Archief beheerder

CATALONIË: DE VERSCHROEIDE AARDE

Door Johan Depoortere

Wat ging er om in het hoofd van Carles Puigdemont en zijn medestanders in de Catalaanse regering toen ze besloten een omstreden en illegaal referendum over onafhankelijkheid te houden en later om op basis van een twijfelachtige meerderheid in het regionale parlement de onafhankelijkheid uit te roepen? Van naïviteit kun je de heren en dames nauwelijks verdenken: het zijn allen door de wol geverfde politici. Wat dan zou de strategische berekening van Puigdemont en de zijnen kunnen zijn geweest? Zouden ze van de Spaanse rechtse regering hebben verwacht dat die haar bezwaren zou inslikken en passief zou toezien hoe een deel van het land zich afscheurt? Hadden ze gehoopt op steun van Europa? Hadden ze erop gerekend feiten op de grond te creëren die niet meer waren terug te draaien. Of hadden ze een strategie van de verschroeide aarde: – een crisis zonder weergaande in het leven roepen en dan maar hopen dat uit de fall-out toch iets als een onafhankelijk Catalonië zou oprijzen: la politque du pire.

Carles Puigdemont zingt de Catalaanse nationale hymne in het parlement dat net de onafhankelijkheid heeft verklaard

Als dat de bedoeling was van de separatisten dan werden ze door Madrid op hun wenken bediend. Door zijn gewapende horden van para-militairen op vreedzame betogers en kiezers af te sturen en politieke leiders de cel in te draaien gaven premier Mariano Rajoy en zijn semi-franquistische Partido Popular de Catalaanse independentistas op een zilveren dienblad het cadeau waarvan ze alleen hadden kunnen dromen. Voortaan hoefde niet meer over de zwakke argumenten voor onafhankelijkheid te worden gedebatteerd: Catalonië had zijn martelaren. Dat uit alle opiniepeilingen, referenda en stembusgangen blijkt dat minder dan de helft van de Catalanen voor het idee van onafhankelijkheid zijn gewonnen verdwijnt nu naar de achtergrond. Het referendum van 1 oktober dat aan geen enkel criterium van een geldige volksraadpleging voldeed wordt geligitimeerd door het geweld van de Guardia Civil en op de sociale media gebruiken de aanhangers van de onafhankelijkheid hun particuliere wiskunde om over een grote overwinning te kunnen gewagen: meer dan 700000 stembrieven zijn immers door de Guardia Civil in beslag genomen en die worden voor het gemak in gelijke proportie met de getelde bij de ja-stemmen gerekend.

Puigdemont en de Spaanse premier Mariano Rajoy in betere tijden

De afgezette Catalaanse minister-president is nu in België ondergedoken om te ontsnappen aan het Spaanse gerecht dat hem beschuldigt van rebellie en nog een paar misdrijven. Zijn collega-minsters zijn intussen opgepakt en tegen Puigdemont is een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Puigdemont is er om evidente redenen niet op gebrand om kennis te maken met de binnenkant van een Spaanse gevangenis. Zijn vlucht naar België is uit menselijk oogpunt dan ook begrijpelijk, heldhaftig zeker niet. Nadat hij het huis in de fik heeft gestoken verdwijnt de brandstichter door de achterdeur. Om nog meer olie op het vuur te gooien pleit de Leuvense professor in de politieke wetenschappen Bart Maddens er in De Standaard voor om in Brussel – of wie weet Antwerpen – een Catalaanse regering in ballingschap te gedogen. Na de rellen in de Brederodestraat voorwaar een geniaal idee van de professor om een buitenlands conflict te importeren.

Bart Maddens, professor en nationalistische activist

Puigdemont is het slachtoffer van een crisis die hij zelf heeft opgepookt. Nu is hij blijkbaar tot het besef gekomen dat een harde opstelling nergens toe leidt en dat in een tweegevecht tussen twee ongelijke partijen de zwakste uiteindelijk het recht van de sterkste ondergaat. De voormalige minister-president heeft namelijk verklaard dat hij de uitslag van de verkiezingen die door Madrid worden uitgeschreven zal aanvaarden. Hoezo? Catalonië was toch onafhankelijk ? Hoe kan een onafhankelijk land zich neerleggen bij verkiezingen die worden opgedrongen door een bezettende macht – zo immers zien de Catalaanse independentistas de beslissingen uit Castilië. Betekent dat nu dat Puigdemont de onafhankelijkheidsverklaring niet al te ernstig neemt? Daar moeten zijn aanhangers maar een antwoord op geven. Eerder al – toen de minister-president zelf van plan was verkiezingen uit te schrijven om daarmee de toestand te ontmijnen – werd hij door zijn radikale achterban voor verrader uitgekreten. Puigdemont haalde bakzeil, zwichtte voor de radikalinskis in zijn eigen regering en riep de onafhankelijkheid uit. Nu stapt hij mee in het plan dat door Madrid is uitgedokterd. Zijn terugkeer tot de redelijkheid, of – zijn capitulatie voor wie dat zo bekijkt – komt dus redelijk laat. Gelukkig voor de minister-president in ballingschap is er alweer de stupiede reactie van Madrid die van hem een politieke vluchteling en een martelaar maakt. En een martelaar kan zelfs capitulatie vergeven worden.

november 3, 2017 at 9:44 am Plaats een reactie

DE ZIONISTISCHE PARADOX

Door Johan Depoortere

Voor wie ook maar oppervlakkig de Palestijns-Israëlische kwestie bestudeerd heeft zijn de feiten en de namen bekend: Theodore Herzl, Sykes-Picot, Balfour, verdelingsplan, de oorlogen, het verzet. Toch is het goed en nuttig dat Lucas Catherine en Jef Coeck de geschiedenis van het Zionistische koloniale project weer onder de aandacht brengen. Zie de vorige aflevering van Het Salon van Sisyphus: PALESTINA BESTAAT MAAR NIET ALS STAAT.

Terreuraanslag in Mogadishu

Het conflict dat aan de basis ligt van heel veel wat in het Midden-Oosten en ver daarbuiten fout gaat dreigt namelijk ondergesneeuwd te worden door de actualiteit van terrorisme en oorlog: een ver-van-mijn-bed-show behalve als de bommen in ons eigen postzegelgroot landje ontploffen. Dat in Mogadishu 500 doden vallen in een terreuraanslag veroorzaakt nauwelijks een rimpeling in onze mainstream media. En toch is er ook tussen deze afgrijselijke terreurdaad en het conflict in het Midden Oosten een lijn te trekken. Het Arabische nationalisme als antwoord op de zionistische expansie is grotendeels gemuteerd tot politiek islamfundamentalisme met alle uitwassen vandien. Over de oorzaken daarvan zijn bibliotheken vol te schrijven, maar in dat verhaal nemen de oorlogen in Irak en Afghanistan een centrale plaats in.

De geschiedenis van Israël en het Palestijnse verzet is rijk aan paradoxen. Lord Balfour, die de Joden een land beloofde dat niet van hem was, stond bekend als een anti-semiet net zoals zijn premier Lloyd George. Diens regering geloofde vast in de wijdverspreide mythe dat “het internationale jodendom” de wereld beheerste en door de belofte van een “joodse staat” zouden ze dat internationale jodendom ertoe kunnen bewegen de wereldoorlog te doen kantelen in het voordeel van de geallieerden. (http://foreignpolicy.com/2010/09/08/how-anti-semitism-helped-create-israel-2/). Paradoxaal maar misschien ook niet. Zionisme en antisemitisme zijn immers elkaar spiegelbeeld. Zionisme kan niet zonder antisemitisme, de vijand aan wie het zijn bestaan te danken heeft. Niet voor niets zien hedendaagse zionisten overal ter wereld het antisemitisme heropleven. Premier Netanyahu probeerde na de aanslagen in Parijs Franse joden ervan te overtuigen dat ze slachtoffers zijn van dat “nieuwe antisemitisme” en dat ze dus beter naar Israël kunnen emigreren. Het publiek in de Parijse Grote Synagoge reageerde op Netanyahu’s speech door spontaan de Marseillaise in te zetten.

