Author Archive

TRUMP EN HET EINDE VAN HET ZIONISME

Door Johan Depoortere

Als het zionisme samen met fascisme, kolonialisme en Apartheid op de vuilnishoop van de geschiedenis zal zijn terechtgekomen zal Donald Trump daarvoor – wellicht postuum – een deel van de verdienste mogen opeisen. Zijn “deal of the century” wordt door vrijwel al wie begaan is met de vrede in het Midden-Oosten verworpen, maar het is niet uitgesloten dat zijn plan wel eens een onverwacht effect kan hebben: namelijk het einde van het zionisme zoals we het vandaag kennen.

Netanyahu en Trump kunnen het uitstekend met elkaar vinden.

Het plan dat Donald Trump met zijn beste maatje Netanyahu heeft bekokstoofd zonder ook maar enige inbreng van één van de twee bij het conflict betrokken partijen draagt de Orwelliaanse naam van “vredesplan.” Maar zoals in Orwells toekomstvisie “waarheid” leugen is zo betekent ook hier “vrede” in werkelijkheid oorlog. Het plan dat met grote achteloosheid voorbijgaat aan de fundamentele rechten van de Palestijnen kan onmogelijk tot vrede maar zal meer dan waarschijnlijk tot meer bloedvergieten leiden.

Zo ziet het toekomstige Palestina eruit volgens de “deal of the century” Officiële kaart.

De meeste waarnemers zijn het erover eens dat met deze deal of the century – in ware maffiastijl aan de Palestijnen opgedrongen – de zogenaamde “tweestaten-oplossing” de doodsteek is toegebracht. Wat de Palestijnen aangeboden krijgen is immers niet meer dan enkele verbrokkelde bantoestans op 15% van het grondgebied van het historische Palestina met toekomstige schijnautonomie die dan nog afhankelijk wordt gemaakt van een hele reeks onmogelijk te vervullen voorwaarden. Exit dus de “tweestaten-oplossing.” De vraag is of we daarom moeten treuren. De “tweestaten-oplossing” is immers nooit een echte oplossing geweest omdat in de ogen van zowel Israëli’s als Amerikanen de Palestijnse staat nooit meer is geweest dan een hersenschim, de wortel die de Palestijnen werd voorgehouden in de hoop het verzet tegen de bezetting en de discriminatie te breken.De “twee-statenoplossing” betekende het definitief verankeren van de Apartheid. Twee miljoen Palestijnen in Israël konden op die manier hun Israëlisch staatsburgerschap verliezen als ze juridisch naar de Palestijnse staat werden getransfereerd. Daarmee zou de oude zionistische droom van de “transfer” van de niet-Joodse bevolking in vervulling zijn gegaan en kon de zionistische staat voor het eerst een volledig etnisch zuivere Joodse staat worden. Hardcore zionisten zoals de historicus Benny Morris hebben het altijd een fout van Ben Gurion en de Israëlische Founding Fathers gevonden dat na de etnische zuivering in 1948 ruim 160 000 Palestijnen (toen “Arabieren”genoemd) in de staat mochten blijven. Het zijn er intussen meer dan twee miljoen, 20 % van de bevolking, en het idee van “transfer” is in leidende zionistische kringen levendiger dan ooit.

Ondanks het mogelijk verzet van de meest extreme settlers die zelfs de mogelijkheid van een virtuele “Palestijnse staat” verafschuwen lijdt het geen twijfel dat Trumps en Netanyahu’s “vredesplan” het groen licht zal krijgen of de volgende regering nu wordt geleid door de huidige premier of door zijn rivaal in de verkiezingen van 2 maart, de zogenaamde “centrumkandidaat” ex-generaal Benny Gantz. Met de annexatie van de nederzettingen op de Westbank en het grootste deel van de Jordaanvallei lijkt de voltooiing van het zionistische project nabij: een Joodse staat op het hele grondgebied van “Eretz Israel” – het bijbelse land van de vermeende voorvaderen van de hedendaagse Joden. Maar de realisatie van die droom zou wel eens op een nachtmerrie kunnen uitdraaien.

Volgens de demografische gegevens van het militair bestuur op de Westbank (dat in Israël Orwelliaans de “burgerlijke administratie” wordt genoemd) zouden door de annexatie meer dan vijf miljoen Palestijnen op de Westbank en Gaza de facto onder Israëlisch bestuur komen. Tel daarbij de twee miljoen “Israëlische Arabieren” in Israël en de nagenoeg 300 000 Palestijnen in Oost-Jeruzalem die nu “voorlopig” als Israëlische staatsburgers worden beschouwd al hebben ze bijvoorbeeld geen stemrecht. Daardoor komen de Joden in het grotere Israël in de minderheid: een nachtmerrie voor de zionisten, die graag waarschuwen voor de “demografische tijdbom.” Dat stelt de zionistische regeringen in de toekomst voor de pijnlijke keuze: ofwel eindeloos geweld door toenemende militarisering en apartheid om de Joodse privileges te beschermen in een land waar Joden de minderheid vormen – en daarmee ook toenemend verzet en internationale druk, of van Israël/Palestina een binationale staat maken met gelijke rechten voor álle inwoners.

Zelfs voor The New York Times, die moeilijk van antizionisme laat staan antisemitisme kan worden beschuldigd is de tweede optie niet langer anathema.  “De Palestijnen moeten politieke en burgerrechten krijgen” schrijft columnist Nicholas Kristof. “Als noch Israël noch de VS bereid zijn hun een volwaardige staat te verlenen, dan moet Israël alle Palestijnen stemrecht en volle rechten toekennen in Israël.” Dat zou het einde betekenen van de “basiswet Joodse Natiestaat” die sinds 2018 letterlijk stelt dat “de uitoefening van het recht op nationale zelfbeschikking in de Staat Israël exclusief het Joodse Volk toekomt.” Dat zou in de praktijk ook het einde van het zionisme betekenen.

Saeb Erekat, toponderhandelaar voor de “Palestijnse Autoriteit”

Het idee van een democratische staat met gelijke rechten voor alle inwoners mag vandaag dan al ondenkbaar of utopisch lijken, een ander alternatief voor uitzichtloos geweld en eeuwigdurende onderdrukking is er niet. In Israël zelf groeit dat besef en een weliswaar uiterst kleine maar actieve minderheid van de Joodse bevolking is daarvan overtuigd. Ook het Palestijnse establishment moet de knop omdraaien en het idee van de twee staten – met de privileges voor een corrupte kliek bestuurders – loslaten. De toponderhandelaar voor de Palestijnse Autoriteit, Saeb Erekat, lijkt dat al te hebben gedaan. Nadat de Verenigde Staten Jeruzalem als hoofdstad van Israël hadden erkend zei Erekat: “Nu is de tijd gekomen om de strijd om te vormen tot een beweging voor ‘één staat met gelijke rechten voor iedereen.”

