BIJ DE VAL VAN EEN REGERING

Door Johan Depoortere

De persconferentie van Bart De Wever gisteravond (zaterdag 8 december 2018) gaf ons een inzicht in wat we de komende maanden kunnen verwachten. De Wever toonde zich in zijn favoriete rol van slachtoffer, Calimero: “Niet wij hebben de val van het kabinet veroorzaakt, wij worden eruit geduwd omdat ons geen gezichtsbesparend compromis in de kwestie van het immigratiepact werd gegund.” Dat is een merkwaardige omkering van de feiten. De NVA-ministers in de regering Michel – die voortaan Michel 1 zal heten – hebben tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober met geen woord voorbehoud gemaakt bij de afspraak om dat fameuze pact goed te keuren. Sterker: begin oktober nog vond het kabinet van minister van Binnenlandse Zaken Jambon dat het pact gepromoot moest worden bij ”derde landen” omdat de tekst het terugsturen van migranten zonder verblijfsvergunning makkelijker zou maken. (http://www.standaard.be/cnt/dmf20181129_03998994.

De magere resultaten van de gemeentraadsverkiezingen voor de NVA en het succes van het Vlaams Belang deden de partij van de Wever naar de noodrem grijpen. En wat is beter om het twijfelende kiespubliek te bewerken dan een portie angst voor de vreemdeling, de chaos, de “overrompeling van onze grenzen.” Het voorbeeld van Wilders, Baudet, Orban en Salvini wenkt: rechts populisme zit in de lift en de NVA ziet haar kans schoon om op die golf mee te surfen. Een walgelijke leugencampagne tegen het migratiepact was nog maar het begin. Ja de campagne werd vrijwel onmiddellijk offline gehaald (en prompt overgenomen door De Winter) maar de boodschap was intussen overgekomen. Kijk naar de vele reacties op Facebook en je merkt dat het hondenfluitje gehoord is door wie het moest horen: Marrakesh = de grenzen open en de “invasie” van vluchtelingen en “gelukzoekers.”

Op zijn persconferentie ging De Wever op dat elan verder. De verkiezingscampagne is begonnen en de grote leider bracht behendig maar niet zo subtiel het codewoord aan: Marrakesh. De coalitiepartijen die doorgaan in dit kabinet zijn de “Marrakeshpartijen” en de regering de “Marrakeshregering.” Je kunt er donder op zeggen dat het de komende weken en maanden tot walgens toe zal worden herhaald. Niet gehinderd door enige verantwoordelijkheid zal Theo Franken zijn inwendige twitterende Trump ongeremd loslaten. De twee persona’s in De Wever zullen moeten kiezen tussen de burgemeester van Antwerpen die wil besturen met de vermaledijde socialisten en de partijvoorzitter die voluit wil gaan in het opbod met de extreem-rechtse concurrentie.

Een andere uitspraak van De Wever gisteravond verdient meer aandacht dan ze tot nu toe in de media heeft gekregen. “Het parlement is vóór Marrakesh, de bevolking is tégen,” beweerde de NVA-voorzitter, annex burgemeester, annex volksvertegenwoordiger. Dat is rechts-populisme pur sang. Niet alleen liet De wever na duidelijk te maken hoe hij dat wist, hij herhaalde wat zijn voorbeelden Orban, Wilders en Le Pen voortdurend erin hameren: “Niet de elite van verkozen politici weet wat het volk wil, wij weten dat.” Het zal in alle toonaarden tussen nu en de verkiezingen in mei gezongen worden.

De Belgische regering is gevallen, met of zonder zal het Global Compact for Migration worden goedgekeurd en internationaal de basis vormen voor samenwerking op het vlak van migratie. Dat is een goede zaak al hoeven we er geen wonderen van te verwachten. Niet één migrant/vluchteling zal door deze internationale intentieverklaring méér of minder naar Europa komen. Maar de discussie over het pact binnen het kabinet en in het parlement was verworden tot een pure symbolenkwestie waar de inhoud met al zijn nuances ver naar het achterplan was gedreven. De regering is niet gevallen over de dringende problemen van deze tijd: de klimaatcrisis, onze dichtslibbende wegen, betaalbare gezondheidszorg, energievoorziening en nog veel meer. Dat Michel 2 deze problemen zou aanpakken lijkt helaas alles behalve waarschijnlijk.

Voor wie het zou interesseren, dit is de volledige tekst van het Global Compact for Migration.

December 9, 2018 at 12:00 pm 3 comments

EEN SCHURK MINDER

Als een beroemdheid het hoekje omgaat, verandert hij of zij vaak in een heilige. Die eer valt nu te beurt aan G.H.W. Bush. In alle massamedia wordt hij de hemel in geprezen. Niet alleen zijn beleid maar vooral zijn karakter wordt verstikkend veel lof togezwaaid, In de VS en daarbuiten.

