Wie was de eerste Zwarte Afrikaan in Brussel ?

Door Lucas Catherine,

Over de geschiedenis van Zwarte Afrikanen in de Zuidelijke Nederlanden is slechts fragmentarisch gepubliceerd. Dit is dan ook op het eerste gezicht een moeilijke vraag om te beantwoorden . We moeten hiervoor terug naar de tijd toen hier nog slaven rondliepen. In den beginne kende men in Europa bijna uitsluitend blanke slaven, afkomstig uit de Kaukasus en uit Slavisch Europa. In de komst van de zwarte slaven zijn grosso modo drie perioden te onderscheiden :

De tijd van de slavernij toen het nog ging om huisbedienden en vakmensen.

De tijd van de slavenhandel die diende om de plantage-economie van het beginnende kapitalisme te bevoorraden.

De koloniale tijd.

Katharina

De eerste grote Europese handelaars in zwarte slaven waren de Portugezen, later gevolgd door Hollanders, Fransen en Britten. In het begin van de 16de eeuw introduceerden de Portugezen in Antwerpen de eerste negerslaven.Toen Albrecht Dürer in 1520-1522 door de Zuidelijke Nederlanden reisde dineerde hij op 5 augustus 1520 bij João Brandão de eerste Portugese factorijhouder in Antwerpen. Hij tekent er de zwarte slavin Katharina en een zwarte bediende. Maar Antwerpen is natuurlijk Brussel niet.

1520 blijkt een scharnierjaar te zijn als we de schilderkunst als bron nemen. Schilders hadden voor de Aanbidding door de drie Wijzen een zwarte nodig, maar wat blijkt : bij de Vlaamse Primitieven – een nogal bizarre benaming uit de 19de eeuw voor wat men beter de Brugse Vroeg-Renaissance zou noemen – bij die ‘Primitieven’ zijn de drie Wijzen wit. Kijk maar naar de versie van Diederic Bouts uit 1470

Diederik Bouts, De Drie Wijzen

Later zal de derde koning een blanke worden die men zwart heeft gemaakt. De eerste zwarte Wijze zien we bij deze Anonieme Meester (ca 1520) Hier op het titelblad van de catalogus Exotische Primitieven, Brugge 2007.

 

 Wat opvalt is de rijke kledij van deze zwarte koning (en ook van de latere). Het beeld dat we toen hadden van de Afrikanen was nog niet dat van werkbeesten. De zwarten die we kenden waren huisbedienden of vakmannen die hier ongeveer hetzelfde statuut hadden als onder de Arabieren en de moslims van het Midden-Oosten: huisbediende, bijzit, vakman. Die werden bij de dood van hun meester, en vaak vroeger, vrij gelaten en kregen het statuut van volwaardig burger. Zo vinden we in Spanje zwarte ex-slaven terug als chirurg of advokaat. Aan het hof van Henry VII in Engeland werkten zwarte muzikanten (trompetisten) en aan het Schotse hof kennen we een zwarte drummer. Die zwarten arriveerden daar uit Noord-Afrika, bij ons was dit eerder uit het Ottomaanse Rijk. De bekendste is misschien wel Hasan al Wazan, gedoopt tot Leo Africanus die in 1518 door Spanjaarden werd gevangen genomen en vanaf, alweer 1520 carrière maakte aan het Pauselijk hof.

En dat gebeurde ook in Brussel. We weten dat Keizer Karel een vrijgelaten zwarte ex-slaaf, afkomstig uit het Midden-Oosten, als lijfwacht had. De man, bekend als Christoffel De Moor was begonnen als stalmeester. Moren waren specialisten in het africhten van paarden. Na zijn vrijlating werd hij dus persoonlijke lijfwacht en in die hoedanigheid trok hij in 1520 met Keizer Karel op bedevaart naar de Zwarte Lievevrouw van Halle. Jan Mostaert schilderde hem  iets later.

Jan Mostaert: Christoffel De Moor

 

Op het portret kan je zien dat hij op zijn tulband het pelgrimsmedaillon van de Halse bedevaart draagt. De eerste Zwarte in Halle, maar daarvoor dus in Brussel. En tijdens het bewind van Keizer Karel arriveren nog Afrikanen in Brussel.

Moulay Hasan, de Bey van Tunis wordt in 1530 afgezet wegens zijn wreedaardig bewind en vlucht, dankzij de reisdienst van de Graven van Turn und Tassis naar Brussel, waar hij steun zoekt bij Keizer Karel, die trouwens daarop beslist in 1535 Tunis te gaan veroveren met een leger van ondermeer Brusselse adel en Moulay Hasan weer op de troon te helpen. Moulay Hassan logeerde in Brussel bij de Graven van Turn und Tassis en in de Brusselse refuge van de Sint-Baafsadbij van Gent, naast het Begijnhof, nu het Zaterdagplein. Hij was vergezeld van een groot gevolg, onder andere van zijn zoon Moulay Ahmad. Vader en zoon waren nogal aan de zwarte kant. Jan Vermeyen, die als grafisch verslaggever mee naar Tunis trok om de verovering in cartons voor tapijten vast te leggen, maakte ook in Brussel een portret van Moulay Ahmad.

Jan Vermeyen: Moulay Ahmad.

 Rubens zal dit portret later nog eens overdoen en Moulay Ahmad zal hem ook inspireren voor zijn latere Aanbidding der Wijzen.

Rubens: Moulay Ahmad

Maar dan ontwikkelt zich binnen het groeiend kapitalisme de plantage-economie, en ons beeld van de Afrikaan zal grondig wijzigen : geen zijden kleren, geen zwaarden, geen juwelen meer.

Dat gebeurt in Sicilië en ook op het Iberisch Schiereiland. In Spanje worden werkslaven ook ingezet in de mijnen. Tussen 1559 en 1576 sterven 125 zwarte mijnwerkers in de zilvermijnen van Guadalcanal.

De plantage-economie kent haar hoogtepunt in de Amerika’s en dat is het beeld dat we nu krijgen van zwarten: werkslaven. De grootste slavenhandelaars naar Noord-Amerika waren de Nederlanders. Zij openden de eerste slavenmarkt in Nieuw-Amsterdam (nu New York). Het West-Afrikaanse eiland dat symbool staat als vertrekpunt voor de Noord-Amerikaanse slavenhandel draagt een Hollandse naam : Gorée, Franse verbastering van Goeree. Het eiland werd namelijk genoemd naar het Zeeuwse eiland Goeree, met als connotatie : Goede Rede, Veilige ankerplaats.

De Nederlanders zullen op nog een andere manier meewerken aan de foute beeldvorming over zwarten. In navolging van de Portugezen gaan ze zwarten ook als huisbedienden gebruiken. Zie dit schilderij van Eglon van der Neer uit 1680 van een blanke dame met zwart huispersonneel.

Eglon van der Neer: Dame met huispersoneel

 Dit huispersonneel zal tot voorbeeld dienen voor de bediende van Sinterklaas, Zwarte Piet. De overeenkomsten tussen de kleding van deze zogeheten Morenpages en het Pietenpak.is opvallend. Die Zwarte Piet duikt trouwens pas in de 19de eeuw op. Als ‘uitvinder’ van Zwarte Piet geldt tegenwoordig Jan Schenkman, een onderwijzer uit Amsterdam die in 1850 zijn boek Sint Nikolaas en zijn Knecht uitbracht.

Bij ons in België zal Piet pas later doorbreken, vooral door de commercialisering van Sinterklaas die lokale heiligen zonder knecht, als Sinte Maarten kwam verdringen.

Trouwens de eerste knechten zullen bij ons niet de vorm aannemen van Moorse huisbedienden, maar van voorchristelijke natuurgeesten als Kludde en vooral de Nekkers (denk aan Nekkerspoel in Mechelen of Nekkersdal in Brussel). De Nekker huisde in moerassen en bedreigde voorbijgangers. Zij zullen als strafgeesten onze Sinterklaasen in den beginne vergezellen. Zie deze foto uit 1910, met een zwart gemaakte knecht in lompen die een zware ketting voortsleept (een attribuut van Kludde met zijn Keet). De Zwarte Pieten, zoals we die nu kennen, zullen later in Brussel opduiken in Au Bon Marché, de Priba of de Innovation, waar ik ze indertijd te zien kreeg.

SinterNekker.

