Heeft het papieren boek nog een toekomst? DEEL 7: TWITLIT

tweets

Tom Ronse

In de vorige aflevering van deze serie liet ik me nogal sceptisch uit over het literair potentieel van Twitter. Ik was ongehinderd door enige voorkennis want ik had nog nooit een ‘tweet’ gelezen.  Inmiddels heb ik daar iets aan gedaan. Ik ben er nog niet ingedoken maar ik heb toch al vanop de kant met mijn tenen in deze immense vijver geroerd. Genoeg om te ontdekken dat Twitter gonst van de literaire bedrijvigheid.

Twitter is een “virtuele gemeenschap”, samengesteld uit schier ontelbare, elkaar overlappende  “virtuele gemeenschappen”.  Het communicatieplatform bestaat sinds 2006 en heeft inmiddels  284 miljoen  actieve en 220 miljoen passieve gebruikers.  Het maakt winst door informatie over zijn gebruikers te verkopen aan adverteerders. Niemand leest alle tweets (berichten op Twitter): op piekmomenten zijn er duizenden per seconde. Je kiest wie je volgt en “retweet” wat je goed vindt. Wat Twitter anders maakt dan andere sociale media zoals Facebook is dat “tweets” niet langer mogen zijn dan 140 lettertekens.

Kunnen tweets kunst zijn?

Doemt dat het medium tot oppervlakkigheid?  Is het tot niets anders in staat dan roddelen, sloganeren, chockeren, emotioneel ontlasten, grapjes vertellen, reclame maken en links doorgeven naar andere plaatsen op het internet waar de beperking van 140 lettertekens niet geldt?

Wakkert het de oppervlakkigheid en de short attention span nog aan?

Sommige schrijvers vinden van wel. “Twitter is murdering literature with a gun”, schreef Jonathan Franzen.  Columnist Conor Gearin is het daar niet mee eens. “A Tweet’s 140-character length does not disqualify it as literature — otherwise, we would have to throw out countless short poems that have shaped our view of the world”, schrijft hij. Tweetster en dichteres Kimmy Walters merkt op: “Lots of poetic forms also have limitations, but you’ll notice that fewer people are claiming that the sonnet is murdering literature with a gun.”

Toch besluit Gearin: “I have never seen a writer publish a book entitled “New and Selected Tweets.” I have to admit I am a bit doubtful I would read such a book.”

selected-tweets

Net op de dag waarop ik Gearins column las, zag ik de aankondiging van een boek dat volgende maand verschijnt:  “Selected Tweets”, door Mira Gonzalez en Tao Lin. De eerste is een dichteres uit LA, de tweede een romanschrijver die in New York woont. Beiden zijn verwoede tweeters die verschillende keren per dag wat er door hun hoofd spookt in tweetvorm op de wereld afvuren. Beiden zijn ook gelauwerde auteurs. Maakt dat hun tweets literatuur? Is dit kunst?

“Yes, absolutely”,antwoordt Mira Gonzalez, “ I view twitter as an art form as much as I view poetry or fiction as an art form.” 

Voor haar is Twitter een poëtisch medium maar dat wil niet zeggen dat haar tweets gedichten zijn. Literaire tweets passen niet in de categorieen van het drukperstijdvak. “The content that I post on Twitter tends to be different from the things I would write in a poem. That’s not to say one is better or more important or ‘less poetic’ than the other. I can express things on Twitter that I wouldn’t feel capable of expressing in a poem, the same way I can express things in a poem that I wouldn’t feel capable of expressing in a short story.

Wat het medium voor haar en andere literaire tweeters aantrekkelijk maakt is dat het uitnodigt tot  vluchtige, ongepolijste, onmiddelijke, compacte communicatie met een onzichtbaar publiek. Dat geeft haar als schrijfster een gevoel van vrijheid dat ze in andere media niet vindt:  “I feel comfortable tweeting things that I would never feel comfortable saying in a real life conversation, or even in other places on the internet. For reasons that I don’t fully understand, Twitter is a place where I don’t feel ashamed to say my most shameful thoughts.”

twitter 2

Ook de literaire criticus Christian Lorentzen voelt zich vrijer als tweeter, al wantrouwt hij dat gevoel. “Disposability, and ephemerality and the lack of a money factor all probably make me feel free. This is good evidence that I am delusional because tweets stay online forever unless you delete them, they can be used against you in a court of law, and twitter is a giant corporation, moneywise, whose product is all of us who use it.”

Die vrijheid –of ogenschijnlijke vrijheid-  zet vele literaire tweeters aan om de grens tussen werkelijkheid en fictie op te blazen of in vraag te stellen. Sommigen meten zich een Twitter-persona aan, een fictief karakter dat enkel op Twitter bestaat.Patricia Lockwood, een populaire dichteres en tweetster, is daar een goed voorbeeld van: “My character is a sort of surreal, postmodern Mae West: delusions of grandeur, willingness to say anything, breasts everywhere, even where they don’t belong, and made out of one-liners. I like it when women assume voices of total and even reckless comic authority. I like shocking declarations, and swinging from the chandelier, and general word-drunkenness”.

Vele literaire tweeters vinden Twitter een onmisbaar middel om contacten te leggen, gelijkgestemden en nieuwe lezers te vinden. “It’s weird and surprising and cool and frustrating to discover people so similar to you living all across the globe”, zegt Kimmy Walker. “I have probably seventy soulmates and most of them live between 1,000 and 10,000 miles away from me.”

En Mira Gonzalez : “I have met most of my best friends through Twitter, as well as countless people who have been supportive of my writing. I have also discovered a lot of my favorite writers through their twitter accounts.”   

Sommigen gebruiken Twitter enkel om reclame te maken voor hun boeken. Velen hebben het gevoel dat een schrijver vandaag verplicht is om op Twitter aanwezig te zijn,  wil hij of zij niet genegeerd worden. “I particularly dislike the feeling that if I’m not on Twitter, people won’t share my work or read it, so it’s fear of missing out that keeps me on there”, klaagt de Britse schrijfster Juliet Jacques. “Obviously, this ties in with the financial collapse of the media industry. It’s all a fucking mess, basically, and terrible for the kind of introverted personality that is attracted to write.”

Voor de schrijfster Kate Zambreno was dit de reden om met Twitter te stoppen. Volgens haar zet het medium aan tot zelf-promotie in plaats van tot literaire kwaliteit. Ik kreeg er een hekel door aan mezelf, zegt ze. “Some writers have tens of thousands of followers and it’s more of a popularity contest or a cult of personality, and made me think of writing something to appeal to more readers—which I found poisonous as a writer.”  Sinds ze gestopt is, krijgt ze nog regematig emails van tweeters die haar schrijven dat ze haar missen. Dat vind ze leuk maar ook vreemd: “like you don’t exist if you’re not on social media”.