Nu is het te verwachten dat de Amerikaanse media bij de dood van een president een buiging maken maar dit keer is de buiging wel erg diep. Het verhaal dat de media vertellen over Bush is, “he was a gentle soul”. Een presidentiele “mister Rogers”. Dat is een referentie die de meeste niet-Amerikanen niet zullen snappen maar mister Rogers was de vriendelijkste man die ooit op tv kwam. Charmant, minzaam, verstandig, beleefd, waardig, bescheiden, bekommerd om anderen en dol op kinderen, op de juiste manier. Bereid om water in zijn wijn te doen om resultaten te bekomen maar onbuigzaam als dat nodig was. Dat we dit beeld van Bush krijgen heeft wellicht niet in geringe mate te maken met de afkeer van de meeste media voor de huidige president. Bush wordt afgeschilderd als de tegenpool van Trump.

 

Er zijn inderdaad grote stijlverschillen tussen de patricier uit Connecticut en de vastgoedmakelaar uit Queens, al zijn ze beiden “met een zilveren lepel in de mond geboren”. Toch hebben ze meer gemeen dan de media laten uitschijnen.

Vergelijk de kiescampagnes waarmee ze in het Witte Huis belandden. Beide waren gebaseerd op het opstoken van blanke angst voor raciale minderheden en op ultra-nationalisme. Bush gebruikte in 1988 het beeld van Willie Horton, een zwarte moordenaar van een blank paar, zoals Trump in 2016 Francisco Sanchez gebruikte, een illegale immigrant die een blank meisje had doodgeschoten. Beiden wikkelden ze zich in de Amerikaanse vlag en bestookten hun tegenstanders met chauvinistische verdachtmakingen. Trump oogste wat Bush gezaaid had.

Als correspondent van De Morgen en andere bladen volgde ik het beleid van Bush van nabij. Het was alles behalve “kind and gentle”.

Op binnenlands vlak was een van zijn eerste initiatieven het lanceren van de “war on drugs”. Dat berustte van bij de aanvang op bedrog. Bush trapte de ‘oorlog’ in gang met een tv-toespraak waarin hij, om te tonen hoe erg de drugepidemie was geworden, een zak crack-cocaine toonde die vlak bij het Witte Huis in beslag was genomen. Later lekte uit dat die inbeslagname speciaal voor de toespraak geensceneerd was. De ‘war on drugs’ was een ‘war on the poor’. Hij werd bijna uitsluitend in zwarte en latino woongebieden gevoerd. Honderdduizenden gekleurde jongeren belandden in de gevangenissen die aan een razend tempo werden bijgebouwd. Zwarte jonge mannen werden gedemoniseerd, net zoals Trump vandaag de illegale immigranten verkettert. Dat aspect van Bush’s beleid werd overigens met enthousiasme door zijn opvolger Bill Clinton voortgezet.

Op buitenlands vlak was Bushs grootste ‘prestatie’ de oorlog tegen Irak. Die wordt tegenwoordig soms “de goede Golfoorlog” genoemd, in tegenstelling tot de tweede, die van zijn zoon, die zoveel ellende meebracht en nu zowel door rechts als door links verguisd wordt. Terwijl vrijwel niemand nog ontkent dat die tweede invasie op basis van leugens (over niet bestaande massale vernietigingswapens) gevoerd werd, wordt de eerste voorgesteld als een nobele strijd voor de westerse waarden. Alsof de VS in het Midden Oosten een onbaatzuchtige toeschouwer was. Washington steunde het regime van Saddam Hoessein jarenlang als tegengewicht voor Iran. Er zijn sterke aanwijzingen dat de Bush-regering de oorlog zelf heeft uitgelokt, om geostrategische redenen. April Glaspie, Bushs ambassadeur in Bagdad, leek Saddam groen licht te geven toen ze hem verzekerde: “We have no opinion on the Arab-Arab conflicts, like your border disagreement with Kuwait”. Eerder al had het State Department Saddam eerder laten weten dat Washington ‘no special defense or security commitments to Kuwait’ had. Met andere woorden, doet u maar.

Op de highway of death’

De afloop van die oorlog was voorspelbaar. Te meer omdat het Iraakse leger te kampen had met massale desertie. Een aspect van die afloop dat in het overwinningsroes door de massamedia tot een voetnoot gereduceerd werd, bleef me bij. Het Iraakse leger was verslagen, een wapenstilstand was afgekondigd. Langs baan 80 die van Koeweit naar Basra in zuid-Irak leidt, trokken tienduizenden Iraakse soldaten naar huis. Sommige in legervoertuigen, anderen in personenwagens en bussen. De meeste zonder wapens. In de nacht van 26 februari 1991 gaf Bush opdracht om het konvooi te vernietigen. Gevechtsvliegtuigen bestookten het urenlang. Toen het voorbij was lagen er meer dan 2000 verbrande voertuigen en duizenden lijken op baan 80, de “Highway of Death”.

Over het waarom van die actie is sindsdien veel gespeculeerd. Militair had ze geen enkele zin, de oorlog was voorbij, het konvooi bestond trouwens grotendeels uit soldaten die geweigerd hadden om te vechten. Vandaar dat niet een Amerikaan sneuvelde in de landaanval om Koeweit te heroveren. Was er een politiek motief? Of een sociaal, zoals sommigen beweren? Op de keper beschouwd doet het er niet toe. Feit is, het was een van de meest gruwelijke slachtpartijen sedert de tweede wereldoorlog. Bush kon urenlang met zijn kleinkinderen spelen maar hij was ook een leugenaar, een cynicus en een oorlogsmisdadiger.

