RED DE BRUSSELSE MEDIA

Anne Brumagne

Anne Brumagne

door Walter Zinzen

Brussel deze Week is zonder twijfel één van de weinige kwaliteitskranten in ons land. Complexloos Nederlandstalig met een open vizier voor de vele gemeenschappen die onze hoofdstad rijk is, met aandacht voor cultuur , sport en de jongere lezer, kritisch voor de beleidsmakers waar nodig. Kortom een journalistiek topproduct.

Of dat zo zal blijven is bijzonder twijfelachtig. Want Brussel deze Week behoort sedert enige tijd tot een gemeenschappelijke vzw , samen met TV-Brussel, de nieuwssite brusselnieuws.be en FM Brussel. Deze nieuwe vzw, Vlaams Brusselse Media genoemd, heeft vele bedoelingen maar het bevorderen van goede journalistiek is daar niet bij. In het rumoer dat ontstaan is door de , ijlings ingetrokken , afschaffing van FM Brussel , is onderbelicht gebleven dat de hoofdredacteur van Brussel deze Week , Anne Brumagne ontslagen is. Op brusselnieuws.be werd ze in deze termen uitgewuifd : “Ze is een uitstekende hoofdredacteur, een hoofdredacteur met visie op degelijke journalistiek en met een zeer grote menselijkheid. Anne ging voor journalistieke en maatschappelijke relevantie en niet voor perceptie en de schone ogen van de macht.”

Laten deze kwalificaties nu net de reden zijn geweest voor haar ontslag want journalistieke en maatschappelijke relevantie is wel het laatste wat de bazen van VBM willen. Dat blijkt al uit de samenstelling van de Raad van Bestuur : 12 uitsluitend politiek benoemde leden , van wie slechts 2 met een journalistiek profiel. Alle anderen zijn marketeers of reclamemensen, te beginnen met voorzitter Marc Michils, bekend van de Liga tegen Kanker , maar zonder enige media-ervaring. Dat geldt ook voor de algemeen directeur ,Michel Tubbax, ondertussen alweer ontslagen maar nog altijd werkzaam in het verborgene. Hij werd benoemd op 13 oktober 2014. “Hij heeft, zo staat in het verslag van de Raadsvergadering letterlijk te lezen, uitgesproken ervaring met change, het leiden van een groep, coachen.” Ervaring met media? Met journalistiek? Daar was geen behoefte aan. Wel aan een plan om de Brusselse media op een nieuwe leest te schoeien. Daar moest Jan Callebaut voor zorgen.

Jan Callebaut ! Een man die al tientallen keren heeft bewezen dat journalistiek hem geen lor interesseert. “De eindgebruiker heeft altijd gelijk” beet hij de protesterende redacties toe. Zijn plan maakt integere journalistiek onmogelijk. En dat is ook de bedoeling. In zijn beleidsbrief geeft voogdijminister Gatz de Brusselse media de opdracht te berichten over de Vlaamse Gemeenschap en haar Brusselse Commissie alsmede over de Nederlandstalige verenigingen en organisaties. “Een missie voor een communicatiedienst, geen journalistieke missie” noemde Bart Eeckhout dat – terecht – in De Morgen.
Ondertussen smijten de dames en heren marketeers met overheidsgeld dat het een lieve lust is. De fusie heeft vorig jaar alleen al 180.000 € gekost, daarvan 20.000 voor het rekruteren van de algemeen directeur, die een wedde van om en bij de 7000 € kreeg (krijgt?). De studie van Jan Callebaut kostte 60.000 €. En zo gaat dat maar door. Maar personeelsleden moeten wel afvloeien. Degenen die blijven moeten ‘cross-mediaal’ werken , dat wil zeggen voor vier media tegelijkertijd werken. Verbetering van de kwaliteit ? Neen, verbetering van de “efficiëntie”.

De verantwoordelijke politici , de heren Van Hengel, Smet en Gatz moeten beseffen dat het geld voor de Brusselse media niet hun eigen geld is maar dat van ons allemaal. Die media staan dus niet in hun dienst, maar in die van ons. Ze moeten zonder politieke inmenging kunnen werken. Daarom moet de huidige Raad van Bestuur van partijpolitieke handpoppen verdwijnen en vervangen worden door onafhankelijke competente mensen , moet Anne Brumagne in ere worden hersteld , en moet een heel nieuwe , op kwaliteit en relevante informatie gerichte visie worden ontwikkeld.

Walter Zinzen is gewezen bestuurslid van Brussel deze Week.
http://www.standaard.be/

juni 24, 2015 at 1:51 pm 1 reactie

DE KASSEIEN VAN DE KORENMARKT

SAM_2957; Gujarat, Rajasthan, India; 05/22/2008, INDIA-11398

Een opiniestuk zoals u er in uw krant geen zult lezen.

Tom Ronse

Immobiel zijnde na een operatie, heb ik de laatste weken veel Vlaamse televisie geconsumeerd. Ik heb heel wat knappe documentaires gezien en af en toe ook knappe fictie. De grootste teleurstelling was het Journaal. Ik vond de toon en inhoud vaak gezagsgetrouw, chauvinistisch, navelstarend, schandaalbelust, impliciet racistisch en oppervlakkig. Het is waar dat die adjectieven ook toepasselijk zijn op soortgelijke programma’s in Amerika maar de navel waar men daar naar staart is op zijn minst ietwat groter dan de Vlaamse. Wat er zich buiten het zakdoekje Vlaanderen afspeelt is blijkbaar vaak niet de moeite waard om in het Journaal te rapporteren.

Tenzij er een of andere connectie met Vlaanderen is. Liefst iets dat in de schandaalsfeer kan worden getrokken. Zo komt het onderwerp kinderarbeid en hongerlonen in India in de kijker als blijkt dat de stad Gent -die zich graag een progressief imago aanmeet-  zijn Korenmarkt heeft laten bedekken met kasseien die in dergelijke ellendige omstandigheden werden gemaakt.  Genant voor burgemeester Termont, gniffel gniffel. Het is een lelijke puist waar snel een pleister opgekleefd moet worden. Laat ons eens kijken, wat valt er aan te doen? Strengere controle op de naleving van de wet op kinderarbeid in India.  Europese en Amerikaanse invoerders onder druk zetten om van hun leveranciers in de “derde wereld”  te eisen dat ze zonder kinderarbeid werken en hun personeel fatsoenlijk betalen. Dat was het zo ongeveer, wat de tv- en krantencommentatoren erover te zeggen hadden.

Uit blogpot Donviona

Uit blogpot Donviona

De grondstoffen voor kasseien vind je in zowat alle werelddelen maar ze worden op zeer verschillende manieren geproduceerd. Grofweg zijn er twee methoden. De eerste is kapitaalintensief. Wie ooit een steengroeve bezocht in een hoog ontwikkeld land, zal het opgevallen zijn hoe weinig mensen je er aan het werk ziet. Bijna alles wordt gedaan met grote machines die vaak bestuurd worden door computers. Heel anders is de kasseiproductie in een land als India. Daar krioelt het van het werkvolk, groot en klein, die de stenen met voorhamers en ander lowtech alaam te lijf gaan. Natuurlijk is de productiviteit van zo’n Indisch bedrijf  veel lager. Om te kunnen concurreren met hightech steengroeven moeten de arbeidskosten er dus veel lager zijn.  Kinderarbeid en hongerlonen zijn daarvan het logisch gevolg. Schakel die uit, dan stijgen de productiekosten en daalt dus de winst. Tenzij de prijs van het product stijgt maar dan wordt het minder concurrentieel waardoor zijn markt zal krimpen.  Het kapitaal dat in deze ondernemingen geinvesteerd is, zal dus in beide gevallen gestimuleerd worden om naar elders te versluizen.

Een reportage in The New York Times illustreert het probleem goed. Ze betrof een vrouw in Zambia die lange dagen zwoegde om met een voorhamer rotsen in kleine stukjes te slaan. De keitjes werden gebruikt voor opritten van de villa’s van Zambiaanse rijken. Die rijken konden ook keitjes kopen van bedrijven die machines hadden om rotsen te verpulveren.  Zo’n machine deed in enkele minuten wat de vrouw een hele dag kostte. Geen wonder dus dat die dame nog geen 2 euro per dag verdiende.  Een ‘fatsoenlijk loon’ is dat niet.  Maar als ze een menswaardige vergoeding zou vragen, zou ze voor haar keitjes geen kopers meer vinden.