Onmogelijk, naïef, dagdroom,  illusie, absurd? Een paar maanden vóór de vrijlating van Nelson Mandela zou vrijwel iedereen dat geantwoord hebben tegen wie voorspelde dat het Apartheidsregime in Zuid-Afrika kort daarop tot het verleden zou behoren. Dus ja, niemand kan de toekomst voorspellen maar niemand kan uitsluiten dat Trumps deal of the century het begin van het einde kan betekenen voor de Israëlische variant van de Apartheid: het anderhalve eeuw oude idee van het zionisme.

31 januari 2020

February 2, 2020 at 10:50 am Leave a comment

HET ANDERE NEGATIONISME

In De Standaard van vandaag 28 januari meent de heer Hans Knoop mij van antisemitisme te moeten beschuldigen. Knoop reageert daarmee op mijn opiniebijdrage in dezelfde krant van 21 januari. Dat deze Pavlovreractie van de heer Knoop niet kon uitblijven had ik verwacht, maar daarom wil ik ze nog niet onbeantwoord laten.

Hier volgt mijn antwoord aan Hans Knoop, dat De Standaard helaas niet publiceert:

Dezer dagen wordt de bevrijding herdacht van het nazi-concentratiekamp en vernietigingscentrum Auschwitz. Ondanks de overweldigende hoeveelheid materiële bewijzen en getuigenissen over de massamoord op de Joden en andere “ongewensten” die daar door de nazi’s werd bedreven blijft een franje van pseudo-historici en extreemrechtse ideologen de historische werkelijkheid ontkennen. Het negationisme is een taai verschijnsel, net als het geloof in ufo’s of de overtuiging dat de aarde plat is en Elvis leeft.

Hans Knoop, de onvermoeibare propagandist van de zionistische ideologie en de staat Israël is de vertegenwoordiger bij uitstek van een ander negationisme: dat namelijk dat de historische werkelijkheid van de vernietiging van Palestina ontkent of verzwijgt. De oprichting van de zionistische staat in een land waar de overgrote meerderheid niet-Joods en antizionistisch was kon alleen gebeuren dankzij militair geweld en een grootscheepse etnische zuivering. Dat is wat de Palestijnen de “Nakba” noemen, en wat Joodse – ook zionistische – historici bevestigen: de tragedie van de oorspronkelijke bewoners van het land die verdreven moesten worden om plaats te maken voor, overwegend Europese, Joodse settler-kolonialisten.

Geen woord daarover in de repliek van Knoop op mijn opiniebijdrage die in De Standaard verscheen onder de titel: “Hoe zionisten de holocaust ‘ontdekten.” Knoop neemt aanstoot aan dat “ontdekken,” maar merkt blijkbaar niet dat het woord tussen aanhalingstekens staat en dat het – zoals blijkt uit het artikel – slaat op de Israëlische propaganda die inderdaad pas vanaf begin jaren zestig volop de holocaustkaart trekt. Dat is geen loze bewering of “antisemitisme” zoals Knoop beweert, maar een vaststelling die door gereputeerde historici wordt bevestigd. In “The holocaust in American Life” beschrijft de Amerikaanse historicus Peter Novick hoe het onder Amerikaanse Joden in de jaren na de tweede Wereldoorlog “something of an embarassment” was om te herinneren aan de massamoord op de Joden in nazi-Duitsland. Toen in de late jaren 40 plannen werden gemaakt voor een Holocaustmonument in New York kwam er eensgezind verzet van invloedrijke Joodse organisaties als The American Jewish Committee, The anti-Defamation League en andere officiële Joodse stemmen. Ze waren het er allemaal over eens: “zo een memoriaal zou een eeuwig herdenkingsmonument betekenen voor de zwakheid en de weerloosheid van het Joodse volk.”

Dichter bij huis schreef de eminente kenner van de Jodenvervolging Gie van den Berghe al in 1990 “De uitbuiting van de Holocaust:” een gedetailleerde weerlegging van het negationisme met daaraan gekoppeld de analyse hoe verschillende Israëlische regeringen de Jodenuitroeiing hebben gebruikt om hun politiek in het Midden-Oosten te rechtvaardigen. Gie van den Berghe kreeg voor zijn werk verschillende prijzen, onder andere de Arkprijs van het Vrije woord, maar het kostte hem de eeuwige vijandschap van de zionistische lobby en het onvermijdelijke etiket van “antisemitisme.” De feiten in zijn boek werden nooit weerlegd en de Israëlische premier Netanyahu deed eerder deze week zijn best om van den Berghe gelijk te geven door de herdenking van de holocaust in Jeruzalem te gebruiken om zijn oorlogspolitiek tegen Iran te verkopen aan de aanwezige buitenlandse regeringsleiders.

De Joodse filosofe Hannah Arendt was één van de eersten die het misbruik van de holocaust voor propagandadoeleinden aan de kaak stelde. In haar beroemde – en voor sommigen beruchte – “Eichmann in Jeruzalem,” haar verslag van het Eichmannproces in 1961, laat Arendt zien hoe Ben Goerion, de eerste Israëlische premier, het proces als het gedroomde vehikel zag om de wereld ervan te overtuigen dat steun aan Israël het enige middel is om een nieuwe holocaust te voorkomen. Arendt schrikt er in haar boek niet voor terug een parallel te trekken tussen het zionisme en de nazi’s. Een moderne staat mag volgens haar niet worden gevestigd op de Joodse identiteit, omdat daarmee de menselijke pluraliteit wordt ontkend. De genocide op de Joden was volgens haar eveneens een poging tot vernietiging van de menselijke pluraliteit. “Net als de zionisten wilden de nazi’s hun staat vestigen op grond van ras en zij konden daarom in onderlinge samenwerking hun idealen verwezenlijken.” Arendt vergelijkt ook de Neurenberger rassenwetten van de nazi’s uit 1935, op grond waarvan huwelijken tussen Duitsers en Joden verboden waren, met de wetgeving in Israël die alleen huwelijken tussen Joden mogelijk maakt. Het is duidelijk: volgens de antisemitismedefinitie van de International Holocaust Remembrance Association en volgens Hans Knoop was Hannah Arendt een doortrapte antisemiet.

Johan Depoortere
28 januari 2020

January 28, 2020 at 3:53 pm 1 comment

EEN VERSCHRIKKELIJK MEESTERWERK

Door Gie van den Berghe

De anatomische atlas van Eduard Pernkopf (zeven boekdelen, 1937-1960) werd en wordt wereldwijd geprezen om zijn precisie, het detail en de schoonheid van de circa achthonderd waterverftekeningen van ongekende kleurkwaliteit. De accuraatheid van de verwerkte gegevens en tekeningen werd nooit in vraag gesteld, integendeel.

Midden jaren 1990 kwam de atlas in opspraak. Pernkopf bleek een gedreven Oostenrijks nazi geweest te zijn en had voor de atlas lijken van nazislachtoffers gebruikt. Er waren al langer geruchten maar die waren omwille van de vermaardheid en bruikbaarheid van het werk onder de mat geveegd.