Bart De Wever met de burgemeester van Haifa. De Wever ondertekende een samenwerkingsakkoord met de zionistische staat.

Nog een paradox: de geestelijke erfgenamen van het vooroorlogse fascisme en antisemitisme zijn nu de fanatiekste verdedigers van Israël. De Antwerpse burgemeester Bart De Wever reageerde negatief toen zijn voorganger de joodse gemeenschap excuses aanbood voor de rol van zijn stad bij de jodenvervolging onder de Nazibezetting. Maar De Wever ziet er geen graten in om Israël met een officiële delegatie te bezoeken en op die manier zijn steun te betuigen aan het zionistische apartheidsregime. In een interview met Joods Actueel blaast De Wever uitvoerig de loftrompet:“De prestatie die Israël levert om vanuit dat absolute nulpunt dit land in korte tijd te ontwikkelen tot op het huidige niveau (is) ongeëvenaard impressionant.” Daarmee herhaalt hij een klassieke meme van de zionistische propaganda. Over de Palestijnen geen woord laat staan over de oorlogen tegen Gaza, de repressie, de diefstal van water en grond, de moorden zonder vorm van proces, het buldozeren van huizen, het vernietigen van olijfgaarden en de onwettige bezetting van de Westbank.

Pastor John Hagee, leider van de Cornerstone Church

Niet alle joden zijn zionisten en niet alle zionisten zijn joden. Amerikaanse christelijke fundamentalisten behoren tot de fanatiekste verdedigers van Israël. Tijdens een bezoek aan de Cornerstone Church in San Antonio (Texas) kon ik een weekend lang genieten van kitscherig politiek toneel (gebracht door een gezelschap uit Israël), gezang en gebed alles in het teken van Israël. De Cornerstone Church is één van de grootste Amerikaanse mega-televisiekerken. De leider van de kerk, pastor John Hagee is een aanhanger van de “Rapture-”beweging: het geloof dat het einde der tijden elk moment kan aanbreken. “Het kan gebeuren op het moment dat ik dit bureau verlaat,” zei pastor Hagee me in een interview. De gelovige christenen zullen dan fysiek ten hemel worden opgenomen. De achterblijvers wacht een ellendig einde. Maar wat dan met de joden? “Die zullen zich op het fatale moment massaal tot het christendom bekeren,” verzekerde Hagee me. Ziedaar hoe christendom en zionisme te verzoenen zijn!

oktober 23, 2017 at 4:53 pm Plaats een reactie

HET MEDEDOGEN VAN ALEXANDER DE CROO

Walter Zinzen en Alexander De Croo in De Afspraak van 16 december 2016. http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/politiek/1.2846467

Door Johan Depoortere

“Mededogen” synoniem volgens van Dale voor “barmhartigheid,” een christelijk geladen term die in het debat over immigratie en asiel zelden wordt gebezigd. Oud-journalist Walter Zinzen introduceerde het woord tijdens een debat in “De Afspraak” op 16 december 2016. Hij kreeg – zo leek het op het eerste gezicht – flink lik op stuk van zijn gesprekspartner, vice-premier Alexander De Croo. Op hoge toon beweerde De Croo dat zijn rechts-liberale regering op dat stuk niets te verwijten valt. Immers – zo heette het – België toonde méér mededogen dan de buurlanden door 65000 Syriërs asiel te verlenen. Letterlijk zegt De Croo: “Het mededogen is dat ons land 65000 Syriërs opgevangen heeft.” De Croo zegt er niet bij over welke periode hij het heeft, maar het heeft er alle schijn van dat de vice-premier hier een beetje zat te jokken. De cijfers van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen zijn op hun website makkelijk terug te vinden. In 2016 dienden een totaal van 18710 vluchtelingen een asielaanvraag in. Daarvan kwamen er 6500 uit Afghanistan, Syrië en Irak. Ruim de helft van de asielaanvragen kregen een positieve eindbeslissing. Voor de Syriërs (samen met de Afghanen en de Irakezen) dus minder dan één tiende van het cijfer dat De Croo hanteert.

Woorden zeggen niet alles, maar wel heel veel. De immigratiepolitiek van deze regering is er geen van “mededogen” maar van verdediging tegen wat wordt voorgesteld als een “toestroom,” een “vloedgolf” en andere metaforen die de burger angst moeten aanjagen voor de “vreemdeling,” of – erger nog – de “gelukszoeker.” Voorbeelden van hoe dat ook anders kan waaien ons soms toe uit onverwachte hoek. Wie kent bijvoorbeeld Toomas Hendrik Ilves, tot voor kort president van het Baltische Estland? Ilves is de zoon van vluchtelingen. Zijn ouders zijn tijdens de bezetting van Estland door de Sovjetunie van Stalin naar Zweden en later naar de Verenigde Staten gevlucht. Daar is de toekomstige president, die in Stockholm is geboren, opgegroeid. Op 2 februari 2016 sprak Ilves als staatshoofd het Europese parlement in Straatsburg toe. Walter Zinzen – hij weer – laat er ons kennis mee maken met een artikel in MO, waarin hij uitvoerig uit de toespraak van Ilves citeert.

Toomas Hendrik Ilves, voormalige president van Estland

“De grote aantallen vluchtelingen mogen ons niet afschrikken”, zo betoogde Ilves in het Europees parlement, want “we hebben veel erger mee gemaakt. In het Europa van 1946 waren er in Duitsland alleen 12 miljoen binnenlandse vluchtelingen en nog eens 12 miljoen ontheemden met 20 verschillende nationaliteiten. De toenmalige UNRRA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration), besteedde toen, omgerekend in hedendaags geld, 50 miljard euro om dit probleem op te lossen. Ik citeer dit getal om aan te tonen hoe ontzaglijk de taak was waar onze grootouders voor stonden in een tijd dat Europa nog geen instellingen had, en er soms zelfs geen soevereine regeringen waren.”

Die prestatie van toen moet ons inspireren voor de problemen van vandaag vindt Ilves: ‘We zullen deze migratiecrisis oplossen als we dezelfde vastberadenheid als onze voorouders aan de dag leggen.” Maar de president – zo schrijft Zinzen in zijn commentaar op de toespraak – is niet blind voor de problemen van vandaag. Zijn speech kwam niet zo lang na de aanslagen in Parijs en hij beseft dat het terrorisme populisten en extremisten in de kaart speelt. Hij reageert: ‘We kennen het argument dat we geen vluchtelingen kunnen accepteren omdat het terroristen zijn, gemakshalve vergetend dat de vluchtelingenstroom naar Europa juist bestaat uit mensen die op de loop zijn gegaan voor hetzelfde regime, dezelfde brutaliteit en moordzucht die we in Parijs hebben gezien.”

“Hoe komt het dat zo weinig politieke leiders dat standpunt delen? vraagt Zinzen zich af. “Behalve Ilves zelf (die dus ondertussen president af is) en Merkel ken ik er maar één: de Canadese premier Trudeau. Maar Merkel en haar aanhang worden steevast afgebrand, belachelijk gemaakt en bespot door de Bart De Wevers, de Jean-Marie De Deckers, de Theo Franckens en Maarten Boudry’s van deze wereld. Wie vindt dat vluchtelingen recht hebben op een menselijk onthaal wordt door deze heren weggezet als gutmensch.”

Of als “cultuurmarxist” zou je er kunnen aan toe voegen. En Zinzen besluit met een andere historische parallel. “Toen de nazi’s aan de macht kwamen in Duitsland en nadien een groot deel van Europa bezetten, sloegen honderdduizenden joden op de vlucht. Maar niemand wilde ze hebben. Het “neutrale” Zwitserland sloot zijn grenzen,het fascistische Portugal en Spanje deden hetzelfde. In Zuid-Amerika werd schepen boordevol vluchtelingen de toegang tot het vasteland geweigerd, ja zelfs in Palestina – toen nog onder Brits bestuur – waren Joodse vluchtelingen niet welkom.