 Kinderarbeid in Myanmar

Kinderarbeid in Myanmar

Hetzelfde geldt voor de Gentse ‘kinderkopkes’.  Schaf de kinderarbeid daadwerkelijk af, betaal hogere lonen en vele van de steengroeven van Rajasthan die Gent hebben bevoorraad zullen hun werkzaamheden stopzetten. En dat in een streek waar er vrijwel geen alternatieve tewerkstelling is.

Kan Fair Trade een oplossing bieden? “Fair Trade” betekent dat de klanten hogere arbeidskosten absorberen en dus een prijs boven de geldende marktprijs betalen. Gezien de steeds bitsigere prijzenslag op de globale markt kan het dus hoogstens een marginaal fenomeen zijn. Per definitie een uitzondering, nooit de regel. Zeker niet in de huidige crisiscontext.

Kapitaal zoekt altijd op zijn minst de modale winstvoet en als het kan meer. Het heeft geen enkele reden om te blijven waar de winstverwachting ondermaats is.  Dat is ook het probleem in Griekenland. Het bedrijf  ‘Griekenland’ heeft een te lage winstverwachting om kapitaal aan te trekken.  Dus moeten zijn productiekosten verkleinen. Dat betekent meer sociale bezuinigingen en meer belasting. Dat betekent lagere lonen. De regering staat er voor de keuze: ofwel het desastreuze beleid van zijn voorgangers verder zetten ofwel de ‘Grexit’. De laatste mogelijkheid lijkt steeds dichterbij te komen. Beide opties leiden naar een pauperisatie van de reeds zwaar getroffen werkende en werkloze bevolking. De laatste wellicht het snelst.

Het is een ijzeren logica waar geen Syriza tegen opgewassen is: ofwel maak je het kapitaal naar zijn zin ofwel vlucht het weg. Je kunt het niet tegenhouden.  En zonder sta je nergens in een kapitalistische wereld. De crisis-context versnelt de tendens.  Het kapitaal zoekt een veilige haven en Griekenland  is dat niet.

grexit-comic

Zelfs als er geen krisis zou zijn, zouden de vooruitzichten somber zijn voor de kasseihakkers van Rajasthan, voor de Grieken en uiteindelijk voor ons allemaal.  Welke richting gaat de geschiedenis uit? Veel is onvoorspelbaar maar zeker lijkt dat de opmars van de informatie-technologie zal verder gaan. Nog meer dan vandaag zal de automatisering de productiekosten van kasseien en al de rest verlagen. Om concurrentieel te blijven zullen lowtech bedrijven in landen als India  niet anders kunnen dan nog lagere lonen te betalen. Hongerlonen die ouders dwingen hun kinderen te verhuren of te verkopen.  Daar kunnen campagnes tegen kinderarbeid en tegen mensenhandel niet aan verhelpen.

De automatisering (niet alleen van productie maar ook van diensten) impliceert dat ook in de meest ontwikkelde landen meer en meer banen zullen verdwijnen. Maar voorlopig is het vooral de minder concurrentiele rest van de wereld waar vele miljoenen mensen niet winstgevend en dus “overbodig” worden. Een van de gevolgen is dat duizenden aanspoelen op Europa’s kusten. Ze zijn slechts een voorhoede.

Ook daar hebben de politici geen oplossingen voor tenzij krankjorum ideeen zoals het bombarderen van boten waarvan men vermoedt dat ze gebruikt worden door smokkelaars. Alles wat ze voorstellen, of het nu over kinderarbeid gaat of over Griekenland of over bootvluchtelingen of over klimaat-opwarming, zijn pleisters op een houten been. Struisvogels zijn het, met hun kop diep in het zand.

Men heeft geen oplossingen. Evenmin voor de globale economische krisis. In de voorbije jaren is men ze te lijf gegaan met bezuinigingen en met stimulerende maatregelen maar niets kon beletten dat de globale schuldenlast steeds zwaarder werd. De economie is niet winstgevend genoeg om die last te dragen dus moeten de schulden groeien om de ineenstorting naar de toekomst te verschuiven. “Het verleden verslindt de toekomst”, zoals Thomas Piketty opmerkte. De impotentie van die uiteenlopende politieken geeft aan dat het hier niet zozeer gaat over een krisis die het gevolg is van een verkeerd beleid dan wel om een systeemskrisis, zelfs een beschavingskrisis. Fundamentele kenmerken van onze beschaving – hoe en waarom we dingen doen en maken, hoe we omgaan met anderen, onszelf, de natuur, de andere dieren- zijn in konflikt met de krachten die deze beschaving in het leven heeft geroepen. Anders gezegd: productie voor de markt, voor winst, en alles wat ermee samenhangt, wordt steeds minder verzoenbaar met de menselijke drang om te overleven, om zich te ontplooien.

Uit de puinen van dit konflikt zal misschien een nieuwe beschaving verrijzen. Hoe die er uit zal zien, kunnen we nog niet weten. Zoals “Het Zesde Metaal” zingt:

 

“Miskien is’t nog te vroeg,

Miskien is’t nog niet donker genoeg”.

 

 

juni 19, 2015 at 11:44 pm 2 reacties

PANTA REI – alles stroomt

Herak 2

door Marnix Verplancke

Goudzoekers woelen veel aarde om en vinden maar weinig, wist de Griekse wijsgeer Herakleitos in de zesde eeuw voor onze tijdrekening al. Toch lijken we deze wijsheid het grootste deel van het jaar naast ons neer te leggen, tot het vakantie wordt en we bereid zijn plaats te maken voor de relativerende filosoof die niet alleen beweerde dat alles stroomt, maar ook dat je geen tweemaal in dezelfde rivier kunt stappen.

Samen met Thales, Anaximenes en Xenophanes ligt Herakleitos aan de basis van onze filosofie en wetenschap. Deze natuurfilosofen waren immers de eersten die aarde en mens wilden doorgronden en op zoek gingen naar eerste beginselen waaruit alles ontstaan zou zijn. Voor de een was dat water en voor de ander lucht, en natuurlijk sloegen ze vaker naast dan op de bal, maar hun belang ligt in hun intentie, niet in wat ze met zekerheid meenden te kunnen zeggen over de wereld en dat naderhand onzin is gebleken. Met uitzondering van hun levensfilosofie natuurlijk, want daaruit kunnen we nog wel heel wat opsteken.
Herakleitos schreef zijn filosofie neer op een papyrusrol die de priesters van de tempel van Efeze anderhalve eeuw bewaarden, tot in 356 v. Chr. Herostratos dit heiligdom in brand stak en de papyrusrol mee in vlammen opging. Ironisch genoeg kreeg Herakleitos zo ook gelijk in zijn keuze van het beginsel waaruit alles ontstond en waarin alles uiteindelijk ook weer ten onder zou gaan: vuur. De aforismen en tekstfragmenten die we van hem hebben, komen daardoor uit boeken die hem citeren, en zo hebben we er een stuk of honderd. Het beeld dat we zo van hem krijgen is dat van een hooghartige misantroop die aan de zijlijn stond te zwijgen. En wanneer mensen hem vroegen waarom hij zweeg, zei hij: “Omdat jullie over mij zouden kunnen roddelen”.

Wie zijn teksten leest, merkt dat Herakleitos echter sympathieker was dan hij leek. Met zijn relativistische insteek van “take it easy” en “go with the flow”, maakt hij zelfs een bijzonder moderne indruk. Besef dat de wereld vooruitkomt door tegenstellingen, zegt hij, dat warmte de neiging heeft om af te koelen en vocht verdampt, en dat een willekeurige warhoop de mooiste wereldorde is. Herakleitos waarschuwt tegen hybris en ijdelheid en maant ons vooral aan de boel gewoon de boel te laten en van het leven te genieten.

