Author Archive

FOUTE GESCHIEDENIS

Door Gie van den Berghe

Imperialisme, kolonialisme en dekolonisatie zullen eindelijk opgenomen worden in de Vlaamse eindtermen en zestig jaar na de onafhankelijkheid van Congo komt er zowaar een parlementaire commissie over het Belgische kolonialisme. Ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van de onafhankelijkheid van Congo betuigde koning Filip enigszins omfloerst zijn diepste spijt voor de misdaden en krenkingen. Hoog tijd, want in maart 2020 wees een Brits onderzoek (https://yougov.co.uk/topics/international/articles-reports/2020/03/11/how-unique-are-british-attitudes-empire) uit dat 23% van de Belgen eerder trots dan beschaamd zijn over het koloniaal verleden. Eenzelfde percentage voelde zich veeleer beschaamd. Meer dan de helft van de bevraagden reageerde onverschillig. De Belgen deden het bij vergelijking niet eens zo slecht: de helft van de Nederlanders verklaarde trots te zijn en slechts 6% had enige schaamte. 

Petitio principii

Het mooi vormgegeven Wit-zwart in zwart-wit had met zijn 136 foto’s uit het door Belgen ontgonnen en vertrappelde Congo een prachtig boek kunnen zijn, maar dat wordt tenietgedaan door de tendentieuze, belerende, manipulatieve aanpak en drammerige tekst van Paul Van Damme, een geschiedenisleerkracht die meewerkt aan handboeken voor Vlaamse leerlingen. 

Tijdens de kolonisatie van Congo werden volgens Van Damme miljoenen foto’s gemaakt. Hij koos voor beelden waar zwart en wit samen op staan. Etnische afbeeldingen, die hij ‘vaak heel erotisch getint’ vindt en ‘idyllische beelden genre negertje voor zijn hut’ liet hij links liggen. Zo kon hij 80% van de collectie aan de kant schuiven, ‘want zwart en wit staan meestal niet samen op de foto, er heerste ook fotografisch apartheid’. Van Damme wou ‘zwart en blank in hun onderlinge relaties’ tonen en die ‘getuigen vaak van sociale ongelijkheid’. Zeker, er werd serieus gediscrimineerd, maar de schande waarover hij schrijft valt niet zomaar af te leiden uit zijn beeldmateriaal, laat staan uit alle door Belgen in Congo gemaakte foto’s. 

Van Damme heeft die miljoenen foto’s natuurlijk niet allemaal bekeken en ook de resterende 20% heeft hij niet bestudeerd. In tal van publicaties waaruit hij putte zitten behoorlijk wat beelden die zijn eenzijdige stelling ontkrachten. Hij selecteerde in functie van zijn conclusie. 

In scène gezet

Van Damme denkt nochtans dat hij objectief te werk ging. De foto op de kaft van zijn boek – een zwart jongetje in een vogelkooi tussen twee witte meisjes (zie hieronder) – mag volgens hem niet gebruikt worden omdat er geen achtergrondinformatie over bestaat. De meisjes vinden het leuk, speculeert hij, het zwarte jongetje niet. Een doelbewuste vernedering of een onschuldig spel? Hoe dan ook, de fotograaf tilde niet aan ‘deze gratuite foto’. Gratuit is veeleer dat Van Damme het beeld toch opnam en als uithangbord gebruikt. In een interview deed Knack (20 mei) er nog een schepje bovenop: ‘Belgische kinderen amuseren zich met kinderen [meervoud] van het zwarte huispersoneel’ [beklemtoning door GvdB]. Enkele weken later plaatste F1-wereldkampioen Lewis Hamilton het beeld op Instagram (16,7 miljoen volgers). Goed zo, vond Van Damme in Knack (16 juni), eraan toevoegend dat hij de foto als cover heeft gebruikt ‘omdat dit het paternalistische, racistische koloniale denken weerspiegelt zonder de wreedheden te tonen.’

Dat de fotograaf geen graten zag in de scène hoeft niet te verwonderen. Het is een geënsceneerde, geposeerde foto: beide meisjes zitten op een bankje, houden een hand op de kooi, één van hen kijkt in de lens, het andere meisje lijkt iets te zeggen tegen het zwarte kindje, mogelijk een woord van troost. Speculatie, zeker, maar wel in overeenstemming met de vijftig andere beelden waar deze foto deel van uitmaakt en waar Van Damme met geen woord over rept. 

Het beeld komt uit een fotoalbum van de familie Van de Meerssche die in de jaren 1950-60 in Belgisch Congo verbleef. Het SOMA weet verder niets over Van de Meerssche of het album, maar een beetje historicus had de collectie beschreven en een en ander kunnen uitzoeken over de familie. Zoveel Van de Meerssches zullen er in Belgisch-Congo niet rondgelopen hebben.