Yuval Noah Harari verhaalt in zijn wereldwijde bestseller Homo Deus hoe de Portugese consul in Bordeaux tegen de wil in van zijn bazen visa afleverde aan 30.000 Franse joden, zodat ze Portugal binnen konden. Aristides de Souza Mendes heette de man. Hij werd ontslagen omdat hij zijn orders niet had opgevolgd. Hij heeft wel 30.000 mensenlevens gered. Een gutmensch dus, of, wie weet, een cultuurmarxist. Nietwaar, heren van de joods-christelijke traditie.”

Het volledige MO-artikel kun je hier lezen

oktober 12, 2017 at 1:22 pm 1 reactie

DE PUINHOPLEN VAN RECHTS

Johan Depoortere

De puinhopen van rechts

Door Jan Blommaert

hine-manuel

Ik betwijfel of Ivan Van de Cloot het leuk zal vinden dat ik met hem begin, maar daar laat ik me weinig aan gelegen. Enige tijd geleden bracht dhr Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, immers een studie uit over de toekomst van het pensioenstelsel. Daarover geïnterviewd zei hij onder andere het volgende. De pensioenleeftijd van 65 jaar is volgens hem compleet achterhaald. Immers, toen die leeftijdsgrens in de jaren 1950 bepaald werd, was de gemiddelde levensverwachting van de Belg zowat 70 jaar. Nu ligt die zowat tien jaar hoger, en het gevolg daarvan is dat mensen op pensioen gaan die fysiek en mentaal nog best heel wat meer jaren aan de slag zouden kunnen blijven. Koppel dat argument aan de financiële zorgen over ons pensioenstelsel, en je hebt een dwingend argument om af te stappen van die fetish van 65 jaar. Van de Cloot is van oordeel dat we allen tot ons 70ste aan de arbeid zullen moeten blijven; dat “wijzen tal van studies uit. Wie iets anders vertelt, weet niet waarover hij het heeft.” Aldus Ivan Van de Cloot in gesprek met het Nieuwsblad, enthousiast bijgetreden door een hele schare deskundigen, van VBO topman Pieter Timmermans tot en met SP-A boegbeeld Frank Vandenbroucke.

Ivan Van de Cloot

Wat ik hieruit opmaak is dat voor Van de Cloot en anderen we blijkbaar moeten werken tot we geen mens meer zijn. We zijn op ons 65ste nog niet helemaal uitgeleefd, en als we leven moeten we werken. Leven en werken: voor Van de Cloot leven we om te werken, dat is de enige reden voor ons bestaan. In de oude en achterhaalde opvatting was dat echter werken om te leven – om goed te leven, dat wil zeggen: om vrije tijd te hebben, om naast het werk ook nog burger te zijn, en vader of moeder, vriend of vriendin, echtgenoot, buur, medewerker van allerlei organisaties, om ons met politiek bezig te houden, met kunst en cultuur, om eens een krant, magazine of een goed boek te lezen, om met de kinderen ergens heen te gaan of, later, de kleinkinderen rot te verwennen, om mee te helpen met de verbouwingen van zoon of dochter, de overstroomde kelder van je buur mee te helpen opruimen, naar de Colruyt rijden voor een bejaarde uit de buurt. Enfin: om niets te doen in de ogen van Van de Cloot en zijn fans, om niet actief te zijn dus. Of iets scherper geformuleerd: om een sociaal profiteur te zijn, een parasiet die de samenleving handenvol geld kost.

Mens zijn: het mensbeeld dat Van de Cloot en zijn kameraden aanhangen reduceert de mens tot één factor – arbeid. Ons bestaan heeft enkel nut en belang in zoverre we ons hele mens-zijn wijden aan gesalarieerde arbeid, arbeid in dienst van ‘de economie’, want die economie is in crisis en behoeft nu niks minder of niks meer dan een Endlösung waarbij iedereen moet werken tot hij of zij erbij valt. Arbeit macht frei. De plaats die we innemen, de lucht die we inademen, ons hele bestaan: we moeten het verdienen met ‘actief zijn’, ‘werkzaam zijn’, onszelf ‘inzetten’ voor dat ene belangrijke doel: economische groei. Wie ‘niet actief’ is doorbreekt de regels van goed en kwaad en moet, zo zegt Patrick Janssens, lik op stuk krijgen, want ‘voor wat hoort wat’. Ons loutere bestaan veroorzaakt zoveel kosten dat we ons leven moeten verdienen. Doen we dat niet, dan hebben we geen plaats in de samenleving. We zijn dan losers, en onze samenleving draait enkel nog rond winners.

Dat is het mensbeeld dat vandaag de dag wordt gepredikt. In dat mensbeeld is iedereen per definitie een arbeidskracht. Iedereen moet er zelf voor zorgen dat die arbeidskracht maximaal kan worden aangewend. De arbeidsmarkt wordt immers in toenemende mate competitief, en niemand mag er nog van uit gaan dat er zoiets is als een ‘loopbaan’ met ‘werkzekerheid’. Er zullen banen geschapen worden, maar die banen worden niet gekoppeld aan mensen: iedereen moet concurreren voor die banen, en die concurrentie houdt twee constanten in. Ten eerste moet men de eigen loonverwachtingen realistisch houden, dus lààg, want anders is de aanbodprijs van arbeid niet competitief; ten tweede moet men zichzelf permanent bijscholen en herscholen zodat men op ieder moment een competitief speler de arbeidsmarkt is. Beide constanten worden onder de eufemiserende paraplu van ‘flexibiliteit’ gevat, en enkel wie flexibel is heeft job security. Voeg beide begrippen samen en je hebt de term die de officiële EU strategie inzake arbeid definieert: ‘flexicurity’. Flexicurity is net zoals ‘inburgering’ een begrip dat alles individualiseert. Er zijn geen collectieve organisaties meer in de arbeidsmarkt, geen solidariteit, geen herverdelingsprincipes door middel van ‘uitgesteld loon’ – sociale zekerheidsbijdragen. Er is kapitaal, er is arbeid, en het tweede dient het eerste. Enkel zo – dat zeggen mensen zoals Van de Cloot, Noels, Timmermans en een schare sociaaldemocraten – zal onze economie uit het slop raken en zullen we de concurrentie van de geglobaliseerde wereldspelers zoals China, India en Brazilië aankunnen. Doen we dat niet, dan zijn we een vogel voor de kat.

***

De mens is uit de samenleving weggehaald en wordt nog enkel binnen de economie geplaatst. De samenleving is afgeschaft en vervangen door een arbeidsmarkt en die markt is een vrijhandelsruimte – een ruimte van vrijheid, want ze is eindelijk ‘vrij gemaakt’ (‘geliberaliseerd’). Frei gemachte Arbeit. Ze is nu bevrijd van alle beperkingen die doorheen anderhalve eeuw sociale strijd waren aangebracht: sociale zekerheid, collectieve loonafspraken, beschermde statuten voor bepaalde werknemers, overleg met alle partijen in het economische proces, democratische inspraak in de planning en de strategie, en ga zo maar voort. Al die verwezenlijkingen van de sociale, democratiserende en emancipatorische strijd sinds Marx en Rerum Novarum worden op drie jaar tijd voorgoed ongedaan gemaakt. Sinds de bankencrisis van 2008 staan we immers in een nieuwe wereld, waarin economie niets meer met de samenleving te maken heeft. Het zijn twee los van elkaar bestaande dingen die elk aan heel andere wetten beantwoorden. De samenleving kost hopen geld en wordt beheerd door wat we een democratie noemen; de economie brengt het nodige geld op en wordt beheerd door de ondernemers en hun regeringen: de EU, het IMF, de OESO. Onafhankelijke denktanks zoals Itinera, onafhankelijke ratingbureaus zoals Fitch en Moody’s, en onafhankelijke media zoals de Financial Times en The Economist verzorgen de vrije meningsuiting in dit economische regime. Van de Cloot heeft dus even veel te zeggen – zoniet meer – als Rudy De Leeuw, en Dominique Strauss-Kahn was tot voor kort machtiger dan eender welke regeringsleider. Die laatsten moesten zich immers periodiek onderwerpen aan het oordeel des volks; Strauss-Kahn had van dergelijke irritante rituelen geen last.