Flarden

“The best Twitter works like good eavesdropping, when you walk by a conversation and hear just a sentence that you’ll continue to think about ”, meent de literaire redacteur Spencer Madsen.

Het medium is ideaal voor aforismen, slogans in Bond zonder naam-stijl en korte poëtische observaties die op Haikus lijken, weliswaar zonder de vorm van dat Japanse genre te respecteren. “Nieuwjaarsochtend – alles staat in bloei! Ik voel me nogal gemiddeld” zou als een typisch voorbeeld van zo’n tweet kunnen gelden maar het is een haiku van de 18de eeuwse dichter Issa. Niets nieuw dus maar Twitter heeft deze superkorte kunstvormen wel een enorm speelveld gegeven en zo sterk aangewakkerd.

sadvil 3

Ook niet nieuw is wat de situationisten, geinspireerd door marxisme én surrealisme, l’art du détournement noemden. Door een commerciële of politieke slogan uit zijn context te lichten en hem in een andere te plaatsen, kun je hem tegen zichzelf keren. Dat deden ze al in mei ’68. Amerikaanse artisten zoals Barbara Kruger en Jenny Holzer waren er in de jaren 1980 ook straf in. Twitter leent zich uitstekend voor dit soort subversieve kunst.

Sommige tweeters slagen er in om in één enkele tweet een heel scenario te verpakken. Zoals Sadvil:

sadvil

Maar ook dat is eigenlijk niet nieuw. Er ie een beroemde anecdote (al dan niet echt gebeurd – dat is onduidelijk) over Ernest Hemingway. ‘Papa’ zou ooit weddingschap hebben afgesloten dat hij in zes woorden een roman met een begin, een midden en een einde kon schrijven. Dit is wat hij op een servet zou hebben gekrabbeld: “For sale: baby shoes. Never worn.”

Hemingway was de kampioen van de compactheid, van het schrappen van alles wat niet essentieel is. Zou Twitter hem gefascineerd hebben?

Sommige tweeters hebben veel meer dan zes woorden nodig en spreiden hun verhaal over verschillende tweets. De schrijver Rick Moody publiceerde in 2009 een kortverhaal bestaande uit 153 tweets.

Twitter zet aan tot schrappen, tot zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk woorden. Dat heeft ook invloed buiten de Twittersfeer. “De communicatie wordt beknopter en dat zie je dan ook terug in de literatuur”, zegt Peter Roosendaal (“Nederland leest”) in De Morgen (25/03/2015). Essayist en tweeter Kenneth Goldsmith speculeert:  “I wonder if Knausgaard would’ve written the same books today had he been using Twitter. It wasn’t around when he was writing those books. Those books were written during the age of the blog, with its big verbiage. The landscape has completely changed today.”

Het bekendste voorbeeld van een door Twitter beinvloede auteur is wellicht Lydia Davis. Zij is een enthousiate tweeter die net als Issa en Gonzalez van kurkdroge humor houdt:

“Now that I have been here for a little while, I can say with confidence that I have never been here before.”

Ze publiceert fel gewaardeerde superkorte verhalen. Collega-tweetster en schrijfster Chloe Schama  is een fan: “Her work can sometimes read like a test of discipline or the brilliant product of a dare: You thought I couldn’t do it, didn’t you? I broke your heart in one paragraph or less.”

Zoals Hemingway.

Maar terwijl poëzie en kortverhaal in de Twittersfeer kunnen gedijen, kan de roman er zich onmogelijk thuis voelen. En, wat Kenneth Goldsmith ook moge beweren, de vraag naar romans, naar boeken die de beknoptheidsdwang aan hun laars lappen, is niet aan het verdwijnen.

Ook niet in cyberspace. Maar daarvoor moeten we elders kijken dan op  Twitter. Dat doen we in de volgende aflevering van deze serie.

 

De vorige aflevering van deze serie kun je HIER lezen.

De citaten van tweeters in dit artikel komen uit een serie van interviews door Sheila Heti in Believer Magazine. Je kunt die HIER lezen.

 

Gearins column lees je HIER.

Klikken op onderstaande links brengt je naar de Twitter-feed van enkele bekende literaire tweeters. Maar verwacht je niet aan een ononderbroken stroom van literaire hoogstandjes.

@arealliveghost

@tao_lin

@miragonz

@xlorentzen

@TriciaLockwood

@tejucole

@egabbert

@julietjacques

@lydiadavis

@chloeschama

 

 

 

april 27, 2015 at 6:53 pm Een reactie plaatsen

WANNEER IS HET ROKJESDAG?

rokjesdag A

Op 2 april 2009 probeerde wijlen Martin Bril in zijn column in de Volkskrant een antwoord te geven op de vraag: wanneer is het precies rokjesdag? Zijn conclusie: ‘Het luistert nauw met deze dag’. Hierbij nog een keer zijn overpeinzingen.

door Martin Bril

Van alle kanten bereikt mij de vraag wanneer het rokjesdag is. Televisieprogramma’s, tijdschriften, radioshows, passanten op straat. Iedereen heeft het erover. Sommigen noemen het overigens bloesjesdag.

Ik niet.

Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen. Tot zover de definitie waarop ongetwijfeld het een en ander valt af te dingen, maar daar heb ik geen zin in, sterker nog; het is een prachtige definitie.

De Van Dale noteert onder rokjesdag zie bloesjesdag. Zo kan ik het ook. Snel naar bloesjesdag en daar treffen we deze: eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen).

Tja.

Ik vind mijn eigen definitie beter. En ik ben niet eens een billenman. Ook geen tietenman trouwens. Dus dat heeft er niets mee te maken. Wat mijn definitie zo mooi maakt is de toverslag.

Hoe weten alle vrouwen dat het rokjesdag wordt? Er is geen tamtam, en het wordt niet op radio en televisie aangekondigd. Het gaat dus om een voorgevoel dat duizenden vrouwen op hetzelfde moment bezoekt.

Het is vandaag 2 april en als het goed is schijnt de zon. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot zo’n17, 18 graden. Dat is in principe genoeg voor rokjesdag, ware het niet dat de ochtend aan de koude kant is, 4 graden, en dat is een obstakel. Halverwege de dag iets anders aantrekken mag niet, en is in veel gevallen ook onmogelijk. Je gaat je op je werk niet verkleden.

Dat brengt ons bij vrijdag.

Niets is beter voor rokjesdag als een dagje wennen aan het idee. Die dag beleven we vandaag. In grote delen van het land, dat moet ik erbij zeggen. Voor wie pech heeft. Wat tegen vrijdag pleit is dat rokjesdag eigenlijk niet aan het einde van een week mag vallen; dat is te makkelijk.