Paul Claes, de man die de teksten van Herakleitos vertaalde en van uitleg voorzag, toont ook de nawerking van de Griekse wijsgeer. T.S Eliot en Samuel Beckett bleken liefhebbers van zijn wijsheid te zijn, maar ook Montaigne was een groot bewonderaar van Herakleitos.

Herakleitos, Alles stroomt, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2014, 199 p., 17,50 euro

mailto:marnix.verplancke@skynet.be

http://www.liberales.be/boeken/herakleitos2

juni 17, 2015 at 3:32 pm Een reactie plaatsen

LEO DELCROIX MUNT HET WOORD ‘RECIDIVIST’

Belgisch Paviljoen Shangai

Belgisch Paviljoen Shangai

door Jef Coeck

De wijze waarop gewezen minister van Defensie Leo Delcroix (66) de openbare aanbestedingen heeft beheerd voor de Wereldtentoonstelling 2010 in Shanghai, wordt onderzocht door justitie. Volgens de krant L’Echo werd vorig jaar door het parket van Tongeren een huiszoeking uitgevoerd op de FOD Economie, waar Delcroix als regeringscommissaris zijn bureau heeft. Het was bekend dat het Rekenhof zware kritiek heeft op de manier waarop Delcroix de Expo in Shanghai heeft georganiseerd. Het Rekenhof oordeelde dat er zo veel regels met voeten waren getreden “dat een controle van de financiën gewoon onmogelijk was”. Zes medewerkers ontvingen een bonus van 10.000 euro zonder dat er een reden voor opgegeven werd, zo schrijft de krant. Onder meer de wet op de openbare aanbestedingen was niet correct nageleefd, en de boekhouding was een zootje. De FOD Economie was verantwoordelijk voor de controle, maar zou dat onvoldoende hebben gedaan, oordeelde het Rekenhof.

Nieuwe wereldexpo

Volgens L’Echo zou ook het parket van Tongeren een onderzoek voeren naar het beheer van de openbare aanbestedingen voor de Expo van Shanghai. In het kader daarvan werd de huiszoeking bij Financiën bevolen. De gladde Delcroix werd ondanks de kritiek van het Rekenhof opnieuw benoemd als regeringscommissaris voor de Wereldtentoonstelling in Milaan, die dit jaar plaatsvindt. Leo Delcroix was een prominent politicus van de CVP, de voorganger van CD&V. Hij was onder meer minister van Defensie. Hij werd geregeld geassocieerd met schandalen, zoals de milieuboxenaffaire en zwartwerk aan zijn villa in F Frankrijk.

Delcroix

Delcroix

In zijn jaarlijkse blunderboek is ook het Rekenhof vernietigend voor het team, onder leiding van Delcroix, dat het Belgisch paviljoen op de wereldexpo in 2010 in Shanghai organiseerde. Er werden zoveel regels met voeten getreden dat een controle van de financiën gewoon onmogelijk was, luidt het in De Standaard en Het Nieuwsblad.

Winst

Op de wereldtentoonstelling in Shanghai lokte het Belgische paviljoen 10 miljoen belangstellenden. De organisatie leverde een winst van 7,5 miljoen euro op, onder meer door de verkoop van het paviljoen voor 6,35 miljoen euro. Het Rekenhof vond de boekhouding een zootje. Zo verliepen ongeveer alle uitgaven en inkomsten buiten de begroting. Ook kregen dus zes personeelsleden een bonus van 10.000 euro, terwijl het niet duidelijk is waarom. Voorts is de boekhouding compleet onoverzichtelijk, werden tal van afspraken met sponsors en derden enkel mondeling gesloten en stortte de federale overheid om onduidelijke redenen 1 miljoen euro meer dan was vastgelegd. Bovendien werden bij zowat alle activiteiten de wet op de openbare aanbestedingen met voeten getreden en verliepen de bouw en de verkoop van het paviljoen niet zoals vastgelegd in het contract.

Delcrois ontvangt ex-premier Leterme

Delcrois ontvangt ex-premier Leterme

Belast verleden
In november 1994 kwam Delcroix negatief in het nieuws vanwege het bezit van een villa in Bormes-les-Mimosas in Zuid-Frankrijk. Het schandaal werd door het blad Humo aan het licht gebracht. Aan deze villa hadden klaarblijkelijk enkele Vlaamse postbodes in het zwart gewerkt, die hiervoor één jaar verlof zonder wedde hadden genomen. Op aandringen van zijn toenmalige voorzitter, Johan Van Hecke, nam Delcroix ontslag als minister. Delcroix werd ook genoemd in andere gerechtelijke onderzoeken die te maken hadden met al dan niet illegale partijfinanciering, zoals de milieuboxenaffaire, het smeerpijpdossier, de miljarden van de Kempense Steenkoolmijnen, en de Superclub-KS-affaire, maar in de meeste zaken werd hij nooit officieel beschuldigd.

In 1995 werd Delcroix met een ruime verkiezingsscore verkozen voor het Vlaams Parlement. Kort nadien werd hij bovendien gemeenschapssenator. Als senator werd hij verkozen tot quaestor van de Belgische Senaat en hervormde hij de administratie van deze instelling. In 1999 verliet hij de actieve politiek en stapte hij in het bedrijfsleven. Voor zijn rol in de milieuboxenaffaire werd Delcroix in 2003 door de correctionele rechtbank in Hasselt schuldig bevonden aan schriftvervalsing. Op 30 juni 2004 werd Delcroix door het hof van beroep vrijgesproken, mede omdat de feiten waren verjaard.

Atomaschriftjes

Atomaschriftjes

Berucht waren zijn Atoma-schriftjes – waarvan niemand de inhoud kent maar die hij kennelijk dag en nacht aanvulde met nieuwe gegevens over politici, ondernemers, en wie of wat nog meer? Met allerlei truuks wist hij zijn notities uit handen van het gerecht te houden.

Tegenwoordig

Delcroix wordt gerekend tot de rechterzijde van de CD&V. Hij trok meermalen het cordon sanitaire met het Vlaams Blok in twijfel. Op de achtergrond blijft hij volgens sommigen invloed uitoefenen op zijn partij of op partijgenoten. Hij is nu actief bij de Universiteit Hasselt. Nog steeds verblijft hij veel in China en opende in Peking een eigen zakenkantoor. Voorafgaand aan de wereldtentoonstelling in Shanghai in 2010 was hij projectverantwoordelijke voor het Belgische paviljoen. In de herfst van 2010 volgde hij Theo Kelchtermans op als voorzitter van de Universiteit Hasselt. Zijn hobby is het (mede) uitgeven van culinaire boeken. Het is de vraag welke en wiens reactie er zou komen als hij zijn Atoma-schriftjes publiceerde. Misschien staat er niet eens iets relevants is: dreigen met een nep-pistool?

Lees ook: Dirk Barrez, Het land van de 1000 schandalen, Globe, 1997

juni 4, 2015 at 12:24 pm Een reactie plaatsen

‘DE KERN VAN ONS CYNISME:

boot 2

door prof. Ignaas Devisch
dagelijks aanspoelende lijken maken ons geen flikker uit’

‘Het wordt hoog tijd dat de visionaire en humane principes waarop de Europese Unie is gefundeerd in realiteit worden omgezet, schrijft filosoof Ignaas Devisch over de aanhoudende vluchtelingenstroom naar Europa.