De door Van Damme misbruikte foto is ook de enige die als denigrerend of racistisch geïnterpreteerd kan worden. In het album schreef iemand er Nasukya ya mutoto bij (‘gekleurd kind’ in het Swahili?). Bij alle andere kiekjes staan enkele woordjes in het Nederlands, genre ‘Vertrek in Melsbroek’.

Mensbeelden

Van Damme haalt zonder context ergens een merkwaardig citaat aan: ‘Een vrouw van een koloniaal vraagt aan haar boy hoe de zwarten over de blanken denken, waarop de boy spontaan antwoordt: 

‘Ze zeggen, mevrouw, dat er niets zoo leelijk is als een blanke: hij ziet eruit als een gepelde rups en hij stinkt als een lijk. Zijn aangezicht is afschuwelijk misvormd; een normaal mensch heeft een platten neus; hoe platter de neus, hoe flinker de mensch. De blanken hebben geen platten neus, ze zijn te leelijk om te bedonderen…’ Hoe de vrouw hierop reageerde, vermeldt het reisverslag niet’ (de woorden in het vet werden door Van Damme gecursiveerd).

Dit fragment is afkomstig uit Een Vlaming op reis door Kongo (1929), een reisverslag van A.B. Van der Weerelt die in opdracht van het Museum van Tervuren fetisjen verzamelde. Zijn verslag getuigt van veel sympathie en respect voor de zwarten, hun culturen, mens- en wereldbeelden. Van der Weerelt beklemtoont dat zwarten allesbehalve wilden zijn. Natuurlijk hebben ze over van alles en nog wat een andere mening dan wij Europeanen, maar ‘we waren niet in staat om door te dringen tot de diepere kern van hun wezen en denken. Daarom vonden we er niet beter op dan ze als wilden voor te stellen. Onwaardig voor mensen die er prat op gaan een hogere beschaving te bezitten’. Geen woord hierover bij Van Damme.

De vrouw uit het citaat zegt niet te kunnen verdragen ‘dat er met minachting over de inheemschen wordt gesproken’. Ze heeft al te vaak witten horen zeggen dat de zwarte ‘lui is, dom is en stinkt’. Daarom beantwoordt ze dat soort beweringen altijd als volgt: 

‘Ik had reeds zoo dikwijls het oordeel van de Europeanen over de zwarten gehoord, dat ik het oordeel van de negers over de blanken wou leeren kennen. Ik had daarom mijn boy opdracht gegeven, telkens wij in een nieuw dorp aanlandden, zijn ooren te spitsen om te vernemen wat de inlanders over ons, blanken, zooal zeiden. […] Maar mijn boy keek altijd verlegen naar den grond en sprak slechts na herhaaldelijk aandringen…’ 

Hierop volgt Van Dammes citaat. (1)

Erotisering

Bij twee foto’s (zie hieronder) van twee zwarte rekruten die in 1939 medisch gekeurd werden, schrijft Van Damme: 

‘De onderofficier houdt het medische dossier in zijn handen. Hij kijkt noch naar de rekruut, noch naar zijn papieren. Zijn blik lijkt te zijn gefixeerd op iets of iemand links buiten het beeld. Van deze scène maakte de fotograaf verschillende opnames. Heel snel na elkaar. Op een andere foto uit die reeks wordt duidelijk wat de aandacht van de onderofficier trekt. Links buiten beeld staan de vrouwen van de rekruten. Net als hun mannen halfnaakt…’.

Je moet over behoorlijk wat fantasie beschikken om de blik van de onderofficier op die manier te volgen.

Van Damme besteedt behoorlijk wat aandacht aan naakte vrouwenborsten. Hij wijt deze keuze aan de kolonisten die meestal ‘aantrekkelijke vrouwen fotografeerden die met een zekere schroom naakt voor de lens poseren en waarbij de fotograaf focust op borsten en billen’. De foto’s zorgen volgens hem ‘voor de verspreiding van het beeld van de Afrikaanse vrouw als zedeloos, gewillig en genotziek. Naakt wordt zo gepresenteerd dat de zwarte vrouw het seksuele lijkt uit te lokken: zij wil het, denkt de blanke man dan. Slachtoffer wordt dader. De klassieke kronkel. De rechtvaardiging van “het in bezit nemen”.’

De zogenaamde schroom van de zwarte vrouwen heeft vermoedelijk te maken met hun onbekendheid met en wantrouwen van de fotografie. Velen geloofden dat een foto je van je ziel kon beroven. Elders in het boek haalt Van Damme trouwens een zwarte aan die er niet aan twijfelt dat als witten foto’s maken ‘er veel mensen heel snel zullen sterven’.