December 5, 2018 at 6:13 am 1 comment

De Buik van Brussel

Door Lucas Catherine

Nu hier zo plechtig aangekondigd werd dat het Salon geen commerciële reclame meer zal bevatten, profiteer ik ervan om culturele reclame te maken voor mezelf, of toch voor een project waar ik mee bezig ben: De Buik van Brussel, en dat heeft niets te zien met mijn eigen fysieke voorkomen. Bij Brussel denkt iedereen aan de Grote Markt of De Marollen, niemand aan De Buik van Brussel. Wel daar moet wat aan gedaan worden dacht ik en om u een idee te geven waarover het gaat: dit korte stuk.

De term Buik van Brussel is ooit gelanceerd door architect en socialistisch volksvertegenwoordiger, Fernand Brunfaut. In het culturele tijdschrift Germinal (10/9/1950) schrijft hij over de markten van Sint-Kathelijne en de Vismet als over Le Ventre de Bruxelles. Zelf refereert hij hierbij naar de roman van Emile Zola, Le Ventre de Paris (1873) die rond de Hallen van Parijs speelt en de sociale strijd beschrijft tussen de Vetten en de Mageren (zie ook het Eiland Amoras van Willy Vandersteen, uit 1945). Recent wordt de term ook gebruikt voor de restaurantbuurt rond de Grote Markt. Maar dat is fake history voor toeristen. Het gaat wel degelijk om de Vismet en Sint-Kathelijne waarover Jacques Brel zong: 

C’était au temps où Bruxelles bruxellait
Sur les pavés de la place Sainte-Catherine 
Dansaient les hommes les femmes en crinoline

Waarom er nu over schrijven ? Wel de markt van Sint Kathelijne is tegenwoordig maar pover, vier kraampjes op zaterdag, en de Vismet werd al in 1955 afgebroken.

 

Tot voor kort bleven er nog talrijke vishandelaars gevestigd. Nu is er nog slechts één. Voor hoe lang nog? Voor ze volledig verdwijnt wil ik haar geschiedenis schrijven en de vertelsels opschrijven die men in sommige staminees rond de Vismet nog vertelt. 

Ik geef er u eentje:

De Haai van de Vismet

De grootste vishandel van België was in de jaren 1980 op de Vismet gevestigd: Vishandel De Baquer. In de jaren 1990 begon het slecht te gaan, met alle vishandels en ook met De Baquer. Men probeerde klanten te lokken met spectaculair waterwild: Dick Fish begon krokodilsteak te verkopen en iemand kwam op het gedacht om haai te importeren. De vis arriveerde, maar ‘viel van de camion’ dankzij Clarence. Dat was een bijnaam: de man was een flierefluiter en keek scheel net zoals Clarence de schele leeuw in de toen immens populaire tv-serie Daktari. En net zoals die leeuw lummelde hij zo maar wat rond. Op een dag dweilde hij alle restaurants van de Vismet af met een kleine haai en probeerde die te verkopen. Maar geen van de koks wou die haai bereiden. Waarschijnlijk ging het om een hondshaai, een goedkope vis die nu nog als pseudo zalm of tonijn wordt verkocht, en ten langen leste wendde hij zich tot De Baquer. Daar werd de haai gewogen, en “tiens!” zei men daar: “dit is raar hij weegt net zoveel als de haai die wij hadden besteld en die nooit is toegekomen.” Omdat hij toch maar Clarence was werd de politie niet ingeschakeld, maar Clarence was wel zijn haai kwijt.

Of dit nog:

Koning Salomon op de Vismet.

Op de hoek van de Vismet met de Populierstraat is Café-Théatre Le Jardin de ma Soeur. Arthème die dat theater runt heeft die naam overgenomen van de gelijknamige pianobar die er in de Golden Sixties was gevestigd. Er kwam alleen champagne of whisky op tafel en dat was niet om de tafel te versieren, maar wel de vrouwen. Eigenaar was Jacques, zelf een getalenteerd pianist. Hij had jaren op cruiseboten geëntertaind. Ze noemden hem de juke-box want hij kon alles spelen wat je maar vroeg, wel duizend nummers. En volgens Jacques was de naam aan het huis ooit gegeven door de begijnen die er woonden, het lag immers aan de buitenmuur van het Begijnhof en sommigen hebben ooit beweerd dat de laatste Opperbegijn er is gestorven, maar dat is verzonnen. De naam zou verwijzen naar het Hooglied van Salomon in de Bijbel. “ Ik ben in mijn Hof gekomen, zuster…”(Hooglied, 5 vers 1) en Jacques vond dat een goeie naam voor zijn bar, want dat Hooglied is een zeer sexueel getinte tekst, en heeft het ondermeer over (Hooglied 6, vers 8): “Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen en maagden zonder tal.” (Daar moet zelfs de Koran het tegen afleggen), en in 2, vers 4 heeft men het over een soort bijbelse bar: “Hij voert mij in het wijnhuis, en bedekt mij met zijn liefde”. Jacques kende niet alleen duizend stukken voor piano, hij kende ook zijn Bijbel. 

