Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Orwell wist het al: woorden zijn zelden neutraal. Ze dienen om te verhelderen, maar tegelijk ook vaak om te verhullen en de vlag dekt maar zeer ten dele de lading. Politici en economen maken handig gebruik van die eigenschap van woorden om een verborgen boodschap over te brengen. “Strategisch taalgebruik” noemt Jan Blommaert dat. Blommaert weet waarover hij spreekt: hij is sociolinguist en doceert aan de universiteit van Tilburg als hoogleraar taal, cultuur en globalisering.  Onderstaande tekst uit november 2013 blijft vandaag meer dan actueel.

Johan Depoortere 

Afbeelding

Jan Blommaert

 

Het taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

Schermafbeelding 2015-05-25 om 11.33.18De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daarmoeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

voor-alle-werknemers

Werdgevers of werknemers?

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel dieactoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

epa03163537 (08/18) Local residents look for food in a pile of garbage at Perama, 25 km west of Athens, Greece, 22 March 2012. From 10 to 24 March the municipality of Perama was full of piles of garbage because the gas stations who supply the municipality vehicles were unpaid for several months. The unemployment in the town of Perama has exceeded 60 per cent while in the small shipyards and the significant Shipbuilding and Repair Zone of the area has hit 95 per cent. The social fabric of the town of Perama faces the threat of collapse as thousands of families live below the poverty level.  EPA/ORESTIS PANAGIOTOU PLEASE SEE ADVISORY epa03163529 FOR FULL FEATURE TEXT

Griekenland op de goede weg?

media_xl_1100243Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies?

Jan Blommaert

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013.

mei 25, 2015 at 9:50 am Een reactie plaatsen

EN DÚS MOETEN DE LONEN OMLAAG

Goed voor de economie, slecht voor de mensen, zo zou je kunnen samenvatten wat economen en politici ons voorhouden. Dagelijks worden we om de oren geslagen met axioma’s die we op den duur gaan slikken als onbetwistbare waarheden, als waren het natuurwetten: “de overheid moet ontvet worden” “de bedrijven moeten zuurstof krijgen,” “arbeid moet flexibeler worden” “onze concurrentiekracht  moet omhoog” en ja “de lonen moeten omlaag.”   Zelden worden deze “waarheden” tegen het licht gehouden. Dat is nu net wat Mirjam de Rijk In de Groene Amsterdammer van 1 april  wél doet: wat is mythe en wat is werkelijkheid in de wereld en het taaltje van de economische hogepriesters. Hieronder volgt een licht ingekorte versie van haar bijdrage. De volledige tekst lees je hier.
Johan Depoortere
mythen_231_loonwoensdag 1 april 2015

Negentien mythes over ‘wat goed is voor de economie’

In zijn boek Niet alles is te koop wijst de politiek-filosoof Michael J. Sandel op het onderscheid tussen een markteconomie en een marktsamenleving. Een markteconomie staat ten dienste van de mens, in een marktsamenleving staat de samenleving ten dienste van de economie. Zegt u het maar, aldus Sandel.

Toch komt dat debat maar moeizaam op gang, te vaak blijft het bij gemeenplaatsen over wat goed is voor de economie. Waarbij niet nader wordt gespecificeerd waar we het met ‘de economie’ dan eigenlijk over hebben: over banen, over het welvaren van grote bedrijven, over het welbevinden van mensen, over meer gelijkheid, meer ongelijkheid?

De economen Arjo Klamer en Paul Teule telden hoe vaak de termen ‘economische groei’, ‘de economie’ en ‘bbp’ de afgelopen eeuw gebruikt werden in Nederlandse parlementaire stukken. De term ‘economische groei’ kwam in de periode van 1920 tot 1950 slechts vijf keer voor, in de periode van 1995 tot 2010 was dat 5847 keer. Het bbp werd tot 1965 slechts twee keer genoemd, tussen 1995 en 2010 maar liefst 4600 keer. Zouden ze de stukken van de afgelopen vijf jaar doorworstelen, dan kwamen de getallen waarschijnlijk nog veel hoger uit.

In deze tweede aflevering over economische verdichtselen negentien mythes over de rol van de markt, over de betaalbaarheid van de publieke sector, over het meten van vooruitgang en de bestrijding van ongelijkheid. Kortom, over wat goed is voor ‘de economie’. En hoe verschillend je daar tegenaan kunt kijken.

Mythe 1: economie gaat over geld

Economie gaat over ‘het optimaal voorzien in de behoeften van mensen die nu leven en straks leven, hier en elders’, vat econoom Arnold Heertje zijn vakgebied samen. En dat gaat dus niet alleen over behoeften die in geld uitgedrukt kunnen worden, wil hij maar zeggen. Hij hecht sterk aan het ‘brede welvaartsbegrip’ dat hij ooit in de jaren vijftig van zijn leermeester Pieter Hennipman meekreeg.

Helaas is anno 2015 een economische beschouwing synoniem aan een financiële beschouwing. Vanuit het brede welvaartsbegrip is niet alleen van belang wat er ‘onder de streep overblijft’, wat boven de streep gebeurt is zeker zo relevant: de aard van werk, de invloed die productie heeft op de leefomgeving. Heertje verbaast zich over beweringen als ‘ja, maar het is goed voor de economie’ als manier om voorstellen te verdedigen die op veel weerstand stuiten. ‘Vanuit het brede welvaartsbegrip kan dat eenvoudig niet: als economie gaat over de behoeftebevrediging en er is breed verzet tegen een voorstel kan het voorstel onmogelijk “goed voor de economie” zijn – die economie was immers bedoeld voor de behoeften van diezelfde mensen.’

Economie is een normatieve kracht geworden in plaats van een faciliterende, zegt de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek, auteur van De economie vangoed en kwaad. ‘De economie vertelt ons wat we moeten doen, in plaats van te helpen bij het bevredigen van onze behoeften.’ Waar economie vroeger een geesteswetenschap was, die hielp nadenken over vraagstukken zonder de waarheid in pacht te hebben, is het nu ‘veredelde wiskunde’, stelt hij, ‘en met betwistbare formules’.

Mythe 2: geef bedrijven de ruimte, dat is goed voor de economie

De redenering is dat als bedrijven minder dwarsgezeten worden door regels en belastingen, en méér worden gefaciliteerd, de economie groeit en uiteindelijk iedereen erop vooruit gaat.

Bedrijven betalen in Nederland op dit moment gemiddeld nog maar tien procent vennootschapsbelasting (netto, dus na aftrek van vrijstellingen), berekende Flip de Kam, hoogleraar economie van de publieke sector in Groningen. Dat is een halvering ten opzichte van vijftien jaar geleden, onder het motto dat ze met het uitgespaarde geld ruimte hebben om te investeren.

Niets wijst er echter op dat dit gebeurt: de investeringen zijn ongekend laag en het geld wordt gebruikt voor winst- en dividenduitkeringen of om de eigen aandelen op te kopen. Ook in de Verenigde Staten heeft een forse verlaging van belastingen voor bedrijven niet geleid tot meer investeringen of meer economische groei, blijkt uit onderzoek van Bruce Bartlett, voormalig adviseur van nota bene de Republikeinse presidenten Reagan en Bush.

Dat het mkb een minder sterke lobby heeft, blijkt uit het feit dat grote bedrijven veel minder belasting betalen dan kleine. Als gepleit wordt voor de belangen van ‘het bedrijfsleven’ gaat het meestal over de belangen van grote bedrijven. Voor zowel de economische groei van een land als voor werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf echter belangrijker. De belangen van het mkb zijn deels tegengesteld aan die van grote bedrijven; het mkb heeft belang bij binnenlandse afzet, en dus bij behoorlijke lonen, terwijl grote bedrijven vaak mikken op export en loonmatiging. Alleen al daarom is het onverstandig om het over ‘de economie’ te hebben als een ondeelbare grootheid; de economie bestaat uit veel verschillende actoren met vaak heel verschillende belangen.

Dat niet alleen belasting maar ook andere overheidsbemoeienis niet slecht is voor economische groei laat de econoom Ha-Joon Chang zien in 23 dingendie ze je niet vertellen over het kapitalisme. Overal in Europa vallen perioden van grote economische groei samen met veel overheidsinterventie. Terwijl de liberalisering en privatisering van de afgelopen decennia er juist toe leidden dat bedrijven en kapitaal zich gingen richten op kortetermijnwinsten, en dat is op termijn slecht voor de economie.

mythen#2.jpg

Mythe 3: Nederland leeft van de export

‘Nederland exportland’ is de gevleugelde uitdrukking, en tientallen keren per jaar trekken ministers, leden van het koningshuis en grote bedrijven samen de wereld in om die export te bevorderen. Twee derde van de Nederlandse export betreft echter doorvoer en heeft weinig toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie of werkgelegenheid. Al met al is de Nederlandse economie voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse afzet en dus de binnenlandse koopkracht.

Van de dertig procent export gaat bovendien twee derde naar Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Dat is van belang om in het achterhoofd te houden als er vanuit exportbelangen bijvoorbeeld gepleit wordt voor lagere lonen of minder regels: in deze landen zijn de lonen immers door de bank genomen niet lager en de regels niet soepeler.

Exportcijfers zeggen eigenlijk weinig meer nu onderdelen van een product over de hele wereld gemaakt worden en dan, bijna toevallig, in een land in elkaar gezet worden. Bepalend is niet waar het in elkaar zetten gebeurt, maar of je essentiële onderdelen van de productieketen levert.

Overigens staat Nederland in de top-drie van de Enabling Trade Index (na Singapore en Hongkong) van het World Economic Forum, dus over de exportpositie hoeven we ons voorlopig weinig zorgen te maken.