‘Kledij versus naaktheid is een klassieke truc om de superioriteit van het ene ras tegenover de inferioriteit van het andere te affirmeren’. ‘Zo naakt mogelijk’, schrijft Van Damme, terwijl in zijn boek niet één volledig naakte vrouw of man te vinden is. Hij heeft het ook steeds over ‘ontblote borsten’, alsof zwarte vrouwen speciaal voor de gelegenheid uit de kleren gingen. 

Dat westerlingen mooie halfnaakte vrouwen aantrekkelijk vonden en er minstens aanvankelijk door werden geprikkeld, valt licht te begrijpen. Maar de erotisering, het voyeurisme is voor hun en Van Dammes rekening. Uit enkele van de door Van Damme gebruikte bronnen blijkt dat veel auteurs het destijds normaal vonden dat in een tropisch klimaat man en vrouw alleen het onderlichaam bedekten. Van der Weerelt bijvoorbeeld, juicht toe dat ze ‘weinig of geen Europese lompen dragen’ die ‘inlanders vaak het uitzicht van schoelies geven’. De ‘nationale paan [rokje uit kweekgras] is hier nog in eere. Zoo mag ik de negers best; zoo zijn ze wat ze zijn: gezonde, schoone natuurkinderen.’ In Wit-zwart staan overigens verscheidene kiekjes van zwarte vrouwen die, zoals Van Damme aanstipt bij een foto uit 1917, een zedig alles verhullend kleed dragen dat de missionarissen in Congo hebben geïntroduceerd’.

Bij één van de foto’s in het album van Van De Meerssche staat de legende Wit en zwart. Dat kan de auteur van een boek met die titel niet ontgaan zijn. Maar de foto past niet in zijn verhaal. Het beeld toont een westers geklede zwarte man die het rechterhandje van een huilend, westers gekleed, zwart jongetje vasthoudt, met op een meter afstand een halfnaakt wit jongetje het piemeltje bloot (SOMA, nr 149870, het witte jongetje heeft vermoedelijk snoep in de hand, iets wat het zwarte jongetje niet kreeg). Van Dammes denkwijze volgend: zwart voyeurisme, laatdunkend te kijk zetten van een wit kindje.

Manipulatie

Bij een foto uit 1921 waarop ‘een boy te zien is die zijn meester door het moeras draagt, meer bepaald Dr. R.L. Shantz en zijn boy Kolemerengo’, merkt Van Damme op dat ‘de schoenen van de Amerikaanse wetenschapper niet nat mogen worden. Die van de boy Kolemerengo wel’. De Amerikaanse botanicus Homer Leroy Shantz doorkruiste van 1919 tot 1924 Afrika van zuid naar noord en maakte 3500 foto’s van planten, dieren, landschappen, dorpen, hutten, zwarten en witten die van groot respect getuigen (zie bijvoorbeeld deze foto: http://uair.library.arizona.edu/item/284287. Er zitten slechts een paar foto’s bij van halfnaakte vrouwen, de meeste dames zijn prachtig gekleed (zie bijvoorbeeld de foto ‘Typical native women’ http://uair.library.arizona.edu/item/284239). 

Van Damme legt Emile Vandervelde, destijds de grote baas van de Belgische Werkliedenpartij, slordig of slinks het volgende in de mond: 

‘Je kan voor of tegen kolonisatie zijn, maar van zodra je het principe van kolonisatie aanvaardt, moet je er de consequenties bijnemen. In Congo zijn we met iets meer dan tweeduizend blanken, te midden van vele miljoenen inlanders, die ons haten. Zij willen maar één iets: ons doden. Indien we hier de doodstraf niet zouden toepassen, zouden we ten onder gaan. Wij zijn hier als veroveraars. Wij houden ons hier recht dankzij de terreur. Een inlander ophangen lijkt wreed, maar is broodnodig.’

Kort voor de overname van de kolonie door België trok Vandervelde inderdaad naar Congo. In Les derniers jours de l’état du Congo: journal de voyage (1908) stelt hij onder meer vast dat er in de missieposten enige vooruitgang is geboekt. Tijdens een discussie met enkele kolonisten nam niemand het nog op voor de rubberwinning, maar sommigen vonden dat dwangarbeid soms verantwoord en noodzakelijk was. Vandervelde was het daarmee niet helemaal eens. Iemand bracht een ramp met een stoomschip ter sprake. Vijf van de zes witte opvarenden die aan wal geraakten, werden gedood door zwarten. Die werden gearresteerd en opgehangen. Volgens de kolonisten kon Afrika absoluut niet zonder de doodstraf. Hierop volgt wat Van Damme toeschrijft aan Vandervelde maar dat is overduidelijk een uitspraak van een kolonist. Vandervelde vraagt hierop aan een substituut of er gratie verleend kan worden, maar dat blijkt het privilege van de koning te zijn. In België werd de doodstraf overigens pas in 2005 afgeschaft.

