders werken er in ongelooflijk slechte omstandigheden en dat voor een socialistisch land.

De jongeren geloven niet meer in de revolutionaire idealen. Ze willen een beter leven en vluchten in muziek , alcohol en vertier.

Ja er is grote ontevredenheid bij de bevolking, maar geen opstandigheid. We willen ook niet dat Amerika ons de wet oplegt. Ik zeg het met de woorden van José Martí: “Onze wijn is bitter, maar het is onze wijn.”

DSC_3416

Baracoa

Andrés, is eigenaar van een en casa particular. In de woonkamer staan een paar redelijk moderne computers met flatscreen en printers. Hier kunnen klanten fotocopieën maken en tekst uitprinten. Is er ook internet? vraag ik. Nee dat is nog niet voor morgen. Komt het ook? ¿Quien sabe? – Wie weet?

Ja iedereen klaagt, maar nu gaat het goed. Veel beter dan tien jaar geleden. Toen het socialistische kamp uit mekaar viel, toen ging het slecht, toen hadden de mensen reden om te klagen.

Maar nu – wie wil werken kan werken: voor de staat of voor de privé. Maar velen willen niet werken, ze verwachten dat het manna uit de hemel komt neergedaald.

IMG_1630

Andrés, eigenaar van Casa Particular in Baracoa

 

Las Tunas

Aymara is 45 en instructrice voor kaderleden. Ze komt net van een volksvergadering als ze aan de rand van de weg staat te liften en we haar enkele kilometers meenemen. Ze ziet er erg depressief uit.

Wat gaat slecht in het land? Alles. Alles

Havana

Hoe overleven de Cubanen? Terug in Havana krijgen we misschien een tipje van de sluier opgelicht. We bezoeken de befaamde sigarenfabriek Pártagas. Een zestigtal werknemers maken hier per dag een paar duizend van de duurste sigaren ter wereld, allemaal handwerk. Een Cohiba kost 17 euro per stuk, méér dan het maandloon van de mannen en vrouwen die de sigaren rollen. Zij verdienen tussen 350 en 400 peso (14 á 16 euro) per maand. Maar per dag mogen ze vijf sigaren mee naar huis nemen die ze dan verkopen voor harde dollars. Is dat legaal? De meningen zijn verdeeld – er wordt wat besmuikt gelachen.

DSC_4037 IMG_0013

In Havana is alles duurder dan in de rest van het land, maar er zijn ook meer mogelijkheden, vooral in de toeristische sector. Wie van toerisme leeft heeft het beter dan de rest en wellicht daardoor krijgen we in Havana iets minder klachten te horen over de economische toestand. De woonomstandigheden daarentegen zijn voor veel gewone Habaneros erbarmelijk. De verkrotting van de oude stadskern lijkt niet meer te stoppen al worden ook veel fraaie historische gebouwen gerestaureerd.

Laura staat te liften aan de rand van de stad. Ze zou op pensioen kunnen maar blijft werken uit noodzaak en geeft Spaans in een secundaire school.

Het leven is hard hier. Jongeren zijn slecht opgevoed “mal educados” en denken alleen aan vertier.

DSC_2105

Cubaanse jongeren

 

_DSC0262Emilio is bouwkundig ingenieur maar werkt als officieel geregistreerde privétaxichauffeur met zijn eigen auto, een Ford 1957.

Ik kom uit Santiago maar in Havana heb je meer mogelijkheden. Ik kan tot 80 CUC (80 euro) per dag verdienen ook al betaal ik 900 belastingen per maand.

Dokters verdienden tot voor kort 500 peso (20 euro) nu 1000 maar velen werken zoals ik als taxichauffeur: ze verdienen in één dag het veelvoud van wat ze als dokter in een maand zouden hebben.

Is zijn generatie er beter aan toe dan die van zijn ouders?

Nee, ik geloof het niet. Wij hebben het moeilijk en de generatie na ons zal het nog altijd heel moeilijk hebben.

Gregorio rijdt met een gele officiële taxi. De auto is eigendom van de staat. Hij betaalt maandelijks een bedrag van 1400 a 1500 euro voor het gebruik van de auto. Alle andere kosten – brandstof, onderhoud, moet hij zelf dragen en zien terug te verdienen. Kan hij daarmee behoorlijk leven?

Helemaal niet. Het is vechten om te overleven. De economie deugt niet, het systeem deugt niet.

De hervormingen van Raúl? Het betekent niets voor mij. Ja, we kunnen nu op hotel gaan en reizen maar we hebben het geld er niet voor.

 

DSC_4435

De Revolutie is er niet in geslaagd de armoede uit te bannen. In het centrum van Havana wonen mensen in erbarmelijke omstandigheden.


DSC_4418

Wordt de toekomst beter, nu de betrekkingen met de VS worden hersteld?

Ik geloof het niet. Alles blijft bij het oude. De rijken blijven rijk en de armen blijven arm. En de jongeren? Die denken alleen aan zichzelf en geloven nergens meer in.

Enrique, een gepensioneerd fabrieksdirecteur, treffen we aan bij de brooddistributie waar hij met vrienden staat te wachten.

Een brood kost vijf centavos (minder dan een eurocent), met de “libreta” (de rantsoeneringsbonnen), rijst vijf pesos (20 eurocent) voor een pond. De kosten voor levensonderhoud zijn uiterst laag. Gezondheidszorg en onderwijs zijn gratis, de tandarts, de oogarts allemaal gratis.