Die visie van twee werelden, waarbij de economie volkomen zelfstandig leeft en zijn eigen regels volgt, zonder enige democratische controle laat staan inmenging, werd eind maart 2011 door de EU-top in Brussel verheven tot officiële Europese doctrine. De EU besliste daar in één adem ook dat de hele samenleving ten dienste moet staan van die economie. Het doel daarvan heet ‘het verzekeren van onze welvaart’. De prijs die we ervoor betalen is de afschaffing van de samenleving, het opofferen van datgene wat we begrijpen onder de term ‘een leven hebben’, het afschaffen van het sociale vangnet en van iedere vorm van materiële herverdeling, het invoeren van een fundamentele onzekerheid inzake onze eigen welvaart, en het permanent aanvaarden van een wereld waarin het verschil tussen winners en losers elk ander onderscheid wegvlakt. Wat die welvaart in realiteit inhoudt is me dan ook een raadsel; wie ervan zal genieten is me deels duidelijk. In ieder geval hebben we geen leven meer, of we nu werk hebben of niet. Ons leven als mens is ons afgenomen; in ruil daarvoor zijn we – wat? Verlengstukken van de machine zoals bij Marx? Permanent beschikbare krachten voor Adecco Interim? Uniforme en daardoor vervangbare witte boorden, zoals Human Resources managers ons proberen te vormen? Ik weet het niet, maar het ligt ergens binnen die ruimte.

Ik noem die visie een ideologie, en ik noem die ideologie extreem-rechts. Wie de mens reduceert tot zijn of haar arbeid en al de rest daaraan wil opofferen; wie vindt dat we enkel leven om de winsten van anderen te maximaliseren; wie vindt dat democratie enkel nog over details mag gaan; wie vindt dat iedereen die niet mee kan met de mallemolen van de flexicurity – om welke reden ook – een soort misdrijf pleegt en dus mag gestraft worden; wie vindt dat de hele samenleving moet gemobiliseerd worden in functie van een economische aristocratie; en wie vindt dat daarover geen enkele vorm van debat toegelaten is – zo iemand noem ik niet ‘gematigd’, niet ‘redelijk’, niet ‘nuchter’, zelfs niet ‘neoliberaal’. Ik noem zo iemand radicaal, extremistisch, fundamentalistisch, hysterisch, en rechts, want hij of zij verwerpt alle grote waarden van onze liberale democratie, en alle verwezenlijkingen van anderhalve eeuw strijd voor de verbetering van onze samenleving. Wie vandaag de dag de arbeider van Marx en Dickens wil heruitvinden is extreem-rechts. Hij of zij mag dan ook niet schrikken wanneer deze terugkeer naar de tijden van Marx en Dickens ook weer aanleiding geeft tot enorme protesten, rebellie en revolte, en tot een heropstanding van de grote sociale bewegingen. Wie zijn geschiedenis niet kent zal ze herhalen, nietwaar.

***

Ik ben van oordeel dat we in een extreem-rechtse, neoliberale revolutie zitten. De dominantie van dit gedachtegoed is een langer proces, maar sinds de bankencrisis van 2008 maken we een revolutionaire versnelling mee, waarin alle maskers worden afgeworpen en waarin organisaties zoals de EU hun laatste laagje sociaal vernis hebben afgeschaafd. Rijdend op de onzekerheid en de angst bij veel mensen voor een economische catastrofe schrijft de EU nu teksten die een decennium geleden ondenkbaar zouden geweest zijn omdat ze zo radicaal en extreem het primaat van de economie en het dictaat van de arbeidsmarkt uitdragen. Regeringen zoals die van Cameron in Groot-Brittanië en Rutte in Nederland zijn zo radicaal dat men Thatcher en Reagan al bij al gematigd zou vinden. Kunst en cultuur zijn linkse hobby’s die hun eigen geld dan ook maar op de markt moeten gaan zoeken; onderwijs heeft als enige doel het produceren van grote aantallen kant-en-klare hoogopgeleide en hoog-performante arbeidskrachten; werkloosheid, ziekte en ouderdom zijn eveneens kwesties die men vanuit het marktperspectief moet zien – wat kosten ze, en wat brengen ze op? En werken, dat moet kunnen tegen élke prijs die de markt eraan geeft – één Euro per uur, vier Euro, die lonen zijn al realiteit in het economische Disneyworld genaamd Duitsland. Kortom, de huidige regeringen in Europa schaffen gewoon de hele samenleving af en vervangen ze door de dictatuur van het ondernemerschap.

Merkwaardig genoeg vinden heel wat mensen dat al bij al niet zo erg. Men voelt zich wel wat bezorgd en onrustig over deze nieuwe extreem-rechtse tendens, maar berusting en gelatenheid zijn de dominante respons. ‘We zullen wel allemaal langer moeten werken zeker’, ‘de gouden jaren zijn voorbij’, ‘er is geen alternatief’ – dat soort uitspraken hoort men voortdurend, en ze tonen aan dat de geesten gemasseerd zijn. Al drie jaar lang horen we slechts één liedje over de economie en de samenleving, en zoals we weten is dit het oeroude recept van propaganda: zeg hetzelfde duizend maal, en laat het door duizend mensen voortdurend herhalen, men zal wel geloven dat het waar is. Wat mensen nu geloven is dat economie los staat van de samenleving, en dat we ons nu voluit ten dienste van de economie moeten stellen. De Paul Dhoores en Ivan Van de Cloots, Geert Noelsen en Paul De Grauwes van dit land hebben een historische en al bij al ongelooflijke overwinning geboekt: ook al is hun visie in 2008 compleet en finaal failliet gebleken, toch zijn ze erin geslaagd deze postmoderne vorm van waarzeggerij door heel veel mensen te doen aanvaarden en geloven als opperste wijsheid.

Dat is een unieke prestatie voor economen, want doorheen de hele geschiedenis van de economie legden economen voortdurend de band tussen economie en samenleving. Meer nog: economen stelden zichzelf voortdurend tot doel om door een beter begrip en een betere organisatie van de economie de samenleving beter te maken. Men zal zich herinneren dat de discipline zelf lange tijd bekend stond als ‘politieke economie’, en dat mensen zoals Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus veel ruimere problemen dan strikt economische aanpakten. Naast The Wealth of Nations schreef Smith bijvoorbeeld ook nog The Theory of Moral Sentiments, en hij zag beide werken samen als de grondslag voor een nieuwe mens- en maatschappijwetenschap. Ook Marx kan men uiteraard moeilijk van een exclusief economistische visie verdenken; Veblen, Keynes, Amartya Sen en Galbraith evenmin. Bij elk van deze economen stond economische ontwikkeling ten dienste van een hoger doel: een betere, meer rechtvaardige samenleving waarin mensen zichzelf naast hun arbeid kunnen ontplooien als mens. Wat Marx betreft: zijn werk werd aangedreven door precies dat doel: de mens bevrijden van stompzinnige arbeid en werktijd vervangen door tijd om te leven als burger, als democraat, als mens.

Economen die de economie afzonderen van de samenleving wekken mijn wantrouwen op, zeker wanneer ik merk dat elke maatregel die ze voorstellen om de economie te hervormen eigenlijk een maatregel is die de hele samenleving hervormt. De quasi-afschaffing van werkloosheidsuitkeringen, van minimumlonen, van collectieve arbeidsovereenkomsten, de quasi-volledige afbouw en commercialisering van de publieke sector – ziekteverzekering, onderwijs, pensioenen – en het uitschakelen van eender welke vorm van democratische controle en inspraak over het economische leven: dat zijn geen economische maatregelen, dat zijn maatregelen die ons hele samenlevingsmodel omgooien. De samenleving heeft daar gigantische belangen bij, en het zou in een democratie dan ook zo moeten zijn dat de samenleving daarover zijn zeg mag doen. Dat is de reden waarom ik zij die dit ontkennen extreem-rechts noem, en waarom ik spreek over een extreem-rechtse revolutie: na deze ingreep zal er van ons huidig samenlevingsmodel niets meer overblijven, dan een rechtse puinhoop waarin mensen terug gesalarieerde slaven zijn en waarin politici zich met wat geluk nog mogen bezighouden met de kleur van de zebrapaden. Men gebruikt zogezegd objectieve economische argumenten om een ruimere ideologische agenda door te drukken. Wie daar voor is mag nu z’n hand opsteken.