Rokjesdag moet een element van ontbering hebben, een koude ochtend en kippenvel. Vijf graden in de ochtendspits. Het lijkt wel alsof je gek bent. Maar je ziet gelukkig overal collega’s.

Alle rokjes samen zorgen ervoor dat de zon zich al om half 11 gewonnen geeft en haar temperatuur opschroeft naar 13 graden, en twee uur later al naar 18 graden. Uit de wind, een heel klein beetje maar, maar toch, uit de wind kan het makkelijk 20 graden worden.
Voilà, rokjesdag.

Maar ik durf mijn hand er nog niet voor in het vuur te steken. Volgens mijn eigen archief valt rokjesdag namelijk altijd later. 3 april zou een record zijn. Mijn rokjesdagen spelen zich altijd rond 15 april af, bijna twee weken later. Ik moet daar als expert toch enig belang aan hechten.

Maar voor hetzelfde geld overvalt rokjesdag mij vrijdag, dat kan zomaar. Ik neem tenslotte niet deel aan het grote toverslagse raadsel, hoewel ik met drie vrouwen in huis wel een kleine voorsprong heb op andere mannen, en ik hoor de gesprekken die erover gaan, en ik zie dat de winterjassen niet meer aangaan, ik stel zelfs vast dat er lage schoenen aan blote voeten steken, en zonnebrillen in het haar. Ja, dat het de goede kant op gaat, is een feit.

Maar vrijdag?

Doet het er trouwens toe? Natuurlijk niet. Het is maar een geintje. Maar in de kern een schitterend geintje, dat wel. Rokjesdag doet mij meer dan Internationale Vrouwendag, als ik zo oneerbiedig mag zijn.

Het is een feestdag, wanneer hij ook valt.

kort

kort

krt

krt

kt

kt

k

k

o

o

voyeurisme is niet strafbaar

voyeurisme is niet strafbaar

handtastelijkheden wel

handtastelijkheden wel

april 16, 2015 at 11:28 am Een reactie plaatsen

OVER STEVE: DE OMBUD EN DE PROF

urn 2

Met de familienamen erbij moet dit perfect te volgen zijn: Stevaert, Van den Berghe, Naegels

7 april
mail aan Tom Naegels, Ombudsman van De Standaard
Beste Tom Naegels,

In reactie op uw vandaag in de krant mooi verwoorde mening dat ‘de’ media de dood van Steve Stevaert op gereserveerde wijze hebben belicht, stuur ik u even een opiniestuk dat ik vorige zaterdag naar de opiniebladzijden van DS stuurde, opiniestuk dat zo te zien niet gepubliceerd zal worden.
[zie voor dat stuk van Tom Naegels: http://www.standaard.be/cnt/dmf20150406_01617158%5D

Mijn tekst ging zaterdag ook als voer voor discussie naar ‘mijn’ studenten (masters moraalwetenschap die op mijn en hun initiatief heel wat ethische en maatschappelijke thema’s uitdiepen). Vermoedelijk door de vakantieperiode kwamen er nog toe maar enkele reacties, maar iedereen vindt dat ‘de’ media te sensatiegericht gerapporteerd hebben en dat doorgaans ook zijn. Niet om de prof naar mond te praten want uit ondervinding weten ze dat dat niet hoeft.

Ik stuur u dit in vertrouwen, als ombudsman. Misschien heeft u er toch iets aan. Aangehecht mijn opiniestuk.

Vriendelijke groet,

Gie van den Berghe
***

9 april
mail van Tom Naegels
Geachte heer Van Den Berghe,

Bedankt voor uw mail.

Misschien toch een aantal antwoorden op concrete vragen die u in uw tekst stelt. Dat de vrouw die de klacht indiende niét, en Steve Stevaert wél bij naam werd genoemd, heeft een dubbele reden. Allereerst is het wettelijk verboden om de identiteit vrij te geven van slachtoffers van seksuele misdrijven. (Artikel 378Bis van het strafwetboek). Dat geldt ook voor mensen die voorlopig enkel klacht hebben ingediend, en dus officieel, juridisch nog geen slachtoffer zijn. Ten tweede wordt er zowel in de rechtspraak als in de journalistieke deontologie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen publieke figuren en gewone burgers. Publieke figuren (zowel in de betekenis van “beroemdheden” als in de betekenis van “mensen met een publieke verantwoordelijkheid”, Stevaert was beide) hebben weliswaar net als iedereen recht op privacy, recht op bescherming van hun goede naam edm, maar moeten niettemin accepteren dat zij, meer dan anderen, bloot staan aan kritiek, en dat als ze in opspraak komen hun naam genoemd kan worden, als het maatschappelijk belang dat vraagt. Over dat laatste begrip kan natuurlijk eindeloos gediscussieerd worden, je kan het zo restrictief definiëren dat uiteindelijk niets er nog onder valt, maar voor mij is het helder dat als een voormalig partijvoorzitter, voormalig minister en voormalig gouverneur, ooit de populairste politicus van Vlaanderen, betrokken is in een gerechtelijk onderzoek en vervolgens uit het leven stapt, het maatschappelijk belang vraagt dat hij geïdentificeerd wordt.

Daarmee is ook uw andere vraag beantwoord: zou dit verhaal dezelfde aandacht hebben gekregen indien het om een anoniem iemand ging? Nee, natuurlijk niet, maar dat is ook maar logisch. Journalistiek werkt met het onderscheid tussen publieke figuren en andere.

Ik denk dat u een selectieve lezing maakt van de berichtgeving, als u zegt dat die unaniem en onvoorwaardelijk partij heeft getrokken voor de vrouw die de klacht indiende.

En dat het om een zelfmoord ging, is bevestigd door het parket. Men mag ervan uitgaan dat dat een officiële bron is die een dergelijke mededeling niet lichtzinnig de wereld in stuurt. En bij mijn weten is het perfect mogelijk om, zelfs als men kan zwemmen, te verdrinken in een snelstromend kanaal. Waarom Stevaert voor die methode gekozen heeft, is dan weer een vraag die ik niet kan, of hoef te beantwoorden.

En natuurlijk vinden uw studenten dat ‘de’ media sensatiegericht zijn. Dat is de default mening over de journalistiek. Zelf word ik er vaak nogal moedeloos van hoe lichtzinnig er met dat oordeel wordt gesmeten, zonder veel interesse in de methode die door die media is gevolgd, de normen die journalisten zich daarbij hebben gesteld, en de functie die die berichtgeving heeft in de cultuur. Het *kan*, dat media soms sensationeel te werk gaan – en als dat gebeurt, dan moet dat worden veroordeeld. Maar als het een routine-oordeel wordt, dat altijd wordt uitgesproken, ongeacht de feiten, dan is het ook maar wat het is.