Mythe 4: de financiële sector is een belangrijke motor van de economie

Een van de redenen waarom er na de deconfiture van de financiële sector in 2008 in Nederland weinig maatregelen zijn genomen tegen bijvoorbeeld banken en hedgefondsen is dat de sector van groot belang heet te zijn voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid. De financiële sector, oftewel de banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggers, was in 2013 goed voor 7,3 procent van het bbp. Daarmee is de financiële sector in Nederland groter dan in de meeste andere landen. Maar in werkgelegenheid is de sector beperkt: drie procent.

Het valt voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) overigens niet mee om het aandeel van de financiële sector in het bbp te bepalen, want wat is de toegevoegde waarde van geld dat vooral heen en weer flitst? Het cbs telt bijvoorbeeld het verschil tussen de rente waarmee een bank geld uitleent (stel drie procent) en de rente die een bank voor dat geld betaalt (stel één procent) mee in het bbp.

Volgens Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, heeft de financiële sector de economie eerder kwaad gedaan dan goed. De groei van de financiële sector heeft een rem gezet op de productieve sector en daarmee op de reële economie. Het was immers voor iedereen met geld aantrekkelijker om te speculeren met financiële producten dan om in de reële economie te investeren. De financiële sector trekt niet alleen geld maar ook arbeids­krachten weg uit productieve sectoren.

De acties vanuit de financiële sector gaan regelmatig ten koste van de ‘echte’ economie, want ten koste van bedrijven, stelt Hans Schenk, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en lid van het Sustainable Finance Lab. Hij berekende dat financiële instellingen en aandeelhouders in Europa in de jaren voorafgaand aan 2008 jaarlijks duizend miljard euro besteedden aan fusies en overnames van Europese bedrijven. Doordat de meeste van die fusies en overnames mislukten, ging minstens 65 procent van het geld in rook op. Ten koste van de betreffende bedrijven: ze hadden geen geld meer om te investeren, moesten personeel ontslaan en waardevolle onderdelen verkopen om de verliezen te dekken. Bij sommige betekende dat het einde van het bedrijf, zoals nu met V dreigt te gebeuren. Het private equity-fonds zet de kosten van de overname op de balans van het gekochte bedrijf, verkoopt de waardevolle onderdelen van het bedrijf (het vastgoed bijvoorbeeld) en de rest van het bedrijf gaat kopje onder.

Mythe 5: het is de markt die zorgt voor innovatie

Mariana Mazzucato, hoogleraar economie aan de Universiteit van Sussex en afgelopen vrijdag in Nederland, legt in The Entrepreneurial State bloot dat het overgrote deel van technologische innovaties in overheidslaboratoria tot stand komt, en dus niet, zoals vaak wordt gedacht, op de markt. Zo is zelfs de iPhone voor zeventig procent te danken aan innovaties vanuit de overheid. Het is dan ook volkomen onterecht dat de overheid vaak wordt weggezet als een logge en bureaucratische remmer van innovaties, tegenover een dynamische innovatieve private sector, betoogt zij.

De markt springt vaak pas in op innovaties nadat de overheid de eerste risicovolle investeringen heeft gedaan. Hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht: ‘Dat kun je de markt niet kwalijk nemen, bedrijven kunnen moeilijk hoge kosten maken als volkomen onduidelijk is wat het gaat opbrengen. Het is alleen wel zo fair om de rol van de overheid ruiterlijk te erkennen.’

mythen#3.jpg

Mythe 6: de markt is altijd efficiënter

‘Privatisering dient om het overheidsbedrijf te moderniseren en fit te maken voor de vrije markt. Door het bloot te stellen aan concurrerende krachten wordt het gedwongen tot een efficiënte bedrijfsvoering.’ Was getekend oud-vvd-leider Frits Bolkestein in januari 2000.

Ontelbare afdelingen en taken van de overheid werden in de afgelopen decennia ‘verzelfstandigd’ of geprivatiseerd met de premisse dat de markt het beter, want goedkoper, kan. Maar niet alleen is de markt soms duurder, ook heeft ‘goedkoper’ wel een prijs. Het gaat vaak ten koste van andere publieke waarden en belangen, zegt Paul de Bijl, zeven jaar hoofd van de sector marktordening van het Centraal Planbureau (cpb) en nu zelfstandige. Want alleen als publieke belangen ‘contracteerbaar’ zijn, oftewel vast te leggen zijn in bijvoorbeeld prestatieafspraken, kun je ze echt zekerstellen. Veel publieke belangen, zoals veiligheid, werkgelegenheid, gezondheid, milieu of gelijke toegang, zijn eigenlijk niet vast te leggen en komen bij marktwerking en privatisering in het gedrang, stelt hij. Bedrijven (en als bedrijf aangestuurde verzelfstandigde overheidsdiensten) zullen altijd hun winst willen maximaliseren, en kosten besparen door de niet-contracteerbare kwaliteit uit te hollen. ‘Die maatschappelijke kosten zijn onderbelicht gebleven tijdens de marktwerkingshausse.’

De vermarkting in de publieke sector heeft geleid tot wat de socioloog Abram de Swaan zo mooi ‘pre-crimineel gedrag’ noemt: er zijn (nog) geen wetten die het officieel verbieden, maar immoreel en amoreel is het wel. Van Maserati’s tot topsalarissen en van gokken met publiek geld tot prestigeprojecten.

Mythe 7: de publieke sector is te groot

De hoeveelheid geld die via de overheid wordt herverdeeld en besteed is met 44,5 procent van het bbp in Nederland iets lager dan het gemiddelde van de EU. Lager dan Nederland zitten de voormalige Oostbloklanden, Groot-Brittannië, Ierland, Spanje en Cyprus. Met die 44,5 procent worden niet alleen de publieke sector en de overheid zelf bekostigd, ook de aow en alle andere uitkeringen zitten erin. Zeventig procent van de via de overheid verdeelde 260 miljard gaat naar onderwijs, zorg en sociale zekerheid. Wie wil bezuinigen zonder dat dit ten koste gaat van deze drie heeft dan ook een harde dobber.

In het eerste deel van deze serie is al betoogd dat een grote publieke sector in economisch opzicht geen enkel probleem is. Er is geen objectieve maatstaf voor de optimale omvang van de publieke sector. Naarmate spullen dankzij technologische innovatie en stijgende arbeidsproductiviteit relatief goedkoper worden, is het zelfs logisch dat de publieke sector een groter deel van het nationaal inkomen gaat kosten: de (arbeids)productiviteit in zorg en onderwijs kan immers veel moeilijker toenemen dan in de industrie, zakelijke diensten of de landbouw.

Voor de fijnproevers: de overheid beschikt behalve over belasting- en premieopbrengsten ook over gasinkomsten, hoe actueel, en leent geld (het financieringstekort) en kan daardoor 44,5 procent van het bbp besteden, terwijl de lastendruk (de optelsom van belastingen en premies, als percentage van het bbp) maar 38 procent is.

mythen#4.jpg

Mythe 8: het huishoudboekje moet kloppen

Zo staat het letterlijk op de site van de rijksoverheid, onder het kopje ‘maatregelen om de economie te versterken’: ‘Nederland geeft meer uit dan er binnenkomt. Daarom neemt Nederland maatregelen om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Want een kloppend huishoudboekje is belangrijk voor een sterke economie.’ Economisch beleid wordt daarmee gereduceerd tot gezonde overheidsfinanciën, die vervolgens teruggebracht worden tot de metafoor van het huishoudboekje.

Maar de vraag is waarom staatsschuld eigenlijk erg is. Tegenover de staatsschuld van 460 miljard euro staat een enorme hoeveelheid bezittingen. Een in Nederland geboren baby komt niet alleen ter wereld met een schuld van 28.000 euro, zoals op dezelfde site vermeld staat, maar ook in een land vol scholen, wegen, ziekenhuizen en straat­lantaarns, oftewel een collectief bezit van jewelste. En anders dan andere Europese landen heeft Nederland een pensioenspaarpot van 1200 miljard euro. Nederland heeft nu al gespaard voor de ouderen van de toekomst en dat hebben andere landen niet. Hoogleraar Flip de Kam: ‘De pensioenverplichting zou in andere landen als een minpost op de overheidsbalans moeten staan, maar dat is niet het geval.’ En voor de verhoudingen: de hypotheekrenteaftrek kost de overheid meer geld dan de rentelasten van de staatsschuld (die voor 2015 geschat wordt op 8,4 miljard).

Schulden maken om er later meer voor terug te krijgen is zowel voor individuen (studieschuld) als bedrijven (investeren) de normaalste zaak van de wereld. Juist een overheid kan bij uitstek investeren, en daarbij anticiperen op toekomstige stijging van de belastinginkomsten. De sterke toename van de staatsschuld (van 45,3 procent van het bbp in 2007 naar 73,5 procent in 2013) heeft overigens voor een groot deel te maken met de steun aan de banken. Daling van de staatsschuld gebeurde tot nu toe vrijwel altijd door inflatie en economische groei (door het eerste wordt de schuld minder waard, door het tweede neemt het percentage ten opzichte van het bbp af). Daling door bezuinigingen, zeker in een tijd van nul inflatie en lage economische groei, is vrijwel onmogelijk.

Volgens hoogleraar economie Harrie Verbon dient de mythe van de staatsschuld vooral een ideologisch doel: ‘Verlaging van de staatsschuld betekent een kleinere overheid, en daar gaat het de voorstanders om.’