Het is zaterdagmorgen en ik lees dat dat er op de Middellandse Zee in totaal zo’n 4.200 vluchtelingen zijn gered. Er werden op verschillende boten in totaal ook 17 lijken aangetroffen. Op 1 dag! Het bericht staat niet eens bovenaan de online nieuwssites. Het woord ‘breaking’ wordt blijkbaar vooral gebruikt wanneer K3 aankondigt ermee op te houden, en dan toch weer niet echt.
De lijken vallen elke dag en de vluchtelingstroom houdt aan. Mensen over heel de wereld slaan op de vlucht voor hun leven. Steeds meer. Elke dag weer. We weten vanwaar ze komen. Terwijl de aangrenzende landen worden overspoeld en de levensomstandigheden in de vluchtelingenkampen verschrikkelijk zijn, kijken we toe. Terwijl miljoenen in nood zijn, aanvaarden sommige EU landen noodgedwongen een paar duizend vluchtelingen. Omdat ze aanspoelen of ergens in zee zijn opgepikt.
De kern van ons cynisme: dagelijks aanspoelende lijken maken ons geen flikker uit.
Mensen die vluchten om te overleven worden gedwongen gevaarlijke wegen te zoeken naar een veilig onderkomen in de Europese Unie. Ondertussen blijven de lichamen van verdronken vluchtelingen aanspoelen op de kusten van de Middellandse Zee. Elke dag weer. Soms veel, soms weinig. Geven we om de mensen die sterven op hun zoektocht naar veiligheid ? Of zijn we het een beetje beu geworden? Zoals er donatievermoeidheid blijkt te bestaan, zo ook empathievermoeidheid? Smaakt de koffie te slecht door erover te moeten nadenken op zaterdagochtend? Misschien. Ik mag het hopen.

Ook wij waren ooit vluchtelingen

Onze houding is cynisch. Wij staan nu op het droge, maar dat is ooit anders geweest. De meeste landen hebben nu eenmaal een geschiedenis van armoede en conflict. Ook wij hebben voorouders die hun huizen moesten verlaten of die arriveerden op vreemde kusten. Zij kennen de nood die veroorzaakt wordt door te moeten verhuizen. Andere delen van de wereld hebben ons verwelkomd toen onze voorouders op de vlucht sloegen.
Nochtans, we lopen te koop met onze hoogdravende waarden. In het Verdrag van de Europese Unie staat te lezen: ‘De Unie is gefundeerd in de waarden van respect voor menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en respect voor mensenrechten’. Ik geloof sterk in die principes waarop de EU gefundeerd werd, maar ze moeten worden omgezet in daden of ze zijn waardeloos. In plaats van de engagementen van het verdrag na te leven, wordt er prikkeldraad opgetrokken rond onze EU grenzen. Ons ‘respect voor menselijke waardigheid’ lijkt dus alleen van toepassing op diegenen binnen de omheining. En dan nog.
Misschien moet het volgende besef wel even tot ons doordringen: enkel de omstandigheden maken van de ene mens een vluchteling en van de ander een voldragen EU-burger. We maken allen deel uit van dezelfde mensheid als diegenen die plots vluchtelingen worden. Goed wetende dat voor velen die laatste zin te ‘melig’ zal klinken, is dat de kern van ons cynisme: het lijkt ons werkelijk geen flikker uit te maken dat er dagelijks lijken aanspoelen of ergens in zee ronddobberen.
Niet alleen als EU-burger raakt me dit. Ik schrijf dit stuk ook omdat ik deel uitmaak van een groep onderzoekers die zich met steun van de EU verenigd hebben in het COST Actieproject rond ethische kwesties in rampen (http://disasterbioethics.eu). We werken rond ethische vragen in rampensituaties. Als onderzoekers en EU-burgers geloven we dat het huidige antwoord van de EU op de wereldwijde vluchtelingencrisis de menselijke waardigheid schaadt. Het wordt hoog tijd dat de visionaire en humane principes waarop de Europese Unie is gefundeerd, in realiteit worden omgezet. Zoniet kan dat verdrag beter worden gedumpt, maar dan liefst niet in zee. Daar ligt al zoveel ellende begraven.

Prof. Dr. Ignaas Devisch (filosoof, Universiteit Gent/Arteveldehogeschool)
boot

juni 2, 2015 at 8:32 am 2 reacties

Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Orwell wist het al: woorden zijn zelden neutraal. Ze dienen om te verhelderen, maar tegelijk ook vaak om te verhullen en de vlag dekt maar zeer ten dele de lading. Politici en economen maken handig gebruik van die eigenschap van woorden om een verborgen boodschap over te brengen. “Strategisch taalgebruik” noemt Jan Blommaert dat. Blommaert weet waarover hij spreekt: hij is sociolinguist en doceert aan de universiteit van Tilburg als hoogleraar taal, cultuur en globalisering.  Onderstaande tekst uit november 2013 blijft vandaag meer dan actueel.

Johan Depoortere 

Afbeelding

Jan Blommaert

 

Het taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

Schermafbeelding 2015-05-25 om 11.33.18De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daarmoeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

voor-alle-werknemers

Werdgevers of werknemers?

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel dieactoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

epa03163537 (08/18) Local residents look for food in a pile of garbage at Perama, 25 km west of Athens, Greece, 22 March 2012. From 10 to 24 March the municipality of Perama was full of piles of garbage because the gas stations who supply the municipality vehicles were unpaid for several months. The unemployment in the town of Perama has exceeded 60 per cent while in the small shipyards and the significant Shipbuilding and Repair Zone of the area has hit 95 per cent. The social fabric of the town of Perama faces the threat of collapse as thousands of families live below the poverty level.  EPA/ORESTIS PANAGIOTOU PLEASE SEE ADVISORY epa03163529 FOR FULL FEATURE TEXT

Griekenland op de goede weg?

media_xl_1100243Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies?

Jan Blommaert

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013.

mei 25, 2015 at 9:50 am 1 reactie

EN DÚS MOETEN DE LONEN OMLAAG

Goed voor de economie, slecht voor de mensen, zo zou je kunnen samenvatten wat economen en politici ons voorhouden. Dagelijks worden we om de oren geslagen met axioma’s die we op den duur gaan slikken als onbetwistbare waarheden, als waren het natuurwetten: “de overheid moet ontvet worden” “de bedrijven moeten zuurstof krijgen,” “arbeid moet flexibeler worden” “onze concurrentiekracht  moet omhoog” en ja “de lonen moeten omlaag.”   Zelden worden deze “waarheden” tegen het licht gehouden. Dat is nu net wat Mirjam de Rijk In de Groene Amsterdammer van 1 april  wél doet: wat is mythe en wat is werkelijkheid in de wereld en het taaltje van de economische hogepriesters. Hieronder volgt een licht ingekorte versie van haar bijdrage. De volledige tekst lees je hier.
Johan Depoortere
mythen_231_loonwoensdag 1 april 2015

Negentien mythes over ‘wat goed is voor de economie’

In zijn boek Niet alles is te koop wijst de politiek-filosoof Michael J. Sandel op het onderscheid tussen een markteconomie en een marktsamenleving. Een markteconomie staat ten dienste van de mens, in een marktsamenleving staat de samenleving ten dienste van de economie. Zegt u het maar, aldus Sandel.

Toch komt dat debat maar moeizaam op gang, te vaak blijft het bij gemeenplaatsen over wat goed is voor de economie. Waarbij niet nader wordt gespecificeerd waar we het met ‘de economie’ dan eigenlijk over hebben: over banen, over het welvaren van grote bedrijven, over het welbevinden van mensen, over meer gelijkheid, meer ongelijkheid?

De economen Arjo Klamer en Paul Teule telden hoe vaak de termen ‘economische groei’, ‘de economie’ en ‘bbp’ de afgelopen eeuw gebruikt werden in Nederlandse parlementaire stukken. De term ‘economische groei’ kwam in de periode van 1920 tot 1950 slechts vijf keer voor, in de periode van 1995 tot 2010 was dat 5847 keer. Het bbp werd tot 1965 slechts twee keer genoemd, tussen 1995 en 2010 maar liefst 4600 keer. Zouden ze de stukken van de afgelopen vijf jaar doorworstelen, dan kwamen de getallen waarschijnlijk nog veel hoger uit.

In deze tweede aflevering over economische verdichtselen negentien mythes over de rol van de markt, over de betaalbaarheid van de publieke sector, over het meten van vooruitgang en de bestrijding van ongelijkheid. Kortom, over wat goed is voor ‘de economie’. En hoe verschillend je daar tegenaan kunt kijken.

Mythe 1: economie gaat over geld

Economie gaat over ‘het optimaal voorzien in de behoeften van mensen die nu leven en straks leven, hier en elders’, vat econoom Arnold Heertje zijn vakgebied samen. En dat gaat dus niet alleen over behoeften die in geld uitgedrukt kunnen worden, wil hij maar zeggen. Hij hecht sterk aan het ‘brede welvaartsbegrip’ dat hij ooit in de jaren vijftig van zijn leermeester Pieter Hennipman meekreeg.