Zeer hartelijk,

Tom Naegels
Ombudsman De Standaard
***

10 april mail aan Tom Naegels
Beste Tom Naegels,
Dank voor uw reactie op mijn opiniestuk dat niet in De Standaard werd gepubliceerd.

Reactie schrijf ik, want geen antwoord, behalve zeer selectief.
Het maatschappelijk belang was op geen enkele manier gediend met het uitbrengen van het feit dat een vrouw Steven Stevaert beschuldigde van een verkrachting na drie jaar stilzwijgen daarover. Dat de media ervoor kozen dat toch uit te brengen, zonder vooraf na te gaan of en zo ja welke bewijzen er waren van Stevaerts schuld, noem ik niet alleen sensatiezucht maar ook een vorm van smaad en zoals helaas gebleken is ook een riskant zetje richting wanhoopsdaad (‘zelfmoord’ mag overigens uit ons vocabularium geschrapt worden, een mens kan zichzelf niet vermoorden, alleen doden – in de term zelfmoord schuilt nog altijd de van oorsprong katholieke afkeuring van die laatste wilsdaad).
Uw argumentatie met betrekking tot de anonimiteit van vermoedelijke slachtoffers van een seksueel misdrijf loopt mank. Als eerste punt heeft u het over de wetgeving dienaangaande, zonder die kritisch in vraag te stellen, je zou bijvoorbeeld de keuze van anonimiteit aan het vermeende slachtoffer kunnen overlaten. Ook onkritisch, toch voor de media en een ombudsman, is het niet publiekelijk opwerpen van de vraag of mensen die beschuldigd worden van een seksueel misdrijf, vermoedelijke daders dus, niet even veel recht hebben op anonimiteit, ook als ze een publieke figuur zijn. En daar kom ik bij het mank lopen van het beschermen van de anonimiteit van het vermeende slachtoffer. Want als tweede punt voert u namelijk aan dat Stevaert en andere publieke figuren géén recht hebben op anonimiteit. Neem me niet kwalijk maar beschuldigd worden, drie jaar na de beweerde feiten, van seksueel misbruik, lijkt me voor de vermoedelijke dader even schaamtevol of zelfs schaamtevoller dan voor het slachtoffer, zeker als hij/zij een publieke figuur is. Dat u en de media dat minstens impliciet anders (of niet) zien, heeft mijns inziens ook te maken met een maatschappij die nog altijd op soms merkwaardige, dubbelzinnige tot hypocriete manieren kampt met haar normen inzake seksualiteit en hoe die onder druk van veranderende maatschappelijke aandachtspunten (zoals groter belang van het kind, individuele rechten, vrouwenrechten…) eveneens veranderen, een verandering die niet automatisch verbetering impliceert..
Vreemd ook vind ik uw gebruik van ‘in opspraak komen’. Dat is in dit en in veel andere gevallen toch juist wat de media gedaan hebben en doen? Stevaert was beschuldigd door één vrouw, een aantal magistraten heeft die beschuldiging gevolgd en onderzocht (en dat vermoedelijk iets grondiger gedaan dan zou gebeuren als de vermoedelijke dader Jan Met de Pet was – iets waarover discussie mogelijk is en waar ik ook niet helemaal uit ben). Maar dan wordt er gelekt en dan moeten ‘de’ media beslissen, liefst deontologisch, of ze uitbrengen dat een publieke figuur beschuldigd is
In mijn ogen hadden de media pas over deze zaak mogen berichten toen Stevaert verdwenen was of, ander moment, dood werd teruggevonden. In uw reactie wordt die uiteindelijke zelfdoding aangevoerd als één van de redenen voor de media om meteen aandacht te besteden aan het feit dat Stevaert beschuldigd werd…!
Ik volg de media en ook De Standaard niet zo nauwgezet als u uit hoofde van uw beroep moet doen; er is zoveel andere en zoveel betrouwbaarder lectuur dan kranten en weekbladen! Ik volg de media, zoals veel van mijn collega’s en waarschijnlijk ook studenten, via andere kanalen zoals Gopress en alleen als zulks zin heeft, nodig is. Voor zo ver ik heb kunnen lezen werd de vrouw die Stevaert beschuldigde wel degelijk voortdurend slachtoffer genoemd, terwijl ze tot nader order iemand was die beweerde slachtoffer te zijn, iemand die een gekende publieke figuur beschuldigde.
Overigens wierp ik in mijn opiniestuk alleen een aantal vragen op (ook wat dat het al dan niet kunnen zwemmen betreft) die volgens mij door de media niet gesteld werden (en waarop u ook nu niet antwoordt, noch op de vragen zelf, noch op de vraag waarom ze niet gesteld werden). Dat ze niet gesteld werden (en mijn inderhaast geschreven reeksje vragen is natuurlijk niet limitatief) wijst erop en bewijst volgens mij dat veel media in dergelijke zaken inderdaad sensatiebelust zijn.
In herhaal ‘in dergelijke zaken’.
Dat studenten, masters moraalwetenschap, zeer intelligente en zeer kritische mensen, er alleen een default mening over de media zouden op nahouden is en een al te makkelijke, zelfrechtvaardigende verdachtmaking.
Als bijvoorbeeld een publieke figuur van een seksueel misdrijf wordt beschuldigd, dan nog zou een krant als bijv. De Standaard dat in een klein berichtje op de zoveelste bladzijde kunnen brengen en benadrukken dat het enkel en alleen om een beschuldiging gaat die volgens één of enkele magistraten voldoende grond van waarheid bevatten om deze publieke figuur door te verwijzen. Een krant zou zich dan alle vragen die ik nu opgeworpen heb, plus vele andere, kunnen stellen. Zeker ook de vraag waarom andere media wel zoveel aandacht besteden aan deze zaak en of dat deontologisch in orde is. Ook de vraag of een krant geen halt zou mogen of moeten toeroepen aan de overdreven aandacht die ze besteden aan futiliteiten over politici en andere publieke persoonlijkheden, aan het wederzijds gebruik van media en politici; zeg maar over de, of die maatschappelijke functie van een krant of de media.
Dat, beste Tom Naegels, de maatschappelijke functie van de media, daar zijn studenten moraalwetenschap (de enige waarover ik kan oordelen) mee bezig, mee begaan.
Daarom stel ik het soort vragen die niet in de krant mogen komen (ook niet in De Morgen, Het Laatste Nieuws) en presenteer ik die tegelijkertijd ook aan studenten.