Mythe 9: de stijgende zorgkosten gaan ten koste van onderwijs en ander moois

De zorguitgaven stijgen op het moment met zo’n vier procent per jaar, doordat mensen ouder worden, er medisch meer kan, we hogere eisen stellen aan de verzorging, door prijsstijgingen en noem het ‘aanbodsturing’. Dat is meer dan de economische groei en dus zijn we een steeds groter deel van het nationaal inkomen aan zorg kwijt. In het publieke debat wordt regelmatig de indruk gewekt dat de stijgende zorgkosten ten koste gaan van andere publieke voorzieningen, zoals het onderwijs. Maar dat geldt alleen als de totale kosten van de publieke voorzieningen als geheel niet mogen stijgen. En dat is, zoals eerder betoogd, een keuze: een grote collectieve sector is economisch gezien geen probleem. Hoeveel we aan zorg willen besteden is, binnen redelijke grenzen, eveneens een keuze.

De Nederlandse zorgkosten houden, als het om de zogeheten cure gaat, gelijke tred met de omringende landen, maar de kosten voor de langdurige zorg zijn in Nederland relatief hoog en nemen ook sneller toe dan elders. Naar verhouding is er in Nederland veel betaalde langdurige zorg, terwijl in omringende landen mensen vaker onbetaald voor ouderen, geestelijk zieken en gehandicapten zorgen. Ook dat is een keuze.

Mythe 10: de vergrijzing is niet te betalen

Puur demografisch is er wel wat aan de hand: waren er in 2012 op iedere aow’er 3,7 mensen tussen de twintig en de aow-gerechtigde leeftijd, in 2040 zijn er op iedere aow’er 2,6 mensen tussen de twintig en de 67. In de komende 25 jaar zullen het bbp en de arbeidsproductiviteit naar verwachting ook toenemen, waardoor de kosten van meer ‘afhankelijken’ (zoals de 67-plussers in cpb-termen heten) ook makkelijker te dragen zijn. Bovendien telt het cpb alleen ouderen mee als afhankelijken, en kinderen niet.

Ook kinderen kosten echter geld en verdienen nog niks. Tel je kinderen en ouderen bij elkaar op, dan is het aantal afhankelijken ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking (gedefinieerd als iedereen van 20 tot 65 jaar oud, in de toekomst 67 jaar) in 2040 even hoog als nu. Waar we nu meer voor nog niet werkende kinderen betalen, doen we dat in de toekomst vaker voor niet meer werkende ouderen.

Bovendien, en dat zou je bijna vergeten door alle discussies over de ‘onhoudbaarheid’ van het Nederlandse pensioenstelsel, sparen ouderen zelf voor een groot deel van hun kosten. De pensioenen in Nederland zijn opgezet als spaarpot voor later: de werkenden van nu dragen premie af voor als ze zelf gepensioneerd zijn. In andere landen betalen de werkenden het pensioen van de mensen die op dat moment met pensioen zijn, en zal in de toekomst dus een krimpend aantal werkenden het pensioen van een toenemend aantal ouderen moeten betalen.

De aow is wel gefinancierd zoals elders de pensioenen: de huidige belastingbetalers bekostigen de aow van de huidige gepensioneerden, en de toekomstige werkers dus de aow van de dan gepensioneerden. Doordat de aowechter slechts meestijgt met het minimumloon en niet met de gemiddelde lonen is de kosten­stijging beperkt. De kosten van de aow zijn op dit moment zo’n vijf procent van het bbp.

Een paar jaar geleden waren de politiek en beleidsmakend Nederland in de ban van het ‘houdbaarheidstekort’, een nieuwe term die betekende dat Nederland, bij gelijkblijvende voorzieningen en gelijkblijvende belastingen en premies, in 2040 een tekort zou hebben van 29 miljard per jaar. Achteraf is het een wat wonderlijke redenering: alles blijft gelijk, er verandert 25 jaar lang niets, behalve dat er meer ouderen komen. Inmiddels is het houdbaarheidstekort omgeslagen in een ‘houdbaarheidsoverschot’ en sindsdien hoor je niemand er meer over.

Veel pensioenfondsen indexeren de pensioenen niet meer omdat aanpassing aan de inflatie te duur zou zijn. In die discussie is het goed te bedenken dat indexering in tijden van gemiddelde inflatie jaarlijks een half miljard euro kost (op een totale jaarlijkse pensioenuitkering van dertig miljard), en de overheadkosten van de pensioenfondsen jaarlijks 5,7 miljard. Dat zijn de kosten voor vermogensbeheer en ‘transactiekosten’. Het is misschien nuttiger om iets aan die kosten te doen.

Mythe 11: een economische groei van drie procent is normaal

Dat wat je in je eigen leven hebt meegemaakt beschouw je al gauw als vanzelfsprekend. Dat is misschien de reden dat we een economische groei van drie procent normaal vinden, en een groei van bijvoorbeeld één procent als vreemd beschouwen. De aflopen pakweg driehonderd jaar lag de economische groei in Europa echter slechts dertig jaar rond de drie procent, laat Thomas Piketty zien in zijn veelbesproken boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Piketty gaat daarbij uit van de groei per hoofd. De (dikke) drie procent gold alleen van 1950 tot 1980. Gedurende een groot deel van de afgelopen driehonderd jaar was er niet of nauwelijks sprake van groei, en gemiddeld lag de groei zowel in Europa als in de VS op ongeveer één procent.

Het economenpanel van MeJudice peilde afgelopen september de verwachtingen van 64 economen over economische groei. Met de stelling ‘het groeiperspectief in de eurozone is de komende tien jaar maximaal één procent’ was slechts een derde het oneens, en als het louter over de groei in Nederland ging lag dat percentage nauwelijks hoger.

Het Sustainable Finance Lab berekende dat de economische groei in Nederland tussen 1995 en 2008 gelijk stond aan het bedrag dat er aan extra hypotheken werd opgenomen op de ‘overwaarde’ van huizen. Het sfl stelt daarom dat de groei in die periode in feite gebaseerd was op lucht. Veel huizen staan inmiddels ‘onder water’, ze zijn niet méér maar minder waard dan de prijs waar ze voor gekocht zijn.

De economische ontwikkeling is eigenlijk niet te voorspellen, en bovendien is het een illusie dat de overheid of de politiek daar veel invloed op heeft, zegt hoogleraar economie Harrie Verbon. ‘Groei is vooral een effect van grote innovaties. Die kun je stimuleren, maar er valt niet te voorspellen wanneer ze zich werkelijk voordoen.’ Een langdurig lage economische groei stelt de samenleving voor een uitdaging waar we nog geen ervaring mee hebben, stelt Verbon: ‘Tot nu toe was economische groei de manier om, zonder dat het anderen pijn doet, ervoor te zorgen dat de onderkant het ietsjes beter krijgt, dus hoe doe je dat zonder economische groei?’ Tomas Sedlacek stelt: ‘Als het pensioenstelsel, de zorg en het sociaal stelsel gebouwd zijn op groei is dat vragen om problemen. Een schip moet zowel tegen rukwinden als tegen windstilte kunnen.’

mythen#5.jpg

Mythe 12: het bbp is een goede maatstaf van ’s lands welvaart

Hoewel voor steeds meer mensen duidelijk is dat het bbp, het bruto binnenlands product, geen goede maat is om de welvaart van een land te meten, is er nog geen andere maat voor in de plaats gekomen. Het bbp is de optelsom van alles wat in een land geproduceerd wordt voor geld. Alles waar niet voor betaald wordt, telt niet mee. En anders dan bij bedrijven, waar ook de ‘voorraad’ van belang is, telt in het bbp alleen de productie zelve. Zo neemt het bbp toe als er na een ramp of oorlog veel huizen gebouwd worden, ook als vervolgens het aantal huizen even groot is als vóór de ramp of oorlog.

Het bbp van een land wordt vaak niet gewogen naar het aantal inwoners. Zo zal China binnenkort de VS voorbij gaan in bbp, maar dat neemt niet weg dat een Amerikaan nog steeds ruim vijf keer zo rijk is als een Chinees (in koopkracht; gemeten in geld is een Amerikaan zelfs bijna acht keer zo rijk).

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso)heeft een andere maat ontwikkeld voor welvaart van een land: de Better Life Index, waarin behalve het inkomen per hoofd ook de levensverwachting, het geweldsniveau, de scholingsgraad en de ongelijkheid meetellen. Deze factoren zijn voor het bevredigen van behoeften van mensen van groot belang – en dat was waar het ‘de economie’ ooit om begonnen was. De Utrechtse hoogleraar Jan Luiten van Zanten keek met deze index naar Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen en ontdekte dat het bbp en ‘Better Life’ vaak fors uit elkaar lopen. Hij wijst nog op een andere reden waarom het bbp geen goed economisch kompas is: economische groei is vaak zo ongelijk over de bevolking verdeeld dat het weinig zegt over de welvaart van het land als geheel.

In het boek Economie: De gebruiksaanwijzing stelt Ha-Joon Chang voor de economische ontwikkeling van landen af te meten aan de toe- of afname van hun vermogen om te produceren. Dat vermogen tot productie zit onder meer in natuurlijke hulpbronnen, machines, innovatiekracht en mensen.

Hoe alomtegenwoordig het bbp is blijkt overigens ook weer uit dit artikel.

Mythe 13: de toekomst hangt af van drie percentages

Wie het nieuws volgt krijgt de indruk dat de economische staat van landen valt af te meten aan drie percentages: de staatsschuld mag niet hoger zijn dan zestig procent van het bbp, een inflatie van twee procent is het gezondst, en het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent. Het Europese ‘stabiliteitspact’ heeft dit percentagedenken een grote boost gegeven. Hoog­leraar economie Steven Brakman uit Groningen: ‘Dat is misschien wel de grootste economische mythe van dit moment. Er is niemand die kan aangeven waarom die kengetallen zo belangrijk zijn voor de economie, laat staan waarom zestig, drie en twee de ware getallen zijn. Er zijn landen met zeer florerende economieën met heel andere percentages. En toch richten we alles in op die paar getallen.’