Dwarsdoorsnede van de hals

Naziprofessor

De Oostenrijker Eduard Pernkopf (1888–1955) was als student geneeskunde al lid van een nationalistische politieke studentenbeweging. In 1933 trad hij toe tot de Oostenrijkse nazipartij en in 1934 tot de ondertussen in Oostenrijk verboden SA (Sturmabteilung).

Dwarsdoorsnede van de schildklier

Pernkopf stond als professor anatomie sinds 1933 aan het hoofd van het tweede departement anatomie van de Weense universiteit. Staf en studenten van het departement hadden sinds eind 19de eeuw een ononderbroken geschiedenis van rechtspolitiek extremisme. In de jaren 1920-30 blonken ze uit in pangermanisme en antisemitisme. Na de aanhechting van Oostenrijk bij Duitsland (de Anschluss, maart 1938) werd Pernkopf decaan van de medische faculteit. Hij hief het liberaal-democratisch departement-I op, eiste dat elk personeelslid aantoonde van Arische afstamming te zijn en iedereen moest trouw zweren aan de Führer. Tegen eind september 1938 waren de meeste leden van de faculteit aan de deur gezet en velen waren geëmigreerd.

Op 6 April 1938, vier dagen na Pernkopfs benoeming tot decaan, zette hij in SA-uniform zijn medische en politieke visie uiteen in een toespraak voor professoren, studenten en personeel van de faculteit. Na een lofrede op Adolf Hitler en de Anschluss – ‘het in vervulling gaan van mijn jeugddroom’ – had Pernkopf het over ‘elementen die niet tot ons volk behoren’, geestelijke krachten die ‘des te verderfelijker zijn naarmate ze wezensvreemd zijn aan eigen volkse krachten’, zoals de atonale melodieën die de ‘schone Duitse muziek dreigen te vernietigen.’ Diezelfde verderfelijke invloed bedreigt, aldus Pernkopf, ook de wetenschap en de geneeskunde. Geen l’art pour l’art, geen liberale vrijheid in de wetenschap, maar orde! Als arts moet je niet alleen de enkeling helpen maar ‘het ganse Volkskörper in zijn grootste lichamelijke nood.’ In een tijdperk van rassenvergiftiging, vergrijzing en geboortedaling moeten enkelingen verzorgd worden in functie van het behoud van het geheel, het volk. Artsen moeten het Volkskörper begunstigen, in positieve zin door het bevorderen van erfelijk hoogwaardigen, in negatieve zin door uitroeiing van erfelijk minderwaardigen en gehandicapten. De mythe van het bloed, besloot Pernkopf, is dankzij ‘de grootste zoon van onze Heimat’ – Hitler was een Oostenrijker – weer levendig, de heroïsche geest is terug ontwaakt: ‘Adolf Hitler, Sieg Heil, Sieg Heil, Sieg Heil!’, terwijl hij en alle aanwezigen de Hitlergroet brachten.

Pernkopf aan het slot van zijn openingslezing als decaan van de medische faculteit. Wenen, 6 april 1938

In augustus 1945 werd Pernkopf – sinds maart ’43 rector van de universiteit –  als leidinggevend nazi gearresteerddoor de Amerikanen en gedurende anderhalf jaar opgesloten in een Amerikaans gevangenkamp in de omgeving van Salzburg. Pernkopf werd uit al zijn functies ontheven maar nooit concreet van iets beschuldigd. Dankzij zijn goede connecties kwam hij vrij als ‘kleine meeloper.’ Begin 1949 mocht hij als professor emeritus zijn werk aan de anatomische atlas in alle stilte hervatten. Het Anatomie Instituut was weliswaar vernietigd door een geallieerd bombardement maar er bleef genoeg menselijk ‘materiaal’ over om de atlas te vervolledigen.

Onderzoek

In de jaren 1980 begonnen enkele Duitse wetenschappers kritische vragen te stellen over de herkomst van anatomische preparaten in het Kaiser-Wilhelm-Instituut voor Antropologie, Menselijke erfelijkheidsleer en Eugenetica in Berlijn (nu de Charité). In 1988 onthulden enkele media dat er in de pathologische collecties van verscheidene Duitse instellingen nog specimens van nazislachtoffers zaten en dat daar bij onderzoek en onderwijs nog steeds gebruik werd van gemaakt.

Op verzoek van de Israëlische minister voor religie vroeg de Duitse bondskanselier Helmut Kohl aan alle staatsministeries om hun collecties na te kijken en alle stoffelijke overschotten over te dragen aan de joodse gemeenschap. In 1994 was het overzicht van alle ministeries klaar. Bleek dat in twee deelstaten specimens van nazislachtoffers zaten en in zeven andere deelstaten specimens die niet afdoend geïdentificeerd konden worden.

De aandacht voor joodse slachtoffers van het naziregime was sinds begin jaren 1980 zienderogen toegenomen. De Holocaust genoemde jodenuitroeiing verdrong langzaam maar zeker de kijk op andere dan joodse slachtoffers. Ook in het geval van de Pernkopfatlas ging men er zomaar van uit dat ook of alleen lijken van joodse slachtoffers waren gebruikt.

In 1995 – de vijftigste verjaardag van het einde van WO-II – vroeg Yad Vashem (Israel Holocaust and Martyrs Remembrance Authority) aan de universiteiten van Wenen en Innsbruck om een officieel onderzoek in te stellen. Begin 1997 kondigde de universiteit van Wenen een grondige expertise aan. Het onderzoek spitste zich aanvankelijk toe op joodse slachtoffers, maar al snel bleek dat het voornamelijk of zelfs uitsluitend om lijken van niet-joden ging.

Eindrapport

In haar in 1998 afgerond eindrapport stelt de universiteitscommissie dat aan verscheidene Weense instellingen preparaten teruggevonden werden die van nationaalsocialistische of twijfelachtige herkomst waren. Het precieze aantal terechtgestelden dat aan het Anatomisch Instituut van de Weense universiteit was toegewezen, viel niet meer te achterhalen omdat het lijkenboek in februari 1945 door een bomtreffer was vernield. Vast staat dat minstens 1.377 lichamen van terechtgestelde burgers in het Weense anatomiedepartement zijn beland. Bijna vierduizend andere lijken die in de periode 1938-1945 aan dat departement werden geleverd, kwamen uit traditionele en legale bron: mensen die een natuurlijke dood waren gestorven in hospitalen, rust- en verzorgingstehuizen, psychiatrische instellingen of door zelfdoding, en wier lichamelijk overschot niet was opgevraagd door verwanten. Anders dan sommigen suggereerden kwamen er geen lijken uit concentratiekamp Mauthausen of bijkamp Gusen.

De Duitse uitgever van de Pernkopfatlas stelde in het kader van het universitair senaatsonderzoek alle bewaard gebleven originele aquarellen ter beschikking. Bleek dat van de in totaal 791 tekeningen ongeveer de helft was gemaakt vóór de Anschluss, vóór 1937, het jaar waarin het eerste deel van de atlas werd gepubliceerd.