Het Brussel van mijn jeugd en de verhalen over Brussel die ik vroeger hoorde bestaan niet meer. De Vismet sterft en Brussel bloedt dood. De Buik van Brussel is overgenomen door toeristen, Euro- en ander -craten, door Fransen die deze stad zien als een Franse provinciestad, door bobo’s uit Wallonië én door bobo’s uit Vlaanderen die hier na hun studies zijn blijven plakken of file-moe zijn en die hier een nieuw dorp hebben gesticht rond de Graanmarkt en de Vlaamse steenweg. Het Brussels is voor hen een dode taal, je merkt het aan het modieus gebruik van ons mooi Brabants met foute woorden. Het restaurant op de hoek heet nu Le Ket de Bruxelles. Ik kom er niet, want ik ben geen ket. Daar ben ik te oud voor. Een ketjesschool is een peutertuin. Ket ben je tot je communie daarna wordt dat fiston, kameroet, pei, ave pei of nog wat anders. Er is nu ook een trendy restaurant dat Kaberdouche heet. Dit terwijl een kaberdoesj een louche staminee is waar de bazin met klanten naar boven gaat. Een fake authenticiteit waarin het Brussels wordt verkracht. Want wat is Brussels? Ik citeer de immer erudiete Jean d’Osta in zijn Grammaire (1973) : La formation des phrases et l’ordre des mots (avec toutes les inversions et préfixes séparables propres au néerlandais) sont exactement les mêmes en bruxellois. Nous n’en parlerons donc pas. 

Ce langage, dont l’origine remonte aux Francs Saliens et qui depuis tant de siècles est resté quasi inchangé, est aujourd’hui tué lentement mais sûrement… en tot slot : Le parler bruxellois, och èrme, n’a jamais eu de culture. Il a cependant bien failli en avoir une, au XVIème siècle. Le brabançon écrit par Marnix de Sainte-Aldegonde, n’avait presque plus rien de dialectal. Ja, Marnix was een geboren en getogen Brusselaar en moest onze Brusselse republiek niet zijn gevallen die verdoemde 10 maart 1585 dan hadden ze nu in Amsterdam het Brabants Brussels van Marnix gesproken en had ik dit stuk in het Brussels geschreven. Daarom dan toch mijn oudste herinnering aan Brussel in deze gerateerde cultuurtaal:

Ik was me moeite ne meiter gruut en ik liep mê maane poepa lost de gruute boulevards. Lost Les Augustins oep de place de Brouckère – gewuun passeire moe nie binne stappe, veulst te duur veu ons – lost de Stella Bourse, woe damme uuk nie binnenginge want me moeiste noe d’A Met en toensj moestik pisse. En uuk al was ik me moeite ne meiter gruut, toch te aad veu op stroet in ’t

zeuppeke te mouge pissen. Moe Brussel es ’n liberoele stad. 

Ge mougt er zaaiken tegen et bestuur: op de binnekoer van ’t Stadhoeis es ’n trappeken af noe ’n pissaan. Nog altaat.

Zaaiken teige de kerk, teige Sainte Cathérine, uuk nog altaat want ’n pissaan geklasseid deu Freddy Thielemans. 

En teige ’t kapitoel: onner de Beuze, rechtouver de Stella Bourse was uuk een trappeken af noe een magnifik pissaan in posselaan, just zu as in Paraas. En waalen da toeis in ’n blekke gout bouve den beirput moeste pissen, naag impossant: da pissaan in ’t schuunste, witte posselaan. Van toen dateirt uuk ’t lieken:

In de gruute stad van Brussel komt een nuut pissaan

Omdat de stad van Brussel na prouper zoe zaan:

Den ienen pist al hie, den andere pist al doe,

A broek is nog nie oupe of de flikken zaan al doe.

Da pissaan onner de Beuze es weg en Brussel is nie mie zue prouper: ‘den ienen pist al hie… en de flikken? Ze zaan nuut nie doe.

(Om het Brussels te begrijpen: gewoon luidop lezen en dat werkt, en voor het Frans: liever Larousse dan Google translate)

 

November 20, 2018 at 10:29 am 1 comment

Geen publiciteit meer!

Goed nieuws: dit salon is opnieuw 100 procent reklamevrij.

November 16, 2018 at 5:11 am Leave a comment

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

ANTWERPEN 1968

Het vorige artikel in dit salon, de mijmeringen van Lucas Catherine over Brussel 1967, inspireerde Hugo Durieux om terug te blikken naar Antwerpen anno 1968. Durieux studeerde van 1969 tot 1976 Rechten en Wijsbegeerte in Antwerpen en Gent. Hij werkte op verschillende plekken in Europa als journalist, in het hoger onderwijs en in de ambtenarij. Nu beheert hij o.m. de websites https://rivieren-en-meren.online/ en http://www.durieux.eu/. Eerdere bijdragen van zijn hand in het salon kan men HIER en HIER vinden.

Eigenlijk was ik net te jong voor mei’68. In dat bewuste voorjaar zat ik te zuchten in de tweede Latijn-Grieks (de poesis). ‘Leuven Vlaams’ uit 1966, waaruit uiteindelijk voor een belangrijk deel de Belgische politieke mei ’68-beweging zou voortkomen, is helemaal aan mij voorbijgegaan. Wel was ik in die legendarische lente al volop in de ban van een ander fenomeen dat later, in de jaren zeventig, deel zou gaan uitmaken van de ‘erfenis’ van mei ’68: de hippies en de (VS-Amerikaanse) underground. Misschien ben ik wel veel meer een soixante-huitard geworden en gebleven, dan velen die in die periode aan de beweging deelnamen – en ik verloochen er vrijwel niets van.