De pagina ‘overheidsfinanciën 2015 in beeld’ op de site van de rijksoverheid vermeldt slechts het begrotingstekort, de rentelasten en de staatsschuld. Niks over de 260 miljard die de overheid jaarlijks besteedt of waaraan dit wordt besteed, daar kom je pas op bij veel doorklikken. Voor wie daar toch nieuwsgierig naar is: 105 miljard oftewel veertig procent gaat naar zorg en onderwijs, bijna 78 miljard naar sociale zekerheid en reïntegratie.

Mythe 14: we zijn in de afgelopen 35 jaar tig keer zo rijk geworden

Niet iedereen. Het reële inkomen van de tien procent minst verdienende huishoudens is in Nederland sinds 1977 zelfs met ruim dertig procent gedaald. Ook zijn de cao-lonen, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1980 niet gestegen. Een eenverdiener die afhankelijk is van het cao-loon en er geen periodieken en dergelijke bij kreeg, ging er de afgelopen 35 jaar dan ook niet op vooruit.

De toegenomen rijkdom (gemeten in bbp per hoofd, gecorrigeerd voor inflatie) zit vooral bij tweeverdieners, mensen die carrière maakten en mensen met inkomen uit vermogen. Drie vaak onderbelichte factoren veroorzaken toenemende inkomensverschillen: mensen gaan ‘opwaarts’ relaties aan (hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid), loononderhandelingen gaan over procenten in plaats van centen (en twee procent erbij is op het minimuminkomen een schijntje ten opzichte van twee procent voor hoge inkomens) en ten slotte het feit dat veel uitkeringen (aow, bijstand) verstrekt worden per huishouden terwijl lonen individueel zijn. Tweeverdieners verdienen twee inkomens, samen­wonende aow’ers of bijstandsgerechtigden krijgen pakweg 140 procent van een alleenstaandenuitkering.

Mythe 15: iedereen profiteert van economische groei

Het is de rode draad van het kabinetsbeleid: zorg voor meer economische groei, want daar profiteert uiteindelijk iedereen van. Een geloof dat ook wel bekendstaat als de trickle down-­filosofie, of zoals de Engelsen zeggen ‘a rising tide lifts all boats’.

De effecten van deze filosofie zijn vergaand, zeker in combinatie met de mythe dat financiële armslag voor bedrijven en kapitaalkrachtigen leidt tot investeringen. Zo kun je rechtvaardigen dat je bezuinigt op voorzieningen voor arme mensen ten bate van bedrijven en rijken: dat zorgt immers voor economische groei waar ook de armen uiteindelijk baat bij zullen hebben.

Het trickle down-effect is echter een mythe, laat de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz zien met uitgebreid onderzoek. Want niet alleen leidt het bevoordelen van bedrijven vaak helemaal niet tot investeringen en groei (zie mythe 2: geef bedrijven de ruimte), ook komt groei niet vanzelf ten goede aan de onderkant van de samenleving. Of de onderkant baat heeft bij economische groei hangt grotendeels af van het overheidsbeleid: de herverdeling via belastingen, publieke voorzieningen en sociale zekerheid.

Mythe 16: ongelijkheid is goed voor de economie

Tot voor kort was het idee dat inkomens­verschillen goed zijn voor de economie tamelijk hardnekkig: ongelijkheid zou naijver aanwakkeren, waardoor mensen harder gaan werken. De oeso heeft hier onlangs korte metten mee gemaakt: inkomensverschillen zijn juist slecht voor de economie. Ten eerste omdat juist aan de onderkant mensen productiever worden als ze meer middelen krijgen: ze zijn dan minder met overleven bezig, scholen zichzelf en hun kinderen beter en gaan meer bijdragen aan de samenleving. Dat geldt niet alleen voor de onderste tien procent, maar zelfs voor veertig procent van de mensen, toont de oeso aan. Ook leidt bij de onderste inkomensgroepen extra geld tot extra bestedingen in de reële economie, terwijl de bovenste inkomensgroepen hun geld eerder oppotten. Waren de inkomensverschillen in Nederland kleiner, dan zou dat wellicht dertig miljard aan bbp extra opleveren, aldus de oeso.

Dat toenemende ongelijkheid geen natuurverschijnsel is waar niks aan te doen valt, blijkt in Zuid-Amerika. Ontwikkelingseconoom Sir Richard Jolly van de Universiteit van Sussex laat zien dat de ongelijkheid in vijftien Zuid-­Amerikaanse landen in de afgelopen jaren flink is afgenomen door een combinatie van belastingpolitiek, handelsbeleid, armoedeprogramma’s en overheidsinvesteringen van overwegend linkse regeringen.

Mythe 17: onderwijs is de oplossing – voor alles en zeker voor de economische groei

De relatie tussen onderwijs en economische groei is op z’n minst een ingewikkelde. In 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme laat Chang zien dat er landen zijn met een uiterst laag percentage hoogopgeleiden die het economisch zeer goed doen (Zwitserland) en andersom: landen waar vrijwel iedereen hoogopgeleid is en waar het economisch toch slecht gaat (Griekenland, Argentinië). Onderwijs is voor mensen zeer verrijkend, maar haal er niet steeds het economische argument bij, stelt hij.

De econome Alison Wolf toont in Does Education Matter? Myths about Education and Economic Growth aan dat investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs echt van belang zijn, maar investeringen in het onderwijs dat daarna komt veel minder.

Bij de discussies over de relatie tussen onderwijs en werkgelegenheid wreekt zich dat wat waar is voor individuen wordt geëxtrapoleerd naar de samenleving als geheel, zegt arbeidsmarkteconoom Paul de Beer: ‘Iemand die hoogopgeleid is heeft meer kans op een baan dan een laagopgeleide, maar minder laagopgeleiden leidt niet tot minder werkloosheid.’ Onderwijs is een positioneel goed geworden: wie er meer van heeft, onderscheidt zich van wie minder heeft. Het genoten onderwijs is daarmee vooral een sorteerinstrument voor werkgevers.

Arnold Heertje pleit ervoor om ook bij onderwijs uit te gaan van het brede welvaartsbegrip: voorzien in de behoeften van mensen, in dit geval de leerlingen en studenten. ‘Wat willen zij leren, waar voelen zij zich rijker door. Dat is iets anders dan de behoeften van de geldeconomie.’

Mythe 18: vrije markt en handel zijn goed voor arme landen

Opmerkelijk is dat de westerse landen die zelf hun economieën heel lang afgeschermd hebben, juist om eerst zelf economische kracht op te bouwen, nu beweren dat vrijhandel goed is voor ontwikkelingslanden. Op een zeker moment is vrije handel goed voor de economische groei van een land, zegt Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar eerst moet de economie van een land sterk genoeg zijn om de concurrentie aan te kunnen. Én er moet een institutionele structuur zijn waardoor die vrije handel goed geregeld is, anders wordt het een vorm van leegroof.

In veel landen is aan die twee voorwaarden nog niet voldaan en dan is een vorm van protectionisme verstandig, zegt Garretsen: ‘Het is een simplistisch idee van beleidsmakers dat vrije handel altijd goed is.’ Daar is inmiddels overigens ook het imf van overtuigd. De Japanse auto-industrie vaart nu wel bij vrije handel, maar vergeten wordt dat ze tot wasdom kwam dankzij veertig jaar protectionisme en subsidies.

Een ander misverstand is dat wat tegenwoordig vrijhandel heet (het afbreken van alle handelsregulering) een voorwaarde is voor handel tussen landen. ‘Er wordt vaak de indruk gewekt dat het alles of niets is: alsof er alleen gehandeld kan worden als er geen enkele beperking of regel is. Terwijl de meeste handel natuurlijk plaatsvindt binnen regels.’

Mythe 19: pas op, we dalen op de lijstjes!

‘The dangerous obsession with competitive­ness’, noemde de econoom Paul Krugman het al in 1994: het idee dat landen met elkaar concurreren als waren het multinationals. Sindsdien is het denken in economische lijstjes en competitie alleen maar toegenomen. Competitiedenken gaat ervan uit dat de winst van de een het verlies van de ander is. Landen kunnen echter juist profijt hebben van elkaars vooruitgang: als het goed gaat met Duitsland is dat goed voor Nederland. (Iets wat in relatie tot China overigens nog wel eens vergeten wordt: een opkomend China betekent niet alleen Chinese productie, maar ook een enorme afzetmarkt.)

Lijstjes gaan er bovendien vanuit dat je relatieve positie belangrijker is dan je feitelijke: stel dat het bbp van Nederland bijvoorbeeld fors stijgt, maar dat van een ander land stijgt nog iets meer, dan daalt Nederland een plek op de lijst, maar gaat het daarmee slechter? Het woord ‘concurrentiekracht’ suggereert bovendien dat ongeveer je hele bestaan ervan afhangt. Maar de lijstjes die de ‘competitive­ness’ of concurrentiekracht meten, hebben het slechts over de exportmogelijkheden van een land. En die zijn niet zaligmakend.