Zonder het embargo zou Cuba er zo op vooruitgaan, maar dat willen de Amerikanen niet. Ze zijn bang dat Cuba het Japan van Amerika wordt. We hebben alles, we hebben nikkel, we hebben grondstoffen, goede infrastructuur: autowegen van oost naar west. We hebben vijftig universiteiten. Vijftig universiteiten! De hervormingen van Raúl zijn goed – ze hebben ons dagelijks leven verbeterd. We willen goede relaties met Amerika, maar onze principes zullen we nooit opgeven.

DSC_2867

Marilyn even populair als Che

 

Tekst en foto’s: Johan Depoortere

Meer foto’s:

https://plus.google.com/photos/117588368688820428866/albums/6127662817991102225

 

 

maart 18, 2015 at 8:05 pm 4 reacties

HET LAND VAN De Vuist

Buda 0

door Stijn Tormans

Uplace zit al weken vooraan in het nieuws. Onze reporter trok op B-dagtrip naar het ‘belevingscenter’ dat nog niet bestaat, hoewel. Hij vond er een kerkhof van vergeten ondernemers en een raadselachtige fabriek die niemand nog kent. Dit stuk gaat over Buda, een plaats ‘waar de bomen grijs zijn en de mensen groen’.

Een koude donderdagmorgen, in de trein. Ik was nog nooit in Buda uitgestapt. Honderden keren voorbijgereden, dat wel. Uit het raam zag ik elke keer een troosteloos station, nauwelijks die naam waardig. Het ligt in een niemandsland van oude industrie. De trein stopt er één keer per uur en dat volstaat. Zelden stapt iemand uit in Buda.
Er bestaat een plan om het station een paar honderd meter te verplaatsen. Bart Verhaeghe wil daar zijn shoppingcenter Uplace oprichten. Hij weet al waar de halte zal komen: ‘Entry Regional Train Station’ staat op zijn kaarten . Verhaeghe is altijd gul met Engelse termen. Maar ook in het Nederlands kan hij er wat van. ‘Ik leg de lat graag hoog’, zei hij ooit. ‘Uplace zal een plaats worden die de geschiedenis en de identiteit van deze regio weergeeft.’

‘De volgende halte is Buda’, zegt een stem in de trein.
Buda 3

Die naam alleen al, Buda. Een oude geschiedschrijver vertelde me dat het een verwijzing is naar een vergeten veldslag uit 1686. De Hongaarse stad Buda was al 145 jaar in handen van de Turken en de moslims. Ze hadden het leven daar helemaal omgegooid: alle kerken vervangen door moskeeën. Tot in 1686 de Heilige Liga hard terugsloeg, met instemmend gemompel van de Paus. Buda stond in brand: moskeeën in de fik, honderden lijken in de Donau.
Overal in Europa werd dat nieuws op gejuich onthaald. Vuisten gingen in de lucht, er werden barbecues gehouden. Ook hier, vlakbij Vilvoorde. ‘En vanaf nu noemen we onze afspanning ‘IN BUDA’, zei een ondernemer. Opdat niemand zou vergeten dat de moslims teruggedrongen waren.
De afspanning verdween, maar Buda bleef een oord voor ondernemers. Tot laat in de jaren zestig was het een van onze belangrijkste industriezones. Della Bosiers maakte er ooit een mooi lied over: Fleur de Buda.

‘t Zijn weiden als wiegende schoorsteenpluimen
Die Buda meer liefheeft dan bomen en groen
De natuur heeft zo van die vreemde luimen
De bomen zien er grijs, en de mensen groen

Della Bosiers

Della Bosiers

Begin jaren zeventig begon de zwanenzang van het Land van Buda. Eerst viel metaalgieterij Fobrux. De ene na de andere illustere naam volgde: Fonderies Peeters, Lambion en Heistercamp, Forges de Clabecq, Delacre… Renault natuurlijk, 3000 ontslagen. Of het gewetenloze bedrijf Biolux. Toen dat in 1993 uitbrandde, lag alle auto-, trein- en vliegverkeer rond Brussel stil. Zo giftig leken de vlammen.
Verhaeghe had gelijk, over die geschiedenis. Dit is een kerkhof van vergeten ondernemers ‘die de lat graag hoog wilden leggen’. Onze eigen Boulevard of Broken Industrial Dreams. De arbeiders waren daarbij hoogstens figuranten, hoewel ze hevig tegen hun lot vochten. Boven het Land van Buda torent nog altijd een vuist uit, alsof het hier Karl-Marx-Stadt is. Het is een kunstwerk van Rik Poot, gemaakt opdat niemand ooit hun strijd en moed zou vergeten.

De trein stopt.
Ik stap uit samen met VRT-radiojournalist en medereiziger Lucas Vanclooster. Ooit heeft hij een paar jaar in het Land van Buda gewoond. ‘Het was er goedkoop huren’, zegt hij. ‘Maar ook claustrofobisch, je zit ingesloten tussen alles. Lees de biografie van Woinke Turck, destijds de oudste vrouw van België. Ze had geleefd op zeven boerderijen. Die waren alle zeven verdwenen: voor de luchthaven, de Woluwelaan, industrie…’
‘s Avonds ging Lucas vaak wandelen in het Land van Buda. Zo kwam hij op vreemde plekken. Zoals dit braakliggend terrein, waar straks Uplace komt. Er staan nu alleen twee verlaten huizen. De bewoners zijn nog maar juist gevlucht voor de toekomst, want op de vensterbank ligt een brief uit 2013.
‘Eigenlijk is het tragisch’, zegt Lucas. ‘Heel deze buurt schreeuwt om scholen, bossen, winkels… Om mensen die ondernemen, maar niet om Bart Verhaeghe. Dat is geen ondernemer, hoewel hij zich zo noemt. Die man biedt geen product aan, hij heeft geen werknemers. Dat is een risicobelegger, een speculant die in gronden doet. Hij doet me aan een truffelvarken denken: een dier dat de grond omwoelt, daar uithaalt wat voor hem interessant is, maar zich niets aantrekt van de omgeving. Uplace is truffelvarkenkapitalisme.’
‘Zag je ooit de prachtige serie Terug Naar Oosterdonk ? Pietje de Leugenaar vertelt daarin de fabel van de bever die de tak afknaagt waarop hij zit. Ter verdediging roept hij: “Als ik het niet doe, doet iemand anders het.”‘