***

De hand opsteken – ik kom stilaan aan het einde van mijn verhaal. Indien men voor de extreem-rechtse revolutie een democratisch draagvlak zou zoeken, dan zou men er geen vinden. Indien men mensen precies uitlegt waarover dit allemaal gaat, en welke verliezen mensen dreigen op te lopen indien ze dit zomaar aannemen, dan zal snel blijken dat dit nieuwe extreem-rechts geen grein steun geniet bij de mensen. Het is precies omdat we er nu met zo velen van uit gaan dat de economie niet meer tot ons democratisch bestel behoort, dat we dreigen slachtoffer te worden van de maatregelen die nu op alle fronten worden uitgewerkt – incluis op de onderhandelingstafel van Di Rupo. Links heeft dan ook een dringende taak: de samenleving heruitvinden, en die samenleving aan mensen uitleggen. We moeten hen uitleggen dat de economie gewoon een deel is van de samenleving, en dat de belangen van miljoenen mensen niet zomaar door een ratingbureau of een verbond van zelfstandige ondernemers kunnen bepaald worden. De belangen van de mensen zijn de belangen van die mensen, ze zijn niet van iemand anders. Als democraat moet men dit scherp stellen en blijven herhalen. Wie hieraan iets wil afdingen kan moeilijk aanspraak maken op het etiket van democraat. Links moet dus de samenleving heruitvinden en opnieuw uitleggen: tegen mensen uitleggen dat het hier gaat om een democratie van vrije en gelijke mensen, en dat die democratie alles omvat wat die vrije en gelijke mensen aangaat. Voor minder moeten we niet gaan. En als Ivan Van de Cloot daarmee niet akkoord gaat, kan me dat eigenlijk geen bal schelen.

(inleidende tekst, Gentse Feesten debatten 2011)

september 25, 2017 at 9:06 am Plaats een reactie

EPPINK SLAAT DE BAL MIS

Donald Trump

In zijn tweewekelijkse column voor De Morgen, slaagt Derk Jan Eppink erin om op subtiele wijze het “gedachtengoed” van Donald Trump de mainstream binnen te smokkelen. Eppink levert milde kritiek op de tactiek van Trump die “niet tijdig in de gaten had” dat “in Amerika niets gevoeliger is dan ‘ras.” Vervolgens maakt Eppink een vergelijking met Obama, die eveneens de gevoeligheden zou hebben onderschat maar die geblunderd zou hebben in de andere richting, namelijk door niet of te aarzelend islamterrorisme te veroordelen. Eppink spuit op die manier vakkundig mist om de kern van de zaak te verhullen, namelijk dat aan het hoofd van de Westerse wereld een man staat met diep ingewortelde vooroordelen tegen alles wat niet hagelwit is. 

Neo-Nazis in Charlottesville

De naakte waarheid: Trump is een onverbeterlijke onversneden racist. De eerste reactie van Trump op de gebeurtenissen van afgelopen week waarin hij het fascistische geweld minimaliseerde liet zijn ware aard zien. Twee dagen later en na zware druk van zijn omgeving kon hij het opbrengen om met veel meel in de mond een verklaring van de telepromptor af te lezen waarin hij racisme veroordeelde. Zijn lichaamstaal schreeuwde luid: “Dit doe ik om mijn politieke hachje te redden maar ik meen het niet.” De dag erop liet de president weer de ware Trump in hem los om in de bekende stijl wild om zich heen te slaan en fascisten met antifascisten over dezelfde kam te scheren.

charlottesville-social-media.jpg.size.custom.crop.1086x721

Onder de fascistische betogers bevonden zich volgens Trump ook “fijne mensen.”

Dat de racistische reactie van Trump meer is dan een uitschuiver blijkt uit talloze eerdere verklaringen en gedragingen, teveel om hier op te noemen. Het volstaat te verwijzen naar de campagne die de basis was voor zijn latere gooi naar het presidentschap: de hardnekkig verspreide racistische leugen dat Obama geen “echte Amerikaan” kan zijn omdat hij niet in de VS maar in Afrika geboren zou zijn. Minder bekend is het bloedstollende verhaal van de “Central Park Five” waarin Trump alweer de rol op zich nam van racistische diehard-scherprechter. Vijf jonge Afro-Amerikanen en hispanics werden in 1990 tot lange gevangenisstraffen veroordeeld voor de gruwelijke verkrachting van een jonge vrouw in het New Yorkse Central Park. De vijf hadden onder druk bekend maar hun bekentenissen weer ingetrokken. Donald Trump betaalde bijna 100000 dollar voor een paginagrote advertentie in alle grote kranten van New York – waaronder The New York Times – waarin hij herinvoering van de doodstraf eiste voor de veroordeelde tieners, die hij “wilde criminelen” noemde. Twaalf jaar later bekende de ware dader van de verkrachting, een bekentenis die door DNA-onderzoek werd bevestigd. De vijf oorspronkelijk veroordeelden kwamen na twaalf jaar onterechte opsluiting vrij en kregen een gezamenlijke schadevergoeding van 40 miljoen dollar. Dat belette presidentskandidaat Donald Trump allerminst om nog in 2016 te herhalen dat de Central Park Five zoals ze intussen waren gaan heten schuldig waren en dus in de gevangenis thuishoorden.

Yusself Salaam, één van de Central Park Five, werd tot 13 jaar gevangenis veroordeeld voor een misdaad die hij niet heeft begaan.

 

De betaalde advertentie waarin Trump oproept de doodstraf uit te voeren.

Woorden vertellen alles, zij het niet altijd luidop maar fluisterend als subtekst. Eppink imiteert achteloos – zo lijkt het – het woordgebruik van Trump. De onuitgesproken boodschap luidt dat fascisten en antifascisten zich moreel op hetzelfde vlak bevinden. De door Trump geïntroduceerde term “alt-links” als spiegelbeeld van “alt-right” komt als sluipend gif het taalgebruik binnen. Maar “alt-links” bestaat niet, het is een hersenspinsel van Trump dat Eppink en anderen geloofwaardigheid verlenen door het kritiekloos te herhalen en op die manier de mainstream binnen te smokkelen.

Het moge duidelijk zijn: de heer Eppink is geen “waarnemer” of “analist” maar een ideologische scherpslijper die aan den brode komt als werknemer van een instelling die de Republlikeinse partij van reactionair ideologisch voer voorziet. Eppink, die een vaak geziene gast is in programma’s als Terzake en De Afspraak,  is geen journalist maar een (ex-)politicus van rechtse tot extreemrechtse signatuur. Van deze boer geen eieren.

Johan Depoortere

18 augustus 2017

augustus 18, 2017 at 8:45 am 2 reacties

PARIJS-BERLIJN

De as Berlijn-Parijs wordt nieuw leven ingeblazen en dat zou goed nieuws moeten zijn voor de toekomst van Europa. Niet over de toekomst maar over het verleden van de twee hoofdsteden die zo bepalend waren voor de geschiedenis van het continent  zijn vrij recent twee boeken verschenen: “Berlijn, Leven in een gespleten stad” van Piet de Moor en “Het andere Parijs” van Luc Sante, een Amerikaan van Belgische origine die naam heeft gemaakt met talrijke werken over populaire cultuur, fotografie, literatuur, muziek en film.

Door Johan Depoortere

HET ANDERE PARIJS, Stad van het volk

Luc Sante

Antwerpen Polis, 2016

349 p.