Alle door Van Damme gebruikte citaten controleren is ondoenbaar. Dat is ook niet altijd nodig, soms legt hij de eigen vooringenomenheid bloot. Over Congo – land en volk (1926), een werk van de liberaal Louis Franck, de Belgische minister van Koloniën van 1918 tot 1924, schrijft hij dat het ‘iemand was met een oprechte interesse voor het land en zijn bevolking. Uiteraard, zonder de focus op de economische mogelijkheden uit het oog te verliezen’. Franck meende dat 

‘Kolonisatie een ‘recht’ [is] en [dat] ons beschavingswerk inhoudt dat de Congolees wordt gevormd tot een ‘werklustigen neger’, [dat] is de rechtvaardiging en het doel. […] Het recht van het blanke ras, op dien vermeerderden rijkdom van de wereld, is het heiligste aller rechten: het recht van den schepper op het geschapene, van den arbeider op zijn werk!’

(Met ‘schepper’ en ‘geschapene’ doelde ex-minister Franck op de industriële ontginning van Congo door België).

Hierop laat Van Damme volgen: 

‘Wij wenschen, in andere woorden, geen zwarte Belgen te vormen, maar een beteren Congoleeschen inlander, dat wil zeggen een krachtigen, gezonden, werklustigen neger die fier is op goeden arbeid, fier ook op zijn volk en zijn ras, die plichten voelt tegenover dat volk en die plichten niet onvervuld wil laten. Het is een zeer moeilijk werk; het moet zich over verscheidene geslachten uitstrekken’. Het eerste citaat staat op pagina 8 van Francks boek, het tweede op pagina 245. De rest wordt verzwegen.

Francks boek is nochtans een verdienstelijk overzicht van de stichting van Congo-Vrijstaat, Belgisch-Congo, de inlandse bevolking en hun gebruiken, het leven van de kolonisten, bestuur, vervoer, landbouw, handel, nijverheid, openbare gezondheid, godsdienst, onderwijs, taalkwesties en rechtspraak. Franck keurt de vroegere paternalistische houding tegenover ‘onze Afrikaansche onderdanen’ duidelijk af. We moeten ze de Europese cultuur en beschaving niet opdringen, het zijn geen wilden. Ze moeten opgeleid worden volgens hun eigen natuur, ras en taal. Bij het onderwijs moet de nadruk gelegd worden op handenarbeid, praktijk en landbouwonderricht, aangepast aan de inlandse omgeving. Hierop volgt het door Van Damme uit zijn verband gerukte citaat, met weglating van de laatste zin: ‘Eerbied voor de inlandsche instellingen is de grondslag van deze opvatting.’ 

Volgens Van Damme keken witten ook neer op pygmeeën. Ze lieten zich graag met hen fotograferen, niet om het verschil in grootte te illustreren maar omdat het ‘hun gevoel van suprematie versterkte’, kwestie van ‘het dwerg-zijn van de pygmeeën extra in de verf te zetten’, ze te herleiden ‘tot vergissingen van de natuur. Anomalieën. Boskabouters’. Grof taalgebruik van de kolonisten, beweert Van Damme. Ik vond dat niet meteen terug in zijn bronnen. Van der Weerelt heeft het over ‘Boschjesmannen’, een dwergvolk van 1m40 tot 1m55, al bekend in de oudheid. Ze verafschuwen innerlijke twisten en oorlogen, zijn geen kannibalen en sterven helaas uit.

Nogal wat zaken die Van Damme beweert, zijn niet of ternauwernood te zien op de foto’s. De vele veronderstellingen (misschien, het kan, waarschijnlijk’) slaan bij deze historicus snel om in zekerheden. De tekst staat vol insinuaties, tenenkrommende commentaren, drammerige herhalingen, clichés, ver gezochte speculaties en merkwaardige redeneringen. Racisme bijvoorbeeld, noemt hij ‘uiteraard nonsens’ omdat ‘volgens dezelfde redenering alle vrouwen van nature minder intelligent zouden zijn dan mannen, omdat ze gemiddeld een kleiner hoofd hebben’. Blijkbaar ontgaat het hem dat seksisten lange tijd dit soort onzin gespuid hebben. 

Wetens en willens

In zijn nawoord komt de aap uit de mouw, Wit-zwart is een afrekening met de koloniale loftuigingen die de jonge Van Damme te horen kreeg in de schoot van een familie die een aantal oud-kolonisten in haar rangen telde. Hij erkent dat in Belgisch Congo ook verdienstelijk werk werd verricht, maar dat mag ‘geen excuus zijn om wat fout was in het verleden goed te praten of te verzwijgen’. Het waren andere tijden, geeft hij toe, maar dat is geen excuus voor het choquerend kolonialisme, paternalisme en racisme. 