Waarschijnlijk stuur ik mijn reactie op uw schrijven ook naar die studenten of bespreek ik dat tijdens een van mijn colleges. Vanzelfsprekend zou ik ook graag uw reactie aan de studenten voorleggen (op een intern discussieplatform, Minerva), maar dat doe ik even vanzelfsprekend alleen als u me daar toelating toe verleent.

Vriendelijke groet,

Gie van den Berghe
***

mail van Tom Naegels
Geachte heer Van Den Berghe,

Het staat u vrij mijn antwoord publiek te maken, aan uw studenten of elders. Ik wil er zelfs met uw studenten over in debat komen gaan, als hen dat interesseert.

Hartelijk,

Tom Naegels

Urn 0

april 10, 2015 at 2:23 pm 1 reactie

HEERLIJK HELDER, OOK OVER DISCRIMINATIE

De Wever in flou artistique

De Wever in flou artistique

 

door Walter Zinzen

Drie maanden lang hebben we kunnen genieten van de inspanningen op Radio 1 om onbegrijpelijk ambtenarees te vervangen door helder taalgebruik. Tegelijkertijd hebben we zelden zoveel duistere (onheldere?) mededelingen gehoord als uitgerekend nu. Terwijl de uitspraken van kamerlid-burgemeester-partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) in Terzake ongemeen helder en niet voor dubbele interpretatie vatbaar waren, was in de stortvloed aan reacties de helderheid vaak erg ver te zoeken. Een toemaatje op de campagne voor heldere taal lijkt aangewezen.

Laten we beginnen met een typisch Belgische miskleun: het Gelijkekansencentrum. Dat heet officieel ‘interfederaal’ te zijn. Nu wist mijn grootje al dat interfederaal betekent: tussen federaties. Als de federale republiek Duitsland samen met het federale koninkrijk België een instelling zou oprichten en beheren, dan zou die inderdaad terecht interfederaal genoemd kunnen worden. Maar het Gelijkekansencentrum wordt bestuurd door een allegaartje van de federale Kamer, de gewesten en de gemeenschappen. De term interfederaal slaat dus als een tang op een varken.

Racist als geuzentitel

Gelukkig zijn de standpunten van het centrum een stuk minder misleidend dan zijn naam zou doen vermoeden. Directeur Jozef De Witte kon geen gebrek aan helderheid worden verweten toen hij de uitspraken van De Wever ‘niet racistisch’ noemde. Maar uitgerekend over het begrip racisme werd door anderen heel wat mist gespuid. Vooreerst door De Wever zelf die racisme ‘relatief’ noemde. Filip Dewinter vond ‘racist’ dan weer een geuzentitel en is er trots op dat hij er één is, om dat later weer te ontkennen. En ook rector Rik Torfs van de KU Leuven liet zich niet onbetuigd. In De Morgen schreef de rector dat er ‘onzekerheid en onduidelijkheid groeit over de exacte contouren van het begrip racisme’. Hij voegde eraan toe: ‘Zeker, het openlijke racisme van de usual suspects is helder. Maar de grensgebieden worden nadrukkelijk vager.’ Verwijzend naar Didier Reynders, die zijn gezicht had zwart geverfd, zei de rector dat je onbewust racist kunt zijn, tegen wil en dank. ‘Dat maakt het moeilijk om zelf te weten of je een racist bent of niet.’
Ze zullen het bij het Gelijkekansencentrum met genoegen hebben gelezen. Met zulke overwegingen kun je niemand meer vervolgen voor racisme. Ach ja, ik heb mijn woning niet willen verhuren aan een Berber, maar ik wist niet dat ik daarom een racist ben.

Censuur

Dit soort flou artistique maakt niet alleen helder spreken, maar vooral ook helder denken moeilijk, zo niet onmogelijk. Wellicht was dat ook Torfs’ bedoeling: zeker niet politiek correct te zijn. Het hoge woord is eruit: politiek-correct-mag-niet.
Volgens Lorin Parys (N-VA) is politieke correctheid zelfs een ‘inefficiënt systeem dat in theorie een gelijkere samenleving nastreeft, maar in de praktijk vervalt in een systeem van censuur’. Het stuitende aan dit soort taalgebruik is dat in feite precies het omgekeerde wordt bedoeld van wat er staat en dus ook het volstrekte tegendeel is van heldere communicatie. Want wat voor de drommel is er mis met correctheid, politieke of andere? Krijgen schoolkinderen op hun examens goede punten voor niet correcte en dus foute antwoorden? Hebben we zelf niet in onze jeugd geleerd dat we zonder fouten, dus correct, moeten spreken en denken? Waarom zouden we dat dan nu niet meer mogen doen?
Al in de oudheid maakten filosofen het onderscheid tussen syllogismen (correcte redeneringen) en sofismen (foute want drogredeneringen). Wat willen Lorin Parys en al die andere koene bestrijders van politieke correctheid nu eigenlijk? Dat we het sofisme tot syllogisme uitroepen? Dat we waarheid vervangen door leugen? Hoe kan Parys nu beweren dat een correct systeem leidt tot censuur? Uiteraard bedoelt hij iets helemaal anders: dat het om een systeem gaat dat niet correct, dus fout is. Willen hij en zijn geestesgenoten dat dan ook zo formuleren, in naam van de helderheid, niet alleen van communiceren, maar vooral ook van denken en dus handelen?

Geert Wilders in flou artistique

Geert Wilders in flou artistique

 

april 8, 2015 at 12:10 pm 2 reacties

Robots en technologie, de betere toekomst?

Technologie (2)