De gespletenheid van Berlijn, tot een kwarteeuw geleden een gedeelde stad, daar hoeft weinig verklaring bij. Maar ook Parijs is een stad waar twee werelden naast en soms tegen elkaar bestaan. Luc Sante laat zijn boek beginnen met een stuk dialoog uit de film Pépé le Moko van Julien Duvivier (1937) waarin de twee hoofdrolspelers Gaby (Mireille Balin) en Pépé (Jean Gabin) nostalgisch mijmeren over hun geboortestad Parijs. Maar Gaby, de dochter van welgestelde ouders en Pépé blijken het elk over een totaal ander Parijs te hebben. Gaby over de “Quartier de l’ Europe,” het noordwestelijke stuk “van de taart,” waar de gegoede burgerij woont, Pépé over de rest: het proletarische Parijs, maar ook dat van de straatartiesten, de voddenrapers, de gauwdieven, het café-chantant en la bohème, een Parijs dat intussen verdwenen is.

Sante put uitvoerig uit een indrukwekkende reeks boeken, films, muziek en foto’s om zijn verhaal te vertellen en citeert naar hartenlust uit bekende en soms obscure werken zoals dat van Jean-Paul Clébert: Paris Insolite (1952). Clébert, een telg uit een burgerlijk milieu liep op zijn zestiende weg uit een jezuieteninternaat, ging in het verzet en leidde na de oorlog een bestaan als clochard, maar vooral als flaneur, een categorie die bij Sante in het bovenste laatje ligt. Het Parijs dat hij beschrijft is dat van de man (vrouwelijke flaneurs komen in het stuk niet voor) die schijnbaar doelloos door de stad dwaalt en daarbij eindeloos tijd maakt voor onverwachte ontmoetingen, gesprekken en drinkpartijen met al wie hij op zijn weg tegenkomt.

Het Parijs van Clébert

Clébert hoorde overigens thuis in de subcategorie van de flaneur de nuit in de lijn van Restif de la Bretonne, de 18e-eeuwse pionier op het gebied en veel later de fotografen die het wonder van het electrische licht in beeld probeerden te vatten. Al in 1905 maakte Gabriel Loppé (1825-1913) zijn beroemde foto van de bliksemschicht op de Eifeltoren.

Foto Gabriel Loppé – 1905

Brassaï (1899-1984) legt in zijn foto’s de dolle jaren vast van het Volksfront met de bals-musette, travestietenbals, Folies Bergère en opiumtenten. Zijn foto’s van het interieur van de balzalen maar ook van hoeren en arbeiders in de riolen aan het werk, van liefdesparen en criminelen in actie hebben voor decennia daarna het beeld geschapen dat elke toerist van Parijs is gaan dromen. Het is een Parijs dat toen al – aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – gedoemd was te verdwijnen.

Een iconische foto van Brassaï

Dat het Parijs dat we vandaag kennen nog weinig met dat van pakweg begin 19e eeuw te maken heeft hebben we te danken aan de opeenvolgende aanvallen van bouw-en vernielingswoede van de heersende machten. Baron Haussmann (geen echte baron, maar zo liet hij zich zelf graag noemen) was prefect van de Seine tussen 1853 en 1870, het begin van de Frans-Pruissische oorlog.

Rue Rivoli, het straatbeeld dat het patroon werd voor Parijs.

Na de Revoluties van 1848 pakten Napoleon III en Haussmann het drastisch aan: Haussmann liet 20000 huizen slopen, ook dat waar hij zelf geboren was. In de plaats kwamen brede lanen die het mogelijk moesten maken om militaire detachementen snel te verplaatsen waar nodig. Haussmann trok met een lineaal lijnen door hele stadswijken waardoor straten en huizen verdwenen en vervangen werden door majestueuze zij het steriele pleinen zoals de Place de la Révolution waar de drukke en populaire Boulevard du Crime moest verdwijnen en met haar de theaters en cafés waar generaties lang de massa’s drank en vertier vonden. De Ile de la Cité, het oudste hart van Parijs dat dateerde uit de middeleeuwen en daarvoor, werd herschapen in een kale vlakte – vrijwel alleen de Notre Dame bleef gespaard. Wie tranen laat voor het oude Parijs moet ook bedenken dat de leefomstandigheden in de Ile de la Cité erbarmelijk waren, met smalle steegjes die nauwelijks licht doorlieten en waar door vocht en kou chronische ziektes de straatarme inwoners decimeerden.

Het scheelde niet veel of in de twintigste eeuw had Le Corbusier – een bewonderaar van Mussolini – wat van het oude Parijs was overgebleven vervangen door zijn fameuze Cité Radieuse met torengebouwen en brede toegangswegen voor koning automobiel. Dat is dus niet doorgegaan maar in de jaren 70 had president Georges Pompidou wel oor naar de ideeën van Corbusier en andere modernisten. Hij liet de beroemde Hallen van Haussmann afbreken en vervangen door het modernistische en voor velen schreeuwlelijke Centre Beaubourg. Met de Hallen verdween niet alleen de markt uit het centrum van Parijs maar werd een eeuwenoude buurt herschapen tot een pretpark ten behoeve van de toeristen. Het moet op het krediet van zijn opvolger Giscard d’Estaing worden geschreven dat Parijs in de decennia daarna gespaard is gebleven van verdere hoogbouw zoals La Défense aan de rand van de stad.

De enorme kloof tussen arm en rijk aan het einde van de 19e – begin 20e eeuw. (Petit Palais)

Het moge duidelijk zijn, Luc Sante betreurt het verdwijnen van het oude Parijs, maar hij trapt niet in de val van de valse romantiek die in dat soort werken meestal wijdopen staat. Het leven van de petit peuple was geen pretje. Naarmate de stadsplanners het centrum van Parijs “moderniseerden” werden de armen verder naar de rand verdreven. In een film van Georges Lacombe (1902-1990) uit 1928 wordt ons een blik gegund op het leven van de chiffonniers: de voddenrapers en vuilnisophalers. In scènes die sterk doen denken aan wat je vandaag kunt zien in miljoenensteden als Mexico of Manila leven honderden mannen, vrouwen en kinderen op de vuilnisbelten waar ze al het bruikbare sorteren en verzamelen. De film is getiteld La Zone, de naam van het gebied waar de onderlagen van de Parijse bevolking werden samengeveegd aan de rand van de stad. In 1841 liet Louis Philippe een vestingsmuur bouwen op de plek van de huidige Périphérique, waardoor het grondgebied van de stad werd uitgebreid met een aantal landelijke dorpen en een 300 meter brede bufferzone die het centrum buiten het bereik van vijandelijke artillerie moest houden. Het duurde niet lang voor de Zone werd ingenomen door al wie uit het duurdere centrum werd verdreven: voddenrapers, artiesten, criminelen, zigeuners en hoeren. De Parijzenaars bedachten voor hen verschillende koosnaampjes: la Canaille, la crapule, la vermine of nog la rapaille, het woord dat Sarkozy koos om de rebellerende jongeren in de banlieue te “benoemen”. Anderhalve eeuw na de bouw van de muur die al in 1871 werd afgebroken zijn de armen – die intussen kansarmen heten – immers nog verder de stad uitgedreven naar de banlieue, de buitenwijken aan de andere kant van de Périphérique.

Chiffonniers. Uit de film La Zone

Ravachol, een populaire anarchist die stierf onder het mes van de guillotine werd door het volk vereerd

Om de zoveel bladzijden kreeg ik bij de lectuur van dit boek de bijna onbedwingbare neiging om de TGV te nemen en naar Parijs te reizen om de plekken te zien waar Sante over schrijft. Maar ik weet dat ik van een kale reis zou terugkomen: het Parijs van Sante is niet meer. Het lelijke gezicht van de armoede, de stank en de ellende zijn uit beeld verdreven. In de plaats is het geld gekomen. Parijs is gesaneerd en gedesinfecteerd ten behoeve van de miljoenen toeristen die elk jaar de stad bezoeken. Het legendarische café Chez Moineau waar Ed van der Elsken zijn iconische foto’s van de jaren zestig maakte is nu naar verluidt een pianobar. La bohème ça ne veut plus rien dire du tout, zingt Charles Aznavour. De verpretparking loert om de hoek: “Van wat ooit werd geleefd en beleefd resten nog slechts afbeeldingen.”