Van Damme lijkt ziende blind. In zijn nawoord staat dat hij het woord ‘fout’ zoveel mogelijk vermeden heeft omdat het ‘te berispend, te moraliserend, de gratuit is’. Bovendien ‘spreken de foto’s voor zich’ en is het ‘aan de lezer om zijn conclusies te trekken’. Van Damme laat dat niet toe. Hij selecteert, dirigeert en dicteert.

In zijn voorwoord schrijft hij dat de relaties tussen wit en zwart zeer gevarieerd waren en het dus om een verhaal gaat met veel nuances, ‘zoals ieder geschiedenisverhaal zou moeten zijn’. Achterin erkent hij de ‘relaties tussen zwart en blank met een eigentijdse blik’ bekeken te hebben, in het bijzonder ‘foto’s die haaks stonden op de koloniale zeemzoeterigheid die ook ik heb meegekregen in mijn kinderjaren’. Allesbehalve verkeerd, vindt hij, hij is er zich immers van bewust. Zo kan elk misdrijf goed gepraat worden. Wit-zwart is geschiedschrijving op zijn slechtst: waardeoordelen en gemoraliseer in plaats van objectieve beschrijving en analyse.

Van Damme, Paul – Wit-zwart in zwart-wit. Samen en toch apart: foto’s en verhalen uit Belgisch-Congo, Gent, Borgerhoff & Lamberigts, 2020, 199 blz., 49,95 €

Foto’s: copyright SomaCeges. Het SOMA kent de herkomst van de foto’s van Van de Meerssche niet. Indien rechthebbenden van deze foto’s zich in deze publicatie herkennen kunnen zij contact opnemen met de auteur.

  1. Na publicatie van dit artikel werd ik gecontacteerd door historicus Davy Verbeke (UGent) die me feliciteerde met het artikel en er mijn aandacht op vestigde dat A.V. Van der Weerelt ‘een pseudoniem met een kwinkslag was waarachter taalkundige Amaat Burssens schuilgaat’. Davy Verbeke heeft over de man een mooi persoonslemma geschreven (https://www.ugentmemorie.be/personen/burssens-amaat-1897-1983). Daarin wordt duidelijk dat mijn inschatting van Van der Weerelts/Burssens positieve houding tegenover Congolezen volkomen juist was – een inschatting op basis van diagonale lectuur van diens boek dat ik in de bibliotheek van de UGent raadpleegde omdat ik wat Van Damme erover schreef niet meteen geloofde (in dit exemplaar van de bibliotheek geen verwijzing naar Burssens). Bij nazicht van Van Dammes boek blijkt dat hij wist dat Van der Weerelt en Burssens één en dezelfde persoon zijn, al vermeldt hij het nergens, integendeel hij moffelt het al dan niet bewust weg. Hij haalt Van der Weerelt twee keer aan, één keer met diens naam in de tekst, een tweede keer alleen via een eindnoot. Amaat Burssens staat in zijn persoonsregister met geboorte- en sterftejaar, Van der Weerelt staat daar niet in. Deze laatste staat dan wel weer in de bibliografie zonder verwijzing naar Amaat Burssens.

July 1, 2020 at 11:38 am 2 comments

Je ziet toch ook geen standbeeld van Adolf Hitler in Berlijn ?

 Door Miel Clement

Leopold II en Congo Vrijstaat

Logisch dat de veertienjarige Noah N.L. de vraag stelt: Je ziet toch ook geen standbeeld van Adolf Hitler in Berlijn ?(De Standaard  03.06.2020).

Leopold II Foto: De Wereld Morgen

In de twee laatste decennia van vorige eeuw wierpen publicaties van J. Marchal (schuilnaam A.M. Delathuy) en D. Vangroenweghe een fundamenteel ander licht op het beleid van Leopold II in Congo-Vrijstaat. Zijn nietsontziende rooftocht kostte minstens een derde van de bevolking het leven. Het werd een hard ontwaken uit de Belgische amnesie over het koloniale verleden.” (Bart Brinckman, De Standaard 01.05.2018).                                                                                                                                                            

Het vernieuwde Afrikamuseum in Teruvren

In dit debat, dat werd heropgestart in het vooruitzicht van de heropening eind 2018 van het Afrikamuseum, moeten wij ons oor uiteraard ook bestendig te luisteren leggen bij Afrikaanse auteurs zoals bijvoorbeeld I. Ndaywel è Nziem en J. Omasombo Tshonda en bij de Diaspora.  Na Marchal en Vangroenweghe steekt het negationisme bij ons tot op vandaag nog altijd de kop op.                                                                                                                                                                                        