Over lijken gaan

Het Weense instituut voor anatomie was een van de veelgebruikers, maar alle Duitse anatomiedepartementen en zo goed als alle in nazi-Duitsland actieve anatomen hebben lijken van terechtgestelde gevangenen gebruikt.

Bij vergelijking met de vele artsen die misdadige medische experimenten uitvoerden op gevangenen, is Pernkopf klein grut. Hoe verachtelijk de man en zijn ideologie ook geweest mogen zijn, hij was een gedegen academicus en een vooraanstaand anatoom. De wereldvermaardheid van de Pernkopfatlas en het feit dat de man een virulent nationaalsocialist was, hebben ervoor gezorgd dat de Pernkopfaffaire uitgroeide tot hét voorbeeld van Oostenrijkse Vergangenheitsbewältigung en meteen het gedrag van andere anatomen toedekte.

Blijft de ethische vraag of de Pernkopfatlas verder gebruikt mag worden of, algemener, men hier en nu gebruik mag of moet maken van relevante resultaten en inzichten van onethisch onderzoek en misdadige experimenten.

Nogal wat medische technieken en geneesmiddelen danken hun bestaan aan ‘onmenselijke’ daden en experimenten. Mag je resultaten van onethisch onderzoek naast je neerleggen als je er mensen mee kan helpen of redden? Is er dan geen sprake van schuldig verzuim? Kun je niet beter iets positiefs puren uit al die hoe dan ook onherstelbare ellende?

De Pernkopfatlas is trouwens een probleem van een andere orde. De man experimenteerde niet op mensen, heeft niemand gedood en maakte samen met zijn illustrators een meesterwerk van anatomische kunst. Zijn werk leert anatomie aan en doet dat zeer goed. Als de geschiedenis van de atlas niet verzwegen wordt, dan is zijn gebruik een vorm van eerbetoon aan de slachtoffers, een blijvend gedenkteken én waarschuwing (Mahnmal in het Duits) dat we ook hier en nu ethisch bewust moeten blijven.

Dwarsdoorsnede borst

Howard Israel, een Amerikaans oor- en kaakchirurg die de Pernkopfatlas al decennialang bij operaties gebruikt, zegt dat er zaken in staan die niet te vinden zijn in andere anatomische atlassen. Die gegevens mogen niet verspild worden. Voorzie ze van een streng editoriaal commentaar over de gruwel waar ‘objectieve’ wetenschap zich schuldig aan maken kan. Verzwijg of vervals de geschiedenis niet maar geef er les over, niet in een speciale cursus (ethiek, deontologie) maar in lessen anatomie, fysiologie, pathologie, microbiologie en farmacologie. Zo wordt erkend dat het gebeurd is, vrijwel gelijktijdig met de ontwikkeling van penicilline, en dat het opnieuw gebeuren kan.

De aan de oppervlakte liggende aders en zenuwen van de hals

Meer informatie en context, alsook bronverwijzingen, noten, bibliografie en meer illustraties zijn te vinden in mijn wetenschappelijk artikel met dezelfde titel: http://www.serendib.be/artikels/verschrikkelijkmeesterwerk

January 24, 2020 at 9:37 am Leave a comment

HOLOCAUST EN PROPAGANDA

Door Johan Depoortere

De doden spreken niet. De miljoenen Joden die door de nazi’s werden vermoord protesteren dus ook niet als ze worden gebruikt om een ander onrecht goed te praten: het settlerkolonialisme dat een heel volk van zijn huis en grond heeft verdreven en een regime dat discriminatie en Apartheid in wet heeft gebeiteld. Dat is nochtans wat N-va politicus André Gantman doet in zijn recent interview in De standaard als hij  het tragische lot van zijn familie en van alle Joden inroept om antizionisme gelijk te stellen met antisemitisme, Jodenhaat. Dat betekent dat de zes miljoen Palestijnen die onder Israëlisch bestuur leven en die het zionisme verwerpen gebrandmerkt worden als Jodenhaters. Dat betekent dat een volk dat part noch deel had aan de uitmoording van de Europese Joden door de nazi’s lijdzaam de prijs moet betalen voor die misdaad of van antisemitisme beschuldigd worden. De Palestijnen, de oorspronkelijke bewoners van het land dat nu Israël heet, haten het zionisme niet omdat ze de Joden haten maar omdat het in naam van die ideologie is dat ze van hun huis en grond werden verdreven, als vluchtelingen en staatlozen of als tweederangsburgers in eigen land moeten leven. Het zionisme heeft hun dorpen vernietigd (en gaat daar tot vandaag mee door), heeft hen beroofd, niet alleen van hun materiële bezittingen maar ook van hun identiteit, hun geschiedenis en hun taal, het Arabisch dat van officiële taal gedegradeerd werd tot “taal met een speciale status”. Hun zelfbeschikkingsrecht is hun bij wet ontnomen.

Resten van Ikrit, één van de meer dan 600 Palestijnse dorpen die Israël sinds 1948 heeft vernield en van de kaart geveegd.

Dat de vermoorde Joden voor de kar worden gespannen van een ideologie waar ze in grote mate tegenstanders van waren is een gotspe en een ongehoorde belediging aan het adres van de slachtoffers van de massamoord. Tot aan de opkomst van de nazi’s en de uitroeiing van de Europese Joden was het zionisme de ideologie van een minderheid onder hen.  (Joden in de Arabische wereld kwamen er helemaal niet aan te pas.) De felle kritiek op het zionisme kwam tot aan de eerste wereldoorlog meer uit de hoek van Joden dan van niet-Joden. De beweging die Theodor Herzl in 1897 had opgericht kreeg zware tegenwind niet alleen van de liberale Joodse bovenlaag in de westerse landen, maar ook van religieuze hervormers en orthodoxe en ultra-orthodoxe Joden. De seculiere Joden, in tsarisctisch Rusland ter linkerzijde in grote meerderheid verenigd in de Bund, en later de communisten waren felle tegenstanders van het zionisme dat ze als een reactionaire, kleinburgerlijke en utopische beweging bestreden. Zij verweten de zionisten onder andere dat ze het antisemitisme in Europa in de hand werkten. Niet ten onrechte. Herzl zelf schreef in zijn dagboek: “De antisemieten zullen onze meest betrouwbare vrienden zijn, en de antisemitische landen onze bondgenoten.” Voorts geloofde hij terecht dat de regeringen van antisemitische landen de zionisten zouden helpen om hun eigen land te creëren, om zo af te zijn van de Joden.