Met dank aan Jean-Pierre Laus van Dekoloniseer Halle die mij attent maakte op het boek Revealing the African Presence in Renaissance Europe (The Walters Art Museum, Baltimore, 2013)

August 22, 2019 at 10:51 am 1 comment

De Kongolese Olifant, een verhaal met prentjes maar niet van Côte d’Or

De eerste olifant die ik zag was niet in de Zoo van Antwerpen, maar in Tervuren. Eigenlijk waren het er twee: de bijna echte, want opgezette die binnen stond en buiten, de grote stenen met drie Kongolezen erop. Daarna verzamelde ik allerlei prentjes, chromo’s van chocolade Jacques, van Artis, van Côte d’Or. Toen was de olifant in. En al een tijdje. Die stenen olifant was een overblijfsel van de de koloniale tentoonstelling in Antwerpen (1930). Toen heeft dezelfde beeldhouwer trouwens een hele brug naar het Kiel met olifanten gedecoreerd.

Van waar die Belgische liefde voor de Olifant? Of beter, wat had Leopold II, de man die ons Kongo en zijn olifanten ‘schonk’, met dat beest?

Vanaf 1877 organiseerde Leopold II vijf expedities naar wat later Kongo werd, en dit vanuit Zanzibar. Vergeet even Stanley, want hij was er niet bij betrokken. De leiders waren allen Belgische militairen in dienst van Leopolds Association Internationale Africaine.

Normaal liet je, zoals Stanley deed, zo’n expeditie praktisch organiseren door Zanzibari handelaars, die daar al decennia ervaring mee hadden. Maar dat kostte geld. Vooral dragers waren duur. Jawel, vergeet de koloniale mythe dat die dragers slaven waren. Slaven waren koopwaar, net als ivoor, maar geen dragers. Heel het traject tussen Zanzibar en het Tanganikameer werd beheerst door de WaNyamwezi – nu nog altijd de grootste volksgroep in Tanzania. Die mannen hadden een soort closed-shopsysteem ontwikkeld: alleen zij mochten drager spelen, en ze moesten betaald worden, met balen textiel of met geld. Alle mannen deden eraan mee, zelfs de zonen van de chefs. Niemand van de jonge Nyamwezi mannen mocht trouwen voor hij als drager de oceaan had gezien.

.

Wanyamwezi maken hun lading klaar

Zo’n karavaan was een prachtig zicht: voorop de kirongozi, de gids met een hoed van apevel waarop allerhande veren, de staart van een leeuw rond het middel en over de schouders een groot, rood stuk stof wapperend in de bries  – rood was de kleur van de Zanzibari sultan onder wiens soevereiniteit de karavanen marcheerden. Dan kwam het orkest met kleine trommels  en korte trompetten uit antiloophoorn. Zij kondigden bij het naderen van een dorp de komst van de karavaan aan. Achter hen volgde de lange lijn pazazi, de dragers. Het waren fiere jongens en ze liepen er in allesbehalve werkkledij bij. Op hun hoofd droegen ze een hoed van zebramanen en pluimen van struisvogels en kranen. Aan hun armen rinkelden ivoren armbanden en rond hun hals zaten kralen en koperen bangles. Ze droegen ook handwapens. Meestal zongen ze geïmproviseerde liedjes over wat er op de tocht zoal was gebeurd. Verder droegen ze voetbelletjes. Aan de punten van de olifiantstanden hingen koebellen. Dan volgden de vrouwen en kinderen en de manga, de ziener-medicijnman, het lijf behangen met amuletten. Zijn mening over het meest gunstige vertrekuur en de minst gevaarlijke weg werd dagelijks gevraagd. Als laatste kwam de kafila bashi met de askari-soldaten. Hij was de leider van de karavaan en de soldaten keken er op toe of geen drager achterop raakte of er met zijn lading van door ging.

(Deze beschrijving is van Jerome Becker, die Karema bestuurde, de eerste Belgische kolonie in Afrika, aan de oever van het Tanganika-meer)

Veel volk, dus en dat moest allemaal betaald worden. Te duur vond Leopold. Toen zijn eerste expeditie in 1877 vanuit Zanzibar vertrok probeerde men veel van dat volk te vervangen door ossenkarren. Dat lukte niet, volkomen onaangepast aan het terrein.

In 1865 had Leopold door India getourd en had daar gedresseerde olifanten bewonderd. Dat moest ook in Afrika kunnen. Hij contacteerde zijn Britse partner MacKinnon en die bezorgde hem vier afgerichte olifanten. Ze arriveerden met een Indische dhow, de Chinsura voor de kust van Oost-Afrika en werden daar opgewacht door zijn tweede expeditie, geleid door Popelin. De olifanten waren vergezeld van hun  vaste begeleiders,  hun kornaks. De dhows probeerden aan te meren in de baai van Msasani (nu Dar es Salaam), maar dit lukte niet want de mangroves en andere planten groeiden tot in zee. De dhows kwamen langs, zo dicht als de peilingen het toelieten en dan hesen de kornaks de olifanten eerst aan dek met een takel die ze aan de fokkemast hadden geïnstalleerd; daarna werden ze over de reling richting strand gedraaid.

Ze hadden de olifanten in een soort harnas verpakt van dekens en koorden die onder hun buiken doorliepen. De kornaks hingen er ook aan. De dieren passeerden hoog boven de reling en werden dan dankzij de fokkemast op een tiental meter van de romp in zee gedropt. Op het moment dat ze de zeespiegel raakten, hakten de kornaks die zich aan de olifantsflanken vastklampten, de koorden door, zodat het harnas zonk. De dieren reageerden niet: wekenlang hadden ze in het ruim opgesloten gezeten en wisten niet wat hen overkwam. Ze bleven ter plaatse drijven. De kornaks gebruikten hun prikspieren om ze aan te porren, niks hielp. Maar toen ze het groen op de oever in de snuit kregen, staken ze hun slurf op en zwommen luid trompettend met ruim kielzog naar de wal. Ze draafden op het verse groen af en de bevolking stond er perplex op toe te kijken, slaakte kreten van bewondering. Nijlpaarden hadden ze al in zee zien baden, maar olifanten? Waar hadden die Belgen het!

Het waren twee mannetjes: Sundergrund en Naderbux en twee vrouwtjes: Sosankali en Pulmalla. Ze waren begeleid door dertien kornaks. Die kornaks waren belangrijke gasten. Ook dat was in India een soort closed-shop-systeem. Een beroep van vader op zoon waarmee veel geld was te verdienen. Ze waren dan ook gekleed als rajahs: hun kledij was van zuivere zijde in flamboyante kleuren, en ze droegen allerlei juwelen.

De bedoeling was om de kornaks en de olifanten in te zetten bij het domestikeren van Kongolese olifanten. En toen zag men het nog groot. De kolonalie propaganda heeft het over een project om in één jacht dertig of meer lokale olifanten gevangen te nemen en af te richten. Het zou anders uitdraaien.

Vanuit Dar es Salaam vertrok de karavaan onder leiding van Popelin met de olifanten, de kornaks, acht askari-soldaten en eenenzeventig dragers richting Karema, aan het Tanganikameer. Die dragers kwamen van pas, want halfweg in Tabora bleef er nog één olifant over. Het was het wijfje Pumalla waarmee Popelin triomfantelijk de stad introk. De olifanten verdroegen het klimaat niet.  De dragers hadden het moeten overnemen, maar ze stonden sterk want ze hadden al het vlees van de dode olifanten opgegeten.

Pumalla, haalde wel Tabora. Maar van kweken kwam niets in huis. Ook zij stierf. De karavaanroute vanuit Zanzibar naar Kongo bleek te duur, daarom werd daarna vooral de route langs de Kongorivier gevolgd die Stanley had geëxploreerd, maar ook anderen, zoals de gebroeders Van de Velde uit Gent, naar wie de eerste hoofdstad van de Kongo Vrijstaat, Vivi werd genoemd. Vivi is geen bantoe woord maar verwijst naar de V’s in hun naam, die indruk maakten op de lokale bevolking.Leopold zou het africhten van olifanten niet opgeven. Hij wou in de geschiedenisboeken komen als de eerste man na Hannibal die Afrikaanse olifanten dresseerde en gebruikte om zijn doel te bereiken.