De sixties van Ed van der Elsken

“Mijn boek is een soort liefdesbrief voor de stad zoals hij was voor hij werd ingenomen door het geld,” zegt Luc Sante in een interview met The Guardian. En ik wil de lezer de rest van het citaat niet onthouden: “Geld kan wat mij betreft niet zoals terrorisme mensen onmiddellijk doden, maar zeker is dat het op een veel diepere en achterbakse manier het weefsel van het dagelijks leven aantast. De terrorist kan over 50, 20 of 10 jaar verslagen worden, maar het is veel moeilijker om het geld te verslaan.”

BERLIJN: leven in een gespleten stad

Piet de Moor

Amsterdam: van Gennep, 2016

373 p.

“Het verleden is in Berlijn altijd meer aanwezig, de toekomst onzekerder dan in een andere stad,” schrijft Piet de Moor die sinds 2010 in de stad woont en er eerder, begin jaren 70, ook al twee jaar verbleef. Over dat verleden schrijft de Moor dus vanuit het gezichtspunt van een Berlijner en dat levert althans voor een niet-specialist als ik een aantal treffende nieuwe inzichten op. Zoals de ware betekenis van Kennedy’s enorme populariteit en zijn gevleugelde uitspraak ich bin ein Berliner, waarover later meer.

De Moor begint zijn geschiedenis van de stad met de boekverbranding op 10 mei 1933. De logistiek voor deze spontane actie van het Duitse volk is in de maanden en weken daarvoor grondig voorbereid. Nationaalsocialistische studenten zijn de aanstokers. Wolfgang Hermann, een bibliothecaris uit Spandau heeft ze geholpen met een lijst van alle auteurs die naar zijn mening verbrennungswürdig zijn. Maar de lijst lekt voortijdig uit en Hermann is daar niet blij mee: hij vreest dat de bibliotheken de gewraakte boeken snel in veiligheid zullen brengen en dat de studenten daardoor achter het net zullen vissen. Zijn vrees in ongegrond: in de ochtend van woensdag 10 mei schuimen de studenten de depots af. Ze stapelen hun buit op in de Oranienburgstrasze. “De boeken zien eruit als gevangenen die naar het schavot worden gebracht” schrijft Philip Metcalfe in “1933”. Vervolgens gaan de boeken van hand tot hand en de laatste student in de rij geeft het boek aan de vlammen prijs met een rituele vuurspreuk: “Hiermee geef ik de geschriften van Sigmund Freud aan de vlammen prijs.”

Hitler is dan amper drie maanden kanselier. De bejaarde en half demente president Hindenburg heeft zijn afkeer van de Oostenrijkse Gefreiter ingeslikt en hem aan het hoofd gesteld van een regering met behalve de Führer zelf slechts twee nazis. De traditionele rechtse partijen dachten de stokebrand op die manier te kunnen neutraliseren. Het pakte anders uit: vijf maanden later was de rechtsstaat afgebouwd, of zoals de Moor het formuleert: “Onder het gejuich van de elites is Duitsland vijf maanden na het aantreden van Hitler in een totalitaire staat getransformeerd.” Niet alleen de rechtse partijen, ook vadertje Stalin had zijn aandeel in de ondergang van het democratische Duitsland: hij kelderde het antifascistische bondgenootschap tussen sociaaldemocraten en communisten. Maar volgens de publicist en historicus Sebastian Haffner lag de ‘”hoofdverantwoordelijkheid voor het debacle van de Weimarrepubliek bij de leiders van de democratische partijen en organisaties die de nazis lieten betijen (…) doordat zij achter de leuzen van de nazis aanliepen en hun ‘evenzeer nationaal-zijn benadrukten.”

Droogwoners

Trockenwohner van Heinrich Zille

Dieper in de geschiedenis: ook Berlijn kende net als Parijs zijn low life : de werklozen, armoezaaiers, analfabeten, dronkenlappen, klaplopers, bedelaars en hoeren die de wereld bevolken van de kunstenaar Heinrich Zille (1858-1929.) Ze wonen in de lugubere woonkazernes die tussen pakweg 1870 en 1914 zijn opgetrokken. “Rechtstaande doodskisten” zijn het in de woorden van de Brits-Amerikaanse auteur Christopher Isherwood in zijn Berlin Stories (1945.) De industriële revolutie lokte een enorme massa boeren en havelozen naar het boomende Berlijn. Er wordt gebouwd dat het een lieve lust is en de lakse bouwreglementen staan de jacht op winst allerminst in de weg. De huizen worden in rijen diep opgetrokken, met nauwelijks ruimte voor binnenplaatsen en groen. De woningen hebben minieme ramen en de vochtigheid blijft jaren in de muren hangen. Het ergst zijn er de droogwoners aan toe. Ze worden beschreven in Ein Mann will nach oben van Hans Fallada: “Droogwoners zijn arme mensen die hun ademtocht verkopen. Omdat uitgeademde lucht rijk is aan koolstofdioxide die de natte kalkmortel waarmee de muren bepleisterd zijn sneller doet drogen, mogen droogwoners gratis wonen in de nieuwe woningen waar dat droogproces nog niet is voltooid. Zodra dat gebeurd is moeten ze opkrassen en plaats maken voor betalende huurders.” Dat soort toestanden leidde regelrecht naar de revoluties aan het einde van de eerste wereldoorlog.

Berlijn 1945

Ondanks de grote verwoestingen bleven in Berlijn veel muren overeind staan.

26 jaar later hebben de Berlijners alweer een verloren oorlog te verwerken. Berlijn ligt in puin – net als de meeste Duitse steden ook al is Berlijn er relatief minder erg aan toe omdat de stad in tegenstelling tot de middeleeuwse Duitse steden al het product was van de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn niet de luchtbombardementen die Hitler op de knieën hebben gekregen. De bombardementen dienden om de bevolking te demoraliseren en zo op te zetten tegen het regime, maar ze sorteerden vaak het omgekeerde effect. Een nieuwe generatie Duitse historici gaat het thema van de Moral bombing niet langer uit de weg. In zijn controversiële magnum opus De Brand (2002) beschrijft Jörg Friedrich voor het eerst de vreselijke taferelen die zich in de brandende Duitse steden hebben voorgedaan. 600000 Duitsers, van wie 80000 kinderen verzengden of verstikten op Duitse bodem. Het resultaat was militair gesproken verwaarloosbaar. Ook economisch was de schade beperkt: “Zelfs op het hoogtepunt van de geallieerde luchtaanvallen in 1944 hadden de bombardementen slechts 6,5 procent van het machinepark vernietigd of beschadigd.” De bombardementen hebben het einde de oorlog waarschijnlijk geen dag dichterbij gebracht.

Na de val van de Hitlerbunker breekt voor de Berlijners een tijd aan van plundering en verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger die massaal wraak nemen voor de wandaden en de verwoestingen die de Hitlertroepen in de Sovjetunie hebben aangericht. Ook “de behoefte om het ooit machtige en nu machteloze ‘superras’ te vernederen was erg sterk” schrijft een Australische historicus. “Dat was het (…) wat de frequentie helpt verklaren waarmee Duitse vrouwen in het bijzijn van hun mannen of in het openbaar werden verkracht.” De officieren van het Rode Leger laten hun manschappen meestal begaan. Er zijn uitzonderingen zoals de Sovjetstadscommandant Berzarin die hard optreedt tegen plunderaars en verkrachters. Door het optreden van het Rode Leger verliezen de Duitse communisten veel prestige bij de Berlijnse vrouwen wat de catastrofale nederlaag van de SED bij de lokale verkiezingen van oktober 1946 mee helpt verklaren: “De Duitse communisten betalen de electorale rekening voor de vernederingen die de Berlijnse vrouwen onder de Sovjets hebben ondergaan.”

De Muur en Kennedy

13 augustus 1961: de bouw van de muur.