Dit is het tweede deel van een drieluik over ­economische mythesDe vorigeaflevering, ‘Twaalf mythes over werk en werkloosheid’verscheen in De Groene Amsterdammer van 12 maart

mei 21, 2015 at 8:35 am Een reactie plaatsen

Het resultaat van vijf jaar bezuinigen: duizenden doden

De Nederlandse nieuwssite De Correspondent maakt de balans op van vijf jaar bezuinigen. “Zelden is een debat in de economische – maar vooral ook medische – wetenschap zo duidelijk beslecht” zo schrijft Rutger Bregman. De bezuinigingsdrift in Europa heeft duizenden mensenlevens geëist. Lees hieronder de volledige tekst. Johan Depoortere

55475bd039cb71179915868

Door: 

Dit komt misschien als een verrassing, maar in de afgelopen jaren heb je meegedaan aan een groot experiment. Er waren grofweg twee groepen: de een kreeg een nieuw, veelbelovend medicijn toegediend, de andere groep diende ter controle.

Het medicijn in kwestie: bezuinigen.De onderzoeksvraag: welke groep zou het beter doen?De onderzoekspopulatie: honderden miljoenen mensen van over de hele wereld.Van het begin af aan waren de verwachtingen hooggespannen. Sommige dokters dachten dat het medicijn voor meer vertrouwen en groei zou zorgen, of zelfs als een verjongingskuur zou werken. Andere dokters dachten dat het eigenlijk een bittere pil was, die de symptomen zou verergeren.Inmiddels is het vijf jaar later: hoog tijd om de balans op te maken. En erg moeilijk is dat niet. Zelden is een debat in de medische wetenschap zo duidelijk beslecht. Als er ooit een eindrapport van het experiment wordt opgesteld, dan zullen we lezen dat de bezuinigingspil een gruwelijk medicijn was. Dat het immense schade heeft aangericht. Het was een middel dat, evenals het aderlaten in de middeleeuwen, vrijwel alle symptomen van de ziekte heeft verergerd. Van de hoogte van de werkloosheid tot het aantal zelfdodingen – de bezuinigingen hebben een spoor van verderf achtergelaten.

Blader de medische dossiers van de patiënten maar eens door. In de landen die het meeste bezuiniging slikten, steeg de werkloosheid het sterkst en kromp de economie het meest. Een enkele dokter beweert nog dat de bezuinigingspil geen vergif was, daar het inmiddels weer iets beter gaat met de behandelde landen. Maar wie dat gelooft, kan net zo goed een kwartier met zijn hoofd tegen de muur bonken, zo merkt een vooraanstaande arts nu op. (Het zal immers heerlijk voelen om weer te stoppen.)

5548ac5b267123543381580

Bron: IMF. De economische groei is het gemiddelde per jaar over de periode 2009-2014. De verandering van de overheidsbalans (bezuinigingen + hogere belastingen) gaat over die hele periode.

 

In hun studie The Body Economic (2013) beschrijven de dokters David Stuckler en Sanjay Basu hoe landen als Nederland vrijwillig besloten om met hun hoofd tegen de muur te gaan bonken. Andere landen, zoals Griekenland, werden ertoe gedwongen.

Nog niet eerder in de naoorlogse geschiedenis was een lid van de Europese Unie zo snel afgetakeld

Dat het resultaat afschuwelijk was, is inmiddels boven alle twijfel verheven. Het verslag van Stuckler en Basu zit vol met schokkende cijfers die je doen beseffen dat de behandeling niet alleen economisch leed teweeg heeft gebracht, maar ook gewoon mensenlevens heeft gekost. In Griekenland explodeerde de werkloosheid van 7,8 procent in 2008 naar 27,5 procent in 2013. En naar mate het budget voor de gezondheidszorg kromp, begonnen steeds meer Grieken het loodje te leggen. In slechts een paar jaar tijd steeg de kindersterfte met 43 procent, het aantal zware depressies met 250 procent en het aantal zelfdodingen met 45 procent.

Nog niet eerder in de naoorlogse geschiedenis was een lid van de Europese Unie zo snel afgetakeld. Zelfs malaria keerde terug naar Griekenland, en dat voor het eerst in veertig jaar tijd. Daarmee vergeleken maakten patiënten als Engeland en Nederland het nog goed. Omdat ze minder van het gif slikten – en de patiënt aan het begin van de kuur een stuk gezonder was – waren de symptomen hier minder heftig. Toch vielen ook in deze landen doden. Terwijl de economie kromp en de staatsschuld groeide, nam het aantal werklozen en daklozen toe. In Nederland steeg het aantal zelfdodingen met 37 procent.

Stuckler en Basu vertellen, tot slot, het verhaal van de controlegroepen. Landen als IJsland en Finland bezuinigden minder of investeerden juist extra in hun gezondheidszorg en armoedebestrijding. Het gevolg: deze patiënten knapten snel op. De IJslanders werden ondanks de totale implosie van hun bankwezen zelfs gezonder dan voor de crisis; ze gingen minder drinken en meer slapen. En terwijl in een land als Nederland het aantal daklozen met 53 procent toenam, begon Finland aan een campagne om het aantal chronisch daklozen terug te brengen naar nul.

Als de bezuinigingspil echt een medicijn zou zijn geweest, zo schrijven Stuckler en Basu, dan zou het al lang verboden zijn door een commissie van medische experts. Dan zouden de dokters die het hebben voorgeschreven – ministers, diplomaten en economen die spraken over ‘verantwoordelijkheid’, ‘daadkracht’ en ‘noodzakelijke hervormingen’ – al lang zijn ontslagen. Want dat het bezuinigen in economisch opzicht niet heeft gewerkt, is nog tot daaraan toe. Het is pas echt onverteerbaar dat het zoveel mensenlevens heeft verwoest.

mei 14, 2015 at 12:34 pm 4 reacties

EEN HISTORICUS MET EEN BIERPROBLEEM

Bier 2 Camelbier_NEW

door Lucas Catherine

Ik denk dat ik dood ga. Op zich is dit natuurlijk een dooddoener. Alle mensen sterven. Dat wist mijn lievelingsfilosoof Al Ma’arri (ca 1000) al: Mozes predikte en stierf. Jezus stierf. En ook Muhammad, ondanks zijn vijf gebeden daags. Gisteren en vandaag zijn eender,nog altijd sterven de mensen. En Al Ma’arri stierf zelfs tweemaal. In februari 2013 werd zijn kop af gekapt, of althans werd zijn standbeeld in zijn Syrische geboorteplek onthoofd door geflipte fundi’s.
Maar toch ik heb een voorteken. Ik heb altijd dorst. Niet naar de eeuwigheid, maar naar bier. En dat voorteken ken ik uit de geschiedenis. Voor de Protestanten in de zestiende eeuw in Brussel werden onthoofd of levend verbrand hadden ze steeds verschrikkelijke dorst. Ik citeer een historicus van toen: “Daags voor hij geëxecuteerd zou worden, gingen we naar boven om hem een laatste vaarwel te zeggen. We troffen een wat neerslachtig man aan, die – je zou het nauwelijks geloven – gekweld werd door een ongelooflijke dorst. Men zegt dat mensen die op het punt staan te sterven door een ondraaglijke dorst worden gekweld, misschien omdat door het intensieve denken aan de dood en het daarbij komende wegkwijnen van de levensgeesten ten gevolge van het niet te bevatten verdriet, het lichaam langzaam wegkwijnt.” U begrijpt mijn bezorgdheid over mijn verschrikkelijke dorst. Nu denk ik niet intensief aan de dood, maar wel aan de plekken waar ik intensief van bier heb genoten. Mijn eerste Tsing Tao bier in het Shanghai van de Culturele Revolutie. Nu zal je zeggen, elk Chinees restaurant in België serveert dat. Jawel nu, maar toen. En ik weet het is eigenlijk een slechte ‘Duitse’ pils, maar toch, het water van Tsing Tao is erg biezonder. Zeggen de Chinezen en mijn herinnering. Of waar is de tijd toen ik in Khartoum woonde en op het terras van Moghrain, dat is waar Witte en Blauwe Nijl samenvloeien Camel Beer kon drinken.

Bier 1 Bier1798
En ik spaar u de Big Five van Tanzania. Voor toeristen gaat dat over groot wild, voor Dar es Salaamers en mij over Tusker, Safari en drie andere biermerken.

Bier 3biertanza 002
Genoeg eigen herinneringen, dat is historie. Maar als historicus stoot ik ook telkens weer op bier. Voor mijn nieuw boek ‘Jihad en Kolonisatie’ begin ik bij de bezetting van Egypte door Napoleon. En wat constateer ik: zijn leger had niet genoeg aan alleen maar de wijn van de lokale kopten. Er zaten ook niet-Franse bierdrinkers in. En die konden hun bier niet missen – ik begrijp ze ten volle, beter trouwens dan het opzet van heel die Egyptische Expeditie – . Probleem was dat ze in Egypte geen hop konden vinden. De Académiciens van de Expeditie werden aan het werk gezet, maar konden het probleem niet oplossen. Een Belg wel, want wat lees ik in n° 100 van Le Courier d’Egypte, 12 Pluviose IX (1 januari 1801), volgende annonce: “L’Armée est prévenue que la brasserie du citoyen Vandevelde, établie au vieux Kaire, est en activité. Le prix de la bière est fixée à 9 medins la pinte. » Citoyen Vandevelde was een Brusselaar en wij kennen al minstens sinds de zestiende eeuw een biersoort zonder hop. In Brussel heette ze toen cuete en in het Westvlaams keyte (dit is trouwens nog altijd de merknaam van een Oostends bier, dat zij oorspronkelijk ook dronken tijdens hun Spaanse belegering). Het was een schraal biertje, het enige dat tijdens het beleg van de Brusselse Republiek in 1585 in de stad nog te krijgen was. “En was maer oft waeter waer, al omdat’t graen soe dier was, omdat sy het mout verbacken souden in platte koude coeken voer de aerm lieden”, schrijft een Brussels historicus van toen. En hoe werd het verkocht? de cuete een halfve stuever e quaerte. Een quaerte, letterlijk een kwart, een inhoudsmaat van 3/4 kroes (een kroes = 1,40 l.), dat is circa 1 l. En dat brengt mij op een ander probleem. Inhoudsmaten van toen. Nu moeten we gewoon kiezen tussen een fluit (10cl), een glas (25cl) of een echte pint (33cl). Maar toen ging het dus om quaerte en andere rare inhoudsmaten. De grootste die ik in verband met bier heb teruggevonden is een aam, te weten drie sister. En een sister dat is een vat van een halve hectoliter van nu. En die naam kende ik als Brusselaar al lang, we hebben hier een Sistervat straat. En het rare is toen de stad in 1863 de straat met de helft heeft verlengd kreeg dat verlengde de naam Hectoliterstraat. Twee keer een sister is dus een hectoliter. Toen kenden onze gemeenteambtenaren nog hun geschiedenis.
Bier 4 Sistervat