In 1900 gaf hij commandant Laplume opdracht olifanten te vangen en hun africhting aan te vatten. De olifantenfarm lag in het verre noordoosten, in Gangala na Bodio.  Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden niet de eeuwenlange ervaring van de Indische kornaks, en Afrikaanse olifanten waren blijkbaar moeilijker te vangen. Ze probeerden het vooral door kuddes op de vlucht te jagen en dan een achtergebleven jong te strikken. Vijf jaar later hadden ze er 55 bijeen. Dat was ongeveer iets meer dan men twintig jaar eerder had gedacht te vangen bij één jacht.

 .

In de jaren 1942-1944 bedroeg het aantal olifanten onder staatscontrole 70. in 1944 werden 25 jonge olifanten gevangen, in 1945 waren er dat 40 en begin 1946 ongeveer 29. Echt vooruitgang zat er dus niet in. Maar de olifant had ondertussen in België een grote status gekregen als symbool voor Kongo. Je vond olifanten zowat overal afgebeeld, en niet alleen op chromo’s bij de chocolade. Ik had het al over de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het grootste olifantenbeeld dat er stond is bewaard. Het staat nu voor het Africamuseum in Tervuren. In Geraardsbergen is het monument voor de Kongoveteranen (1948) een olifant.

Geraardsbergen

 

En die cultus van de olifant begon vroeg, en natuurlijk eerst bij de artiesten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1897 was in Tervuren een hele zaal gewijd aan chryselephantine sculpturen. Chryselephantine gaat terug op de Grieken die sculpturen maakten bestaande uit goud (chrys) en ivoor. Nu moest dit de kolonisatie artistiek verdedigen dankzij het ivoor van de Kongolese olifant. Het bekendste werk is misschien wel dit van Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie. Het werd door Leopold II geschonken aan Van Eetvelde, de eerste goeverneur van de Kongo Vrijstaat.

Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie.

En de olifant? Hij staat nog altijd in Tervuren, in Geraardsbergen, op de reclames van Côte d’Or, en life in de Zoo van Antwerpen.

Lucas Catherine

Historicus met een olifantengeheugen

July 26, 2019 at 3:54 pm 3 comments

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

GODDELIJK

door Gie van den Berghe

Zonder ongelukken blijven de meeste mensen leven tot er vanzelf een einde aan komt. Dat kan maar hoeft niet te betekenen dat hun leven voldoende bevrediging biedt of genoeg laat verhopen. Wie er bewust heeft over nagedacht, kiest voor het leven ook al blijft de zin van vrijwel elk mensenleven beperkt tot een relatief kleine mensenkring. In het licht van de eeuwigheid hadden u en ik net zo goed niet kunnen bestaan.

Trek je deze gedachtegang door, vraag je naar zin en betekenis van het bestaan van homo sapiens, dan wordt objectief oordelen nog moeilijker. Vrijwel niemand kan het besef toelaten dat de Aarde beter af was geweest zonder mensensoort die eenieders biotoop verpest. De denkoefening loopt dood als je de balans probeert op te maken van wat homo sapiens aan positiefs en negatiefs heeft bijgedragen. Bijgedragen aan wat en vanuit welk gezichtspunt?
We kunnen de mensheid, haar betekenis, prestaties en tekortkomingen dus niet anders evalueren dan vanuit het eigen, soort-, mensgebonden perspectief. Humanisme in het kwadraat.

God ziet u

Giacomo Sartori (°1958), een Italiaans bodemdeskundige en schrijver, hanteert in zijn zevende roman, Sono Dio (Ik ben God), een metastandpunt: dat van god. God werd aan het denken gezet toen zijn oog op Daphne viel, een opgeschoten atheïste die beroepsmatig tot aan de ellenboog in de aars van koeien zit om aangelengd stierensperma in te brengen; als hobby kruisbeelden steelt om er zich in haar haard aan te verwarmen; volgens god seksverslaafd is en op de koop toe de website van het Vaticaan probeert te kraken om alle bankgeheimen en pedofiliedossiers te openbaren.

Choqueren doet het god niet, hij heeft wel erger meegemaakt: vierendeling, kruistochten, genocide – om maar iets te noemen. Maar hij is wel op slag verliefd op het schepsel. Het slaat hem met verstomming, maar hij heeft zich nooit eerder zo goddelijk en opgewonden gevoeld, erectie inbegrepen. Behoorlijk in de war begint hij – want ja, god is een stereotiepe hij – te denken en te schrijven, met dit dagboek als resultaat.

Daphne werd door Sartori vermoedelijk vernoemd naar die bosnimf uit de Griekse mythologie die werd achternagezeten door de god Apollo. Die had Eros een slecht boogschutter genoemd en de liefdesgod had zich gewroken door Apollo te treffen met een goud gepunte liefdespijl en Daphne met loden exemplaar. Apollo werd tot over de oren verliefd op Daphne en zij kon dat met geen mogelijkheid beantwoorden. Ten einde raad veranderde haar moeder haar in een laurierboom (‘daphne’ in het Grieks), een boom die Apollo tot het einde der tijden aanbad.

Apollo en Daphne door Jan Broekhorst (circa 1640)

Bij een zoveelste one night stand van de aardse Daphne overweegt god om het hart van haar sekspartner stop te zetten of hem door een tractor te laten verpletteren. Even voelt god de opwinding van de doder maar hij laat het daarbij. Overdreven geweld heeft hem nooit aangesproken, wat de bijbel – ‘een van de meest onbetrouwbare en misleidende verhalenbundels ooit’ – daar ook mag over beweren. Goed, hij heeft een paar keer zijn verstand verloren, maar dat waren uitzonderingen en die bevestigen, zoals dat heet, de regel.

Het daagt god dat voelen en denken onnodige kwalen zijn. Tot dan had hij perfect zonder gekund. Alleen daardoor kon hij eeuwenlang sereen en onpartijdig blijven. Niemand bevoor- of benadelen. Nooit tussenkomen, een kwestie van beroepsernst. Doet iemand er te lang over om een vreselijke dood te sterven dan is dat niet anders. Sentimentaliteit is uit den boze.

De rede is een overbodige luxe. Neem de schepping. Anders dan de bijbel het wil was dat geen weloverwogen daad, maar iets dat hem, god, overkwam. Uit het niets begon hij te scheppen. Hij was niet te houden, schiep en schiep. Het had op totale chaos kunnen uitdraaien. Maar zie, de hele creatie is harmonieus, ja esthetisch verantwoord. Krijg dat maar eens uitgelegd! Mensen konden niet anders dan de natuur bewonderen. Niet één vermoeide filosoof – en zo zijn er veel – heeft ooit beweerd dat de aarde afstotelijk of de natuur vreselijk is, geen enkele bioloog heeft ooit gezegd dat het dieren- of plantenrijk overgedaan moest worden. Niet niks, want mensen behagen is beslist geen sinecure. Ze aanbaden en vergoddelijkten de natuur, deden er behoorlijk lang over om zijn bestaan te ontdekken. Nu ja, beter laat dan nooit.

Na nog een eeuwigheid kregen mensen door dat de Aarde een onooglijk planeetje is dat rond een kleine ster draait in een kleine melkweg die met veel fantasie dé Melkweg wordt genoemd. Al gauw kwamen ze met een nieuwe theorie aanzetten, de Big Bang, alsof een universum uit zichzelf kan ontstaan. Voor dergelijke traagheid van geest moet je als Alwetende flink wat geduld opbrengen.

Geen evenbeeld

Sartori’s god is een mensenhater. Volgens hem besteden ze het grootste deel van hun tijd en energie aan achterhouden, voorwenden en misleiden. Charlatanisme zit hen in het bloed. Zoals nachtegalen geboren zijn om te zingen en kangoeroes om te springen. Mensen zijn lompe seksmaniakken met een onweerstaanbare neiging tot bijgeloof en fanatisme, wat steevast uitmondt in beestachtige daden en wederzijdse uitroeiing. Zonder mens geen kindermoord, oorlog of genocide. Het kwaad zit ze in het DNA. ‘Niet één nijlpaard werd een seriemoordenaar, geen enkele ijsbeer achtte zich superieur aan de bruine beer, niet één koe heeft ooit overwogen om soortgenoten met een iets andere neus te vergassen en te verbranden’. Of neem mensenkoppels. Ooit een koppel pinguïns elkaar de huid zien volschelden omwille van een schoonmoeder of nagelschaartje?! En dat voor een soort die dweept met liefdesliederen en zichzelf superieur acht aan alle andere dieren.