We wandelen verder. Vijfhonderd meter voorbij Uplace ligt een verwaarloosde fabriek. Op de muren staat WANSON, een vertrouwd gezicht voor elke treinreiziger van de lijn Mechelen-Halle. Het Land van Buda telt wel meer van dit soort verwaarloosde sites. Maar deze is anders, straalt grandeur uit.
‘Ze maakten hier stoomketels’, vertelt Lucas. ‘In de jaren negentig ben ik hier als verslaggever geweest. Er was toen een staking, maar al na een dag was die afgelopen.
‘Jaren later bladerde ik door een boek over architectuur van de wereldtentoonstellingen. Tot mijn grote verbazing stootte ik op een foto van Wanson. Eigenlijk was het een beeld van het Belgische paviljoen op de Exposition Universelle van Parijs in 1937, misschien wel de mooiste wereldtentoonstelling ooit. Gebouwd aan de voet van de Eiffeltoren, onder supervisie van Henry van de Velde. De Wanson is een kopie van een van de mooiste verwezenlijkingen van onze architectuur.’
Maar niet lang meer. Naast de ingang staan bulldozers van afbraakwerken Van Kempen. Een van de dagen begint de sloop. Hier komt, vlakbij Uplace, een supergevangenis.

Buda 2

We wandelen voor de laatste keer door de oude fabriek. Alle ramen zijn kapot. Overal puin, matrassen en graffiti, maar de grandeur is nog intact. ‘Onvoorstelbaar dat ze dit afbreken’, zegt Lucas. ‘Een ondernemer met een beetje verbeelding zou hier iets fantastisch van kunnen maken. Dit had een mini-Uplace kunnen worden: veel kleinschaliger en in een onwaarschijnlijk decor. Mooi compromis tussen voor- en tegenstanders. Maar niemand kent deze fabriek blijkbaar nog.’
Wanson ging failliet in de jaren negentig, maar het internet herinnert zich niets meer van het bedrijf. Ook in het Land van Buda weet zo goed als niemand meer wat hier gemaakt werd. Behalve Emiel Rampelberg, een zeventiger die de opgang en ondergang van Wanson meegemaakt heeft. Zijn hele beroepsleven heeft hij hier gewerkt: eerst als elektricien, later als werkplaatsleider. Altijd is hij Wanson trouw gebleven.
‘Ik was 18 in 1958′, zegt hij. ‘Er was dat jaar amper werk, want de Expo was klaar. Ik ging me aanbieden bij Wanson, in mijn beste Frans, en mocht beginnen. Mijn eerste werkdag op 19 januari 1959 vergeet ik nooit. Ik stapte een wereld binnen: overal stonden standbeelden en tuinen vol bloemen. Er werkten vijf mensen voltijds om die te onderhouden. Ook binnen was het prachtig. Helemaal bovenaan hing een grote slogan in neonletters: A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.’ Vrij vertaald: ‘Niets is onmogelijk als je maar wilt.’
Emiel begreep dat het de lijfspreuk van Monsieur Léon Wanson was. Ooit was die begonnen in houten barakken, maar hij had zich opgewerkt tot een van de grootste ondernemers van het naoorlogse België. Hij had de warmtebron gevonden: de mazout van Amerika naar België gehaald. Zelfs koning Boudewijn kwam bij hem over de vloer.
Over al die avonturen schreef hij boeken, om later niet vergeten te worden. In zijn autobiografie Au fil de la plume praat hij ook even over het Land van Buda. Natuurlijk moest dat fabriek prestigieus zijn, vond hij. Hij wou iets groots toevoegen aan de buurt, zodat mensen er graag zouden werken. En een beetje fier zouden zijn op hun Buda.

Monsieur Wanson deed aan volksverheffing, zegt Emiel. ‘Zijn arbeiders mochten bijvoorbeeld geen muts dragen, want daarmee haalden ze zichzelf naar beneden. Elk jaar organiseerde hij een week van de netheid en hij gaf ook een tijdschrift uit over zijn denkbeelden. Zelfs die standbeelden stonden er niet zomaar, ze moesten ons doen nadenken.’
Tegelijkertijd was hij een genereus man. ‘Op de verjaardag van onze vrouwen kregen we een premie. Er was een gratis dokter en tandarts. Elke vrijdag ging hij het bedrijf rond. Er werkte 700 man, maar hij praatte met iedereen. Reikte ook medailles uit waarop zijn lijfspreuk stond: A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.’
‘Af en toe trok hij zich terug om te mediteren. Hij had een atoomschuilkelder en een klooster. Dat was net achter het bedrijf, er werden Gregoriaanse gezangen gespeeld. Soms kwam hij buiten met speciale ideeën. Zoals die keer dat hij een grote koperen wereldbol van wel drie meter wou laten maken. Dat deden we voor hem. Hij was voor ons veel meer dan een baas.’
In 1983 stierf Monsieur Wanson. Op de begrafenis lazen zijn werknemers een tekst voor: ‘U was een man met een uitzonderlijke begaafdheid. Als baas was u zonder meer groots, een pionier van de sociale betrekkingen in de onderneming. (…) Zij die aan uw zijde gewerkt hebben, keken met veel bewondering naar u op. U had diepmenselijke eigenschappen en zin voor rechtvaardigheid, dat hebben wij zo vaak kunnen vaststellen.’