Om de tien jaar komen in de maand mei dezelfde vragen naar boven in de media: wat heeft het betekend, waar is het goed voor geweest, wat heeft het achtergelaten, zijn wij nu toe aan de definitieve restauratie, of zijn er aspecten van mei ’68 van waarde gebleven? (In 1978 al publiceerde uitgeverij Manteau Mei ’68 – De grote kater, met bijdragen van o.m. Martin van Amerongen, Jos De Man en Piet Piryns.)

De grote verworvenheid van mei ’68 was voor mij dat, vanaf het eerste jaar aan de universiteit, ik een denk- en leefwereld kon vormen waarin de persoonlijke en culturele vrijheid van de hippies zich mengde (maar vaak ook botste en schuurde) met een ontwikkelend klassenbewustzijn. Het eind van de jaren zestig en vrijwel heel het volgende decennium vormden een periode van heftige sociale en politieke strijd, waarbij al heel snel het adagium evident leek, dat wie geen stelling innam, ook een stelling innam. Je kon toch niet onbewogen blijven bij de oorlogen in Vietnam en Cambodja, de culturele revolutie in China, de Praagse lente, de bevrijdingsoorlogen in Angola, Mozambique en Zuid-Afrika, de Portugese Anjerrevolutie, de staatsgreep tegen Allende en de daaropvolgende dictatuur in Chili, de fascistische dictaturen in Argentinië, Brazilië, Uruguay, Paraguay, El Salvador en Nicaragua, Black Panther, de boycot van Cuba, de steeds heftiger onderdrukking van de Palestijnen en het geweld dat dit veroorzaakte in het gehele Midden Oosten, het kolonelsregime in Griekenland, de burgeroorlog in Noord-Ierland, de neutronenbom, maar ook de teloorgang van de staalnijverheid in West-Europa, de linkse en rechtse stadsguerrilla in de Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk, Italië, Spanje, zelfs België, de beroepsverboden in Duitsland en België, de loden jaren in Italië en Frankrijk, de dokstaking van 1973 in Antwerpen, de pogingen tot arbeiderszelfbeheer in bedrijven als Salik, LIP of de Boelwerf Temse, et j’en passe. Dat was niet allemaal ver van mijn bed: wie zich in Antwerpen of aan de universiteit solidair betoonde met de verschillende emancipatiebewegingen of zich inzette tegen diverse dictaturen, kreeg al snel te maken met de knokploegen van de Vlaamse Militanten Orde, Were di of de Vlaams-nationalistische studentenorganisatie KVHV.

Het theoretische kader om zowel die mondiale crisis als de ontvoogdingsstrijden te plaatsen en te begrijpen, werd aangeboden door mensen die zich volop aan het verdiepen waren in allerlei varianten van marxisme en anarchisme. Het vrolijke anarchisme van provo in Amsterdam kon wel een tijd aanstekelijk werken, maar het was geen doeltreffende benadering voor de scherpe maatschappelijke conflicten beneden de Moerdijk en de harde repressieve manier waarop de overheden in België daarop reageerden. Ontwikkelend klassenbewustzijn had in de eerste plaats te maken met veel lezen (in de eerste plaats de marxistische klassiekers, maar ook de klassieke anarchisten), maar ook met onregelmatig werk tussendoor als arbeider (in mijn geval in de haven, eerst als leerling-plaatslager in de scheepsherstelling, later ‘met de pas’ als dokwerker). Klassenengagement als student vond een uitdrukking bij de oprichting van de Antwerpse wetswinkel in 1972, en in het verslaggeverswerk voor Bevrijdingspersagentschap (BPA). In navolging van het Franse Agence de Presse Libération (waaruit de krant Libération is voortgekomen) waren in Brussel en Leuven ‘persagentschappen’ ontstaan, die wekelijks gestencilde bulletins uitgaven waarin overwegend studenten nieuws verzamelden uit sectoren waaraan de gevestigde agentschappen en redacties geen aandacht besteedden: sociale strijd, prille milieuorganisaties, studentenbeweging, de minder officiële vrouwenbeweging, gewetensbezwaarden en dienstweigeraars …
De ruimte voor culturele en persoonlijke vrijheid die in die tijd ontstond, leek wel onbegrensd. Wij waren achttien, twintig of daaromtrent, het gezag van ouders werd toch al op alle vlakken bestreden, het was de hoogste tijd voor een meeslepende ontdekkingstocht in de verslavende wereld van de seks. De ‘tweede feministische golf’, die wat noordelijk België betreft hoofdzakelijk uit Nederland afkomstig was, was ook voor mannen een bevrijding: je leerde inzien hoe je was opgevoed in een strak rollenpatroon, maar je ontdekte ook dat seks met zelfbewuste vrouwen veel spannender was en veel verder kon gaan dan wat je je ooit had voorgesteld. De feministische ontdekkingstocht naar het lichamelijke is ook de mannen ten goede gekomen. Maar er was natuurlijk, uiteraard, vanzelfsprekend veel meer dan dat. De zoektocht naar herbronning, naar een alternatief voor de beklemmende katholieke of traditioneel socialistische moraal van de ouders, leidde tot een nieuw milieubewustzijn en openheid voor Aziatische (pseudo-)wijsheid: massage, alternatieve geneeswijzen, makrobiotiek.