Tussenkomen heeft ook geen zin. Mensen houden van onrechtvaardigheden. Mocht god alle bestaande wreedheden ongedaan maken, dan zouden ze hun hersenen pijnigen om nog verschrikkelijkere te vinden. Je kunt van een nijlpaard niet verwachten dat het koorddanst of van een giraffe dat ze vliegt. Mocht god kunnen herbeginnen dan zou hij de mens niet meer in roulatie brengen, of in elk geval zijn libido drastisch verminderen of tot een bronsttijd beperken. Met heel wat minder mensen als bijkomend voordeel.

Uitverkoren

Evolutietheorie of niet, mensen gaan ervan uit dat ze superieur zijn en dat god hen boven alle andere dieren verkiest. Ze verlagen hem tot een dienstknecht die niet beter te doen heeft dan hun onbetekenende gezichtspunten, verlangens en smarten begrijpen. Jezus, die zogenaamde zoon van hem, heeft dergelijke waanideeën versterkt. Theologen hebben zoveel theorieën gespuid over de onbevlekte ontvangenis dat god de vader sterk twijfelt aan dat vaderschap. Er zijn zoveel gekken die rondbazuinen dat ze god zijn. Eén iets staat vast: mocht die uitgemergelde hippie in deze godvergeten tijd terugkeren dan zou hij geen zoon zijn maar een overtuigd terrorist.

Een categorie mensen vernedert hem niet maar ontkent zijn bestaan. Fundamentalisten die denken dat de wetenschap alles kan verklaren, ook de behoefte aan god en andere drugs, ja zelfs de oorsprong van leven. Ze schaften god en zijn rituelen af om ze meteen te vervangen door superstars, sportmanifestaties, muziekfestivals en consumentisme. Ze doen maar. Hij heeft iedereen altijd maximale vrijheid gegund. Waarom anders een Laatste Oordeel organiseren?

Het hele gedoe is soms best onderhoudend. Niet dat god amusement behoeft, maar deze clowns zijn zo vol van zichzelf, zo immoreel en onvoorspelbaar dat je eraan vastzit als aan de met leegte volgepropte televisieprogramma’s.

Mensen hebben twee voordelen op hem: stukje bij beetje vergeten ze alles en ze zijn sterfelijk, die meest radicale soort van vergeten. Ze hebben grote moeite met die eindigheid, terwijl een kind begrijpt dat een mensenleven maar de moeite loont omdàt er een eind aan komt. Misschien had hij hun levenscyclus anders moeten inrichten. Oud geboren, jong gedaan. Een evolutie van grijsaard naar volwassene, adolescent, zorgeloos kind, onwetend embryo. Versmelten met het niets. Minder leed, minder spijt, almaar gezonder en onwetender! [NOOT: Dit herinnert aan The curious case of Benjamin Britten (F. Scott Fitzgerald, 1921) in 2008 verfilmd door David Fincher.]

Hoogste hemel

Verliefd als hij is, begint god de mens iets beter te begrijpen. Even overweegt hij te incarneren als mens. Geen vleesgeworden god maar een feilbaar schepsel. Een tweevoeter die altijd angstig of ongelukkig is om peulschillen, altijd hongerig, dorstig of slaperig. God wil sterveling worden. Zeker, mens-zijn is een ellendige, middelmatige conditie, soms brutaliserend en dehumaniserend, maar ook romantisch. Hij wil het toch even aan den lijve  ondervinden. Ook die voor mensen zo belangrijke seksuele stimuli. Dronken worden van alle voortreffelijke wijn, bier, geestrijke drank en elixirs samen. Niet meer alleen zijn. Daphne als mens verleiden, haar vooral niet laten merken wie hij werkelijk is. De atheïste zou hem toch niet geloven.
God raakt over zijn toeren. Om te kalmeren plaatst hij enkele miljarden lichtjaren tussen hem en de aarde om als vanouds te genieten van de ontelbare melkwegstelsels die hij geschapen heeft. Terug goddelijkheid smaken. Afstand nemen van de mens, één van de tien miljoen diersoorten die hij op de wereld heeft gezet. Hij heeft de mens niet nodig. En Daphne? Wat hem betreft kan ze gefolterd of van achteren gepakt worden door een neushoorn, het maakt hem niet meer uit.

God is niet kwaad of razend, dat is beneden zijn waardigheid. Hij is ontgoocheld. Mensen hebben hem altijd al teleurgesteld. Oneindig goed als hij is, bleef hij het aankijken. Maar nu is het welletjes geweest. Ze gaan de weg op van dinosauriërs en mammoets. Ecologisch gezien is de mens uitroeien trouwens een goede daad. Goed, ze doen er zelf alles aan om dat te bewerkstelligen, maar het blijft maar duren, misschien kunnen ze een zetje gebruiken. Een ongeneeslijke epidemische ziekte of die Amerikaanse president even extra prikkelen om een kernoorlog te ontketenen. Maar toch beter van niet. Mensen geen excuus geven, ze verder hun eigen graf laten delven. Laat ze maar meedogenloos de Aarde uitputten en zich in slaap sussen met petities voor bijna uitgestorven soorten en te late milieuconferenties. Zelfs hij, de Almachtige, kan de catastrofe niet meer voorkomen. Dan nog maar eens scheppen? Geen sprake van! Hij heeft genoeg gezien.

Sartori’s knap gecomponeerde roman over een god die zijn schepper veroordeelt, zit boordevol filosofische en morele vraagstukken, knappe metaforen, zwarte humor en geestige terzijdes. Het boek verdient een plaats naast Voltaire’s Candide, ou l’Optimisme (1759) en het minder bekende maar even briljante toneelstuk van Oskar Panizza, Het liefdesconcilie (1894 – zie hierover: http://www.serendib.be/artikels/hemelbestormer.htm).

Affiche voor ‘Het Liefdesconcilie’ in de Rotterdamse Schouwburg

 

Giacomo Sartori – I am God. A novel, New York, Restless books, 2019, 208 blz. uit het Italiaans vertaald door Frederika Randall

https://restlessbooks.org/bookstore/i-am-god

 

July 6, 2019 at 6:30 am Leave a comment

De Koppensneller van Wetteren

Door Lucas Catherine

Op 30 juni vieren de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Emile Storms, standbeeld op het prestigieuze de Meeûssquarein Brussel.

Emile Storms. Standbeeld op de prestigieuze Brusselse de Meeûssquare.

 Bij een objectieve lezing van onze koloniale geschiedenis wordt algauw duidelijk dat witte helden eigenlijk slechterikken waren en de zwarte slechterikken lokale helden.

Die witte helden kregen standbeelden. Zo Emile Storms, (geboren in Wetteren 1846) die voor de Association Internationale Africaine in 1882 naar Centraal-Afrika trok. Die AIA was een coverorganisatie van Leopold II die hij gebruikte in zijn kolonisatiepogingen. Zo organiseerde hij vijf expedities die vanuit Zanzibar naar het Tanganika-meer trokken via de grote centrale handelsroute uitgebouwd door de Swahili en Wanyamwezi handelaren. De eerste expeditie had onder leiding van Ernest Cambier aan de oostelijke oever van het Tanganika-meer Karema gesticht, de eerste Belgische kolonie in Midden-Afrika. De volgende stap zou een kolonie op de westoever worden. Dat was de taak van Emile Storms die de vierde AIA-expeditie leidde. Hij koos Mpala uit op de Marungu hoogvlakte.

Marungu is de streek ten zuid-westen van het Tanganyikameer die de schakel vormde tussen de handelsroutes uit Katanga en de grote handelsroute naar de Indische Oceaan en de Swahili-kust. Vanuit Katanga vertrok vooral koper dat werd gedolven in de mijnen die beheerd werden door de lokale vorst Mushaidi (Msiri voor de Belgen). Op de centrale route werd naast slaven vooral ivoor verhandeld

Storms vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de handelsroute naar Tabora en zo naar het Tanganika-meer. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganikameer vormde hij de in 1878 door Ernest Cambier gestichte AIA-post Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er een nieuwe post uit te bouwen, Mpala, genoemd naar de lokale chef. Het vormde de toegangspoort tot Marungu en opende de weg naar Katanga. Later zou hij zich “Emile I, keizer van Tanganyika” laten noemen. Over Marungu heerste een sterke lokale vorst, Lusinga Iwa Ng’ombe. Storms beschrijft hem zo: “Je reçois la visite de Lusinga, quelle mauvaise figure ! Ce n’est peut-être pas le chef le plus important du Marungu, mais certainement celui qui est le plus craint. Il fait bon de s’en défier”

En Lusinga ziet de komst van Storms niet zitten: “vous venez au milieu de nous, vous ne pouvez pas nous mépriser. Si vous faites du mal à Mpala ou à l’un des siens, vous mourrez ; si vous lui faites la guerre, vous mourrez, tous les vôtres mourront et votre puissance finira. » Het conflict krijgt zijn beslag als Storms weigert om zoals gebruikelijk als betaling voor verkregen diensten munitie te leveren,. Het dorp van Lusinga wordt aangevallen en plat gebrand. Hijzelf wordt gedood en zijn hoofd op een spies naar fort Mpala gedragen. Nu komt Storms in volle actie en begint hij ook kleinere, lokale chefs te vermoorden waarna ook hun hoofden op de palen van de omheining van zijn fort worden gestoken. De staatsmacht van Leopold II is nu gevestigd.