Norman Finkelstein

De Amerikaanse politicoloog Norman Finkelstein heeft net als André Gantman het drama van de Jodenmoord in eigen familie meegemaakt. Zijn beide ouders overleefden weliswaar de vernietigingskampen Auschwitz en Majdanek, alle andere familieleden werden door de nazi’s vermoord. Maar Finkelstein trekt heel andere conclusies uit de tragische geschiedenis van de twintigste eeuw. In zijn boeken, conferenties en journalistiek werk hekelt hij de misdaden van Israël, de voortdurende schendingen van de mensenrechten en het internationaal recht, de onderdrukking van de Palestijnen en de bij wet vastgelegde Apartheid. Hij noemt de behandeling van de bevolking van de Gazastrook door Israël “één van de meest afschuwelijke en aanhoudende campagnes van collectieve straffen in de moderne geschiedenis.” Maar het is vooral zijn aanklacht over het misbruik van de Holocaust door Israël die hem tot bête noire van de zionisten en tot persona non grata in dat land heeft gemaakt.

Dat de “Holocaust” nu zo een centrale plaats inneemt in de apologie en de propaganda van de zionistische staat is relatief nieuw. De populariteit van het woord hebben we te danken aan de gelijknamige Amerikaanse TV-serie uit 1978 met Meryl Streep  die in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot de beeldvorming over wat in de Joodse traditie de “Shoah” wordt genoemd.

De miniserie Holocaust kwam in verschillende talen op het scherm. Ze bepaalde de beeldvorming in de westerse wereld over de massamoord op de Joden in Europa.

In de eerste jaren na de oorlog was de massamoord op de Europese Joden een taboe in Israël. In zijn boek “The Seventh Million” beschrijft de Israëlische historicus Tom Segev hoe de overlevers van de judeocide na de oorlog allesbehalve welkom waren in Israël. Ben Goerion, de vader des vaderlands, noemde ze “slechte mensen:” als ze de genocide overleefd hadden dan moesten het ofwel collaborateurs zijn of profiteurs die hun hachje hadden gered ten koste van anderen. Een erger verwijt was dat ze zich niet verzet hadden: ze moesten zwakkelingen zijn die zich als schapen naar de slachtbank hadden laten leiden. En dat in tegenstelling tot de pioniers van de staat Israël die de “nieuwe Joodse mens” zouden creëren die sterk is en zich niet langer laat onderdrukken. Er was een ruim verspreid scheldwoord dat voor de overlevers van de kampen werd gebruikt, zegt Segev in een BBC-interview. Dat woord was “zeep.”

Ook de invloedrijke Amerikaanse Joden wilden in de jaren na de oorlog niet aan de massamoord in Duitsland herinnerd worden. In het boek “The Holocaust in American Life” beschrijft de historicus Peter Novick hoe ook hier de Koude Oorlog de geesten beheerste. Spreken over de pogingen van Hitler om de Joden uit te roeien zou in de kaart van de communisten spelen in hun strijd tegen de herbewapening van Duitsland. Herinneren aan de Holocaust was – zo schrijft Novick “something of an embarrassment.” Toen in de late jaren 40 plannen werden gemaakt voor een Holocaustmonument in New York kwam er eensgezind verzet van invloedrijke Joodse organisaties als The American Jewish Committee, The anti-Defamation League en andere officiële Joodse stemmen. Ze waren het er allemaal over eens: “zo een memoriaal zou een eeuwig herdenkingsmonument betekenen voor de zwakheid en de weerloosheid van het Joodse volk.”

De verandering kwam in het begin van de jaren zestig toen Eichmann in Argentinië werd ontdekt en naar Israël werd ontvoerd. Het Eichmanproces confronteerde de Joods-Israëlische gemeenschap met een geschiedenis die ze het liefst van al wou vergeten. Maar voor Ben Gurion was het de gedroomde gelegenheid om de wereld ervan te overtuigen dat steun aan Israël onontbeerlijk is om een nieuwe Holocaust te voorkomen. Volgens de Joodse filosofe Hannah Arendt was dat de propagandistische bedoeling van het proces. In haar beroemde – en jawel controversiële – verslag Eichmann in Jerusalem gaat ze in tegen het beeld van Eichmann als “het antisemitische monster waartegen alleen de staat Israël bescherming kan bieden.” Ze noemde hem de verpersoonlijking van de “banaliteit van het kwaad.” En ze ging een stap verder: ze zag een parallel tussen het zionisme en de nazi’s. Een moderne staat mag volgens haar niet worden gevestigd op de Joodse identiteit, omdat daarmee de menselijke pluraliteit wordt ontkend. De genocide op de Joden was volgens haar eveneens een poging tot vernietiging van de menselijke pluraliteit. “Net als de zionisten wilden de nazi’s hun staat vestigen op grond van ras en zij konden daarom in onderlinge samenwerking hun idealen verwezenlijken” (1)

Na de Zesdaagse Oorlog in 1967, die niet langer werd gezien als een “verdedigingsoorlog” verloor Israël een goed deel van de sympathie die het tot dan vrijwel onverdeeld had genoten van links en rechts in de westerse wereld.  De propagandawaarde van de mythe van “David tegen Goliath” – het kleine Israël tegen zijn machtige Arabische buren – leek uitgewerkt. Vanaf dat moment speelden de Israëlsche propaganda en de verdedigers van het zionisme ongeremd de Holocaustkaart. Ook in ons land – zie Gantman, zie de conflicten over het “Memoriaal en Museum Kazerne Dossin” waar de zionistische lobby het exclusieve recht opeist om de Jodenmoord ten behoeve van de propaganda ideologisch te interpreteren.

  1. Eichmann in Jerusalem. A Report on the Banality of Evil, Londen: Penguin Books 2006 p. 41-42. Arendt vergelijkt ook de Neurenberger rassenwetten van de nazi’s uit 1935, op grond waarvan huwelijken tussen Duitsers en Joden verboden waren, met de wetgeving in Israël die alleen huwelijken tussen Joden mogelijk maakt (Arendt 2006, p. 7)

Dit is de uitgebreidere versie van een bijdrage die onder licht gewijzigde vorm als opiniestuk in De Standaard van 21 januari 2020 is gepubliceerd.

 

January 21, 2020 at 5:25 pm 3 comments

DE OPTICA VAN VAN EYCK

Door Lucas Catherine

Op 1 februari opent in het MSK van Gent de tentoonstelling Van Eyck een optische revolutie over Van Eyck en zijn tijdgenoten. Ze worden meestal Vlaamse Primitieven genoemd, een terminologie die uit de 19de eeuw stamt en eigenlijk fout is, net als andere omschrijvingen van toen: de Romaanse kunst had niets met Rome te maken en de Gothische niets met de Goten. De Vlaamse Primitieven waren niet primitief en hadden we beter de Brugse vroeg-renaissance genoemd.