Maar bier leverde mij een nieuw probleem op. Waar een mens al niet aan denkt als hij groten dorst heeft. Wanneer kregen we bier in flessen? Wel, het eerste bier dat niet langer in kruiken, quaerten of zelfs sisters werd verkocht was de Geuze. En ik ga u niet vermoeien door u alle mogelijke vergezochte en onjuiste etymologieën voor geuze op te dissen. Daarvoor gaat Sven Gatz hier een biermuseum oprichtten, niet in de Sistervatstraat, maar in de Beuzze. Dat gebeurde dus toen Brussel de champagne leerde kennen en drinken. Dat was rond 1830, om onze onafhankelijkheid van den Hollander te vieren zeggen kwade tongen. In Nederland zelf zal men champagne pas twintig jaar later leren drinken. En wij gingen die lege champagneflessen recupereren en verkochten daarin Lambiek-bier in kleine hoeveelheden. En die lambiek begon in de flessen te hergisten, en dat werd Geuze. Daardoor kunnen wij ook lezen in de krant ‘L’indépendance belge’ van 18 oktober 1844 over de uitvoer van Belgisch bier naar het Oosten. ‘200 flessen gueuse-lambick werden bij een Brussels brouwer aangekocht en naar Constantinopel gestuurd voor rekening van sultan Abdul Medjid’. Een halve eeuw na Napoleon stonden wij weer in het Ottomaanse Rijk, dit maal niet met cuete maar met geuze.
Tot hier mijn verhaal over mijn groten dorst. En mijn vrouw die over mijn schouder meeleest reageert sarcastisch. “Je biersyndroom is geen voorteken dat je gaat sterven, maar een heel duidelijk teken dat je alcoholieker bent.” En zoals we allemaal weten, God bestaat niet, dus zal zij wel de Waarheid vertellen.

mei 11, 2015 at 9:23 am 4 reacties

AL LANG BRANDT DE LAMP IN LAMPEDUSA

Lam 1

door Jef Coeck

‘Op Lampedusa zijn weer bootjes met x aantal vluchtelingen, soms meer dan 3000 op een dag, aangespoeld en/of opgepikt door meestal Italiaanse schepen. Of verdronken. Deze toestand is onhoudbaar en vraagt om hulp van de Europese Unie en de rest van de wereld. Staatssecretaris Francken (meneer X, mevrouw Y, paus F) is afgereisd naar Lampedusa om de toestand ter plaatse in ogenschouw te nemen.’ Het is sinds maanden een bijna dagelijks weerkerend bericht in de journaals en de kranten.

Weinigen hadden tot voor kort gehoord van het poëtisch klinkende eilandje Lampedusa. Het ligt in de Middelandse Zee, onder Sicilië waar het deel van uitmaakt, en is niet groter dan 20 vierkante kilometer. Het ligt dichter bij de Afrikaanse kust dan bij Sicilië zelf. Stranden, zon en water, vakantiegangers, een stukje Italië zonder geschiedenis? Dat laatste klopt niet helemaal, eigenlijk helemaal niet. Lampedusa heeft een lang en bewogen verleden.

Joseph Heller

Joseph Heller

Literatuurliefhebbers kennen het boek van Joseph Heller ‘Catch-22’. Het is een anti-oorlogsroman die zich afspeelt bij een Amerikaans luchtmachtonderdeel dat sinds medio 1943 opereerde vanop een Italiaans eiland in de Middellandse Zee. In het boek is dat het nog kleinere eiland Pianosa, dat voor de kust van Toscane ligt. Om diverse redenen was dat absoluut uitgesloten. In werkelijkheid ging het om Lampedusa en vooral ook Sicilië zelf, vanwaar de geallieerde luchtmacht bombardementsvluchten op de Duitse linies in Europa uitvoerde.

Konden de Amerikanen daar dan zo vrij opereren, zelfs toen Mussolini – bondgenoot van Hitler – nog aan de macht was? Ja, dat kon en wel hierom.

Operation Husky

De Siciliaanse maffia, die veel te ‘lijden’ had van de fascistische dictatuur, keek reikhalzend uit naar de komst van de Amerikanen. De maffiosi bleken dan ook graag bereid met de Amerikanen samen te werken. Vertegenwoordigers van de FBI en hoge Amerikaanse politieke en militaire functionarissen zochten in Comstock Prison van New York de Amerikaans-Siciliaanse maffiabaas Lucky Luciano op. De godfather van de Cosa Nostra was veroordeeld tot 30 jaar cel wegens het souteneurschap over tweeduizend prostituees. De VS-autoriteiten beloofden hem gratie als hij zou bemiddelen tussen de Amerikanen en de Siciliaanse maffia, om een soepele landing van de geallieerde troepen op Sicilië mogelijk te maken. Zo gebeurde het ook. Luciano kwam vrij. De publieke opinie op Sicilië werd bewerkt zodat de mensen, ondanks jarenlange fascistische propaganda en bijhorende sympathie, in dichte rijen juichten toen de geallieerden verschenen. En overal stonden lieden (maffialeden) klaar om de macht en de controle over te nemen. De Engels-Amerikaanse operatie Husky, die begon in de nacht van 9 op 10 juli 1943 aan de zuidkust, verliep dan ook gesmeerd. Binnen zes weken waren Sicilië en zijn ‘Pelagische eilanden’ (drie in aantal, waaronder Lampedusa) bevrijd.

Lucky Luciano

Lucky Luciano

Don Calogero Vizzini uit Villalba en Giuseppe Genco Russo uit Mussomeli, toen de nummer een en twee van de Siciliaanse maffia, werden vanaf de invasie intensief betrokken bij het verdere verloop van de operatie. Zij werden zelfs tot burgermeester van hun stad benoemd. Om zich van de onvoorwaardelijke steun van de maffia te kunnen verzekeren, stonden de geallieerden toe dat het hele criminele netwerk in een mum van tijd werd hersteld.
Door de schaarste aan allerlei goederen, zoals schoenen, kleding, sigaretten en medicijnen ontstond een nieuwe en lucratieve activiteit voor de maffiosi: de smokkel, op Sicilië beter bekend als ntralluzzu.

De maffia wist in deze periode in alle openbare diensten en bestuursorganen te infiltreren, van waaruit zij – dankzij de steun van de geallieerde militaire autoriteiten – de handel kon beheersen. Van 1943 tot 1946 was de maffia de onbetwiste leider van de smokkelhandel dankzij de uiterst winstgevende route Napels – Palermo.
De beweging van arbeiders en boeren bloeide op als gevolg van de almaar toenemende armoede, en ook het banditisme stak de kop weer op. Om zichzelf en hun eigendommen te beschermen, omringden de rijken zich als vanouds met geboefte. Maar er waren meer bedreigingen voor de landeigenaren. Het rode gevaar lag op de loer. De communistische landbouwminister Fausto Gullo van de tijdelijke Italiaanse regering wilde bijvoorbeeld dat de arme boeren eigenaar konden worden van ongebruikte stukken land en dat de landbouwproducten eerlijker zouden worden verdeeld. Om te voorkomen dat de communisten met dit soort maatregelen hun macht zouden gaan ondergraven, wilde de bezittende klasse zich zo snel mogelijk van Italië afscheiden. Sommigen wilden helemaal onafhankelijk zijn en anderen hoopten dat Sicilië de 49ste staat van de Verenigde Staten mocht worden.

Meteen na de bevrijding van de fascisten hadden de separatisten in Palermo er al op aangedrongen Sicilië onafhankelijkheid te verlenen. Tegelijktijd werd de beruchte bendeleider Salvatore Giuliano gevraagd de opstand te steunen. Giuliano werd benoemd tot kolonel over een samenraapsel van allerhande gewapende bendes dat de mooie naam Vrijwilligersleger voor de Onafhankelijkheid van Sicilië kreeg toebedeeld.

Salvatore Giulliano

Salvatore Giulliano

Giuliano trok plunderend en brandstichtend rond met als dieptepunt de aanslag van Portella della Ginestra, een dorp in de buurt van Palermo, waar op 1 mei 1947 de werklui uit het gebied en hun gezinnen waren samengekomen om de Dag van de Arbeid te vieren. Toen de lokale secretaris van de socialistische partij net aan zijn toespraak was begonnen, klonken vanaf de heuvels rondom de eerste schoten. De mensen reageerden enthousiast, want ze dachten dat er alleen maar in de lucht geschoten werd, maar daarna klonk de eerste schreeuw. Er waren elf doden en vijfendertig gewonden. Met deze methoden bereikte Giuliano zijn doel. Het vervolg is niet verrassend. Giuliano werd in 1950 dood aangetroffen, zogenaamd na een vuurgevecht, maar vermoedelijk eerst door maffiabroeders vermoord.