De huiskamer van Storms.

Wanneer Storms in 1885 naar Brussel weerkeert heeft hij in zijn bagage massa’s buit, waaronder nogal wat kunstvoorwerpen (nu in Tervuren), onder meer een beeldje uit het huis van Lusinga dat jarenlang temidden andere trofeeën op zijn schouw in Elsene zal staan. Maar ook de schedel van Lusinga arriveert in Brussel, net als die van twee andere lokale vorsten, Maribu en Mpampa. Ze berusten nu in het Natuurhistorisch Museum van Brussel.

Dat deed Storms niet zo maar. Strauch, de nauwe raadgever van Léopold II, had hem  op 20 juli 1883 volgende raad gegeven : “Nous vous approuvons de consacrer vos loisirs à la formation de collections d’histoire naturelle. Ne vous pressez pas d’expédier en Europe vos échantillons. (…) Ne manquez pas non plus de recueillir quelques crânes de nègres indigènes si vous le pouvez sans froisser les sentiments superstitieux de vos gens. Choisissez autant que possible les crânes d’individus appartenant à une race bien tranchée, et dont le caractère n’a pas subi de modifications physiques par suite de croisements. Notez soigneusement le lieu d’origine des sujets, ainsi que leur âge quand cela est possible.”  

De schedel van Lusinga zal door antropoloog Emile Houzé (1848-1921) worden bestudeerd en hij komt tot de conclusie: “L’angle bi orbitaire est très ouvert, ce qui n’est pas un caractère pithécoïde, mais un caractère d’infériorité dans les races humaines.”

Dezelfde Houzé verdedigde toen trouwens de stelling dat Walen moreel en fysiek superieur waren aan Vlamingen.

Met dank aan onderzoeksjournalist Michel Bouffioux.

June 25, 2019 at 4:23 pm 1 comment

VAN BLOK NAAR BELANG ZOEK DE VERSCHILLEN

Is het u ook opgevallen dat op het overwinningsfeest van het Vlaams Belang minder leeuwenvlaggen te zien waren dan we gewend zijn? De enthousiaste menigte zwaaide met vlaggetjes waarop prominent niet de Vlaamse leeuw maar het partijlogo prijkte. Dat is geen toeval lezen we in de analyse van socio-linguist Jan Blomaert die op zijn website de verkiezingsuitslag van gisteren analyseert (zie de volledige tekst hieronder.)  Zowat de meest luciede en diepstgravende analyse die ik tot dusver heb gelezen. Blommaert wijst er onder andere op dat het Belang nu ongeveer op hetzelfde niveau is terugkomen als in  het jaar van de grote doorbraak 2003: toen zoals nu 18 zetels. NVA is de grootste stemmenleverancier voor het Belang dat ook uit de traditionele partijen kiezers blijft wegzuigen. Niets nieuws onder de zon dus was het niet dat het Vlaams Belang van Van Grieken een totaal andere partij is dan die van Dewinter-Annemans destijds.

“Men ziet het Vlaams Belang van Van Grieken nadrukkelijk als gewoon een voortzetting van het oude Vlaams Blok van Dewinter en Annemans, en dat is een vergissing.” schrijft Blommaert. “De partij heeft een grondige verandering ondergaan, en het antwoord op het N-VA kannibalisme dat ik boven heb vermeld is niet zomaar een negatie of uitvergroting van dingen waarvoor N-VA staat. De partij heeft nu een heel andere en veel completer ideologie dan in 2003. Haar succes is dan ook niet enkel het gevolg van een “foert” van de kiezer tegen De Wever en Francken, maar ook het succes van een nieuw-rechts programma.”

Het Vlaams Blok is gemuteerd tot een partij die niet langer “Vlaams-nationalistisch” is (zoals De Wever beweert) maar deel uitmaakt van een internationaal netwerk van “identitairen.” “Onze mensen” zijn niet langer alleen de hardwerkende Vlamingen, maar de witte mensen – het ” blanke ras.” Daarmee zitten ze op één lijn met de Alt-rightbeweging van Steve Bannon en met het Trumpisme in de VS. In deze analyse is het groepje van Dries Van Langenhove zeker geen marginaal fenomeen, maar de kern van dit nieuwe VB. Dat deze ideologen ook het geweld niet schuwen was al te zien in de reportage over “Schild en Vrienden” van Tim Verheyden op Panorama. Veel gevaarlijker dus dan het stelletje Vlaamse-Leeuw brallende anciens van het oude Vlaams Blok.

Het zou interessant zijn te analyseren hoe de NVA zich als “fatsoenlijk rechts” tegenover dit nieuwe fenomeen positioneert. Naar mijn gevoel zijn er uiteenlopende tendensen in de partij van De Wever: de fractie Francken staat veel dichter bij de identitaire beweging dan pakweg de traditionele Vlaamsnationalisten als Bourgeois. Daar moet gedoe van komen in de interne keuken van de “Alliantie” en verkiezingsnederlagen zijn zoals we weten de gelegenheid om de messen te slijpen. Is het ook daar een kwestie van generaties? Voer voor politicologen. Het is duidelijk dat de partij sinds de Marakeschcrisis bewust in de richting van het Blok is opgeschoven en in alle commentaren liet kopstuk De Wever uitschijnen dat hij samenwerking of zelfs regeren met die partij niet uitsluit.

NVA heeft ingezet op het harde antimigratie-standpunt van Francken en verloren (al heeft de ex-staatssecretaris in zijn Vlaams Brabant de meubelen gered) . Gaan ze verder in het identitaire discours en dus in de richting van extreemrechts in de hoop hun zuidelijke flank terug te winnen of proberen ze de vermeende “Chinese Muur” die hen volgens de Wever van het Belang scheidt steviger op te bouwen?  De nabije toekomst zal het uitwijzen.

Johan Depoortere

 

Alles in perspectief

zetels 2019

Jan Blommaert

Verkiezingen zijn als mediaformat strikt een hier-en-nu aangelegenheid: men kijkt enkel naar wat zich nu voordoet, en op deze kluit. Er heerst een voorliefde voor een soort hijgerige sportverslaggeving waarbij in de 74ste minuut een mooie doelkans wordt gemist en de VAR twee keer onterecht tussenbeide komt. Zo’n formattering helpt ons niet. Dus hier volgt een poging om enkele ruimere bedenkingen te formuleren die de uitslag van 26 mei 2019 in perspectief kunnen plaatsen.

1. Het historische perspectief

Vlaanderen wordt weer overspoeld door een zwarte golf, want Vlaams Belang is de grote winnaar. En dus krijgen we de klassieke oprispingen: “kan men dit nog negeren?” “is het cordon sanitaire nog vol te houden”, “dit is een duidelijk signaal van de kiezer” etcetera.

Het is goed te beseffen dat Vlaams Belang nu gewoonweg teruggekeerd is naar z’n niveau van 2003, toen het ook 18 zetels in de Federale Kamer haalde:

zetels 2003

En ook in 2007 (na de veroordeling van het Vlaams Blok en de naamsverandering naar Vlaams Belang) won de partij de verkiezingen in percenten, zij het dat ze 1 zetel verloor.

2007

Kijk ook eens naar wat andere elementen in deze grafieken. Bijvoorbeeld: het feit dat in 2003 de sp.a-Spirit, de PS, MR en de VLD zowat even groot waren als N-VA nu, en dat de CD&V in het kartel met N-VA (Leterme-De Wever) in 2007 niet minder dan 30 zetels behaalde. Merk ook op dat in 2007 de as Ecolo-Groen 12 zetels behaalde, en bekijk de electorale optater die de sp.a in 2007 krijgt.