Net als de boekenverbranding was ook de bouw van de Berlijnse muur een knap staaltje Duitse gründlichkeit. Het leek totaal geïmproviseerd toen vopo’s (Volkspolizei) en militairen op 13 augustus 1961 grote bouwstenen haastig op elkaar stapelden, maar er was aan de gigantische operatie een lange en minutieuze voorbereiding voorafgegaan. Ook de communicatie van de DDR-leiding was uitgekookt. Tussen 1945 en 1961 zijn drieëneenhalf miljoen mensen uit het land gevlucht, een zesde van de bevolking. Dat er iets moest gebeuren wist een kind, maar een muur? “Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten” zei partijleider Walter Ulbricht op 15 juni 1961, twee maanden vóór de bouw van de muur. De Oost-Duitsers begrepen de boodschap: de ontkenning was een bevestiging die de vluchtelingenstroom alleen maar aanwakkerde. En dat was ook de bedoeling: met de dreigende leegloop van de DDR zette Ulbricht Moskou onder druk om de laatste opening in het Ijzeren Gordijn te dichten.

Als de muur een feit is reageert het Westen opvallend rustig. President Kennedy verneemt het nieuws als hij aan het zeilen is in Hyannis Port en hij vindt het niet nodig zijn vakantie te onderbreken. Meer zelfs: Amerikanen, Britten en Fransen zijn opgelucht dat het “Berlijnse probleem” daarmee opgelost is. Door de bouw van de een muur tonen de Sovjets immers aan dat ze hun aanspraken op de rest van Berlijn voorgoed hebben opgegeven. Dat voor de helft van de stad en 17 miljoen DDR-burgers daarmee de grendels van hun gevangenis definitief dichtschuiven was de westelijke leiders kennelijk geen zorg. Willy Brandt, toen burgemeester van Berlijn, zou het de Amerikanen nooit echt vergeven. Volgens een Russische diplomaat was diens Ostpolitik ook ingegeven door gevoelens van revanche op de Amerikanen. Hoe dan ook hadden “de West-Berlijners geen enkele reden om twee jaar later zo opgetogen te zijn over Kennedy’s bezoek aan Berlijn en over zijn legendarische woorden ‘Ich bin ein Berliner”. Zie ook:

https://salonvansisyphus.wordpress.com/2013/06/25/berlijn-sporen-zoeken/

Kennedy: “Ich bin ein Berliner”. Willy Brandt – uiterst rechts op de foto – denkt er het zijne van.

Al meer dan een kwarteeuw is Berlijn niet langer een gedeelde stad, maar in de hoofden van de mensen blijft de deling bestaan. Oost- en West-Berlijn leven voort in gescheiden wijken: 200000 mensen van Turkse afkomst in het ietwat groezelige vanouds proletarische Wedding en in wijken die tot 1989 aan de muur grensden: Kreuzberg en Neukölln waar de Sonnenallee wegens het grote aantal immigranten uit het Nabije Oosten de bijnaam “Arabische Strasze” heeft gekregen. Voeg daaraan toe de 130000 Polen, van wie er 30000 een Duits paspoort bezitten en bijna 20000 Russen.“De Russsiche nouveaux riches verschansen zich in hun vastgoed in de Mommsen- en Pestalozzistrasze. De minder gefortuneerde Russen bunkeren daarentegen in de Plattenbauten van het Oost-Berlijnse Marjan”. Dat al die minderheden min of meer in harmonie samenleven mag een klein wonder heten, maar misschien is juist dat het unieke van Berlijn.

Johan Depoortere

juli 14, 2017 at 3:46 pm 2 reacties

MACRON: OPSTAP NAAR DE ANTIPOLITIEK?

Emmanuel Macron

Het eclatante succes van Emmanuel Macron en zijn beweging La République en Marche heeft andermaal een aantal politieke zekerheden van de tafel geveegd. De traditionele partijen betalen de prijs voor een crisis waarvoor ze zelf grotendeels verantwoordelijk zijn. Macron begint met een schone lei: “noch links noch rechts,” een boodschap die ook bij traditioneel links lijkt aan te slaan. Is Macron immers niet het laatste bolwerk tegen het oprukkende rechts populisme in Europa en is hij er niet als enige in geslaagd te verhinderen dat Marine Le Pen haar intrek zou nemen in het Elysée? De zucht van verlichting van John Crombez tot la Doornaert klonk oorverdovend.

Protest tegen de “Loi Travail” van Macron, toen nog minister in de regering Hollande.

Is er inderdaad zoveel reden voor het gejuich dat in de mainstream media weerklinkt? Integendeel, zo moet je concluderen als je het – weliswaar vage – verkiezingsprogramma en de eerste initiatieven van Macron van dichterbij bekijkt. Zelfs de New York Times is het opgevallen dat zijn plannen om de uitzonderingstoestand permanent te maken “weinig zullen uithalen in de strijd tegen het terrorisme” maar integendeel de “rechten van de burgers schenden.” Het gaat om maatregelen als huiszoekingen zonder gerechtelijk bevel, huisarrest of het opleggen van een enkelband en het opeisen van computerwachtwoorden. Vakbondsmilitanten en activisten in burgerbewegingen vrezen dat die maatregelen ook tegen hen zullen worden gebruikt zoals nu al in een aantal gevallen lijkt te zijn gebeurd. Macron wil overigens de macht van de vakbonden breken door afspraken op bedrijfsniveau voorrang te verlenen op sectoriële akkoorden.

Maar er is meer. De Belgische politicologe aan de universiteit van Westminster Chantal Mouffe noemt het fenomeen Macron het ultieme stadium van de postpolitiek, de wegbereider als het ware van de anti-politiek. “Hoe paradoxaal,” zo schrijft Mouffe in een opiniestuk in Le Monde “dat als remedie tegen de diepe crisis van de westerse democratieën net die politiek wordt voorgesteld die de oorzaak is van die crisis,” namelijk de strategie van de “Derde Weg” zoals die in Groot-Brittannië in de praktijk werd gebracht onder Tony Blair. Volgens Blair behoorden we allen tot de middenklasse. Er was niet langer een economische politiek van links of van rechts, alleen een goede of een slechte economische politiek. Een ideologie die teruggaat op het TINA – There is no Alternative – van Margret Thatcher. De overtuiging namelijk dat er geen alternatief bestaat voor de neoliberale globalisering, die ook hier nog enthousiast wordt uitgedragen door kopstukken als Bart De Wever en Gwendolyn Rutten en die al dan niet stilzwijgend ook wordt omarmd door de meeste Europese sociaaldemocratische partijen, inclusief de Belgische PS en SPa.

Chantal Mouffe

Politiek is het georganiseerde meningsverschil. Als er geen alternatief bestaat voor de heersende consensus is de politiek dood. De pletwals van La République en Marche, gecombineerd met de extreem lage opkomst in de parlementsverkiezingen, lijkt inderdaad de doodsklokken te luiden voor de democratische politiek zoals we die tot nu toe kennen. Het eerste slachtoffer is de sociaaldemocratie die overal in Europa klappen krijgt die wel eens fataal zouden kunnen zijn. Maar de gevolgen beperken zich niet tot het wegkwijnen van de sociaaldemocratie. Het is de democratie zelf die op het spel staat. De post-politieke consensus zo schrijft Mouffe laat “geen ruimte voor het alterneren van centrum-rechts en centrum-links aan de macht” en zet op die manier de volkssoevereiniteit, de basis van de democratie, buiten spel.

Jean-Luc Melenchon

Macron gaat nog een stap verder en maakt zelfs dat alterneren van centrum-links en centrum-rechts onmogelijk door het links-rechts onderscheid helemaal uit te vagen. De “straat” blijft dan de enige optie voor grote lagen van de bevolking om voor hun belangen op te komen. Een ander gevolg is dat diezelfde bevolkingsgroepen meer dan ooit gehoor geven aan de sirenenzang van extreem rechts. Daar lijkt Macron zich voorlasnog weinig zorgen over te maken, een blindheid die Mouffe “hallucinant” vindt omdat de “recyclage van de Derde Weg het Front National niet zal indijken zoals hij schijnt te hopen maar integendeel zou kunnen versterken en zelfs mogelijk tot de overwinning leiden in 2022.” Of de beweging van Jean Luc Mélenchon, La France Insoumise, dat door een “burgerrevolutie” zal kunnen vermijden zoals Mouffe hoopt valt nog af te wachten.

Johan Depoortere

juni 16, 2017 at 9:49 am 4 reacties

Oudere berichten


Categorieën

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Doe mee met 1.337 andere volgers