Helaas is anno 2015 een economische beschouwing synoniem aan een financiële beschouwing. Vanuit het brede welvaartsbegrip is niet alleen van belang wat er ‘onder de streep overblijft’, wat boven de streep gebeurt is zeker zo relevant: de aard van werk, de invloed die productie heeft op de leefomgeving. Heertje verbaast zich over beweringen als ‘ja, maar het is goed voor de economie’ als manier om voorstellen te verdedigen die op veel weerstand stuiten. ‘Vanuit het brede welvaartsbegrip kan dat eenvoudig niet: als economie gaat over de behoeftebevrediging en er is breed verzet tegen een voorstel kan het voorstel onmogelijk “goed voor de economie” zijn – die economie was immers bedoeld voor de behoeften van diezelfde mensen.’

Economie is een normatieve kracht geworden in plaats van een faciliterende, zegt de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek, auteur van De economie vangoed en kwaad. ‘De economie vertelt ons wat we moeten doen, in plaats van te helpen bij het bevredigen van onze behoeften.’ Waar economie vroeger een geesteswetenschap was, die hielp nadenken over vraagstukken zonder de waarheid in pacht te hebben, is het nu ‘veredelde wiskunde’, stelt hij, ‘en met betwistbare formules’.

Mythe 2: geef bedrijven de ruimte, dat is goed voor de economie

De redenering is dat als bedrijven minder dwarsgezeten worden door regels en belastingen, en méér worden gefaciliteerd, de economie groeit en uiteindelijk iedereen erop vooruit gaat.

Bedrijven betalen in Nederland op dit moment gemiddeld nog maar tien procent vennootschapsbelasting (netto, dus na aftrek van vrijstellingen), berekende Flip de Kam, hoogleraar economie van de publieke sector in Groningen. Dat is een halvering ten opzichte van vijftien jaar geleden, onder het motto dat ze met het uitgespaarde geld ruimte hebben om te investeren.

Niets wijst er echter op dat dit gebeurt: de investeringen zijn ongekend laag en het geld wordt gebruikt voor winst- en dividenduitkeringen of om de eigen aandelen op te kopen. Ook in de Verenigde Staten heeft een forse verlaging van belastingen voor bedrijven niet geleid tot meer investeringen of meer economische groei, blijkt uit onderzoek van Bruce Bartlett, voormalig adviseur van nota bene de Republikeinse presidenten Reagan en Bush.

Dat het mkb een minder sterke lobby heeft, blijkt uit het feit dat grote bedrijven veel minder belasting betalen dan kleine. Als gepleit wordt voor de belangen van ‘het bedrijfsleven’ gaat het meestal over de belangen van grote bedrijven. Voor zowel de economische groei van een land als voor werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf echter belangrijker. De belangen van het mkb zijn deels tegengesteld aan die van grote bedrijven; het mkb heeft belang bij binnenlandse afzet, en dus bij behoorlijke lonen, terwijl grote bedrijven vaak mikken op export en loonmatiging. Alleen al daarom is het onverstandig om het over ‘de economie’ te hebben als een ondeelbare grootheid; de economie bestaat uit veel verschillende actoren met vaak heel verschillende belangen.

Dat niet alleen belasting maar ook andere overheidsbemoeienis niet slecht is voor economische groei laat de econoom Ha-Joon Chang zien in 23 dingendie ze je niet vertellen over het kapitalisme. Overal in Europa vallen perioden van grote economische groei samen met veel overheidsinterventie. Terwijl de liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia er juist toe leidden dat bedrijven en kapitaal zich gingen richten op kortetermijnwinsten, en dat is op termijn slecht voor de economie.

mythen#2.jpg

Mythe 3: Nederland leeft van de export

‘Nederland exportland’ is de gevleugelde uitdrukking, en tientallen keren per jaar trekken ministers, leden van het koningshuis en grote bedrijven samen de wereld in om die export te bevorderen. Twee derde van de Nederlandse export betreft echter doorvoer en heeft weinig toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie of werkgelegenheid. Al met al is de Nederlandse economie voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse afzet en dus de binnenlandse koopkracht.

Van de dertig procent export gaat bovendien twee derde naar Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Dat is van belang om in het achterhoofd te houden als er vanuit exportbelangen bijvoorbeeld gepleit wordt voor lagere lonen of minder regels: in deze landen zijn de lonen immers door de bank genomen niet lager en de regels niet soepeler.

Exportcijfers zeggen eigenlijk weinig meer nu onderdelen van een product over de hele wereld gemaakt worden en dan, bijna toevallig, in een land in elkaar gezet worden. Bepalend is niet waar het in elkaar zetten gebeurt, maar of je essentiële onderdelen van de productieketen levert.

Overigens staat Nederland in de top-drie van de Enabling Trade Index (na Singapore en Hongkong) van het World Economic Forum, dus over de exportpositie hoeven we ons voorlopig weinig zorgen te maken.

Mythe 4: de financiële sector is een belangrijke motor van de economie

Een van de redenen waarom er na de deconfiture van de financiële sector in 2008 in Nederland weinig maatregelen zijn genomen tegen bijvoorbeeld banken en hedgefondsen is dat de sector van groot belang heet te zijn voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. De financiële sector, oftewel de banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggers, was in 2013 goed voor 7,3 procent van het bbp. Daarmee is de financiële sector in Nederland groter dan in de meeste andere landen. Maar in werkgelegenheid is de sector beperkt: drie procent.

Het valt voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) overigens niet mee om het aandeel van de financiële sector in het bbp te bepalen, want wat is de toegevoegde waarde van geld dat vooral heen en weer flitst? Het cbs telt bijvoorbeeld het verschil tussen de rente waarmee een bank geld uitleent (stel drie procent) en de rente die een bank voor dat geld betaalt (stel één procent) mee in het bbp.

Volgens Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, heeft de financiële sector de economie eerder kwaad gedaan dan goed. De groei van de financiële sector heeft een rem gezet op de productieve sector en daarmee op de reële economie. Het was immers voor iedereen met geld aantrekkelijker om te speculeren met financiële producten dan om in de reële economie te investeren. De financiële sector trekt niet alleen geld maar ook arbeids­krachten weg uit productieve sectoren.

De acties vanuit de financiële sector gaan regelmatig ten koste van de ‘echte’ economie, want ten koste van bedrijven, stelt Hans Schenk, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van het Sustainable Finance Lab. Hij berekende dat financiële instellingen en aandeelhouders in Europa in de jaren voorafgaand aan 2008 jaarlijks duizend miljard euro besteedden aan fusies en overnames van Europese bedrijven. Doordat de meeste van die fusies en overnames mislukten, ging minstens 65 procent van het geld in rook op. Ten koste van de betreffende bedrijven: ze hadden geen geld meer om te investeren, moesten personeel ontslaan en waardevolle onderdelen verkopen om de verliezen te dekken. Bij sommige betekende dat het einde van het bedrijf, zoals nu met V dreigt te gebeuren. Het private equity-fonds zet de kosten van de overname op de balans van het gekochte bedrijf, verkoopt de waardevolle onderdelen van het bedrijf (het vastgoed bijvoorbeeld) en de rest van het bedrijf gaat kopje onder.

Mythe 5: het is de markt die zorgt voor innovatie

Mariana Mazzucato, hoogleraar economie aan de Universiteit van Sussex en afgelopen vrijdag in Nederland, legt in The Entrepreneurial State bloot dat het overgrote deel van technologische innovaties in overheidslaboratoria tot stand komt, en dus niet, zoals vaak wordt gedacht, op de markt. Zo is zelfs de iPhone voor zeventig procent te danken aan innovaties vanuit de overheid. Het is dan ook volkomen onterecht dat de overheid vaak wordt weggezet als een logge en bureaucratische remmer van innovaties, tegenover een dynamische innovatieve private sector, betoogt zij.