Het is na 2003 dat de N-VA aan z’n opmars begint, en dat we het Vlaams Belang zien achteruitgaan. De twee zijn aan elkaar gerelateerd: N-VA plaatst zich doelgericht en constant deels in de electorale kavel van Vlaams Belang. In 2010, bijvoorbeeld, kregen we dan ook dit als uitslag:

zetels 2010

De andere kavel die de N-VA leegvreet is die van de Christendemocraten en Liberalen. Vergelijk de uitslagen van 2003, 2007 en 2010 even: het zijn de klassieke centrumpartijen CD&V en VLD die een dreun krijgen van de N-VA. Dit patroon zet zich gewoon door in 2014:

zetels 2014

Vanaf 2007 zijn de Vlaamse Christendemocraten en Liberalen partijen van de omvang van het Vlaams Belang in 2003, of zelfs kleiner. En hoe groter N-VA wordt, hoe kleiner Vlaams Belang wordt. Een partij die vanaf 2007 constant stemmen en zetels afgeeft aan anderen is de sp.a. Groen blijft grotendeels constant als blok.

Wat we op 26 mei 2019 hebben meegemaakt is dus enerzijds een voortzetting van de trend, en tegelijkertijd een breuk ermee. De voortzetting bestaat erin dat N-VA de Vlaamse centrumpartijen klein houdt – Christendemocraten, Liberalen en Sociaaldemocraten krijgen alweer klappen.

zetels 2019

Maar verschillende elementen zorgen voor een trendbreuk.

  1. De voornaamste is de terugkeer van Vlaams Belang, dat nu een antwoord heeft gevonden op het kannibalisme van de N-VA en terugkeert naar de omvang die het tussen 2003 en 2010 had.
  2. Een tweede trendbreuk is de groei van Ecolo-Groen; ze behalen samen 21 zetels en dus groter dan de PS en VB, en groter dan Ecolo-Agalev in het topjaar 1999 (dat tot rampzalige regeringsdeelname leidde). Vermits Ecolo en Groen een gemeenschappelijke fractie vormen in het Parlement is dit een relevante ontwikkeling.
  3. En een derde is de doorbraak van PTB-PVDA, die naar 12 zetels stijgen.

Ik ga wat dieper in op twee van deze elementen: de doorbraak van PTB-PVDA, en het nieuwe antwoord van Vlaams Belang.

2. Rode zondag

Op 21 oktober 1991 sprak men van “zwarte zondag”, want we kregen deze uitslag:

zetels 1991

Het Vlaams Blok van Dewinter en Annemans schoot plots door naar 12 zetels. Die doorbraak zette de hele zogenaamde vernieuwingsbeweging van de jaren 90 in gang, met als motief “de kloof tussen burger en politiek”. Alle Vlaamse partijen schoven naar rechts want de new kid on the block pikte nogal wat stemmen in. Dit proces is nooit gestopt.

De doorbraak van PTB-PVDA op 26 mei 2019 is precies even groot: ook Mertens en Hedebouw rijven 12 zetels binnen. Net als die van het Vlaams Blok in 1991 werd deze doorbraak gerealiseerd in een klimaat waarin de mainstream media de partij niet au serieux namen en enkel de meest minimale aandacht schonken, en overtrof ze ruimschoots de verwachtingen en de schattingen. En ze werd gerealiseerd tegen een obstakel dat Vlaams Blok niet had in 1991: de kiesdrempel.

Het is dus best dat men die linkse doorbraak even ernstig neemt als die van het Vlaams Blok destijds: PTB-PVDA heeft een rode zondag gerealiseerd. En het ligt in de lijn der verwachtingen dat de Kamerfractie van PTB-PVDA hyperactief zal zijn en een wezenlijke linkse druk zal uitoefenen op de rest, deze keer ook in Vlaanderen.

3. Vlaams Belang is gemuteerd

Men ziet het Vlaams Belang van Van Grieken nadrukkelijk als gewoon een voortzetting van het oude Vlaams Blok van Dewinter en Annemans, en dat is een vergissing. De partij heeft een grondige verandering ondergaan, en het antwoord op het N-VA kannibalisme dat ik boven heb vermeld is niet zomaar een negatie of uitvergroting van dingen waarvoor N-VA staat. De partij heeft nu een heel andere en veel completer ideologie dan in 2003. Haar succes is dan ook niet enkel het gevolg van een “foert” van de kiezer tegen De Wever en Francken, maar ook het succes van een nieuw-rechts programma.

Vlaams Belang is nu helemaal geïntegreerd in een wereldwijd netwerk van nieuw-rechtse partijen en bewegingen, in Europa zowel als in Rusland en de VS (Van Grieken ontmoette Steve Bannon, en allicht niet om over het weer te praten). Die partijen en bewegingen hebben zich grotendeels losgemaakt van de nostalgie naar een fascistisch verleden, en ze kijken uitdrukkelijk naar de toekomst. Die toekomst zien ze als revolutionair, en in de letterlijke zin van het woord: als een apocalyptische eindstrijd die op ons afkomt, waarbij het overleven van het “blanke ras” op het spel staat, en waarbij het strijdtoneel zich uitstrekt van Oostende tot Vladivostok. De helden van dit nieuw rechts heten niet Hitler, Goebbels of Franco, maar Breivik en anderen die de wapens opnamen om het “blanke ras” tegen z’n Moslimvijanden en hun linkse collaborateurs te beschermen. Schild en Vrienden is een schoolvoorbeeld van de beweging, en dus helemaal geen Fremdkörper binnen het nieuwe Vlaams Belang. Men kan er de teksten van Ico Maly op naslaan voor bewijsmateriaal.

Noteer hier dat het nationalisme van het huidige Vlaams Belang grondig anders is dan dat van Vlaams Blok, en dus ook van datgene wat N-VA aanhangt. Het gaat al lang niet meer alleen over Vlaanderen, wel over het “blanke ras”, Europa, en bij uitbreiding het hele Euraziatische plateau. Het “eigen volk” is van definitie veranderd. Haar leiders eveneens: ze zijn nu jong, netjes gekapt en geschoren en gekleed in Hugo Boss, met universitair diploma op zak, bekwaam om als intellectueel te poseren (denk aan Baudet), en niet geplaagd door parochialisme – het zijn internationalisten.

Dat alles heeft gevolgen voor hoe men de politieke actualiteit inschat. De vijand van Vlaams Belang is niet de N-VA (dus vergeet het belang van woordjes als “stront” en “paljas”), maar links, omdat links wordt gezien als de elite die doelbewust de deur voor Moslims open houdt. Noteer: links is geen politieke tegenstrever maar een volksvijand, een verrader. En om die verrader definitief te verslaan zal de beweging, wanneer het nodig is en kan, allianties aangaan met politieke tegenstrevers. De uitspraken van Van Grieken over een “pragmatische” opstelling bij coalitiegesprekken zijn tekenend. En zie ook de vorming van een nieuw-rechtse pan-Europese fractie in het Europees Parlement. Om links te vernietigen zal men ook geweld niet schuwen – zoals gezegd horen figuren als Breivik tot het pantheon van dit nieuwe extreemrechts.

Men onderschat dit nieuwe Vlaams Belang wanneer men het enkel ziet als dat extreemrechtse partijtje dat al sinds 1991 hetzelfde schreeuwt, “eigen volk eerst!” We zitten opgescheept met een Vlaams Belang dat even groot is als in de gloriedagen van Dewinter, maar dat veel meer in z’n mars heeft dan toen. Wanneer er in 1991 goede redenen waren voor een cordon sanitaire, dan zijn die er vandaag nog meer. Het feit dat men dit nieuw-rechts in de grote debatten omschrijft met onschuldige termen als “rechtse populisten” maakt ons blind voor wat ze wezenlijk zijn.

We gaan nog merkwaardige dingen zien en horen van Van Grieken en zijn kornuiten. U weze gewaarschuwd.

by-nc.eu

 

 

May 27, 2019 at 3:40 pm Leave a comment

ALS DE DOOD VOOR STERVEN

Tomas Ronse:  Rusthuis serie (2007)  Rene

door Gie van den Berghe

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Barbara Ehrenreich (°1941) werd bij het grote publiek bekend met De achterkant van de Amerikaanse droom (2005, oorspronkelijk Nickel and Dimed, 2001). Daarin deed ze verslag van drie maand undercoverwerk als serveerster, verpleegster en vakkenvulster, kwestie van de wereld van de slecht betaalden te doorgronden. Blijkt dat mensen die Amerikanen bedienen in supermarkten, drankgelegenheden, restaurants en ziekenhuizen – vaak zwarten – met geen mogelijkheid kunnen deelnemen aan het consumptiefestijn en vaak een precair leven leiden.