door Bor Cobbaut

Het blijft mij verbazen, meer en meer. De jongste jaren is de technologie geëvolueerd tot iets wat we ons tien jaar geleden niet hadden kunnen voorstellen. De nieuwste snufjes en huishoudelijke toepassingen moeten dienen om het leven van de mens makkelijker te maken. Waarom ook niet? Dat is toch leuker dan zelf te moeten stofzuigen of het gras af te rijden?
Een paar weken geleden was er een aflevering van ‘De Schuur van Scheire’ die ging over robots en technologie. Er werd een man getoond die een computerchip in zijn hand had ingeplant om zo zijn huis te beveiligen. Hij had geen huissleutels, geen autosleutels. Hij kon alles gewoon open- en dichtdoen met de handchip. Die chip is zo groot als een rijstkorrel en je voelt amper dat er iets in je handpalm zit. Hoewel Lieven Scheire en zijn bende het eigenlijk een beetje in het belachelijke trokken (wat zorgde voor een grappig scenario in het programma), heb ik hier toch serieuze vragen bij. Ik denk dan vooral aan een ‘Big-Brother’-scenario. Neen, niet een TV-programma met veel mensen in hetzelfde huis die een dagboekkamer hebben om hun ongetwijfeld zeer interessant leven op vast te leggen. Ik heb het over een wereld waarbij alles en iedereen constant in de gaten wordt gehouden.
Natuurlijk, je kan zeggen dat dit nu al het geval is omdat iedereen een gsm heeft die makkelijk op te sporen is. Maar er is wel nog een verschil met een bestanddeel dat in je lichaam zit en dat je niet kan uitzetten of achterlaten wanneer je het wil. Het zogenaamde recht op privacy is dan toch verdwenen? Men zegt vandaag al dat privacy eigenlijk niet bestaat. En dan gaan we nog wat technologie in ons eigen lichaam inplanten? Is het dan raar dat ik mij daar vragen bij stel?
In het tweede deel kwam er een echte robot op bezoek die, voor het eerst ooit op tv, kon springen en hardlopen (klik de link onderaan, voor dat fragment). Uiterst indrukwekkend als je het mij vraagt. Maar schuilt hier ook geen gevaar in? Misschien ligt het wel aan mij omdat ik te veel strips en boeken lees over robots die de wereld overnemen. Het blijft echter wel gevaarlijk in mijn ogen. Als robots in de toekomst alles overnemen van ons, heb je zelf geen controle meer. Hoewel jij de robots geprogrammeerd hebt, weet je niet zeker wat ze doen en hoe ze precies functioneren. Je hebt geen controle meer over zaken die je anders zelf doet.
Akkoord, technologie heeft zowel voor- als nadelen. Het maakt ons leven makkelijker, dat is een feit. Maar de nadelen wegen voor mij zwaarder door dan de voordelen. Denk maar aan de drones die steeds meer worden toegepast in oorlogen. Machines die volledig automatisch naar locatie kunnen vliegen om daar raketten af te vuren. Zo hoeft men eigenlijk niets te doen om een oorlog te winnen. de oorlog wordt gevochten. Maar het aantal slachtoffers stijgt natuurlijk, want de drones worden steeds doeltreffender. En ze treffen niet enkel ‘de militaire vijand’ maar ook en in toenemende mate onschuldiige burgers.
Of neem nu de winst die bedrijven maken met technologie. Ik denk direct aan de i-phone. Hoewel ik er zelf een heb, ben ik er niet echt voorstander van. Door de vele updates van Apple word je bijna verplicht om de zoveel jaar een nieuwe i-phone te kopen omdat de updates niet meer werken op de oudere machientjes. Commercieel goed gezien natuurlijk, ze verplichten je om een nieuwe i-phone te kopen. Maar blijkbaar vinden de meeste mensen dit geen probleem. Ze moeten toch om de zoveel maanden een nieuwe gsm kopen omdat de vorige in het toilet is gevallen, of uit een broekzak (handtas) op de grond is gegleden en er overal barsten in het scherm zitten. Mensen zouden beter eens goed nadenken vooraleer ze een nieuwe GSM aanschaffen…
Het grootste nadeel is, vind ik, dat we afhankelijk zijn geworden van technologie. Door de opkomst van de sociale media is er bijna geen ontsnappen meer aan. Er gaat geen dag voorbij waarin ik niet achter mijn pc zit of op zijn minst mijn gsm check. Veel jongeren kunnen zich zelfs niet voorstellen hoe het was voor de opkomst van de technologie. Bij die jongeren reken ik mezelf. Veel mensen zouden (figuurlijk) doodvallen als ze voor een maand geen gsm mochten gebruiken. De kinderen die recent geboren zijn, kennen dan ook niet veel anders dan computerspellen en laptops om zich te amuseren. Als er ooit een gek opduikt die alle mensen onder zijn macht wil, kan de afhankelijkheid van technologie de ondergang worden van de mensheid.
Ok, misschien was dat laatste een beetje overdreven. Of zelfs zwaar overdreven. Maar toch, technologie is iets dat mij bezighoudt en aan het denken zet. Je kan op zijn minst zeggen dat het fascinerend is om te zien hoe de technologie evolueert. Misschien ben ik wel een doemdenker en is de technologie alleen bedoeld om ons te helpen. Maar als ik op een open grasveld loopt, kijk ik toch altijd uit voor de addertjes die eronder zitten.

BOR COBBAUT (20) is student Hogeschool Gent
(link Schuur van Scheire: ASIMO de robot –> https://www.youtube.com/watch?v=KnkpSObB6YY&ab_channel=Nerdland )

april 3, 2015 at 9:50 pm 6 reacties

Bric à Bracke in Gent

Originally posted on Dirk Tuypens:

Er woedt een storm rond Bart De Wever. Niets nieuws. Hij behoort nu eenmaal tot het genre politicus dat het moet hebben van goedkope ik-zeg-het-zoals-het-is-uitlatingen met een hoog sensatiegehalte. Zonder op tijd en stond een mediastorm voelt hij al snel elke grond onder zijn voeten wegzakken.

De Weveriaanse stormen zijn altijd berekend, de winst is vooraf nauwkeurig uitgeteld. Zelfs als het gaat om uitspraken die het bruine randje ver overschrijden. Dat krijg je nu eenmaal als je zowat het voltallige personeel en electoraat van de eigen-volk-eerst-vrienden opeet. Dat zorgt voor zure oprispingen die nogal sterk ruiken naar lauw geserveerde 70 punten-prak. Je kan niet blijven volhouden dat je die andere partij weliswaar leegzuigt, maar verder niets te maken hebt met het gedachtengoed ervan.

Als het stormt rond De Wever, komen de andere tenoren van de N-VA vanzelf in zijn slagschaduw te staan. En zo wordt ondertussen al bijna vergeten dat…

View original 463 woorden meer

maart 26, 2015 at 1:41 pm Een reactie plaatsen

HEEFT HET PAPIEREN BOEK NOG EEN TOEKOMST? (6)

1.books

Tom Ronse

Zeg me niet dat dit salon geen aandachtige lezers heeft. Zoals EL die me een mail zond waarin hij Sisyphus’ noeste arbeid toejuicht, waarvoor we hem bedanken, en me er tevens op wijst dat ik een serie van essays met bovenstaande titel nooit heb afgemaakt. En hij citeert de slotzin van mijn vijfde en voorlopig laatste stuk in die reeks: “In  de volgende aflevering zoek ik antwoorden op de vraag hoe de overgang naar een wereld van electronische informatieverspreiding traditionele boek-kunstvormen zoals de roman beinvloedt”. Dat schreef ik in april 2012.  Het zou een van mijn vele onafgewerkte projecten gebleven zijn, als EL niet aan mijn mouw had getrokken. Belofte maakt schuld. Het helpt dat het onderwerp me boeit.(1) Dus duiken we er weer in. Over de vraag in de titel -of het gedrukte boek nog een toekomst heeft- hebben we het eigenlijk niet meer. In de vorige afleveringen kwamen we tot de conclusie dat het papieren boek niet zal verdwijnen maar wel marginaler zal worden. Nu gaat het over de vraag hoe de electronische drager het boek inhoudelijk verandert. Hoe zit het met de toekomst van de literatuur?