Van Eyck was inderdaad al een Renaissancemens. En dat wordt onderschat. Het bleek toen David Hockney zijn onderzoek publiceerde en er ook een BBC-documentaire over maakte. In Secret Knowledge, rediscovering the lost techniques of old masters (1) stelde hij dat Jan Van Eyck, en ook andere schilders van toen met behulp van spiegels en lenzen de hoofden van hun modellen projecteerden om ze zo te kunnen overtekenen. Daarom werden hun schilderijen vanaf 1420-1430 bijna fotografisch. Vergeet niet dat de schilders tot het zelfde gilde behoorden als de spiegel- en lenzenmakers. Die techniek was beroepsgeheim. Hockney gebruikt zelfs ironisch de term ‘Flemish Maffia’

Deze manier van werken is duidelijk te zien op Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts. De figuren kijken kriskras langs elkaar heen en niet naar Jezus. Het lijkt of de hoofden er werden opgeplakt. De lichamen werden eerst geschilderd en daarna de hoofden er met lenzen op geplakt. Hockney merkt op dat nogal wat portretpanelen uit die tijd opvallend klein zijn. Dat komt omdat holle spiegels, van welk formaat ook, altijd een projectie van 30cm op 30cm geven, het formaat van die panelen. Wij weten ook dat holle en bolle spiegels al vanaf 1350 in de Nederlanden werden vervaardigd.

De luchter aan het plafond zie je in vooraanzicht, niet van onder uit – wat logisch zou zijn. Ook dat wijst volgens Hockney op het gebruik van lenzen. 

 

Van Eyck geeft een hint naar deze ‘spiegeltechniek’ in het portret van de echtelieden  Arnolfini (1434). Zo zie je de ruimte weerkaatst, dit maal in een bolle spiegel die tussen hen in hangt en ook hier is de luchter in vooraanzicht en verraadt het gebruik van een lens.

Hockney kreeg nogal wat tekenkanting, ook al bracht hij zijn theorie in praktijk door op de zelfde manier portretten te tekenen, want hoewel een beroemd schilder, was hij voor de academici maar een buitenstaander. En zijn theorie zou afbreuk doen aan de grootheid van Van Eyck. Larie, want daaruit blijkt juist dat Van Eyck een Renaissancemens is die zich de nieuwste technieken wil eigen maken. Hij is ook de man die waarschijnlijk de olieverftechniek introduceerde en uit het belastingsboek van Damme weten we dat de schilders het azuur voor hun blauwe verf uit Akka (Sint-Jan van Akren) in Palestina betrokken.

Waar leerde Van Eyck nu het gebruik van holle spiegels en lenzen ? Hockney veronderstelt dat hij zijn kennis haalde uit De Aspectibus van Alhazen. Dat is de Latijnse vertaling van Alhassan Ibn Haithams (+1039) Kitab al Manazir (Boek over de Optica,) waarin het gebruik van camera obscura, lenzen en spiegels staat beschreven. Er bestaat zelfs een geïllustreerde uitgave van het boek (nu met als titel Opticae Thesaurus) waarin een man zijn hoofd in de lucht projecteert met behulp van een holle spiegel.

Volgens Hockney zou Van Eyck het boek via Italië hebben leren kennen. Wat Hockney niet wist toen hij zijn onderzoek deed is dat hetzelfde boek in Latijnse vertaling al bijna honderd jaar voor Van Eyck begon te schilderen in de bibliotheek van de Ten-Duinenabdij berustte! Hij heeft het met bijna honderd procent zekerheid als nieuwsgierige Renaissancemens gelezen. De spiegel- en lenzenmakers die in het zelfde Sint-Lucas gilde zaten als de schilders haalden er wel hun wijsheid uit.

Toen ik dit feit voorlegde aan mijn schoonbroer die in Vermont (VS) kunstgeschiedenis doceert en een Hockney-fan is namen wij met de schilder contact op, waarop hij enthoesiast reageerde en ons een met fotoshop gemaakte hommage aan Van Eyck opstuurde :

In het Brugse manuscript staan geen figuratieve afbeeldingen zoals Hockney hoopte, enkel meetkundige optische tekeningen.

(1) Wie het boek van Hockney wil consulteren doet dit best in het Engels. In de Nederlandse vertaling werd de annex van 82 pagina’s met wetenschappelijke correspondentie over de theorie niet opgenomen.

De documentaire op Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=wpG-ZwnNNaA&list=PLF91E24FABC6BD765

January 18, 2020 at 11:14 am 1 comment

ZOON VAN EEN TRAGISCHE EEUW

Is het een roman of is het geschiedschrijving, dat is niet duidelijk, maar zeker is dat  “M. De zoon van de eeuw” tot een megabestseller is uitgegroeid in Italië. Dat bewijst – voor zover dat nodig was – dat de figuur van Mussolini, want over hem gaat het boek van Antonio Scurati, de Italianen vandaag nog steeds fascineert zij het uit afkeer zij het uit bewondering.

M is – laten we het daarbij houden – de geromanceerde versie van de opkomst en ondergang van het fascisme in Italië. Het eerste deel bestrijkt de periode 1919-1924, er moeten nog twee delen volgen. Over het persoonlijke leven  van Mussolini vernemen we alleen het hoogstnoodzakelijke: geboren als de zoon van een dorpssmid in het Noorden van Italië, wonderkind, zwerver – hij slaapt in Zwitserland onder bruggen voor hij wordt uitgewezen – socialist en hoofdredacteur van het partijblad Avanti, oorlogstegenstander en vervolgens propagandist van Italiës deelname aan de eerste Wereldoorlog in 1915. De rest is bekend: hij wordt uit de partij gezet, evolueert meer en meer in rechts-nationalistische richting en verovert met zijn “Fasci di combattimento” na de legendarische Mars van de fascistische knokploegenb op Rome de absolute macht. Het eerste deel eindigt met de moord op de socialistische topman Giacomo Matteotti, die nauwgezet alle gewelddaden van de fascisten in het parlement opsomt en het zwijgen wordt opgelegd als hij een groot corruptieschandaal dreigt bloot te leggen.

Mussolini en Margherita Sarfatti

Een biografie van Mussolini kunnen we het werk dus al evenmin noemen, al worden heel wat bladzijden gewijd aan zijn verhouding met Margherita Sarfatti, een Venetiaanse erfgename van Joodse afkomst die net als hij van socialiste evolueert tot fanatieke fasciste. Ze is hoogontwikkeld, rijk, kunsthistorica en verzamelaarster en ze wordt de intellectuele mentor van Benito Mussolini genoemd. Het fascinerende van het boek ligt hem veeleer in de huiveringwekkende beschrijving van de manier waarop de fascisten aan de macht zijn gekomen. In een onderkoelde boekhoudersstijl dompelt Scurati ons bladzijde na bladzijde onder in de bewogen en tragische geschiedenis van het Italië kort na de eerste Wereldoorlog. De ontstellende armoede op het platteland – veel aandacht gaat naar de verschrikkelijke toestanden in de Povallei waar grootgrondbezitters de landloze boeren op genadeloze wijze uitpersen. Het is een vruchtbare bodem voor socialisten en communisten terwijl in de steden van het Noorden het industrieproletariaat de ene verkiezingsoverwinning na de andere behaalt. Tegelijk wordt Italië verscheurd door de erfenis van de oorlog met voor- en tegenstanders van Italiaanse deelname die ook na de wapenstilstand letterlijk met getrokken messen tegenover elkaar staan. De “Arditi” – een elitekorps van vrijwilligers in de oorlog – zullen de stoottroepen leveren voor de fascisten.