Barbara Ehrenreich

 

Werk genoeg, maar doorgaans zo slecht betaald dat je er niet behoorlijk kan van leven. Gevestigde kranten als The New York Times en The Washington Post besteden weinig aandacht aan de verholen armoede, haaks als die staat op de ronkende reclames voor allerhande luxeproducten. Daarom richtte Ehrenreich in 2012 het Economic Hardship Reporting Project op (http://economichardship.org), bedoeld voor undercover journalistiek die maatschappelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid blootlegt.

In haar recentste boek, Natural causes: An epidemic of wellness, the certainty of dying, and killing ourselves to live longer, pakt Ehrenreich – die ooit promoveerde in de immunologie – de gezondheidsgekte en geneeskunde aan.

De confronterende Nederlandse titel, Oud genoeg om dood te gaan, sprak me direct aan. Het 74 jaar oude lichaam dat ik ben is versleten, zit vol mankementen en pijn. Geneeskundigen zitten met de handen in het haar en loodsen me van de ene onwaarschijnlijke tot zotte diagnose (‘het zit allemaal in uw hoofd’) naar het andere lapmiddel. Dus ja, oud genoeg om dood te gaan. Gedaan met geloop, wachtzalen, pillen, placebo’s en panacees. Aanvaarden dat leven opgeleefd wordt, geen beroep meer doen op een geneeskunde die niet genezen kan, wat niet te genezen valt. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het voelt aan als een op de lange baan geschoven zelfdoding. Dat vergt moed. Je bent ook niet alleen op de wereld. Je geeft om anderen, anderen geven om jou. Zolang er gegeven kan worden. En er is nog zoveel te beleven en te doen. Zoals dit boek lezen en aan jullie kenbaar maken.

 

Stervelingen

We komen blètend ter wereld en verlaten hem zelden met een glimlach op de lippen. Alleen hardleerse gelovigen zijn ervan overtuigd dat er na de dood leven is, een hiernamaals waar alles gelukzalig is. Ze sterven om herboren te worden. Maar niet iedereen kan of wil troost putten uit de gedachte dat er na een leven van ontzegging, ontbering, gehoorzaamheid en boete (het smalle pad uit de Jezus’ Bergrede) een hemel opengaat.

In de voorbije decennia is de ouderdomsgrens in het noordelijk halfrond flink opgeschoven. Gerontologen hebben het over jonge ouden – fysiek en mentaal gezond – en oude ouden. Maar de helft van alle 85-jarigen is of wordt dement. En dat in een overbevolkte en mede daardoor almaar onleefbaarder wereld. Toch wordt er ijverig gezocht naar levensverlenging en worden bedenkelijke levens ‘gered’. Begin dit jaar mocht in Japan een in leven gehouden prematuurtje van 268 gram na een half jaar het ziekenhuis verlaten.

Als leven heilig is, een godsgeschenk, dan zijn sterven en dood taboe. Geen abortus, geen euthanasie, geen (hulp bij) zelfdoding. Palliatief lijden en afzien, hoe voltooid en verdoofd het overleven ook is. Voortijdig sterven mag enkel en alleen voor het Vaderland.

 

De ziekte-industrie

De gezondheidszorg, schrijft Ehrenreich, is veranderd van een vorm van huisnijverheid in een industrie die een gezond en lang leven belooft. Ouder worden en doodgaan worden niet langer gezien of ervaren als doodnormale fases in een levenscyclus, maar als een soort ziektes, behandelbaar en wel. Je mag niet zomaar dood gaan. Alles wordt in het werk gesteld om je te ‘redden’. Ook wie duidelijk heeft gemaakt dat hij of zij in bepaalde omstandigheden op een natuurlijke, niet-gemedicaliseerde manier wil sterven, komt vaak nog ‘aan slangen en snoeren op de afdeling intensive care’ terecht. Sommige Amerikaanse artsen die weten dat die intensieve zorg ‘eerder tot gebreken dan tot een verbeterde gezondheid leidt’, hebben een tatoeage laten zetten die duidelijk maakt dat ze onder geen beding gereanimeerd willen worden. Het stervensproces, schrijft Ehrenreich, werd gemedicaliseerd en verlengd zonder dat er veel veranderde aan het ouderdomsproces. En dat blijft voor velen lang, onaangenaam, lastig, smerig en eenzaam.

 

Op sterven na

Als immunologe weet Ehrenreich dat het lichaam geen geoliede machine is ‘maar een plaats waar op celniveau een onophoudelijke strijd woedt die, tenminste in alle ons bekende gevallen, eindigt in de dood’. Kanker bijvoorbeeld – die ze zelf overwonnen heeft – is ‘een opstand van een groepje cellen tegen het organisme’. Je mag nog zo goed letten op je levensstijl, calorieën tellen, eindeloos fitnessen, niet roken, geen alcohol drinken, geen vlees eten – op den duur kunnen immuuncellen die het lichaam beschermen er zich tegen keren. Bij de voortdurende vernieuwing van immuuncellen treden met het verstrijken der jaren meer en meer foutjes op. Ehrenreich verwijst hiervoor naar de volgens haar alom geaccepteerde theorie van Claudio Franceschi, maar bij nazicht van enkele van diens publicaties blijkt een en ander toch iets ingewikkelder in elkaar te zitten.

Toen Ehrenreich met het klimmen der jaren ‘geleidelijk aan tot de conclusie kwam dat [ze] oud genoeg was om dood te gaan, besloot ze dat ze tevens oud genoeg was om geen pijn, ‘ongemak of verveling meer te doorstaan ten gunste van een langere levensduur’. Daarom doet ze sinds enkele jaren niet meer mee aan verplichte of ‘raadzame’ medische onderzoeken. Er rest haar steeds minder tijd en dus ‘is elke maand en dag [haar] te kostbaar om in wachtkamers zonder ramen of onder het kille oog van een apparaat door te brengen. Oud genoeg zijn om dood te gaan is een prestatie, geen nederlaag, en de vrijheid die dat geeft is het waard om te vieren’. Leven, schrijft ze, is tenslotte maar ‘een onderbreking van de eeuwigheid waarin je niet bestaan hebt’, een korte gelegenheid ‘om de levende, altijd verrassende wereld om ons heen te observeren en ermee verbonden te zijn’.

 

 

Bevolkingsonderzoek

Ehrenreich heeft geen boodschap aan al die op preventie gerichte bevolkingsonderzoeken. Artsen, ziekenhuizen en farmaceutische bedrijven verdienen geld aan volkomen gezonde mensen door ze aan testen en onderzoeken te onderwerpen die statistisch gezien veel te weinig opleveren. Mensen, vervolgt Ehrenreich, worden opgeroepen, bang gemaakt en ondergaan screenings die niet altijd ongevaarlijk zijn, foutpositieve en foutnegatieve resultaten kunnen opleveren. Een mammografie is behalve ongemakkelijk tot pijnlijk, ook ‘de enige omgevingsfactor waarvan met zekerheid geweten is dat die borstkanker kan veroorzaken’. Doorverwijzingen voor een mammografie zijn ook op weinig meer gebaseerd dan het Fingerspitzengefühl van artsen. Grootschalige, internationale controlestudies tonen volgens Ehrenreich (die naar tal van bronnen verwijst) geen betekenisvolle verlaging van borstkankermortaliteit die te danken zou zijn aan regelmatig borstonderzoek. Hetzelfde geldt voor de screening op prostaatkanker.

 

Tekening: Frank Soete

 

Het Amerikaanse College van Artsen meldde in 2014 dat de meeste gynaecologische controles geen enkele meerwaarde hebben voor gezonde volwassen vrouwen en ‘het ongemak, de angst, de pijn en extra kosten’ absoluut niet waard zijn. Vijftigplussers ontkomen ook niet aan de druk om zich aan darmonderzoek te onderwerpen terwijl ook daar foute uitslagen geregistreerd worden die overbehandeld ofwel niet behandeld worden. Veel mensen worden ‘behandeld voor een tumor die waarschijnlijk nooit voor problemen zal zorgen’. Een recent artikel in De Groene Amsterdammer leert dat veel van dit alles ook geldt voor onze contreien (Malou van Hintum, Tot de operatie was ik kerngezond, 24.4.2019 –https://www.groene.nl/artikel/tot-de-operatie-was-ik-kerngezond ).