2. Late American novel

In 2011 verscheen een boek, The Late American Novel: Writers on the Future of Books, waarin 26 bekende schrijvers deze vraag trachtten te beantwoorden. De titel en de ouderwets-futuristische prent op het voorplat doen verwachten dat het e-boek er ruim aan bod in komt maar vreemd genoeg is dat niet het geval. Slechts enkele schrijvers vermelden het en dan nog meestal met enige weerzin.

 

 

3. oldandnew De uitzondering is de romanschrijver Reif Larsen die denkt dat de voorstanders van het gedrukte boek ooit zullen klinken als de Victorianen die kaarslicht zoveel beter vonden dan Edisons nieuwerwetse electrische lantaarns.  Hij probeert zich in te beelden welke nieuwe terreinen de e-boeken zullen exploreren, eens ze in hun nieuwe schulp zijn gegroeid. Ze kunen de rigide grenzen van het blad opblazen, schrijft hij enthousiast. Beelden kunnen in de tekst opdoemen of er boven zweven. Multimedia trailers in plaats van kaften. De tekst zal “zwaar gesupplementeerd” worden met multimedia zoals gesproken woord, muziek, video, opties voor interacties tussen lezers en een zijpaneel met “real-time Twitter reviews.” Vanuit het standpunt van een verhalen-verteller lijken de mogelijkheden om de lezer mee te nemen in nieuwe verhaal-werelden zowel onbeperkt als angstaanjagend, concludeert  Larsen.  De truc bestaat er volgens hem in om te weten “when to harness the power of the new media and when to let the simplicity of the text work its magic.” De verleiding om met de nieuwe media te spelen kan er echter toe leiden dat al te vaak voor het eerste wordt gekozen.

Larsen heeft zelf van zijn roman The Selected Works of T.S. Spivet  een “geamplifieerde”e-versie gepubliceerd (Penguin, 2012. De filmversie van het boek, The Young and Prodigious Spivet , was vorig jaar in de bioscopen).

4. Spivet poster

Het e-boek kun je als Ipad app downloaden.  Ipad-lezers klagen echter dat hun schermpje te klein is om al de extra’s – video, commentaren- die de e-versie bevat te tonen. Je moet ze  zelf binnen je gezichtsveld trekken. Sommige lezers vinden al die zijsprongen die het verhaal onderbreken irritant. Hoe meer toeters en bellen, hoe aantrekkelijker de rust van de simpele tekst hen lijkt.

5. reading manara

Strandscene door Milo Manara

 

Dat is ook de opinie van de Britse schrijver China Miéville. In een speech voor de Edinburgh World Writers’ conference in 2012  stelde hij dat de voorspellingen over de digitale productie van een nieuwe soort literatuur overroepen bleken. “The hypertext novel? A few interesting experiments. The enhanced ebook, with soundtrack and animation? A banal abomination.”  Ondanks alle experimenten is het volgens hem opvallend dat de traditional narrative-arc-shaped fiction goed standhoudt.  Maar terwijl de digitale productie volgens hem nog geen inhoudelijke of vormelijke revolutie van de literatuur heeft teweeg gebracht, ziet hij de digitale distributie van literatuur als een onstuitbare trend. En je kunt de distributie van de roman niet radicaal herstructureren zonder dat dit een impact heeft op zijn vorm en inhoud. Miéville erkent dat.  “We naderen niet alleen een tijdperk waarin niemand die dat niet wil voor een boek zal moeten betalen maar ook een waarin de digitale beschikbaarheid van de tekst de relatie tussen lezer, schrijver en boek zal veranderen”.

De meest ingrijpende verandering volgens Miéville: “The text won’t be closed.”

“Anyone who wants to shove their hands into a book and grub about in its innards, add to and subtract from it, and pass it on, will, in this age of distributed text, be able to do so without much difficulty, and some are already starting.”

Inderdaad kan men op het web al heel wat sites vinden waar mensen zich literair uitleven door nieuwe avonturen te bedenken voor personnages uit bekende romans en films (verder meer daarover). Op  muzikaal vlak is de invloed van de digitale distributie nog veel duidelijker. Het  remixen van bestaande albums is al heel gewoon worden en heeft op zijn beurt nieuwe songs en composities beinvloed die dan weer door anderen als grondstof worden gebruikt voor nieuwe combinaties. Men zou kunnen zeggen dat de hele muziekwereld er “democratischer” door werd, alleszins meer collectief en interactief.  Elke tiener kan zijn eigen mix maken en online zetten en vele doen dat ook.  Waarom zou de literaire wereld aan die trend ontsnappen?  Is het te vermijden dat er online tal van “redacteurs” opduiken met hun eigen versie van het werk van anderen?

Vele auteurs vinden dat vooruitzicht natuurlijk een nachtmerrie.  Hun werk is hun privé-eigendom dat anderen mits betaling mogen lezen, beluisteren of bekijken en er verder hun poten moeten van afhouden. Maar wat doe je eraan?  Repressie –nieuwe wetten en politie-acties tegen “piraterij”, vervolging van ‘sharers”, enz. – roeit tegen de tijdsstroom in; het is een achterhoede-gevecht. Miéville  heeft er geen good woord voor over: “It’s disingenuous, hypocritical, ineffectual, misunderstands the polyvalent causes and effects of online sharing, is moribund, and complicit with toxicity.”

6. China Mieville

China Mieville

 

Hij bekritiseert zijn eigen vakbond, de Creators’ Rights Alliance, die een manifest uitgaf waarin ze onder meer opriep om “het intellectueel eigendomsrecht” in de scholen te propageren: “All schoolchildren should be encouraged in the habit of using the © symbol with their work, whether it be an essay or a musical composition. The concept behind copyright is so simple that a child can understand it: “I made it: it’s mine.”‘

Miéville vindt dat advocating the neoliberalisation of children’s minds. That is scandalous and stupid. The text is open. This should – could – be our chance to remember that it was never just us who made it, and it was never just ours.”