G. De Weerd, de auteur van “L’Etat Indépendant du Congo. A la recherche de la vérité historique” (Ed. Dynamédia, 2015), laat zich negatief uit over de in 2003 overleden Jules Marchal en over Vangroenweghe en rekent aldus ook af met A. Hochschild – de auteur van “King Leopold’s Ghost. A story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa” (Houghton Mifflin Company, 1998).  Hij degradeert  J. Marchal tot “de nijdige documentalist van Hochschild. Voor hem zijn de geschriften van Marchal  hoogstens een mengsel van interessante informatie gesprokkeld in het archief van het ministerie en van negatieve beschouwingen telkens als hij markante en verdienstelijke personaliteiten vermeldt.”   In de bibliografie van zijn zoektocht naar de historische waarheid vermeldt De Weerd ook slechts het tweede en derde van de zes boeken die J. Marchal van 1985 tot 1994 aan Congo Vrijstaat wijdde [1].  D. Vangroenweghe (“Rood Rubber, Leopold II en zijn Kongo“, Elsevier, 1985) vernoemt hij er helemaal niet, terwijl beide auteurs nochtans nieuw feitenmateriaal aanbrachten dat door een historicus niet kan worden genegeerd.    

Zijn nawoord bij A.M. Delathuy -“Missie en Staat 1880 – 1914 in Oud –Kongo. Redemptoristen, trappisten, norbertijnen, priesters van het H. Hart, paters Mill Hill” (1994) opende pater J. Steffen SCJ, missionaris te Ubundu en Yangambi van 1959 tot 1983, als volgt: (…) “Waarom die oude geschiedenis nog een keer uit de sloot halen (…) Zou het niet beter zijn al die dingen te vergeten ?  (…) Ik denk van niet. Ik ben zelfs overtuigd dat de boeken van Dr. Jules Marchal op de duur een genezende werking zullen hebben op de verhoudingen tussen Blank en Zwart. En dat er een tijd zal komen, dat wij Europeanen hem zullen danken voor de moed, die hij toont door dit hete ijzer aan te pakken.”                                                                                                                                                                   

Weliswaar in het besef dat “de verantwoordelijkheid  voor de misdaden die onder zijn bewind werden gepleegd door agenten van concessiemaatschappijen  – ja zelfs van de Staat –  nog lang op de schouders van Leopold II zullen rusten,” pleit J.-P. Nzeza Kabu Zex-Kongo in “Léopold II, le plus grand chef d’Etat de l’histoire du Congo” (L’Harmattan, 2018) uitdrukkelijk voor een rehabilitatie van het beeld en de actie van deze absolute monarch.            

Gelukkig hebben verschillende auteurs recent het debat over Congo Vrijstaat opnieuw op scherp gesteld en verder in de juiste richting geduwd: J.-L. Vellut – “Congo. Ambitions et  désenchantements 1880 – 1960 ” (Karthala, 2017), P.-L. Plasman –   ‘’Léopold II, Potentat Congolais. L’action royale face à la violence coloniale‘’ (Racine, 2017), L. Renders – ‘’Koloniseren om te beschaven. Het Nederlands-talige Congoproza van 1596 tot 1960‘’ (Gramadoelas, 2019), M.Z. Etambala – ‘’Veroverd Bezet Gekoloniseerd Congo 1876 – 1914’’ (Sterck & De Vreese, 2020) en Lucas Catherine – “Het dekoloniseringsparcours. Wandelen langs Congolees erfgoed in België” (Epo, 2019).  Blank geldgewin, nietsontziend machtsmisbruik, buitensporig geweld, misprijzen voor de lokale bevolking en hun cultuur zijn in de geschriften van deze vijf auteurs sleutelwoorden.                                                                                                                                                      

George Washington Williams Foto: Wikipedia

Graag memoreer ik in de context van dit debat  – zeker nu wij moeten focussen op Black lives matter –  de Afro-Amerikaan George Washington WILLIAMS (1849 – 1891), militair, predikant, journalist, historicus,  politicus, lobbyist en schrijver. Hij  was de auteur van “History of the Negro Race in America from 1619 to 1880: Negros as Slaves, as Soldiers and as Citizens” (1882) en van “History of Negro Troops in the War of the Rebellion” (1887). Beide historische werken werden resp. in 1968 en 1969 herdrukt en in laatstgenoemd jaar werd “The Chronological History of the Negro in America“, van P.M. Bergman, opgedragen aan de herinnering van Williams.    