 

Overdiagnostiek neemt, dixit Ehrenreich, epidemische vormen aan. Botverzwakking of osteopenie bijvoorbeeld, is geen ziekte, maar vrij normaal bij vrouwen van boven de vijfendertig. Het hoort bij ouder worden. Maar wat blijkt: in de VS worden ‘de meeste botscans zwaar gepromoot en zelfs gesubsidieerd door de fabrikant van het medicijn. Sterker nog, het begunstigde medicijn bleek in de periode van [Ehrenreichs] diagnose juist de problemen te veroorzaken die het moest voorkomen – botontkalking en breuken’.

Moeilijk te beoordelen voor de medische leken die de meesten onder ons zijn. Zeker, de ziekte-industrie moet kritischer benaderd worden, maar wel oppassen dat je niet in het spoor raakt van anti-vaxxers.

 

Rituelen

Veel medische handelingen en behandelingen zijn een soort bezweringsrituelen, vergelijkbaar met genezingsrituelen bij zogenaamd primitieve volkeren. Ze gebeuren op speciale plekken, worden uitgevoerd door gekostumeerde en vaak gemaskerde mensen, die magische en gevaarlijke middelen toedienen en instrumenten hanteren die buiten het bereik vallen van gewone mensen.

Rituelen spelen een niet onbelangrijke rol in de medische zorg. Patiënten zijn ervan gediend en hebben er ook baat bij. Ehrenreich vermeldt een onderzoek waaruit blijkt dat de klachten van mensen met het prikkelbaredarmsyndroom die een pil kregen waarvan expliciet werd gezegd dat ze géén werkzame stof bevatte, evenveel baat hadden bij die placebo als de controlegroep die een door de overheid goedgekeurd medicijn had gekregen.

 

Toen Ehrenreich in wetenschappelijke publicaties ontdekte dat de ‘vijfenzeventig jaar oude remedie tegen verhoogde oogdruk die al aan tientallen miljoenen mensen was voorgeschreven’ niet werkzaam was, ja dat zes studies uitwezen ‘dat de behandelde patiënten uiteindelijk slechter af waren dan de onbehandelde groep’, besefte ze ‘dat het medische besluitvormingsproces niet op harde feiten of een formele analyse berust, maar op drijfzand’. Dat moge dan een onterechte veralgemening zijn, geruststellend is dit allerminst. Bij nazicht van enkele van Ehrenreichs bronnen bleek ook dat artsen die dergelijke zaken door zorgvuldig onderzoek aantoonden, grote moeite hadden om hun bevindingen gepubliceerd te krijgen.

 

Selfies

Het ‘zelf’, een strikt persoonlijke identiteit, is een relatief recente uitvinding, zeg maar de opvolger van de in ongebruik geraakte ‘ziel’ of ‘geest’. Door dat ‘zelf’ kunnen mensen zich maar moeilijk een wereld voorstellen waar ze geen deel meer aan hebben, een bestaan zonder hen. Maar, voegt Ehrenreich hieraan toe, vrijwel iedereen kan zich een wereld zonder andere mensen, zelfs zonder dierbaren voorstellen. Iedereen heeft een sterk bewustzijn van een eigen toekomst. Ons ego zit ons tal te zeer dwars om te aanvaarden dat ons bestaan langzaam maar zeker ophoudt. Als remedie bedachten en bedenken mensen goden en hemels. Maar nu god plaats gemaakt heeft voor het ‘zelf’ wordt de uiteindelijke teloorgang nog onaanvaardbaarder.

Oplossing? Hef het ‘zelf’ op en de angst voor de dood verdwijnt. Dat althans concludeert men volgens Ehrenreich uit klinische proeven waarbij kankerpatiënten met sterke doodangst een flinke dosis psilocybin (het actieve bestanddeel in zogenaamde magische paddenstoelen) krijgen toegediend hun ‘existentiële smart’ af te zwakken. De patiënt tript enkele uren onder het toeziend oog van een arts. Eens de drug uitgewerkt brengt de patiënt gedetailleerd verslag uit en wordt een en ander verder opgevolgd. Resultaat: de patiënten waren hun sterke doodsangst gedurende een zestal maand kwijt. De drug heft, zo heet het, de identificatie met het lichaam op waardoor ‘de geest’ (het brein?) zich in een ego-vrije toestand bevindt.

Het idee om aan stervenden een psychedelische drug te geven, werd het eerst geopperd door Aldous Huxley in The Doors of Perception (1954) en Huxley maakte er uiteindelijk ook zelf gebruik van. In de jaren zestig werd LSD gebruikt om doodsangst te bezweren en alcoholisten te behandelen, maar die experimenten waren slecht opgezet en onvoldoende gecontroleerd.

In haar enthousiasme vergeet Ehrenreich te vermelden dat het met die paddo’s toch niet allemaal koek en ei is. Bij de experimenten ermee waren er ook kwalijke effecten. Onder invloed van de drug krijgen de patiënten niet alleen mystieke maar ook angstaanjagende hallucinaties. Confrontaties met afzichtelijke monsters, het gevoel te stikken en te sterven. Geen nood, de patiënten werden voordien getraind om dit aan te kunnen. Gewoon omhelzen! Omdat ze de dood in ogen hebben gezien maar niet gestorven zijn, raken ze ervan overtuigd dat ze de dood van hun lichaam op de een of andere manier zullen overleven. Dat althans is de redenering. Laten we hopen dat deze patiënten nog een lang leven beschoren is maar dan zullen ze, gezien het feit dat de therapie maar relatief korte tijd helpt, nog duizend doden sterven.

Ehrenreich besteedt heel wat aandacht aan de fitnessideologie en de gezondheidsrage. Vooral vrouwen (moeten) alle moeite van de wereld doen om te beantwoorden aan het vrouwonvriendelijk beeld waaraan de meesten onder ons verknocht zijn. Wie niet meedoet, wordt en is gezien. Dat armoede, beroep en ras (het gaat over de VS) een grote rol spelen in iemands gezondheid, daar wordt zelden rekening mee gehouden. De doctrine van de individuele verantwoordelijkheid betekent dat wie minder gezond is, dat aan zichzelf te wijten heeft.

Toen Ehrenreich eind vorig jaar de prestigieuze Erasmusprijs kreeg, schreef De Volkskrant dat ze ‘de gave heeft om dingen die niemand graag ziet als eerste op te merken’. Het was een bekroning van haar ‘ondogmatische manier van kritisch denken’. Ehrenreichs ironisch-kritische kijk op het tijdsegment waarin we leven maakt ook de eigenheid, het tijd- en mode gebonden karakter ervan duidelijk.

Het boek is goed gedocumenteerd maar bij controle van enkele bronnen, blijkt dat Ehrenreich niet altijd even correct interpreteert en rapporteert. Ze veronderstelt ook heel wat en vindt zonder enig argument dat alternatieve geneeswijzen ‘ten onrechte als pseudowetenschappelijk worden afgedaan’.

Ehrenreich besluit haar relaas met het laatste gedicht dat Bertolt Brecht in 1956 op zijn sterfbed zou geschreven hebben:

Bertold Brecht

Toen ik in mijn ziekenkamer in de Charité   

Tegen de ochtend wakker werd

En een merel hoorde zingen, begreep ik

Het beter. Ik was al een tijd

Niet bang meer voor de dood. Want er kan

Niets meer met me aan de hand zijn

Als ik zelf niets ben. Nu

Kon ik ook genieten

Van het gezang van iedere merel na mij

 

 

Brecht herstelde, werd uit de Charité ontslagen, genoot nog van de zomer en gaf de briljante geest in eigen huis.

 

Barbara Ehrenreich: Oud genoeg om dood te gaan  Over de vragen die iedereen zich ooit moet stellen. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 19,99.

 

Zie ook: https://www.nytimes.com/2015/11/03/science/book-review-ending-medical-reversal-laments-flip-flopping.html

en: https://www.springer.com/us/book/9783319932231

 

May 17, 2019 at 3:24 am 1 comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,584 other followers