De markt springt vaak pas in op innovaties nadat de overheid de eerste risicovolle investeringen heeft gedaan. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht: ‘Dat kun je de markt niet kwalijk nemen, bedrijven kunnen moeilijk hoge kosten maken als volkomen onduidelijk is wat het gaat opbrengen. Het is alleen wel zo fair om de rol van de overheid ruiterlijk te erkennen.’

mythen#3.jpg

Mythe 6: de markt is altijd efficiënter

‘Privatisering dient om het overheidsbedrijf te moderniseren en fit te maken voor de vrije markt. Door het bloot te stellen aan concurrerende krachten wordt het gedwongen tot een efficiënte bedrijfsvoering.’ Was getekend oud-vvd-leider Frits Bolkestein in januari 2000.

Ontelbare afdelingen en taken van de overheid werden in de afgelopen decennia ‘verzelfstandigd’ of geprivatiseerd met de premisse dat de markt het beter, want goedkoper, kan. Maar niet alleen is de markt soms duurder, ook heeft ‘goedkoper’ wel een prijs. Het gaat vaak ten koste van andere publieke waarden en belangen, zegt Paul de Bijl, zeven jaar hoofd van de sector marktordening van het Centraal Planbureau (cpb) en nu zelfstandige. Want alleen als publieke belangen ‘contracteerbaar’ zijn, oftewel vast te leggen zijn in bijvoorbeeld prestatieafspraken, kun je ze echt zekerstellen. Veel publieke belangen, zoals veiligheid, werkgelegenheid, gezondheid, milieu of gelijke toegang, zijn eigenlijk niet vast te leggen en komen bij marktwerking en privatisering in het gedrang, stelt hij. Bedrijven (en als bedrijf aangestuurde verzelfstandigde overheidsdiensten) zullen altijd hun winst willen maximaliseren, en kosten besparen door de niet-contracteerbare kwaliteit uit te hollen. ‘Die maatschappelijke kosten zijn onderbelicht gebleven tijdens de marktwerkingshausse.’

De vermarkting in de publieke sector heeft geleid tot wat de socioloog Abram de Swaan zo mooi ‘pre-crimineel gedrag’ noemt: er zijn (nog) geen wetten die het officieel verbieden, maar immoreel en amoreel is het wel. Van Maserati’s tot topsalarissen en van gokken met publiek geld tot prestigeprojecten.

Mythe 7: de publieke sector is te groot

De hoeveelheid geld die via de overheid wordt herverdeeld en besteed is met 44,5 procent van het bbp in Nederland iets lager dan het gemiddelde van de EU. Lager dan Nederland zitten de voormalige Oostbloklanden, Groot-Brittannië, Ierland, Spanje en Cyprus. Met die 44,5 procent worden niet alleen de publieke sector en de overheid zelf bekostigd, ook de aow en alle andere uitkeringen zitten erin. Zeventig procent van de via de overheid verdeelde 260 miljard gaat naar onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Wie wil bezuinigen zonder dat dit ten koste gaat van deze drie heeft dan ook een harde dobber.

In het eerste deel van deze serie is al betoogd dat een grote publieke sector in economisch opzicht geen enkel probleem is. Er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate spullen dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids)productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

Voor de fijnproevers: de overheid beschikt behalve over belasting- en premieopbrengsten ook over gasinkomsten, hoe actueel, en leent geld (het financieringstekort) en kan daardoor 44,5 procent van het bbp besteden, terwijl de lastendruk (de optelsom van belastingen en premies, als percentage van het bbp) maar 38 procent is.

mythen#4.jpg

Mythe 8: het huishoudboekje moet kloppen

Zo staat het letterlijk op de site van de rijksoverheid, onder het kopje ‘maatregelen om de economie te versterken’: ‘Nederland geeft meer uit dan er binnenkomt. Daarom neemt Nederland maatregelen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Want een kloppend huishoudboekje is belangrijk voor een sterke economie.’ Economisch beleid wordt daarmee gereduceerd tot gezonde overheidsfinanciën, die vervolgens teruggebracht worden tot de metafoor van het huishoudboekje.

Maar de vraag is waarom staatsschuld eigenlijk erg is. Tegenover de staatsschuld van 460 miljard euro staat een enorme hoeveelheid bezittingen. Een in Nederland geboren baby komt niet alleen ter wereld met een schuld van 28.000 euro, zoals op dezelfde site vermeld staat, maar ook in een land vol scholen, wegen, ziekenhuizen en straat­lantaarns, oftewel een collectief bezit van jewelste. En anders dan andere Europese landen heeft Nederland een pensioenspaarpot van 1200 miljard euro. Nederland heeft nu al gespaard voor de ouderen van de toekomst en dat hebben andere landen niet. Hoogleraar Flip de Kam: ‘De pensioenverplichting zou in andere landen als een minpost op de overheidsbalans moeten staan, maar dat is niet het geval.’ En voor de verhoudingen: de hypotheekrenteaftrek kost de overheid meer geld dan de rentelasten van de staatsschuld (die voor 2015 geschat wordt op 8,4 miljard).

Schulden maken om er later meer voor terug te krijgen is zowel voor individuen (studieschuld) als bedrijven (investeren) de normaalste zaak van de wereld. Juist een overheid kan bij uitstek investeren, en daarbij anticiperen op toekomstige stijging van de belastinginkomsten. De sterke toename van de staatsschuld (van 45,3 procent van het bbp in 2007 naar 73,5 procent in 2013) heeft overigens voor een groot deel te maken met de steun aan de banken. Daling van de staatsschuld gebeurde tot nu toe vrijwel altijd door inflatie en economische groei (door het eerste wordt de schuld minder waard, door het tweede neemt het percentage ten opzichte van het bbp af). Daling door bezuinigingen, zeker in een tijd van nul inflatie en lage economische groei, is vrijwel onmogelijk.

Volgens hoogleraar economie Harrie Verbon dient de mythe van de staatsschuld vooral een ideologisch doel: ‘Verlaging van de staatsschuld betekent een kleinere overheid, en daar gaat het de voorstanders om.’

Mythe 9: de stijgende zorgkosten gaan ten koste van onderwijs en ander moois

De zorguitgaven stijgen op het moment met zo’n vier procent per jaar, doordat mensen ouder worden, er medisch meer kan, we hogere eisen stellen aan de verzorging, door prijsstijgingen en noem het ‘aanbodsturing’. Dat is meer dan de economische groei en dus zijn we een steeds groter deel van het nationaal inkomen aan zorg kwijt. In het publieke debat wordt regelmatig de indruk gewekt dat de stijgende zorgkosten ten koste gaan van andere publieke voorzieningen, zoals het onderwijs. Maar dat geldt alleen als de totale kosten van de publieke voorzieningen als geheel niet mogen stijgen. En dat is, zoals eerder betoogd, een keuze: een grote collectieve sector is economisch gezien geen probleem. Hoeveel we aan zorg willen besteden is, binnen redelijke grenzen, eveneens een keuze.

De Nederlandse zorgkosten houden, als het om de zogeheten cure gaat, gelijke tred met de omringende landen, maar de kosten voor de langdurige zorg zijn in Nederland relatief hoog en nemen ook sneller toe dan elders. Naar verhouding is er in Nederland veel betaalde langdurige zorg, terwijl in omringende landen mensen vaker onbetaald voor ouderen, geestelijk zieken en gehandicapten zorgen. Ook dat is een keuze.

Mythe 10: de vergrijzing is niet te betalen

Puur demografisch is er wel wat aan de hand: waren er in 2012 op iedere aow’er 3,7 mensen tussen de twintig en de aow-gerechtigde leeftijd, in 2040 zijn er op iedere aow’er 2,6 mensen tussen de twintig en de 67. In de komende 25 jaar zullen het bbp en de arbeidsproductiviteit naar verwachting ook toenemen, waardoor de kosten van meer ‘afhankelijken’ (zoals de 67-plussers in cpb-termen heten) ook makkelijker te dragen zijn. Bovendien telt het cpb alleen ouderen mee als afhankelijken, en kinderen niet.

Ook kinderen kosten echter geld en verdienen nog niks. Tel je kinderen en ouderen bij elkaar op, dan is het aantal afhankelijken ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (gedefinieerd als iedereen van 20 tot 65 jaar oud, in de toekomst 67 jaar) in 2040 even hoog als nu. Waar we nu meer voor nog niet werkende kinderen betalen, doen we dat in de toekomst vaker voor niet meer werkende ouderen.