Eind jaren zestig en begin jaren zeventig waren in Antwerpen sowieso een spannende tijd op cultureel gebied . De Wide White Space Gallery was nog actief; het ICC op de Meir beleefde zijn glorietijd met Flor Bex en bracht ons Beuys, Joseph Kosuth, James Lee Byars met zijn geverfde maaltijd op de Veemarkt, het prille werk van Anne-Mie Van Kerckhoven, Danny Devos, Ria Pacquée en vele anderen, maar ook talloze experimentele films en festivalletjes rond klankpoëzie; cafés rond het Conscienceplein en de Wolstraat en min of meer besloten clubs als Vécu en Gard Sivik waren ontmoetingsplaatsen voor beeldend kunstenaars, jazzmuzikanten en wilde schrijvers als Szukalski, Wout Vercammen, Marcel Van Maele, Gust Gils, Nic van Bruggen, en Laurent Veydt (die onder zijn echte naam Georges Adé onze leraar Frans bleek te zijn).

In de ‘strijdcultuur’ wilden gezelschappen als Werktheater, Het Trojaanse Paard of de Internationale Nieuwe Scène met militant toneel de persoonlijke en klassenemancipatie van ‘gewone mensen’ stimuleren door toegankelijk theater te maken op toegankelijke plekken. Aan de pas gestarte Universitaire Instelling Antwerpen, met een campus midden in de weilanden in Wilrijk, ontstond het Centrum voor Experimenteel Teater. Wij leerden er Brecht lezen, maar maakten ook kennis met het werk van Bread and Puppet en het Living Theatre; het CET produceerde enkele keren in de ruimten van Fort VI voorstellingen van het nomadische muziektheater van Welfare State. Maar evengoed gingen wij naar Parijs voor het Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine, of naar Amsterdam, om te kijken naar wat Mickery op de Rozengracht liet zien – om nog maar te zwijgen van uitstappen naar Brussel, voor het Franstalige aanbod in Théâtre 140 of de Hallen van Schaarbeek.

En dan heb ik het nog niet eens over de legendarische Studio Century in Borgerhout, die elke maand een tiental films programmeerde die later klassiekers zouden blijken, van de films uit de Andy Warhol Factory tot het vroege werk van Werner Herzog of Wim Wenders, van het werk van Marguerite Duras of Marco Ferreri tot de eerste kennismaking met de Japanse cinema. Op muzikaal gebied was het Free Music Festival (aanvankelijk in de King Kong, de zaal die later in brand werd gestoken door het neo-fascistische Front de la jeunesse) was elk jaar een bron van opperste verbazing en opwinding: zo zijn mensen ook met geluid bezig! En het genot van die ontdekkingstocht speelde natuurlijk ook een rol bij de kennisname met de elektronische en elektroakoestische muziek: van de geregistreerde studiowerken van Nono, Stockhausen of Lucien Goethals, tot het versterkte gepriegel met schelpen of kammetjes of kraakdozen van John Cage of Michel Waisvisz.

Waarom deze uitgebreide impressie? Omdat de mentaliteit en de maatschappelijke structuren, die zich ontwikkelden tot wat nu ‘mei ‘68’ heet, het perspectief hebben geopend op een vrijwel onbeperkte mogelijkheid tot zelfbevraging en zelfontwikkeling. Door de enorme hoeveelheid informatie en mogelijkheden die ons vanaf 1968 werden aangeboden, en door de vrijheid die wij namen om daar al dan niet op in te gaan, ontstonden bij mij – en bij vele anderen – m ns- en wereldbeelden die persoonlijke vrijheid en ontwikkeling voorop stellen, maar zonder afbreuk te doen aan het verlangen naar vrijheid en ontwikkeling van anderen. (Hier moet zeker nog Jef Sprankenis vermeld worden, de legendarische uitbater van boekhandel De groene waterman. Bij hem vond je tijdschriften, boeken, platen, hoofdzakelijk verzameld en geïmporteerd vanuit Duitsland en Amsterdam, die je kennis lieten maken met politieke inzichten en culturele opvattingen, waarvan je het bestaan zelfs niet had kunnen vermoeden.) Je kan jezelf maar waardevol emanciperen, als dat gebeurt in een context die je omgeving (je leefomgeving, de producenten van wat je gebruikt, het milieu en de dieren, eigenlijk de hele wereld) respecteert. Geen nieuw inzicht, ongetwijfeld, maar wat nu ‘mei ‘68’ heet staat voor een boost aan collectief verlangen naar persoonlijke en globale autonomie en emancipatie, en dat leeft, denk ik, nog steeds.