Russo, Giuliano, etc. zijn namen die geregeld terugkeren in de Amerikaanse politiek. Dat is nu verklaard. Op Lampedusa en in heel Sicilië is de maffia, na een zuiveringsactie in de jaren tachtig, weer de baas. Wie zou die boten leveren aan mensensmokkelaars? Zo simpel is het niet om alles op de Cosa Nostra af te schuiven, want de concurrentie is groot.

Vanaf de Oudheid

De naam Lampedusa zou kunnen afstammen van het Griekse woord ‘lampàs’, wat toorts of fakkel betekent. Dat soort lampen werd eeuwenlang op de rotskusten van het eiland geplaatst, als een soort vuurtorens voor de scheepvaart. Of, ongetwijfeld ook wel, om rijkbeladen handelsschepen op de klippen te doen lopen en vervolgens leeg te stelen. Phoeniciërs, Romeinen, Grieken e.a. hebben eeuwenlang aangelegd in Lampedusa als handelspost en/of bevoorradingspunt.

In de 16de eeuw werd het eiland geplunderd door Noord-Afrikaanse slavenhandelaars, die de hele bevolking meevoerden naar hun Afrika en de Golf. Lampedusa bleef zelfs een hele tijd onbewoond, bij gebrek aan bewoners. In de 18de eeuw raakten de Britten geïnteresseerd in Lampedusa als marinebasis voor hun vloot. Zij hadden al het naburige Malta ingepikt. Een tijdlang liet ook Napoleon zich in heel Sicilië gelden, maar zijn uiteindelijke lot kennen we.

Lampedusa kwam meer en meer onder het gezag van het koninkrijk Napels. En na de eenmaking van Italië maakte het deel uit van het Italiaanse vorstendom. Het eiland werd bevolkt door boeren, die schapen kweekten en graan teelden. Een tijdlang was het zelfs een verbanningsoord voor veroordeelde misdadigers.

De oorlogsperiode staat hierboven beschreven. Tijdens de koude oorlog werd het een Amerikaanse NAVO-basis, LORAN-C, met reuze-antennes en interstellaire afluisterposten, die later werden overgedragen aan Navolid Italië.

In 1986 ontstond er een conflict met Lybië, dat twee Scud-raketten afschoot op Lampedusa, ze misten allebei hun doel en kwamen in zee terecht. Maar de vijandelijkheden waren geopend. De Lybiërs wilden zich wreken voor het Amerikaanse bombardement op Tripoli en Benghazi. Later bemoeiden de Italianen zich ermee. In 2004 sloten Lybië en Italië een geheim akkoord waarbij Afrikaanse immigranten uit Italië automatisch naar Lybië werden (terug)gestuurd. Een deel van de bevolking van Lampedusa werd op die manier richting Afrika geloosd. Sinds de jongste ontwikkelingen in Lybië worden de Afrikaanse en andere migranten die naar Lampedusa willen, vanuit Lybië geholpen (what’s in a word?) om de Italiaanse onderkust en zo de Europese Unie te bereiken.

Lam 2

Zo zou de dodelijkste migrantenroute ter wereld zijn ontstaan. Het bezoek aan Lampedusa van Paus Franciscus in 2013 heeft daar niets aan veranderd. De Siciliaanse maffia speelt hierbij ongetwijfeld een rol – maar hoevel andere maffia’s zijn er sindsdien bijgekomen?
Op Lampedusa schijnt de zon en blinken de stranden, die nu bevolkt zijn met lijkzakken, doodskisten, noodhospitalen en hulpverleners. Plus staatssecretaris Theo Francken en zijn collega’s uit andere landen. En journalisten, natuurlijk.

mei 4, 2015 at 3:20 pm 1 reactie

Heeft het papieren boek nog een toekomst? DEEL 7: TWITLIT

tweets

Tom Ronse

In de vorige aflevering van deze serie liet ik me nogal sceptisch uit over het literair potentieel van Twitter. Ik was ongehinderd door enige voorkennis want ik had nog nooit een ‘tweet’ gelezen.  Inmiddels heb ik daar iets aan gedaan. Ik ben er nog niet ingedoken maar ik heb toch al vanop de kant met mijn tenen in deze immense vijver geroerd. Genoeg om te ontdekken dat Twitter gonst van de literaire bedrijvigheid.

Twitter is een “virtuele gemeenschap”, samengesteld uit schier ontelbare, elkaar overlappende  “virtuele gemeenschappen”.  Het communicatieplatform bestaat sinds 2006 en heeft inmiddels  284 miljoen  actieve en 220 miljoen passieve gebruikers.  Het maakt winst door informatie over zijn gebruikers te verkopen aan adverteerders. Niemand leest alle tweets (berichten op Twitter): op piekmomenten zijn er duizenden per seconde. Je kiest wie je volgt en “retweet” wat je goed vindt. Wat Twitter anders maakt dan andere sociale media zoals Facebook is dat “tweets” niet langer mogen zijn dan 140 lettertekens.

Kunnen tweets kunst zijn?

Doemt dat het medium tot oppervlakkigheid?  Is het tot niets anders in staat dan roddelen, sloganeren, chockeren, emotioneel ontlasten, grapjes vertellen, reclame maken en links doorgeven naar andere plaatsen op het internet waar de beperking van 140 lettertekens niet geldt?

Wakkert het de oppervlakkigheid en de short attention span nog aan?

Sommige schrijvers vinden van wel. “Twitter is murdering literature with a gun”, schreef Jonathan Franzen.  Columnist Conor Gearin is het daar niet mee eens. “A Tweet’s 140-character length does not disqualify it as literature — otherwise, we would have to throw out countless short poems that have shaped our view of the world”, schrijft hij. Tweetster en dichteres Kimmy Walters merkt op: “Lots of poetic forms also have limitations, but you’ll notice that fewer people are claiming that the sonnet is murdering literature with a gun.”

Toch besluit Gearin: “I have never seen a writer publish a book entitled “New and Selected Tweets.” I have to admit I am a bit doubtful I would read such a book.”

selected-tweets

Net op de dag waarop ik Gearins column las, zag ik de aankondiging van een boek dat volgende maand verschijnt:  “Selected Tweets”, door Mira Gonzalez en Tao Lin. De eerste is een dichteres uit LA, de tweede een romanschrijver die in New York woont. Beiden zijn verwoede tweeters die verschillende keren per dag wat er door hun hoofd spookt in tweetvorm op de wereld afvuren. Beiden zijn ook gelauwerde auteurs. Maakt dat hun tweets literatuur? Is dit kunst?

“Yes, absolutely”,antwoordt Mira Gonzalez, “ I view twitter as an art form as much as I view poetry or fiction as an art form.” 

Voor haar is Twitter een poëtisch medium maar dat wil niet zeggen dat haar tweets gedichten zijn. Literaire tweets passen niet in de categorieen van het drukperstijdvak. “The content that I post on Twitter tends to be different from the things I would write in a poem. That’s not to say one is better or more important or ‘less poetic’ than the other. I can express things on Twitter that I wouldn’t feel capable of expressing in a poem, the same way I can express things in a poem that I wouldn’t feel capable of expressing in a short story.

Wat het medium voor haar en andere literaire tweeters aantrekkelijk maakt is dat het uitnodigt tot  vluchtige, ongepolijste, onmiddelijke, compacte communicatie met een onzichtbaar publiek. Dat geeft haar als schrijfster een gevoel van vrijheid dat ze in andere media niet vindt:  “I feel comfortable tweeting things that I would never feel comfortable saying in a real life conversation, or even in other places on the internet. For reasons that I don’t fully understand, Twitter is a place where I don’t feel ashamed to say my most shameful thoughts.”

twitter 2

Ook de literaire criticus Christian Lorentzen voelt zich vrijer als tweeter, al wantrouwt hij dat gevoel. “Disposability, and ephemerality and the lack of a money factor all probably make me feel free. This is good evidence that I am delusional because tweets stay online forever unless you delete them, they can be used against you in a court of law, and twitter is a giant corporation, moneywise, whose product is all of us who use it.”

Die vrijheid –of ogenschijnlijke vrijheid-  zet vele literaire tweeters aan om de grens tussen werkelijkheid en fictie op te blazen of in vraag te stellen. Sommigen meten zich een Twitter-persona aan, een fictief karakter dat enkel op Twitter bestaat.Patricia Lockwood, een populaire dichteres en tweetster, is daar een goed voorbeeld van: “My character is a sort of surreal, postmodern Mae West: delusions of grandeur, willingness to say anything, breasts everywhere, even where they don’t belong, and made out of one-liners. I like it when women assume voices of total and even reckless comic authority. I like shocking declarations, and swinging from the chandelier, and general word-drunkenness”.

Vele literaire tweeters vinden Twitter een onmisbaar middel om contacten te leggen, gelijkgestemden en nieuwe lezers te vinden. “It’s weird and surprising and cool and frustrating to discover people so similar to you living all across the globe”, zegt Kimmy Walker. “I have probably seventy soulmates and most of them live between 1,000 and 10,000 miles away from me.”

En Mira Gonzalez : “I have met most of my best friends through Twitter, as well as countless people who have been supportive of my writing. I have also discovered a lot of my favorite writers through their twitter accounts.”   