“Mijn werk” was nooit mijn werk alleen en het was nooit alleen van mij. We hebben altijd cultuur geproduceerd op een collectieve manier.  De informatie-technologie herleidt alles tot fragmenten die op verschillende manieren geassambleerd kunnen worden maar zo was het eigenlijk vroeger ook. Cultuur is informatie en informatie bestaat slechts als inhoud van communicatie. De technologische revolutie in de distributie van informatie heeft het collectieve, interactieve karakter op de spits gedreven. Dat botst  met de maatschappijvorm die steunt op individueel bezit.  Om van digitale goederen individueel bezit en dus koopwaar te maken, moet het doorgeven van informatie bij wet worden ingeperkt.  Maar de aard van het internet, van de digitale technologie, maakt de controle erover moeilijk, zo niet onmogelijk. Niemand kan nog tegenhouden wat er op het web verschijnt. Natuurlijk is er ook een hele industrie die zich erop toelegt om informatie ontoegangelijk te maken voor niet-betalers maar het blijft een permeabele muur, zo standvastig als die van Berlijn.

Dit heeft een krisis veroorzaakt in de muziek-industrie en het uitgeversbedrijf. Maar de muziek en de literatuur lijken te floreren. Een van de duidelijkste gevolgen van de kostenloze reproductie van informatie is dat er ontzaglijk veel meer gepubliceerd wordt.  Niemand hoeft nog aan de normen van uitgevers of muziekbazen te voldoen om zijn/haar werk online te verspreiden. Iedereen kan zich auteur noemen, zelfs van cd’s en gedrukte boeken: dank zij de electronische technologie is self-publishing goedkoop geworden en het is niet zo moeilijk om opgenomen te worden in de cataloog van massa-distributiebedrijven als Amazon.

7. reading stand

Zelfs zij de hunkeren naar vroeger kunnen niet ontkennen dat de trend positieve aspecten heeft.  Online wordt een schat aan informatie beschikbaar gemaakt die zonder het internet verborgen zou blijven of zelfs niet zou bestaan.  Een goed voorbeeld is de scherpe stijging van vertalingen, vooral in het Engels, waardoor literatuur een wijder speelveld kreeg. Opmerkelijk is dat heel wat vertalingen tot stand komen door de gezamenlijke inspanningen van vrijwilligers, uit liefde voor een werk dat geen kans maakt op commercieel sukses.

Men zal opwerpen dat de kwantitatieve stijging van het informatie-aanbod vooral een stijging van het aanbod van rotzooi was. Dat de verminderde rol van uitgeverijen en muziekbedrijven betekent dat er minder op kwaliteit wordt geselecteerd. Dat het informatie-aanbod krioelt van teksten die schreeuwen om een bekwame redacteur. Dat valt niet te ontkennen. Maar het is ook waar dat er in het aanbod van de mooi gedrukte boeken van de traditionele uitgeverijen ook veel rotzooi zit. Literaire kwaliteit en commercieel sukses zijn twee verschillende dingen. Soms vallen ze samen maar vaak doen ze dat niet.

Als iedereen een schrijver kan worden wat blijft er dan over van de speciale status van de auteur? Een vaak gehoorde klacht van gevestigde auteurs is dat het internet het schrijversvak devalueert en daar hebben ze geen ongelijk in. Het schrijversvak is inderdaad gedevalueerd: reken maar uit hoeveel de gemiddelde schrijver per uur verdient. Er zijn natuurlijk uitzonderingen en extreme uitzonderingen maar de gemiddelde schrijver is een armoezaaier. Zijn/haar werk wordt ondergewaardeerd. “Well, yes”, zegt Miéville.  “Just like the work of nurses, teachers, public transport staff, cleaners, social workers, which has been undervalued a vast amount more for a whole lot longer. We live in a world that grossly and violently undervalues the great majority of people in it.”

8 read

En dat wordt steeds erger omdat het logisch is om te bezuinigen op wat geen winst opbrengt. Miéville’s voorstel om de situatie te behelpen door “serieuze schrijvers” een door de staat betaald salaris te geven, lijkt dan ook een luchtkasteel. Omdat het gros van de menselijke activiteit door de hoepel van de winstgevendheid moet springen en die winstgevendheid in het gedrang komt, wordt steeds meer menselijke activiteit ontredderd. Ook het schrijversvak.

Er is natuurlijk nog altijd een circuit dat leidt van noeste eenzame arbeid naar commercieel sukses en rijkdom. Als schrijver kun je daarvan dromen, daarop mikken. Vele Amerikaanse schrijvers structureren hun romans met het oog op hun eventuele verfilming. Als je in een taal als het Nederlands schrijft, en je markt dus beperkt is door de bescheiden omvang van je taalgebied, is de kans dat je ooit van de opbrengst van je literaire kunst zult kunnen overleven bijzonder klein. Al lijken ze in Scandinavie wel een formule te hebben gevonden.

Iedereen die zich aan het schrijven zet weet dat. Iedereen die een tekst op een blog of een website plaatst, weet dat hij of zij er niet rijk van zal worden. Toch houdt dat besef miljoenen niet tegen om literatuur te produceren. Misschien koesteren ze een fantasie waarin ze ondekt zullen worden, zoals elke basketter droomt van de NBA. Maar eigenlijk weten ze het best, hun product is niet verkoopbaar want het is niet winstgevend. Ze doen het toch, niet om te verkopen maar om weg te geven. Om te communiceren. Ze schrijven collectief. Er ontstaat een cultuur van geven en nemen die haaks staat op de klassieke rolpatronen, ook die van de literatuurproductie.

Toch lijkt ook de literatuur die rechtstreeks voor digitale distributie is gemaakt de klassieke vormen niet in vraag te stellen. De roman, het gedicht, het kort verhaal: ze zijn zo taai als kakkerlakken, zoals Miéville opmerkt. Er zijn nieuwe vormen, zoals verhalen die interactief tot stand komen via Twitter maar die hebben, voor zover ik weet, voorlopig weinig indruk gemaakt. De Twitter-vorm (maximaal 140 leestekens per tweet) biedt mogelijkheden voor Haiku-dichters als Herman Van Rompuy maar anderen vinden het een keurslijf. Er is geen Twitter-roman. En de nood om romans te schrijven en te lezen lijkt ook in het internet-tijdperk springlevend.

In de volgende aflevering van deze serie bekijk ik enkele literaire producten van het internet van wat dichterbij.

 

10 patti      11 inprint

(1) Al sinds lang: mijn eindthesis aan de universiteit was getiteld: “De toekomst van de massa-media” (1972). Kun je nagaan hoe leuk het is om dat vandaag te herlezen.

 

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2012/04/10/heeft-het-papieren-boek-nog-een-toekomst-5/

http://www.amazon.com/The-Late-American-Novel-Writers/dp/1593764049

http://www.theguardian.com/books/2012/aug/21/china-mieville-the-future-of-the-novel

 

 

maart 25, 2015 at 6:35 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

  • Blogroll

  • Feeds


    Volg

    Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

    Doe mee met 784 andere volgers