Een dag na de begrafenis hoorde Emiel dat zijn baas nog een laatste wens had. In zijn testament stond dat het bedrijf nooit mocht verdwijnen, wat er ook zou gebeuren. Altijd moest Wanson blijven bestaan. ‘Daarna hebben zijn dochters het bedrijf verkocht’, zegt Emiel. ‘Er zijn dan een hoop overnemers gekomen, maar die waren alleen in de gronden geïnteresseerd. En in het geld.’
Na jaren wanbeheer gebeurde in 1996 het onvermijdelijke: het ooit zo prestigieuze Wanson ging overkop, Emiel met brugpensioen. ‘We houden nog elk jaar een reünie met de collega’s’, zegt hij. ‘Zij zeggen dan: “De Wanson, ‘t is voorbij.” “Nee”, antwoord ik dan. “Voor mij zal Wanson nooit voorbij zijn. In dat bedrijf zit een groot stuk van mezelf.”‘
Dat Wanson straks wordt afgebroken voor een gevangenis, vindt Emiel ‘verschrikkelijk’. Hij is onlangs nog foto’s gaan nemen van wat er overbleef. De standbeelden waren allemaal weg. Behalve een bronzen beeld van een arbeider. Emiel wou het behouden om een klein deel van het testament van Monsieur Wanson uit te voeren. ‘Maar dat bleek onmogelijk. Het was niet te koop.’

Buiten begint het te regenen. Moet aan dat mooie liedje over Buda denken.

Buda 1

De zon staat grijs boven Haren-Buda
De hemel is laag, haast met de grond gelijk
En eens per uur wordt het groen in Buda
Dan trekt een trein voorbij
Dan wordt de stad weer lijk
Maar ergens draaft nog een paard
En in het tuintje van de waard
Spelen er kinderen de zevensprong

Della Bosiers schreef dit eind jaren zestig. ‘De treinen zagen toen groen’, zegt ze. ‘Ik werkte als regieassistente bij de BRT. Op een dag gingen we een documentaire draaien over de Belgische industrie. Zo ben ik voor het eerst in Buda beland, maar ik was er al vaak met de trein voorbijgereden. Ik vond dat een heel vreemd, bijna poëtisch landschap. Tussen de industrie zag je nog de laatste resten van het boerenleven. Die plek had ook een geur. Daarom heb ik dat lied Fleur de Buda genoemd.’
Della zong Fleur de Buda in S.O.S Natuur, een tv-programma uit de tijd dat Groen nog niet bestond. Het werd een klassieker. Hoewel ze nog altijd een fervente treinreiziger is, is ze sindsdien nooit meer uitgestapt in Buda. ‘Ik veronderstel dat intussen zelfs de paarden verkaveld zijn.’

Niet allemaal. Achter de oude fabriek van Wanson ligt nog een groene oase. Sinds augustus kamperen hier een aantal actievoerders. Ze voeren strijd om het laatste groen te redden, tegen de gevangenis ook. Vanuit het raam van de trein zag ik hun protest elke dag groeien. Eerst stond er een grote tent die na een storm plat lag. Maar ze volhardden: later kwamen er twee tenten, drie, vier. Dan hadden ze een kip, twee geiten en nu ook een slogan, A COEUR VAILLANT RIEN D’IMPOSSIBLE.
‘Gevonden in de fabriek’, zegt actievoerder Raf. ‘Dat konden we toch niet laten liggen.’
Raf is een veteraan van vele natuuroorlogen – van het Lappersfortbos tot Picnic The Streets. Maar eigenlijk is hij een kunsthistoricus, hij woont en werkt al twintig jaar in Brussel. In september kwam hij hier voor het eerst. Hij wou maar een paar dagen blijven, maar is er nog altijd. Hij en zijn kompanen kamperen op het ritme van de natuur. En ook wel wat op dat van de consumptiemaatschappij. Ze eten de resten van supermarkten op. De zetels in hun tent vonden ze op straat en de geiten zijn een cadeau. ‘Mensen gooien zoveel weg.’
Zo werd hun actie onbedoeld ook een statement tegen Uplace. ‘Kijk naar wat er in Amerika gebeurt’, zegt Raf. ‘Heel wat shoppingcenters staan daar leeg. Binnen twintig jaar zal dat hier ook zo zijn. Dat worden vervallen ruïnes, net als die fabriek hier.’
‘In het begin waren we verbaasd dat de buurt amper verontwaardigd was over de gevangenisplannen.Er kwam bijna niemand naar de infovergaderingen. Nu begrijpen we ook waarom: er wonen veel migranten die hier alleen slapen. Ze zijn niet in deze streek opgegroeid, hebben die band met dat verleden niet. Tot ze onze geiten zagen. Dat maakte hen nostalgisch, deed hen terugdenken aan hun kinderjaren in Marokko. Zo raakten ze ook in onze strijd geïnteresseerd. Dat is fantastisch.’
En ze zijn niet de enigen, zegt Raf. ‘Steeds meer buren beginnen te sympathiseren met onze actie. Elke dag komen ze langs: soms tien, soms wel honderd.’ Hij weet dat het nog een moeilijke strijd wordt, maar hij wil winnen. A coeur vaillant rien d’impossible.
Op dat moment gaat de telefoon. Raf stapt de tent uit en vloekt. ‘Ze zijn hekken rond de weide aan het zetten.’