In 1889 woonde Williams als waarnemer, lobbyist en journalist de anti-slavernijconferentie te Brussel bij en in  1890  vertrok hij naar Congo. Datzelfde jaar – dus nog voor de oprichting van de rubbermaatschappijen Anversoise en ABIR (1892) en van het al even beruchte Kroondomein (1893) –  schreef  hij vanuit Stanley Falls (Boven-Congo) op 18 juli 1890 een open brief aan Leopold II . Hij zorgde ervoor dat zijn open brieven en rapporten over  Congo Vrijstaat in Europa verspreid raakten. In zijn open brief van 18 juli 1890 formuleerde hij twaalf aanklachten en besloot als volgt: “Tegenover bedrog, fraude, beroving, brandstichting, moord, slavenjachten, en een algemene politiek van wreedheid van de regering van uwe Majesteit ten opzichte van de inheemse bevolking , staat hun verleden van ongelooflijk geduld, een houding van langdurig lijden en een geest van vergevingsgezindheid, welke de opgehemelde beschaving en de zogenaamde godsdienst van de regering van uwe Majesteit tot schande strekt (…) Alle misdaden begaan in Congo zijn begaan in uw naam, en u moet antwoorden voor de rechtbank van de publieke opinie voor het wanbestuur van een volk, wiens levens en lot aan u waren toevertrouwd door de doorluchtige Conferentie van Berlijn, 1884 – 1885. Ik doe nu een oproep tot de Naties die deze jonge Staat aan de zorg van uwe Majesteit hebben toevertrouwd, en tot de grote staten die het internationale erkenning gaven; en wier majestueuze wet u hebt geminacht en vertrapt, om een Internationale Commissie samen te roepen om in naam van de Mensheid, Handel, Constitutioneel Bestuur en Christelijke Beschaving de beschuldigingen hierin naar voor gebracht te onderzoeken. (…) [2].”                                                                                                                                                                                                                                                                             

Het is toch vanzelfsprekend dat de namen van Jules MARCHAL (1924 – 2003) en George Washington WILLIAMS (1849 – 1891) in aanmerking worden genomen voor de (her)benaming van straten in België ?

Halle, 09.06.2020                                                                                                                          

Miel CLEMENT (Halle, 1947)publiceerde, samen met R. Sennelle (1918 – 2013),  Léopold II et la Charte Coloniale. De l’Etat Indépendant du Congo à la Colonie Belge’’, ed. Mols, 2009 ;was van 1970 tot 1973 werkzaam als leraar (sociale school en lyceum voor meisjes) te Lisala (R.D. Congo resp. Zaïre); vervulde van 1999 tot 2009 meerdere zendingen in Centraal-Afrika, in opdracht van internationale organisaties (UNDP, IPU en AWEPA)  en van de Kamer van volksvertegenwoordigers van België.

[1]  J. Marchal / schuilnaam A.M. Delathuy  – publicaties over Congo Vrijstaat (1985 – 1994) 

  •  E. D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat, 1985 *
  •  Jezuïeten in Kongo met zwaard en kruis, 1986
  •  De Kongostaat van Leopold II:  het verloren paradijs, 1876-1900, 1988 *
  •  De Geheime documentatie van de Onderzoekscommissie in de Kongostaat, 1988
  •  Missie en staat in Oud-Kongo, 1880-1914. Witte paters, scheutisten en jezuïeten, 1992                                                                                        
  • Missie en Staat in Oud-Kongo, 1880-1914. Redemptoristen, trappisten, priesters van het H. Hart, paters van Mill Hill, 1994                                                                                                                                                                                                  (* nadien ook in het Frans vertaald).

[2] –  L. Renders, op.cit., blz. 160 – 162;                                                                                                                                                    –  A.M. Delathuy, “De Kongostaat van Leopold II: het verloren paradijs 1876 – 1900”, blz. 180 – 223.

.

June 26, 2020 at 10:54 am 2 comments

KINDEREN VAN DE REKENING 2

Door Johan Depoortere

Met een aflevering gewijd aan de historische omkadering werd de serie “Kinderen van de Holocaust” (9 juni 2020) afgesloten. Die omkadering was hoogstnodig want ze ontbrak grotendeels in de vorige afleveringen waarin de slachtoffers van de gruwel getuigden. (Zie: “Kinderen van de Rekening” door Gie van den Berghe in dit Salon.) Die getuigenissen waren moedig, indringend en noodzakelijk, al kwamen ze rijkelijk laat: 75 jaar na het einde van de oorlog. Dat verklaart waarom van de getuigen enkel twee volwassenen als kind of adolescent zelf de kampen hebben overleefd. De anderen waren familieleden of inderdaad kinderen van: de generatie die opgroeide met de verhalen – of het zwijgen – van de ouders die het allerergste hadden meegemaakt. Ook hun getuigenis is bijzonder waardevol en noodzakelijk om inzicht te krijgen in de grootste misdaad en tragedie van de vorige eeuw.