Bovendien, en dat zou je bijna vergeten door alle discussies over de ‘onhoudbaarheid’ van het Nederlandse pensioenstelsel, sparen ouderen zelf voor een groot deel van hun kosten. De pensioenen in Nederland zijn opgezet als spaarpot voor later: de werkenden van nu dragen premie af voor als ze zelf gepensioneerd zijn. In andere landen betalen de werkenden het pensioen van de mensen die op dat moment met pensioen zijn, en zal in de toekomst dus een krimpend aantal werkenden het pensioen van een toenemend aantal ouderen moeten betalen.

De aow is wel gefinancierd zoals elders de pensioenen: de huidige belastingbetalers bekostigen de aow van de huidige gepensioneerden, en de toekomstige werkers dus de aow van de dan gepensioneerden. Doordat de aowechter slechts meestijgt met het minimumloon en niet met de gemiddelde lonen is de kosten­stijging beperkt. De kosten van de aow zijn op dit moment zo’n vijf procent van het bbp.

Een paar jaar geleden waren de politiek en beleidsmakend Nederland in de ban van het ‘houdbaarheidstekort’, een nieuwe term die betekende dat Nederland, bij gelijkblijvende voorzieningen en gelijkblijvende belastingen en premies, in 2040 een tekort zou hebben van 29 miljard per jaar. Achteraf is het een wat wonderlijke redenering: alles blijft gelijk, er verandert 25 jaar lang niets, behalve dat er meer ouderen komen. Inmiddels is het houdbaarheidstekort omgeslagen in een ‘houdbaarheidsoverschot’ en sindsdien hoor je niemand er meer over.

Veel pensioenfondsen indexeren de pensioenen niet meer omdat aanpassing aan de inflatie te duur zou zijn. In die discussie is het goed te bedenken dat indexering in tijden van gemiddelde inflatie jaarlijks een half miljard euro kost (op een totale jaarlijkse pensioenuitkering van dertig miljard), en de overheadkosten van de pensioenfondsen jaarlijks 5,7 miljard. Dat zijn de kosten voor vermogensbeheer en ‘transactiekosten’. Het is misschien nuttiger om iets aan die kosten te doen.

Mythe 11: een economische groei van drie procent is normaal

Dat wat je in je eigen leven hebt meegemaakt beschouw je al gauw als vanzelfsprekend. Dat is misschien de reden dat we een economische groei van drie procent normaal vinden, en een groei van bijvoorbeeld één procent als vreemd beschouwen. De aflopen pakweg driehonderd jaar lag de economische groei in Europa echter slechts dertig jaar rond de drie procent, laat Thomas Piketty zien in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Piketty gaat daarbij uit van de groei per hoofd. De (dikke) drie procent gold alleen van 1950 tot 1980. Gedurende een groot deel van de afgelopen driehonderd jaar was er niet of nauwelijks sprake van groei, en gemiddeld lag de groei zowel in Europa als in de VS op ongeveer één procent.

Het economenpanel van MeJudice peilde afgelopen september de verwachtingen van 64 economen over economische groei. Met de stelling ‘het groeiperspectief in de eurozone is de komende tien jaar maximaal één procent’ was slechts een derde het oneens, en als het louter over de groei in Nederland ging lag dat percentage nauwelijks hoger.

Het Sustainable Finance Lab berekende dat de economische groei in Nederland tussen 1995 en 2008 gelijk stond aan het bedrag dat er aan extra hypotheken werd opgenomen op de ‘overwaarde’ van huizen. Het sfl stelt daarom dat de groei in die periode in feite gebaseerd was op lucht. Veel huizen staan inmiddels ‘onder water’, ze zijn niet méér maar minder waard dan de prijs waar ze voor gekocht zijn.

De economische ontwikkeling is eigenlijk niet te voorspellen, en bovendien is het een illusie dat de overheid of de politiek daar veel invloed op heeft, zegt hoogleraar economie Harrie Verbon. ‘Groei is vooral een effect van grote innovaties. Die kun je stimuleren, maar er valt niet te voorspellen wanneer ze zich werkelijk voordoen.’ Een langdurig lage economische groei stelt de samenleving voor een uitdaging waar we nog geen ervaring mee hebben, stelt Verbon: ‘Tot nu toe was economische groei de manier om, zonder dat het anderen pijn doet, ervoor te zorgen dat de onderkant het ietsjes beter krijgt, dus hoe doe je dat zonder economische groei?’ Tomas Sedlacek stelt: ‘Als het pensioenstelsel, de zorg en het sociaal stelsel gebouwd zijn op groei is dat vragen om problemen. Een schip moet zowel tegen rukwinden als tegen windstilte kunnen.’

mythen#5.jpg

Mythe 12: het bbp is een goede maatstaf van ’s lands welvaart

Hoewel voor steeds meer mensen duidelijk is dat het bbp, het bruto binnenlands product, geen goede maat is om de welvaart van een land te meten, is er nog geen andere maat voor in de plaats gekomen. Het bbp is de optelsom van alles wat in een land geproduceerd wordt voor geld. Alles waar niet voor betaald wordt, telt niet mee. En anders dan bij bedrijven, waar ook de ‘voorraad’ van belang is, telt in het bbp alleen de productie zelve. Zo neemt het bbp toe als er na een ramp of oorlog veel huizen gebouwd worden, ook als vervolgens het aantal huizen even groot is als vóór de ramp of oorlog.

Het bbp van een land wordt vaak niet gewogen naar het aantal inwoners. Zo zal China binnenkort de VS voorbij gaan in bbp, maar dat neemt niet weg dat een Amerikaan nog steeds ruim vijf keer zo rijk is als een Chinees (in koopkracht; gemeten in geld is een Amerikaan zelfs bijna acht keer zo rijk).

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso)heeft een andere maat ontwikkeld voor welvaart van een land: de Better Life Index, waarin behalve het inkomen per hoofd ook de levensverwachting, het geweldsniveau, de scholingsgraad en de ongelijkheid meetellen. Deze factoren zijn voor het bevredigen van behoeften van mensen van groot belang – en dat was waar het ‘de economie’ ooit om begonnen was. De Utrechtse hoogleraar Jan Luiten van Zanten keek met deze index naar Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en ontdekte dat het bbp en ‘Better Life’ vaak fors uit elkaar lopen. Hij wijst nog op een andere reden waarom het bbp geen goed economisch kompas is: economische groei is vaak zo ongelijk over de bevolking verdeeld dat het weinig zegt over de welvaart van het land als geheel.

In het boek Economie: De gebruiksaanwijzing stelt Ha-Joon Chang voor de economische ontwikkeling van landen af te meten aan de toe- of afname van hun vermogen om te produceren. Dat vermogen tot productie zit onder meer in natuurlijke hulpbronnen, machines, innovatiekracht en mensen.

Hoe alomtegenwoordig het bbp is blijkt overigens ook weer uit dit artikel.

Mythe 13: de toekomst hangt af van drie percentages

Wie het nieuws volgt krijgt de indruk dat de economische staat van landen valt af te meten aan drie percentages: de staatsschuld mag niet hoger zijn dan zestig procent van het bbp, een inflatie van twee procent is het gezondst, en het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent. Het Europese ‘stabiliteitspact’ heeft dit percentagedenken een grote boost gegeven. Hoog­leraar economie Steven Brakman uit Groningen: ‘Dat is misschien wel de grootste economische mythe van dit moment. Er is niemand die kan aangeven waarom die kengetallen zo belangrijk zijn voor de economie, laat staan waarom zestig, drie en twee de ware getallen zijn. Er zijn landen met zeer florerende economieën met heel andere percentages. En toch richten we alles in op die paar getallen.’

De pagina ‘overheidsfinanciën 2015 in beeld’ op de site van de rijksoverheid vermeldt slechts het begrotingstekort, de rentelasten en de staatsschuld. Niks over de 260 miljard die de overheid jaarlijks besteedt of waaraan dit wordt besteed, daar kom je pas op bij veel doorklikken. Voor wie daar toch nieuwsgierig naar is: 105 miljard oftewel veertig procent gaat naar zorg en onderwijs, bijna 78 miljard naar sociale zekerheid en reïntegratie.