Ik wandel verder, tot aan de grens van het Land van Buda. Tot daar waar De Vuist staat, aan de rotonde van de Woluwelaan en de Luchthavenlaan. Rik Poot maakte het standbeeld na het failliet van Renault.
Het moest een aandenken zijn aan die strijd, maar ook een monument voor alle strijden die nog zouden volgen. Maanden had Poot eraan gewerkt. Toen het in 1998 ingehuldigd werd, was dat groot nieuws. Bij de opening waren veel camera’s en volk: politici, arbeiders, Carl Huybrechts.
Vandaag, zoveel jaar later, is Poot dood. Zijn kunstwerk lijkt wat vergeten. De overheid twijfelt zelfs of het mag blijven staan. De Vuist zou de economie stremmen: elke dag staan er aan de rotonde files. En dat zal niet verbeteren, als de gevangenis en Uplace er zijn.
Er bestaan plannen om De Vuist te ondertunnelen, maar dat kost veel geld. Het alternatief is dat ze verplaatst wordt, maar dat zien
de oude Renault-werknemers niet zitten. Alleen hier, zeggen zij, heeft De Vuist betekenis: aan de rand van het Land van Buda, waar al zoveel dromen kapotgeslagen zijn.
‘Maar eens per uur wordt het groen in Buda ‘, zong Bosiers. Het is halfacht, de avond valt. De laatste trein kan niet meer lang op zich laten wachten. Maar zelfs die zal grijs zijn.

Buda 4Dit stuk verscheen eerst in KNACK van 4 maart

maart 6, 2015 at 1:09 pm 1 reactie

Pleidooi voor de afschaffing van de Vlaamse leeuw

ouweleeuw

Tom Ronse

Als ik Dirk Draulans zou interviewen, zou ik hem vragen: welk dier lijkt het best op Vlaanderen? Ik betwijfel dat hij ‘de leeuw’ zou antwoorden. Wat heeft dat roofdier van de Afrikaans savanne gemeen met Vlaanderen, behalve dat het luid kan brullen?

Vanwaar de vergelijking? Omdat Vlaanderen en de leeuw allebei dapper zijn? Een leeuw is niet dapper, tenzij hij scheel ziet van de honger. En dan nog. Enkele hyena’s volstaan om hem op de vlucht te jagen. Daarbij, dapperheid is een kwaliteit die fel overroepen is. De jongens die naar het oostfront vertrokken waren dapper. De terroristen die zichzelf vermoorden om anderen te doden zijn dapper, ook al worden ze voortdurend ‘lafaards’ genoemd. Dat zijn ze nu juist niet. Integendeel. Dapperheid maakt deel uit van hun pathologie. Dapperheid als hoogste deugd en geweld als haar expressievorm zijn essentiële ingredienten van de mythes die zin geven aan hun emoties en ervaringen. Niet alleen de mythes van de islamistische terroristen. Ook de hele westerse cultuur hemelt dapperheid op. En dat dapperheid triomfeert door superieur geweld, dat zien we elke avond op tv. Islamisme en westerse ideologie zijn meer gelijkend dan verschillend. Ook terroristen kijken naar Hollywood-films. “Die hard”, weetjewel. “Die with a vengeange”.

Er wordt ons een beeld opgehangen dat meer en meer begint te lijken op oorlogsstokerij: de islam als vijand, bron van alle kwaad, cultuur die leidt tot intolerantie en wreedheid. Terwijl het toch overduidelijk is dat de meeste wreedheid wordt begaan door staten met een christelijke traditie. Op dat vlak hebben ze niets van de moslims te leren. Ze moorden veel efficienter, met drones vanachter een computerscherm, zonder hun handen vuil te maken. Intussen spelen ze het heilige boontje. “Het dulden van spot zit in het christendom ingebakken”, beweert de Vlaamse katholieke columnist Marc Van de Voorde. Het christendom is volgens hem per definitie tolerant en de islam per definitie intolerant. Dat zou blijken uit het verschil tussen de bijbel en de koran. Je moet wel het grootste deel van de geschiedenis van het christendom negeren om tot een dergelijke conclusie te komen. Voor zover de christelijke kerken tolerant zijn, werd die tolerantie hen opgedrongen, ze kwam niet van binnenuit.

En ze is relatief. Er zijn limieten, zo benadrukte de paus nog onlangs. “Als iemand mijn moeder beledigt, dan geef ik hem een vuistslag”, zei hij monkelend. Het was een uitspraak die verraste omdat je hem eerder zou verwachten van een tooghanger dan van een prelaat. Maar dat is wat deze paus zo sympathiek maakt nietwaar, hij wekt de indruk dat hij “een man van het volk” is waarmee je een pintje zou kunnen drinken.
Maar op de keper beschouwd is die uitspraak niet zo verschillend van de zelfrechtvaardigingen van terroristen. Natuurlijk, een vuistslag is geen onthoofding. Maar het verschil tussen beiden is oneindig veel kleiner dan dat het verschil tussen je moeder en God. Tenminste, als je echt in Hem gelooft en dat zou je van een paus toch verwachten.
Als je aan God toegewijd bent, dan ben je bereid tot zinloos bloedvergieten om Hem te behagen. Het is niet zinloos, als Hij het wilt. Dat is wat niet alleen de koran maar ook de bijbel ons leert. Een van de eerste voorbeelden van religieus fanatisme is het verhaal van Isaak. U kent het wellicht: God die een sadomasochistische relatie heeft met Abraham, draagt hem op om zijn eigen zoon Isaak te vermoorden. Abraham gehoorzaamt, zonder vragen te stellen. Maar net als hij het mes in zijn kind wil planten, zegt God: Stop, het was maar een lolleke.
In “the story of Isaac” zingt Leonard Cohen:
You who build these altars now
to sacrifice your children,
you must not do it anymore.
A scheme is not a vision
and you never have been tempted
by a demon or a god.