De jonge Mussolini als dandy

Niets wees er in de eerste jaren van hun opkomst op dat de fascisten stormenderhand de macht zouden veroveren in Italië. De oprichting van de eerste “Fasci die combattimento” was voor de burgerlijke Corriere de la Sera niet meer dan enkele regels waard, nauwelijks meer dan het bericht over de diefstal van drie ton zeep. Het is met dergelijke details dat de auteur ons meevoert langs de kronkelige weg die het fascisme aan de macht brengt. Scurati heeft zo te zien elk krantenbericht, elk politieverslag, elk dagboek, alle toespraken, notulen van vergaderingen en honderden brieven gelezen die als broodkruimels op die weg zijn achtergebleven. Elk kort hoofdstuk wordt gelardeerd met citaten uit die onuitputtelijke bron getuigenissen.

De fascisten kwamen aan de macht met geweld. De knokploegen zaaiden terreur op het platteland en in de industriesteden. Vakbondsleiders, linkse politici en journalisten werden omgebracht.  Gebouwen van linkse partijen en vakbonden in brand gestoken. Terreur op het platteland. Boerenleiders werden voor hun eigen achterban vernederd en afgetuigd, zo niet beestachtig vermoord. De knokploegen kregen financiële steun van industriëlen als Giovanni Agnelli, senator en  baas van Fiat, of Ettore Conti, pionier van de elektro-industrie, en de grootgrondbezitters op het platteland. Zij werden gedreven door de angst voor het Rode Gevaar. En inderdaad ook in Italië leek kort na de oorlog de Revolutie elk moment te kunnen uitbreken. In Turijn konden de arbeiders loonsverhoging, arbeiderszelfbestuur en winstdeling afdwingen. Agnelli, de grote baas van de stad, moest na de onderhandelingen daarover in Bologna bij zijn terugkeer bij Fiat onder een boog van rode vlaggen door lopen en zijn arbeiders horen schreeuwen: ‘Leve de Sovjets!’ Op zijn kantoor zag hij boven zijn bureau het met hamer en sikkel bekroonde portret van Lenin hangen.

De vraag is dan hoe het komt dat arbeiders en boeren die ei zo na de macht hadden gegrepen in Italië zo snel en zo compleet van de kaart werden gespeeld. Het geweld en het kapitaal van de heersende klasse verklaart veel, toch blijft het verbazingwekkend hoe snel het socialistische machtsbastion in elkaar zakte. Boeren die tot voor kort lid waren van linkse plattelandsvakbonden gingen massaal over naar het fascisme.

Op het station van Ferrara is degene die iedereen ‘Duce’, leider van het fascisme, is gaan noemen aangekomen in het gezelschap van twee mannen die nog geen tien jaar eerder aan het hoofd stonden van de plaatselijke opruiende socialistische Raad van Arbeid – Umberto Pasella en Michele Bianchi – en nu scharen ze zich aan de zijde van Vico Mantovani, de reactionaire leider van de Agraria [1], waar ze de boeren vóór de oorlog tegen ophitsten. Inmiddels heeft Italo Balbo hier echter met het systematische geweld en de belofte van herverdeling van de grond de kaarten opnieuw geschud. De socialistische boerenbonden beginnen massaal over te stappen naar de fascistische vakbonden.  

Talloze fascistische leiders waren tot voor kort overtuigde socialisten of anarchisten. Ook Scurati heeft geen pasklaar antwoord:

En toch blijft er aan deze onverwachte ineenstorting iets geheimzinnigs kleven. De 63 gemeenten in de provincie Rovigo, alle in handen van de socialisten, worden de een na de ander bezet zonder dat ze ooit op het idee komen zich tegen de agressor te verenigen. De Socialistische Partij, die de zeggenschap over de hele provincie had, raakt die in de loop van één enkele winter kwijt.

Al kun je tussen de regels een aantal verklaringen vermoeden: de verdeeldheid van links, de ideologische strijd tussen de pro-Moskou socialisten die later de communistische partij vormen en de reformisten, de onbeslistheid van de burgerlijke partijen, het opportunisme van de liberalen en de gematigde nationalisten, de invloed van extreemrechtse adviseurs op koning Victor Emanuel. Maar bovenal is het de wraak van de heersende klassen:

Op het Emiliaanse platteland geven de door de vernietiging van de socialistische bonden aan zichzelf overgelaten boeren zich over vanwege de honger. De landeigenaars voeren een wraakstrijd, die tientallen sociale hervormingen ongedaan maakt. De fascistische coöperaties onderhandelen rechtstreeks met de bazen en schaffen de landovereenkomsten achter elkaar af, of als dat niet kan, schorten ze het collectieve karakter van de contracten op.

Of nog: de angst die de fascisten vakkundig weten te exploiteren en omzetten in haat:

Soms, zoals in Ferrara, is een slechte oogst voldoende voor paniek. Iets heerlijks, die paniek, de verloskundige van de Geschiedenis! Cesare Rossi herhaalt steeds dat dat hun wonderbaarlijke ruil kan zijn: haat in ruil voor angst. De nieuwe fascisten zijn allemaal mensen die tot gisteren beefden van angst voor de socialistische revolutie, mensen die leefden op angst, angst aten, angst dronken, met angst naar bed gingen.

Zoals de Nazis in Duitsland een decennium later komen ook de fascisten in Italië aan de macht door medeplichtigheid van de burgerlijke partiien. De liberaal Giovanni Giolitti [2], die bekend stond als “king maker” bij de vorming van Italiaanse regeringen meende de fascisten te kunnen temmen door ze “mee in het bad te nemen.”

Giolitti, de oude vos, de regentovenaar, de oude hoer, heeft hen willen temmen, maar heeft hen gelegaliseerd; hij wilde hen gebruiken om de val van de met knuppels verpletterde socialisten te versnellen en zo zijn regering te versterken, maar hij zal een onregeerbaar parlement krijgen dat uiteengevallen is in onverenigbare partijen, in groepen die vanbinnen door vijandige, vraatzuchtige facties worden verscheurd. Kortom, de bekende oude drek, steeds dikker, steeds meer drek.

Zoals gezegd eindigt dit eerste deel in 1924 met de moord op Giacomo Matteotti, de laatste vertegenwoordiger van de socialisten die koppig weerwerk bood in het parlement. De macht van Mussolini zal vanaf dat moment vrijwel onbeperkt zijn. Maar in 1922 al liet Mussolini in een toespraak vermoeden wat de Italianen de komende jaren te wachten stond:

We verdelen de Italianen in drie categorieën: de ‘onverschillige’ Italianen, die thuis zullen blijven wachten; de ‘sympathiserende’, die rond mogen lopen; en tot slot de ‘vijandige’ Italianen, en die zullen niet rond mogen lopen.