Sommigen gebruiken Twitter enkel om reclame te maken voor hun boeken. Velen hebben het gevoel dat een schrijver vandaag verplicht is om op Twitter aanwezig te zijn,  wil hij of zij niet genegeerd worden. “I particularly dislike the feeling that if I’m not on Twitter, people won’t share my work or read it, so it’s fear of missing out that keeps me on there”, klaagt de Britse schrijfster Juliet Jacques. “Obviously, this ties in with the financial collapse of the media industry. It’s all a fucking mess, basically, and terrible for the kind of introverted personality that is attracted to write.”

Voor de schrijfster Kate Zambreno was dit de reden om met Twitter te stoppen. Volgens haar zet het medium aan tot zelf-promotie in plaats van tot literaire kwaliteit. Ik kreeg er een hekel door aan mezelf, zegt ze. “Some writers have tens of thousands of followers and it’s more of a popularity contest or a cult of personality, and made me think of writing something to appeal to more readers—which I found poisonous as a writer.”  Sinds ze gestopt is, krijgt ze nog regematig emails van tweeters die haar schrijven dat ze haar missen. Dat vind ze leuk maar ook vreemd: “like you don’t exist if you’re not on social media”.

Flarden

“The best Twitter works like good eavesdropping, when you walk by a conversation and hear just a sentence that you’ll continue to think about ”, meent de literaire redacteur Spencer Madsen.

Het medium is ideaal voor aforismen, slogans in Bond zonder naam-stijl en korte poëtische observaties die op Haikus lijken, weliswaar zonder de vorm van dat Japanse genre te respecteren. “Nieuwjaarsochtend – alles staat in bloei! Ik voel me nogal gemiddeld” zou als een typisch voorbeeld van zo’n tweet kunnen gelden maar het is een haiku van de 18de eeuwse dichter Issa. Niets nieuw dus maar Twitter heeft deze superkorte kunstvormen wel een enorm speelveld gegeven en zo sterk aangewakkerd.

sadvil 3

Ook niet nieuw is wat de situationisten, geinspireerd door marxisme én surrealisme, l’art du détournement noemden. Door een commerciële of politieke slogan uit zijn context te lichten en hem in een andere te plaatsen, kun je hem tegen zichzelf keren. Dat deden ze al in mei ’68. Amerikaanse artisten zoals Barbara Kruger en Jenny Holzer waren er in de jaren 1980 ook straf in. Twitter leent zich uitstekend voor dit soort subversieve kunst.

Sommige tweeters slagen er in om in één enkele tweet een heel scenario te verpakken. Zoals Sadvil:

sadvil

Maar ook dat is eigenlijk niet nieuw. Er ie een beroemde anecdote (al dan niet echt gebeurd – dat is onduidelijk) over Ernest Hemingway. ‘Papa’ zou ooit weddingschap hebben afgesloten dat hij in zes woorden een roman met een begin, een midden en een einde kon schrijven. Dit is wat hij op een servet zou hebben gekrabbeld: “For sale: baby shoes. Never worn.”

Hemingway was de kampioen van de compactheid, van het schrappen van alles wat niet essentieel is. Zou Twitter hem gefascineerd hebben?

Sommige tweeters hebben veel meer dan zes woorden nodig en spreiden hun verhaal over verschillende tweets. De schrijver Rick Moody publiceerde in 2009 een kortverhaal bestaande uit 153 tweets.

Twitter zet aan tot schrappen, tot zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk woorden. Dat heeft ook invloed buiten de Twittersfeer. “De communicatie wordt beknopter en dat zie je dan ook terug in de literatuur”, zegt Peter Roosendaal (“Nederland leest”) in De Morgen (25/03/2015). Essayist en tweeter Kenneth Goldsmith speculeert:  “I wonder if Knausgaard would’ve written the same books today had he been using Twitter. It wasn’t around when he was writing those books. Those books were written during the age of the blog, with its big verbiage. The landscape has completely changed today.”

Het bekendste voorbeeld van een door Twitter beinvloede auteur is wellicht Lydia Davis. Zij is een enthousiate tweeter die net als Issa en Gonzalez van kurkdroge humor houdt:

“Now that I have been here for a little while, I can say with confidence that I have never been here before.”

Ze publiceert fel gewaardeerde superkorte verhalen. Collega-tweetster en schrijfster Chloe Schama  is een fan: “Her work can sometimes read like a test of discipline or the brilliant product of a dare: You thought I couldn’t do it, didn’t you? I broke your heart in one paragraph or less.”

Zoals Hemingway.

Maar terwijl poëzie en kortverhaal in de Twittersfeer kunnen gedijen, kan de roman er zich onmogelijk thuis voelen. En, wat Kenneth Goldsmith ook moge beweren, de vraag naar romans, naar boeken die de beknoptheidsdwang aan hun laars lappen, is niet aan het verdwijnen.

Ook niet in cyberspace. Maar daarvoor moeten we elders kijken dan op  Twitter. Dat doen we in de volgende aflevering van deze serie.

 

De vorige aflevering van deze serie kun je HIER lezen.

De citaten van tweeters in dit artikel komen uit een serie van interviews door Sheila Heti in Believer Magazine. Je kunt die HIER lezen.

 

Gearins column lees je HIER.

Klikken op onderstaande links brengt je naar de Twitter-feed van enkele bekende literaire tweeters. Maar verwacht je niet aan een ononderbroken stroom van literaire hoogstandjes.

@arealliveghost

@tao_lin

@miragonz

@xlorentzen

@TriciaLockwood

@tejucole

@egabbert

@julietjacques

@lydiadavis

@chloeschama

 

 

 

april 27, 2015 at 6:53 pm 1 reactie

WANNEER IS HET ROKJESDAG?

rokjesdag A

Op 2 april 2009 probeerde wijlen Martin Bril in zijn column in de Volkskrant een antwoord te geven op de vraag: wanneer is het precies rokjesdag? Zijn conclusie: ‘Het luistert nauw met deze dag’. Hierbij nog een keer zijn overpeinzingen.

door Martin Bril

Van alle kanten bereikt mij de vraag wanneer het rokjesdag is. Televisieprogramma’s, tijdschriften, radioshows, passanten op straat. Iedereen heeft het erover. Sommigen noemen het overigens bloesjesdag.

Ik niet.

Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen. Tot zover de definitie waarop ongetwijfeld het een en ander valt af te dingen, maar daar heb ik geen zin in, sterker nog; het is een prachtige definitie.

De Van Dale noteert onder rokjesdag zie bloesjesdag. Zo kan ik het ook. Snel naar bloesjesdag en daar treffen we deze: eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen).

Tja.

Ik vind mijn eigen definitie beter. En ik ben niet eens een billenman. Ook geen tietenman trouwens. Dus dat heeft er niets mee te maken. Wat mijn definitie zo mooi maakt is de toverslag.

Hoe weten alle vrouwen dat het rokjesdag wordt? Er is geen tamtam, en het wordt niet op radio en televisie aangekondigd. Het gaat dus om een voorgevoel dat duizenden vrouwen op hetzelfde moment bezoekt.

Het is vandaag 2 april en als het goed is schijnt de zon. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot zo’n17, 18 graden. Dat is in principe genoeg voor rokjesdag, ware het niet dat de ochtend aan de koude kant is, 4 graden, en dat is een obstakel. Halverwege de dag iets anders aantrekken mag niet, en is in veel gevallen ook onmogelijk. Je gaat je op je werk niet verkleden.

Dat brengt ons bij vrijdag.

Niets is beter voor rokjesdag als een dagje wennen aan het idee. Die dag beleven we vandaag. In grote delen van het land, dat moet ik erbij zeggen. Voor wie pech heeft. Wat tegen vrijdag pleit is dat rokjesdag eigenlijk niet aan het einde van een week mag vallen; dat is te makkelijk.

Rokjesdag moet een element van ontbering hebben, een koude ochtend en kippenvel. Vijf graden in de ochtendspits. Het lijkt wel alsof je gek bent. Maar je ziet gelukkig overal collega’s.

Alle rokjes samen zorgen ervoor dat de zon zich al om half 11 gewonnen geeft en haar temperatuur opschroeft naar 13 graden, en twee uur later al naar 18 graden. Uit de wind, een heel klein beetje maar, maar toch, uit de wind kan het makkelijk 20 graden worden.
Voilà, rokjesdag.

Maar ik durf mijn hand er nog niet voor in het vuur te steken. Volgens mijn eigen archief valt rokjesdag namelijk altijd later. 3 april zou een record zijn. Mijn rokjesdagen spelen zich altijd rond 15 april af, bijna twee weken later. Ik moet daar als expert toch enig belang aan hechten.

Maar voor hetzelfde geld overvalt rokjesdag mij vrijdag, dat kan zomaar. Ik neem tenslotte niet deel aan het grote toverslagse raadsel, hoewel ik met drie vrouwen in huis wel een kleine voorsprong heb op andere mannen, en ik hoor de gesprekken die erover gaan, en ik zie dat de winterjassen niet meer aangaan, ik stel zelfs vast dat er lage schoenen aan blote voeten steken, en zonnebrillen in het haar. Ja, dat het de goede kant op gaat, is een feit.

Maar vrijdag?

Doet het er trouwens toe? Natuurlijk niet. Het is maar een geintje. Maar in de kern een schitterend geintje, dat wel. Rokjesdag doet mij meer dan Internationale Vrouwendag, als ik zo oneerbiedig mag zijn.

Het is een feestdag, wanneer hij ook valt.

kort

kort

krt

krt

kt

kt

k

k

o

o

voyeurisme is niet strafbaar

voyeurisme is niet strafbaar

handtastelijkheden wel

handtastelijkheden wel

april 16, 2015 at 11:28 am Een reactie plaatsen

Oudere berichten


Categorieën

  • Blogroll

  • Feeds


    Volg

    Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

    Doe mee met 816 andere volgers