Tien jaar later, in 1978, hadden de auteurs van De grote kater misschien wel enigszins gelijk: de maatschappelijke structuren leken niet veranderd, de restauratie was in volle gang, en niet weinigen – ook in België – waren het slachtoffer geworden van de repressie die volgde op de pogingen tot maatschappelijke verandering. Maar ik denk dat het toen nog te vroeg was om een begrip als ‘mei ‘68’ zijn historische plaats te geven.
In 1980 ben ik uit België weggegaan, en heb ik op verschillende plekken in Europa geprobeerd mijn mens- en wereldbeeld van een creatieve mix van maatschappelijk bewustzijn en streven naar persoonlijke vrijheid door te geven. Mijn uitgangspunt was altijd: het belangrijkste is dat je een interessante vraag stelt, zodat als daar een antwoord op komt, je weer een goede vraag kan stellen. Vaak zegden studenten me: “Mijnheer, ik ben niet geïnteresseerd in die vraag, ik wil het antwoord.” Maar even goed waren er ook steeds die op het eind van het academiejaar kwamen bedanken, omdat zij bij mij geleerd hadden alles in vraag te stellen wat zij lazen, zagen, hoorden.

En nu, vijftig jaar later, lijkt het weer of het allemaal voor niets is geweest: het nationalisme en de oude politiek zijn terug (in België), de hele wereld wordt gedicteerd door de wetten van markteconomie en mediatisering, en als ik wel eens passeer door wat er allemaal op televisie aangeboden wordt, is er blijkbaar een enorm publiek gecreëerd dat zonder morren enorme hoeveelheden professioneel geproduceerde rotzooi slikt. Je wordt er niet vrolijker van. Maar betekent dat de zinloosheid van de beweging die nu naar mei ’68 genoemd wordt? De politieke en culturele rijkdom die ik in het kielzog van wat enkele jaren eerder begonnen was heb kunnen genieten, nemen zij mij niet meer af. En ik ben niet de enige die op microniveau de idealen van een actieve mengeling van politiek bewustzijn en culturele en persoonlijke vrijheid probeert verder te ontwikkelen en uit te dragen. Als de structuren niet ingrijpend veranderd zijn, dan zijn er toch overal mensen, die in de geest van mei ’68 leven en werken: in het onderwijs, de journalistiek, de wetenschap, de groene en rode actiegroepen en basisgroepen, zelfs het bedrijfsleven. En hoewel ik in Antwerpen en Brussel veel jonge mensen om mij heen zie, die op het eerste gezicht alleen bezig zijn met vegeteren of met agressief gedrag, zie ik er ook veel die zich inzetten, ook op het platteland, voor andere mensen, voor de wereld, voor dieren, voor het milieu, … en die zich op een creatieve manier uiten – ook als ik daar niet veel van begrijp. Uiteindelijk zijn, tegen de dictatuur van de markt en de commerciële media in, talloze mensen bezig met pogingen om hun eigen maatschappelijk bewustzijn te koppelen aan culturele verrijking en persoonlijke ontwikkeling. En laat dat nou net de geest zijn van mei ’68, zoals ik hem gekend heb.

October 18, 2018 at 4:34 am 3 comments

BRUSSEL 1967

door Lucas Catherine

U kent het spreekwoord ‘als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel’. In 1967 was dit zeker niet zo: hier regende het al lang voor het een jaar later in mei in Parijs begon te druppelen. Daarom dat ik al die expo’s hier over Parijs-Mei 68 zo beu ben. 1967 was in Brussel een wonderjaar, zou Hendrik Conscience geschreven hebben, maar wat hier in 1967 gebeurde had natuurlijk te maken met het onweer in Leuven in mei 1966.

We leefden in een CVP-staat waar de Kerk meer macht had dan goed voor ons was. De bisschoppen zouden het in Leuven laten merken met hun fameus ‘mandement’ tegen Leuven Vlaams, daarbij gesteund door de CVP onder leiding van Paul Van den Boeynants. Zelf heb ik die verstikkende CVP-staat voor het eerst ondervonden toen ik na mijn Brusselse collegejaren besloot om in Leuven linguistiek te gaan studeren. De sfeer op die univ was bekrompen, drukkend zelfs en dat voor iemand als ik die toch uit een katholiek college kwam. Niet alleen viel die linguistiek tegen: één uur en dat was het, en voor de rest werd je opgeleid om kinderen de verbuiging van der, die, das aan te leren en ze erop attent te maken dat Shakespeare niet vervelend was. Maar wat erger was: we moesten twee uur kerkgeschiedenis volgen en dan nog eens metafysica, een soort gecamoufleerde godsdienstles waarin ‘bewezen’ werd dat god bestond, dat Sartre een onbenul was en de nazi Heidegger de grootst levende filosoof. En sex bestond nog niet. Ludo Martens werd van de universiteit gestuurd, niet omwille van zijn politieke ideeën maar omwille van het sex-nummer van het studentenblad Ons Leven, waar hij verantwoordelijk voor was. Het academiejaar was dan ook nog maar halfweg of ik schreef me in aan een Brusselse filmschool. Het linkse Brussel van 1967 dat niet te lijden had onder de verstikkende CVP-staat, ook al werd die toen geleid door de Brusselaar Paul Van den Boeynants.