Johan Depoortere

8 januari 2020

M. De zoon van de eeuw

Antonio Scurati, Podium Amsterdam

[1] De Agraria: het syndicaat van landeigenaars

[2] Giovanni Giolitti, voormalige premier was op dat moment 80 jaar oud. Scurati beschrijft hem als volgt: “een meter vijfentachtig bij negentig kilo, een enorme grenadiersknevel, vijf maal minister-president, een meester in parlementaire combinaties en een grondig kenner van de ministeriële bureaucratie, domineerde de laatste dertig jaar de Italiaanse politiek.

 

January 13, 2020 at 8:11 pm Leave a comment

HOLOCAUSTJODEN

Door Gie van den Berghe

In De Afspraak van 8 januari werd onder meer aandacht besteed aan de vrijheid van meningsuiting. Filosofe Tinneke Beeckman vond dat er sinds de aanslag op Charlie Hebdo, vijf jaar geleden, veel minder vrijheid is en betreurde dat. Bart Schols vroeg haar daarop of de burgemeester van Aalst dan ongelijk heeft als hij de schrapping van het Carnaval van Aalst van de werelderfgoedlijst van de UNESCO weglacht. Hierop formuleerde Beeckman een merkwaardige uitzondering op de vrijheid van meningsuiting. Dat, zei ze, ‘is een enorm verschil dat veel te weinig gemaakt wordt tussen het lachen met een geloofssysteem, zeker wanneer het radicaal fundamentalistisch is (…) wanneer het gaat om de uitwassen van zo’n systeem, en het lachen met mensen en ook in het geval van Aalst gaat het over de Holocaust, (…) een door de staat georganiseerde poging om een volk uit te roeien, (…) fundamenteel iets anders. Je mag mensen niet minachten of haten maar je moet wel kunnen kritiek geven op een geloof of een idee, dat is voor mij een fundamenteel verschil’.

Beeckman vergist zich, er werd in Aalst niet gelachen met wat zij de Holocaust noemt (een slachtofferbegrip, jodenuitroeiing, judeocide, Endlösung zijn correcter.) De praalwagen in kwestie bespotte de jodenuitroeiing niet maar wel orthodoxe joden, met shtreimes (grote hoeden in bont), pijpenkrullen, stereotiep grote neuzen, gezeten op en omringd door zakken geld en muntstukken. In De Afspraak wees niemand Beeckman op haar ‘vergissing’. Zo te zien vat vrijwel iedereen spotten met joden op als een persiflage van de ‘Holocaust’, een heiligschennis, een niet te vergeven misdaad die zelfs de vrijheid van meningsuiting ongedaan maakt.

Foto: Carnaval Aalst foto-en videoblog

Beeckman is niet de enige die op deze wijze in de fout gaat. Patricia Teitelbaum, een vertegenwoordigster van het International Movement for Peace and Coexistence, die begin december 2019 naar Bogota reisde om bij het UNESCOcomité voor werelderfgoed de schrapping van het Carnaval van Aalst te bepleiten, verklaarde in Het Laatste Nieuws (28 november) dat de joden op de Aalsterse praalwagen omringd waren door ratten. Dat is een allusie op de beruchte rattenstroom in de antisemitische nazifilm Der Ewige Jude (1940), maar in Aalst waren er op of rond de praalwagen géén ratten te zien.

Tijdens het carnaval had de wagen ook geen beroering gewekt, het waren joodse organisaties die achteraf klacht indienden. UNIA, een onafhankelijke openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijke kansen bevordert, vond onterecht: de wet op racisme en antisemitisme was niet overtreden.

Maar toch schrapte de UNESCO die het zeshonderd jaar oude Carnaval van Aalst in 2010 als ‘satirisch en uitbundig’ had erkend, het carnaval van de werelderfgoedlijst wegens racisme en antisemitisme. En zo illustreren joodse organisaties ongewild waar tijdens het Carnaval van Aalst de draak werd mee gestoken: de macht van joden (niet van ‘dé joden’ want dat zou een naar antisemitisme neigende veralgemening zijn). Joodse organisaties en niemand anders slaagden erin het Carnaval van Aalst te schrappen van de lijst van werelderfgoed. Maar niet getreurd, de Belgische biercultuur, garnaalvissen te paard en andere zotternijen staan er wel nog op.

Foto: Carnaval Aalst foto-en videoblog

Carnaval’, zei Teitelbaum nog, ‘is spotten met de machtigen der aarde, maar toch niet met de kwetsbaren’. Jarenlange Israëlische propaganda en politieke exploitatie van de judeocide hebben er kennelijk voor gezorgd dat we joden en hun daden onlosmakelijk verbonden zien met en verontschuldigen door hun vreselijke maar wel degelijk voorbije slachtofferschap.

Joden zijn niet kwetsbaar of niet kwetsbaarder dan andere minderheden. Israëlische joden zijn allesbehalve kwetsbaar, ze kwetsen en onderdrukken veelal andere mensen. Nogal wat orthodoxe joden spelen hierbij een rol, palmen met hun nederzettingen almaar meer Palestijns gebied in.

Kort na zijn machtsovername kondigde Trump aan dat hij de VS ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem zou verplaatsen. De VS ziet de Israëlische nederzettingen op de West Bank niet langer als onwettelijk. Vorige zomer zette Trump samen met Israël een eerste fase in om Palestina grondig te veranderen. Er werd vijftig miljard dollar geïnvesteerd in Palestijnse, Egyptische, Jordaanse en Libanese infrastructuur en zakelijke projecten, geld voornamelijk afkomstig uit Arabische bronnen. Details van de tweede, ‘politieke’ fase moeten nog onthuld worden. Uit betrouwbare lekken blijkt dat de VS en Israël een ‘nieuw Palestina’ willen creëren dat slechts 12% van de West Bank mag ‘omvatten’, in niet aaneengesloten kantons, met een hoofdstad in de buitensteden van Jeruzalem. Dit deel van de ministaat zou via een brug met Gaza verbonden worden en via twee landcorridors met Jordanië. Gaza zou in de noordelijke Sinaï uitgebreid worden op domeinen gehuurd van Egypte om er een industriële zone en een luchthaven te bouwen. Hamas zou zijn wapens moeten inleveren en onder de controle vallen van de Palestijnse autoriteit. De nieuwe staat zal compleet gedemilitariseerd zijn. Israël zal zijn veiligheid verzekeren, gefinancierd door de Palestijnen. Het Palestijns recht op terugkeer – volgens de VN Algemene Vergadering van 1974 een onvervreemdbaar recht – zou officieel afgeschaft worden: Palestijnse vluchtelingen zouden compensatie ontvangen van een internationaal fonds en meer rechten krijgen in de landen waar ze nu leven. Zo moet een einde gesteld worden aan alle Palestijnse rechten. Het plan volgt de principes die Westerse vredesvoorstellen van het begin af aan volgden: Palestijnse eisen blijven altijd onderschikt aan Israëls noden en wensen (Karmi, Ghada – ‘Constantly Dangled, Endlessly Receding’, London Review of Books, 5.12.2019).

January 10, 2020 at 10:54 am 3 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,637 other followers