Het doet er niet toe of het altaar voor de christelijke God is of voor Allah, voor het vaderland of voor de democratie. Hou op met dapper zijn, hou op met mensen te offeren voor je verdomde luchtspiegelingen.

Vlaanderen is gelukkig niet erg dapper. Het heeft dus geen zin om de leeuw als nationaal symbool te vervangen door een dier dat echt dapper is zoals de hyena, de das of de veelvraat (al is deze laatste misschien om andere redenen geschikt). Is de leeuw dan toch gepast, aangezien hij ook niet erg moedig is? Nee, want de leeuw staat bekend als de koning der dieren en het is ronduit belachelijk om Vlaanderen die rol toe te meten. Tussen de andere landen is Vlaanderen geen koning maar een klein sluw meelopertje. Geen leeuw, eerder een marmotje. Zou dat geen beter symbool zijn? Weg met de Vlaamse leeuw, leve het Vlaamse marmotje. Iedereen zou ons schattig vinden.

marmotje

Marc Van de Voorde: “Ja, Christenen laten met zich spotten”, www.deredactie.be, 09/01/2015

februari 23, 2015 at 4:31 pm 1 reactie

WANDELEN MET WILLEM I IN zijn BRUSSEL

A 1 WillemGroteMarkt_NEW

door Lucas Catherine

Groot-Nederlander, ik ben het niet principieel, maar door omstandigheden wel een beetje. Mijn kleinkinderen zijn namelijk Amsterdammers, hierdoor heb ik gemerkt dat sommige leden van mijn schoonfamilie iets hebben met het jaar 1815, net als sommige Brusselse Nederbelgen.

Ach, Willem I die heeft toch niets betekend voor Brussel, vergeleken met Leopold II, dacht ik. Tot ik, wandelaar in bergaf, mij aan het wandelen zette langs plekken waar Willem zijn stempel heeft opgedrukt. Hierbij gebruikte ik de nostalgie-kaart van Brussel in 1815, pas uitgegeven door Michiel Plaizier, Nederbelg in Brussel geboren. Daarom noemde zijn vader hem Michiel, Saint-Michel weet je wel, die van op het Stadhuis en van de Sint-Goedele kathedraal. En Michiel noemde zijn dochter dan ook Goedele. Zo’n Brussels nationalisme kan alleen een Hollander bedenken.

De kruidtuin

De kruidtuin

Maar goed. Ik begon dus aan de Schaarbeekse poort bij de Kruidtuin. De officiële opening van de Kruidtuin vond plaats in september 1829, maar reeds in september 1815, nadat hij pas in Brussel was gearriveerd, bezocht Willem I al de site van de toekomstige Kruidtuin en schonk die toen drie Palmbomen van tussen de 250 à 300 jaar oud.
Ten tijde van Willem I werd bij ons de techniek van de lithografie geïntroduceerd (1817) en hierdoor kon Jacob Gijbert Samuel van Breda hier zijn Genera et species orchidearum et asclepiadearum… laten drukken met talloze illustraties in steendruk. De asclepias, in het Nederlands zijdeplant behoort tot de familie der maagdenpalmen. Tijdens de revolutie van 1830 werden nogal wat steendrukkerijen vernietigd, omdat ze door het Hollands bewind waren geprotegeerd. De drukker van Jacob van Breda, Kierdorfer zal dan ook in 1830 naar Holland vluchten.
Volgens de traditie zouden die septemberdagen van 1830 ook aan de basis liggen van een typisch Belgische uitvinding, het witloof (witlof schrijven de Nederlanders: ze kunnen het niet bereiden maar dringen ons wel hun spelling op). Een boer die toen schrik kreeg van de schermutselingen in de straten van Brussel verborg een partij cichoreiwortels in een donkere kelder in Schaarbeek. Om zeker te zijn dat niemand ze vond schepte hij er een laagje aarde over. Enkele weken later stelde hij tot zijn verbazing vast dat er uit de wortels malse, witte kroppen waren gesproten.
Zijn ontdekking werd gecommercialiseerd door Frans Bresiers, hoofdhovenier van de kruidtuin te Brussel.

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Huidige ingang van de Sterrenwacht

Willem I ondertekent in 1826 een Koninklijk Besluit tot oprichting van een sterrenwacht in Brussel. Initiatiefnemer is de astronoom Adolphe Quételet, naar wie het plein voor het gebouw nu is genoemd. Het gebouw was ongeveer af in 1830, maar werd tamelijk beschadigd tijdens de Septemberdagen en na herstelling werd het in 1832 in gebruik genomen. Nu is het al lang geen observatorium meer. Het ligt te dicht bij de stad en haar lichtvervuiling. Later werd het een administratief gebouw voor o.a. het Ministerie van Landbouw, de Politie en de minister-staatssecretaris voor het budget.