Het Brussels filmmuseum, onderleiding van oud-verzetsman Jacques Ledoux, organiseerde in Knokke in 1967 een Experimenteel Filmfestival. Daar waren niet alleen experimentele films te zien, maar je kon er ook homo-erotische films bekijken van een Griek wiens naam ik ben vergeten en dat in het Casino van Knokke. En, er was ook spektakel: een Japanse jonge dame begon zich op de galatrappen uit te kleden en kroop poedelnaakt in een grote zwarte zak om niet meer te verroeren. Ze heette Yoko Ono – toen nog nooit van gehoord. (1) Hugo Claus liet er zijn versie van Marieke van Nijmegen opvoeren. “Masscheroen en God,” of beter “de Drievuldigheid,” werd gespeeld door drie naakte mannen, waaronder de directeur van mijn school, Rudi Van Vlaenderen. Naar aanleiding van mei 68 in Parijs werd het later ook nog eens opgevoerd in de Brusselse Bozar.

Masscheroen (Rudi Van Vlaenderen is de man in het midden)

Als Claus blote mannen toont, ik een blote vrouw dacht de toen nog onbekende Jef Geeraerts en in dat zelfde Bozar werd in datzelfde jaar 1967 zijn “Zeven Doeken van de Schepping” opgevoerd in een regie van een leraar van ons, Dré Poppe – later stichter van NTG-Gent- en de blote vrouw werd gespeeld door zijn dochter Martine Poppe en dat was een schoon kind. Ik kon het weten want ze vrijde toen met mijn boezemvriend. Wij daar naartoe, maar buiten het beeld van Martine herinner ik mij niets meer van dat stuk, behalve een onnozele haikoe die erin werd gedebiteerd: ‘De zon komt op, De Zon gaat onder, Langzaam telt de Chinese boer zijn kloten’. Geeraerts was toen al overroepen.

Maar de censuur sloeg ook in Brussel toe, en wel bij de interessantste, meertalige boekhandel rechtover Bozar, Librarie Corman. Mathieu Corman(2) was een communist met anarchistische neigingen die nog in de Spaanse burgeroorlog bij de Durutticolonne had gevochten en wars was van elke censuur.

Mathieu Corman in Asturië

Het is in zijn boekhandel dat in 1969 van dezelfde Geeraerts, “Gangreen I” kortstondig werd aangeslagen. Maar je vond er naast artistieke, literaire of libertijnse boeken – ik kocht er mijn eerste nummers van Hara Kiri – heel veel politiek. Zo alles wat Francois Maspéro in Parijs publiceerde. Als ik door mijn bibliotheek ga vind ik er nog van terug: ‘La Guerre de Guérilla’ van Che Guevara, ‘Guerre du Peuple, armée du peuple’ van Vo Nguyen Giap, de Vietnamese generaal die de Fransen versloeg in Dien Bien Phu, alles uit 1967.

In januari van datzelfde linkse wonderjaar 1967 wou Rudi Barnet – nu als 80-jarige actief in de BDS-beweging tegen Israël – het stuk van Aimé Césaire opvoeren over de moord op Lumumba, “Une saison au Congo.” Geen enkel theater durfde het aan, ook al kreeg hij de steun van Hugo Claus en vele anderen, waaronder mijn directeur Rudi Van Vlaenderen. Het werd een opvoering in een klein cultureel centrum in Anderlecht, met alle politie-intimidatie die er bij hoorde. De rol van generaal Janssen was voor Rudi Van Vlaenderen.

Une Saison au Congo

Tot slot was er de impact van de Chinese Culturele Revolutie, zonder dat de studenten De Gedachten van Mao Tsetoeng hadden gelezen vielen ze voor de man en wel hierom. Toen de studenten daar in Peking zich roerden tegen de bureaucratie van het regime door dit op grote muurkranten (Dazibao) te verkondigen kregen ze onverwachte steun van de Grote Roerganger die hen met een eigen dazibao aanmoedigde om in heel China het stof van de oude cultuur te doen wegwaaien. Dat was wat anders dan Leuven of België. Groeperingen die zich naar Mao’s voorbeeld marxistisch – leninistisch gingen noemen sproten dan ook op in Brussel: Mao Spontex, UUU-Université-Usine-Unité, UCMLB, dat later opging in Amada, nu PvdA en zelfs de officiële KP kende een splitsing. Brussel en later heel België zou nooit meer de ‘rust’ kennen die de CVP-staat zo wenste. De meeste partijen werden gesplitst en ook de staat. Alle rust was weg want zoals Bertold Brecht over de revolutionair al dichtte: ‘waar hij gaat zitten, gaat ook de onrust zitten.’ Ik was toen twintig en ben nog altijd tamelijk ‘onrustig’.

(1) De toenmalige BRT heeft het optreden van Yoko Ono gefilmd, net als de opvoering van Masscheroen. Beide opnames werden door de BOB (Bijzondere Opsporingsbrigade) in beslag genomen en deze historische documenten van onschatbare waarde zijn daarna verdwenen in de krochten van het justitiepaleis.

(2) Over de ongemeen boeiende figuur van Mathieu Corman presenteerde journaliste-filmmaakster Greet Brauwers haar documentaire vorige zomer op Theater aan Zee in Oostende. Zie: https://www.hln.be/regio/oostende/-hij-was-zoveel-meer-dan-boekhandelaar~ab93e5fe/

Zie ook: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2014/12/van-durruti-naar-corman.html

 

 

 

 

October 6, 2018 at 10:54 am 4 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,556 other followers