Mythe 14: we zijn in de afgelopen 35 jaar tig keer zo rijk geworden

Niet iedereen. Het reële inkomen van de tien procent minst verdienende huishoudens is in Nederland sinds 1977 zelfs met ruim dertig procent gedaald. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit.

De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen: mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid), loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens) en ten slotte het feit dat veel uitkeringen (aow, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samen­wonende aow’ers of bijstandsgerechtigden krijgen pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

Mythe 15: iedereen profiteert van economische groei

Het is de rode draad van het kabinetsbeleid: zorg voor meer economische groei, want daar profiteert uiteindelijk iedereen van. Een geloof dat ook wel bekendstaat als de trickle down-­filosofie, of zoals de Engelsen zeggen ‘a rising tide lifts all boats’.

De effecten van deze filosofie zijn vergaand, zeker in combinatie met de mythe dat financiële armslag voor bedrijven en kapitaalkrachtigen leidt tot investeringen. Zo kun je rechtvaardigen dat je bezuinigt op voorzieningen voor arme mensen ten bate van bedrijven en rijken: dat zorgt immers voor economische groei waar ook de armen uiteindelijk baat bij zullen hebben.

Het trickle down-effect is echter een mythe, laat de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz zien met uitgebreid onderzoek. Want niet alleen leidt het bevoordelen van bedrijven vaak helemaal niet tot investeringen en groei (zie mythe 2: geef bedrijven de ruimte), ook komt groei niet vanzelf ten goede aan de onderkant van de samenleving. Of de onderkant baat heeft bij economische groei hangt grotendeels af van het overheidsbeleid: de herverdeling via belastingen, publieke voorzieningen en sociale zekerheid.

Mythe 16: ongelijkheid is goed voor de economie

Tot voor kort was het idee dat inkomens­verschillen goed zijn voor de economie tamelijk hardnekkig: ongelijkheid zou naijver aanwakkeren, waardoor mensen harder gaan werken. De oeso heeft hier onlangs korte metten mee gemaakt: inkomensverschillen zijn juist slecht voor de economie. Ten eerste omdat juist aan de onderkant mensen productiever worden als ze meer middelen krijgen: ze zijn dan minder met overleven bezig, scholen zichzelf en hun kinderen beter en gaan meer bijdragen aan de samenleving. Dat geldt niet alleen voor de onderste tien procent, maar zelfs voor veertig procent van de mensen, toont de oeso aan. Ook leidt bij de onderste inkomensgroepen extra geld tot extra bestedingen in de reële economie, terwijl de bovenste inkomensgroepen hun geld eerder oppotten. Waren de inkomensverschillen in Nederland kleiner, dan zou dat wellicht dertig miljard aan bbp extra opleveren, aldus de oeso.

Dat toenemende ongelijkheid geen natuurverschijnsel is waar niks aan te doen valt, blijkt in Zuid-Amerika. Ontwikkelingseconoom Sir Richard Jolly van de Universiteit van Sussex laat zien dat de ongelijkheid in vijftien Zuid-­Amerikaanse landen in de afgelopen jaren flink is afgenomen door een combinatie van belastingpolitiek, handelsbeleid, armoedeprogramma’s en overheidsinvesteringen van overwegend linkse regeringen.

Mythe 17: onderwijs is de oplossing – voor alles en zeker voor de economische groei

De relatie tussen onderwijs en economische groei is op z’n minst een ingewikkelde. In 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme laat Chang zien dat er landen zijn met een uiterst laag percentage hoogopgeleiden die het economisch zeer goed doen (Zwitserland) en andersom: landen waar vrijwel iedereen hoogopgeleid is en waar het economisch toch slecht gaat (Griekenland, Argentinië). Onderwijs is voor mensen zeer verrijkend, maar haal er niet steeds het economische argument bij, stelt hij.

De econome Alison Wolf toont in Does Education Matter? Myths about Education and Economic Growth aan dat investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs echt van belang zijn, maar investeringen in het onderwijs dat daarna komt veel minder.

Bij de discussies over de relatie tussen onderwijs en werkgelegenheid wreekt zich dat wat waar is voor individuen wordt geëxtrapoleerd naar de samenleving als geheel, zegt arbeidsmarkteconoom Paul de Beer: ‘Iemand die hoogopgeleid is heeft meer kans op een baan dan een laagopgeleide, maar minder laagopgeleiden leidt niet tot minder werkloosheid.’ Onderwijs is een positioneel goed geworden: wie er meer van heeft, onderscheidt zich van wie minder heeft. Het genoten onderwijs is daarmee vooral een sorteerinstrument voor werkgevers.

Arnold Heertje pleit ervoor om ook bij onderwijs uit te gaan van het brede welvaartsbegrip: voorzien in de behoeften van mensen, in dit geval de leerlingen en studenten. ‘Wat willen zij leren, waar voelen zij zich rijker door. Dat is iets anders dan de behoeften van de geldeconomie.’

Mythe 18: vrije markt en handel zijn goed voor arme landen

Opmerkelijk is dat de westerse landen die zelf hun economieën heel lang afgeschermd hebben, juist om eerst zelf economische kracht op te bouwen, nu beweren dat vrijhandel goed is voor ontwikkelingslanden. Op een zeker moment is vrije handel goed voor de economische groei van een land, zegt Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar eerst moet de economie van een land sterk genoeg zijn om de concurrentie aan te kunnen. Én er moet een institutionele structuur zijn waardoor die vrije handel goed geregeld is, anders wordt het een vorm van leegroof.

In veel landen is aan die twee voorwaarden nog niet voldaan en dan is een vorm van protectionisme verstandig, zegt Garretsen: ‘Het is een simplistisch idee van beleidsmakers dat vrije handel altijd goed is.’ Daar is inmiddels overigens ook het imf van overtuigd. De Japanse auto-industrie vaart nu wel bij vrije handel, maar vergeten wordt dat ze tot wasdom kwam dankzij veertig jaar protectionisme en subsidies.

Een ander misverstand is dat wat tegenwoordig vrijhandel heet (het afbreken van alle handelsregulering) een voorwaarde is voor handel tussen landen. ‘Er wordt vaak de indruk gewekt dat het alles of niets is: alsof er alleen gehandeld kan worden als er geen enkele beperking of regel is. Terwijl de meeste handel natuurlijk plaatsvindt binnen regels.’

Mythe 19: pas op, we dalen op de lijstjes!

‘The dangerous obsession with competitive­ness’, noemde de econoom Paul Krugman het al in 1994: het idee dat landen met elkaar concurreren als waren het multinationals. Sindsdien is het denken in economische lijstjes en competitie alleen maar toegenomen. Competitiedenken gaat ervan uit dat de winst van de een het verlies van de ander is. Landen kunnen echter juist profijt hebben van elkaars vooruitgang: als het goed gaat met Duitsland is dat goed voor Nederland. (Iets wat in relatie tot China overigens nog wel eens vergeten wordt: een opkomend China betekent niet alleen Chinese productie, maar ook een enorme afzetmarkt.)

Lijstjes gaan er bovendien vanuit dat je relatieve positie belangrijker is dan je feitelijke: stel dat het bbp van Nederland bijvoorbeeld fors stijgt, maar dat van een ander land stijgt nog iets meer, dan daalt Nederland een plek op de lijst, maar gaat het daarmee slechter? Het woord ‘concurrentiekracht’ suggereert bovendien dat ongeveer je hele bestaan ervan afhangt. Maar de lijstjes die de ‘competitive­ness’ of concurrentiekracht meten, hebben het slechts over de exportmogelijkheden van een land. En die zijn niet zaligmakend.


Dit is het tweede deel van een drieluik over ­economische mythesDe vorigeaflevering, ‘Twaalf mythes over werk en werkloosheid’verscheen in De Groene Amsterdammer van 12 maart

mei 21, 2015 at 8:35 am Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Categorieën

  • Blogroll

  • Feeds


    Volg

    Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

    Doe mee met 818 andere volgers