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Academiënpaleis, toen paleis van de Prins van Oranje

Het prachtige neoclassicistische gebouw werd in opdracht van Willem I opgetrokken tussen 1823 en 1828 op de plek van het refugiehuis van de Parkabdij. De kosten, ten bedrage van 1.215.000 gulden kwamen op rekening van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Kroonprins Willem II en zijn Russische echtgenote Anna Pavlovna namen er hun intrek. De regel wou namelijk dat de Verenigde Nederlanden twee hoofdsteden hadden, Den Haag en Brussel. De regerende vorst resideerde afwisselend in beiden, maar de kroonprins die de titel Hertog van Brabant droeg, resideerde permanent in Brussel, in dit paleis. Na 1830 bleef dit zo. Kroonprins Leopold II woonde hier als Hertog van Brabant permanent, vandaar de naam van de straat die er langs loopt, Hertogsstraat. Die eindigt op het Paleizenplein.

Koninklijk Paleis

Oorspronkelijk stonden hier gewoon twee herenwoningen: het Di Belgioioso-Huis en het Von Benderhuis. Er werd een wedstrijd uitgeschreven om die om te bouwen tot een paleis. Het resultaat was een strenge gevel die niet zo in de smaak viel bij de burgerij en ook niet bij de latere Leopold II die er een nieuwe voorgevel voor liet plaatsen. De achtergevel ziet er nog altijd uit zoals ten tijde van Willem I.

Paleis ten tijde van Willem I

Paleis ten tijde van Willem I

Links van dit Paleis ligt een gebouwencomplex waar Willem niets met het uitzicht heeft te maken, wel met wat er gebeurde.

Société Générale

In 1822 richtte Willem I d’Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, op, in het Frans Société des Pays-Bas pour favoriser le développement de l’industrie nationale., De stichtingsakte werd door hem ondertekend op het nummer 3 van de Warandeberg, waar nu nog de zetel is van BNP Parisbas Fortis, die de Generale opslorpte.

Poort waar de zetel van de Generale was

Poort waar de zetel van de Generale was

Met een kapitaal van 106 miljoen frank werd deze Algemeene Nederlandsche Maatschappij meteen een van de grootste banken in Europa. De dominerende bank was toen die van de Rotschilds, met zetels in Parijs, Londen, Wenen en Frankfurt en die bezat maar een kapitaal van 102 miljoen frank. De Franse centrale bank, Banque de France beschikte amper over 60 miljoen frank. Willem wou er de rijksdomeinen mee valoriseren, maar vooral de opkomende industrie steunen, ondermeer door het financieren van grote openbare werken. De Maatschappij ondersteunde met leningen bvb de mechanisering van steenkoolmijnen in Henegouwen.

Via de Leopoldstraat, de toenmalige Willemstraat –na 1830 werden nogal wat straatnamen ‘ontHollandst’- arriveren we bij de Muntschouwburg.

Muntschouwburg

In het begin van de negentiende eeuw startten de Franse machthebbers de bouw van een nieuw theater achter de eerste, bouwvallig geworden schouwburg. Na de val van Napoleon, werd het gebouw door het Hollands bewind gewoon afgewerkt en in 1819 ingehuldigd.

Opera 1830

Opera 1830

Hier startte in 1830 de Brusselse burgerij haar opstand tegen Willem I en die lukte, vooral door de lompe reactie van de kroonprins, die vanuit zijn Brussels paleis het leger nogal brutaal inzette.

We steken de vroegere Zenne over. Onder Willem I moesten we daarom over een bruggetje, nu over de centrale laan en gaan naar de huidige Vismet. Van hier uit vertrokken, via de Vaart naar Willebroek en Antwerpen (gegraven onder Keizer Karel) stoomboten naar Rotterdam en Amsterdam.
Vlakbij, achter de Begijnhofkerk ligt het Groot Godshuis.

Groot Godshuis

Het Groot Godshuis van architect Partoes dateert uit 1826. Supervisie van de werken gebeurde door gemeenteraadslid G. Marcq, naar wie nu de straat ten zuiden van het Godshuis is genoemd. De gedenkplaat die binnen in de inkomhal hangt met het jaartal 1835 slaat eigenlijk op de integratie in het Groot Godshuis van het Pacheco-Instituut. Vanaf toen noemden de Brusselaars het Godshuis trouwens ‘den Pasjekko’. Het echte jaartal waarop het Godshuis werd gebouwd staat nog op de achtergevel (kant Vaartstraat), Egenis Senibus MDCCCXVI, Voor de noodlijdende ouderen 1826. Ook de huizen rond het Godshuis dateren uit de Hollandse tijd en zijn in wat sommigen ‘de stijl van protestantse tempels’noemen.

Huizen rond het Godshuis

Huizen rond het Godshuis

De straat achter ‘Den Pasjekko’ heet niet voor niets Vaartstraat, want ze breng ons naar het kanaal. Er bestond al sinds de zestiende eeuw een kanaal Brussel-Willebroek, Willem zal het verlengen tot in Wallonië

Kanaal Brussel-Charleroi

Willem stimuleerde overal in het zuiden van zijn Verenigde Nederlanden de industrie, met zijn Société Général en binnen deze politiek nam hij ook het initiatief voor de aanleg van het kanaal Brussel-Charleroi om de Waalse steenkool zo snel en goedkoop mogelijk naar het noorden te vervoeren. De man die het uitwerkte was A.J.Barthélemy, lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en raadgever bij de kroonprins-regent in Brussel. De bouwwerken werden in 1827 gestart. De laan langs het kanaal heet nog altijd Barthélemylaan. Eigenlijk ware Willem I –laan historisch correcter geweest.

Kanaal Brussel-Charleroi

Kanaal Brussel-Charleroi

Toch niet niks, hé, wat die Willem voor ons deed. En wie iets voor ons doet, die houden we in ere. Zo zijn wij Brusselaars. Het wordt dan ook een moeilijke september dit jaar: 21 september, eedaflegging van Willem I in het Brusselse stadhuis; 23-26 september: Belgische revolutie. Om een grafitti dat in 1830 in de Vlaamse Steenweg verscheen te persifleren: Wilden Wij Willem Weg? Wou Willem Wijzer Worden, Wilden Wij Willem Weer!

februari 19, 2015 at 11:33 am Een reactie plaatsen

ANDRé WHO? BRINK? DON’T KNOW

Brink 2

door Jef Coeck


Het voorbije weekend overleed de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (79), in het KLM-vliegtuig dat hem van Amsterdam naar Kaapstad bracht. Enkele dagen eerder was hij in België. Hij gaf een lezing in de Brusselse Bozar en hij werd gehuldigd met een ere-doctoraat van de Leuvense universiteit. Nee, niet de KUL maar de UCL, ook bekend als Louvain-la-Neuve, had zijn literaire en politieke verdiensten erkend. Onze Waalse landgenoten zijn dus attenter dan de Vlaamse ‘stamgenoten’ die al decennia lang schermen met verwant-vriend-en andere –schappen tussen (blank) Zuid-Afrika en de Lage Landen in Europa.

Brink

Brink was wereldberoemd, onder meer vanwege zijn strijd tegen de Apartheid. Een reden te meer, zou men denken, om hem toch enkele minuten te gunnen in het avondnieuws van zaterdag, misschien zelfs in de Zevende Dag van zondag? Niets daarvan op de VRT, wel op RTBF.

André Brink was samen met die andere grote schrijver Breyten Breytenbach, een spilfiguur in de beweging van de ‘Sestigers’. Zij gingen doelbewust schrijven en publiceren in het Afrikaans, dat ter plekke bestempeld was als de onderontwikkelde taal van de onderontwikkelde non-whites. Blanken spraken en schreven Engels. De provocatie, schrijven in het Afrikaans over Apartheid, kwam Brink (en overigens ook Breytenbach) duur te staan. Sommige van zijn boeken werden verboden. Toen hij nog nauwelijks aan de bak kwam, richtte Brink zijn eigen uitgeverij annex boekenclub op. Hij was ook professor Engels aan de universiteit van Kaapstad. Later ging hij publiceren in het Engels én Afrikaans. Hij woonde een tijdlang in Parijs en legde daar contact met de Europese intelligentia. Zijn werk stond nu helemaal in het teken van de anti-Apartheid.

Het hielp dat hij nogal wat beroemde prijzen in de wacht sleepte. André Brink heeft drie maal de belangrijkste Zuid-Afrikaanse literatuurprijs gewonnen, de CNA Award. Voorts is hij twee maal genomineerd voor de Booker Prize, te weten in 1976 en 1978. In 1980 ontving hij de Martin Luther King Prize en in Frankrijk de Prix Médicis Étranger. In 2003 werd hem de Alan Paton Award toegekend voor zijn boek The Other Side of Silence. En in 2015 dus een ere-doctoraat van de UCL.

Zijn bekendste werk is de deels autobiografische roman ‘’n Droë wit seizoen’, in het Nederlands vertaald als ‘Een droog wit seizoen’ en succesvol verfilmd als ‘A Dry White Season’ met Donald Sutherland in de hoofdrol. Op de cover van de Nederlandse vertaling (1980) staat: ‘Niets in deze roman is verzonnen, het klimaat, de geschiedenis en de omstandigheden waarop hij is gebaseerd zijn die van het huidige Zuid-Afrika.’

Beklemming is wellicht het sleutelwoord. Een goedmenende blanke leraar in Johannesburg wordt geschokt door de onverklaarbare dood van een zwarte schoonmaker van de school. Het blijkt, volgens rationele overwegingen, een politiemoord te zijn – cfr. Soweto in 1976. Aanvankelijk behoudt de gezagsgetrouwe leraar Ben Du Toit nog het volle vertrouwen in de blanke veiligheidspolitie. Als hij toch achter de waarheid aan gaat, wordt hij een doelwit van de staatsveiligheid. Zij laat geen middel onbeproefd om zijn verzet te breken. Van huiszoeking, anonieme nachtelijke telefoontjes, vernielingen, aanslagen, compromiterende foto’s, komt het tot een bombrief. Erger is dat al zijn vrienden en kennissen die hem helpen bij zijn onderzoek een gewelddadige dood sterven, worden opgepakt of verbannen, of spoorloos verdwijnen. Du Toit is geen held maar vindt wel ‘…dat een mens één keer in zijn leven, één keer maar, genoeg geloof in iets zou moeten hebben om er alles voor te riskeren.’
Dat doet hij dus – en blijft alleen achter.

Hij zoekt steun in de zwarte township Soweto. Daar is iedereen zwart, arm en bovendien vertrouwd met de politiepraktijken. Steun vindt hij er nauwelijks: ‘Ik ben blank. Dat is de kleine, de laatste, de angstaanjagende waarheid van mijn gebroken leven. Niets kan van mij een zwarte maken. En zij die wel zwart zijn kunnen dus niet anders dan mij blijven wantrouwen.’

De finale afloop zal ik niet onthullen. Maar de allerlaatste zin van het boek wil ik u niet onthouden: ‘Het enige waarop een mens misschien mag hopen, het enige waartoe ik gerechtigd ben is niet meer dan dit: alles op papier te mogen zetten. Verslag uit te brengen van wat ik weet. Zodat het onmogelijk wordt dat iemand hierna ooit weer durft te zeggen: ik heb het niet geweten.’

Brink 3
Brink Soweto 76

februari 9, 2015 at 3:37 pm Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Categorieën

  • Blogroll

  • Feeds


    Volg

    Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

    Doe mee met 780 andere volgers