Toch laat de serie na afloop een onbevredigd gevoel na, want ondanks de poging om op de valreep het geheel te kaderen blijf je als kijker met een groot aantal vragen zitten. Hoe is het zover kunnen komen? Wat bezielde de daders en vooral – de opdrachtgevers? Was de genocide op de Joden vooraf gepland, te voorzien en te voorkomen? Welke rol speelde wat we tegenwoordig de “internationale gemeenschap” noemen?  Op een groots opgezette internationale conferentie in de Franse badplaats Evian in juli 1938 weigerden vrijwel alle westerse landen Joodse vluchtelingen op te nemen. Lieten ze Hitler daardoor geen andere keus dan de “Endlösung” om Duitsland “Judenrein” te maken?

Vertegenwoordigers van Westerse landen wendden hun blik af van de Joodse vluchtelingen en sloten hun grenzen.

Zelfs na de vreselijke pogrom van de Kristallnacht in november van datzelfde jaar bestond er geen plan om de Joden uit te roeien, wel om ze naar het Oosten te verdrijven. In 1938-39 slaagden nog 120000 Joden erin uit Duitsland weg te komen weliswaar met achterlating van een groot deel van hun bezittingen. Wat de motieven van de daders – de uitvoerders – betreft doen de historici in de laatste aflevering een poging om erachter te komen hoe ze psychologisch werden bewerkt om hun natuurlijke afkeer van het moorden – het bloed, de stank, de paniek – te overwinnen.  Maar hoe het moorden paste in het bredere ideologische kader van het nazisme komt nauwelijks aan bod.

Nog vóór er van “Endlösung” sprake was waren in Duitsland geesteszieken, gehandicapten en andere “minderwaardige” Duitsers het slachtoffer geworden van de naziplannen om het “Arische ras” te verbeteren. Het begin van het systematische uitroeien van de Joodse bevolking valt samen met de inval van de nazitroepen in de Sovjetunie in juni 1941. De oorlog tegen de Sovjetunie was het sluitstuk van Hitlers Grote Schema dat als einddoel had de wereld te bevrijden van het “judeo-bolsjevistische juk.” De oorlog tegen Stalin was niet alleen bedoeld om “Lebensraum” te creëren voor het Arische superras, het was ook een ideologische kruistocht tegen het communisme dat in de geest van Hitler en de nazi-ideologen vrijwel samenviel met “het Jodendom.”  In “Mein Kampf” had Hitler de strijd tegen het marxisme als prioriteit nummer één uitgeroepen en die strijd viel nagenoeg samen met de strijd tegen “het Jodendom” omdat volgens hem “de kwalen van het marxisme en van het ‘Jodendom” zo intens met elkaar verweven zijn dat ze één geheel vormden. Hitler zag de oorlog tegen de Sovjetunie als de ultieme strijd op leven en dood tussen het door het Duitse “Herrenvolk” gedomineerde Europa en de barbarij van het Aziatische “judeo-bolsjevisme.” De Joods-Amerikaanse historicus Arno J. Mayer trekt daarom terecht de parallel tussen de Russische veldtocht van de nazilegers en de middeleeuwse kruistochten die eveneens een ideologisch doel hadden: de overwinning van het christendom waarbij de kruisvaarders op weg naar Jeruzalem en passant behalve moslims ook duizenden Joden in het Rijnland en verder oostwaarts over de kling joegen.

In het kader van die oorlog tegen “het judeo-bolsjevisme” kwam het moorden op industriële schaal op volle toeren toen de Duitse troepen in hun veroveringstocht vóór Moskou waren blijven steken en het verzet van het Rode Leger taaier bleek dan de nazi’s in hun propaganda hadden voorspeld. De nazilegers werden tot de terugtocht gedwongen en leden daarbij ontzettende verliezen door aanvallen van het Rode Leger en de partizanen. De vele Joodse dorpen in Oekraïne waren de voornaamste slachtoffers van de Duitse wraak. Joden en “rode commissarissen” werden zonder onderscheid verantwoordelijk gesteld voor de guerrilla- aanvallen die het de terugtrekkende Duitse troepen knap lastig maakten. De “Einsatzgruppen” van de SS hadden de opdracht alle communistische functionarissen en Joden zonder onderscheid af te maken. Maar ook de “Wehrmacht,” de reguliere Duitse troepen lieten zich – in tegenstelling tot de na-oorlogse legende – niet onbetuigd. (https://www.dw.com/de/die-wehrmacht-und-der-holocaust-auf-freiem-feld/a-53354087) De eerste massale slachtingen van duizenden Joodse onschuldige burgers vonden in Oekraïne plaats met als triest maar voorlopig dieptepunt de moordpartij bij de ravijn van Babi Jar in de buurt van Kiev. Van daar naar de gaskamers was het slechts een stap.

Het eeuwenoude historische antisemitisme (of anti-judaïsme) van religieuze oorsprong – dat in Duitsland overigens niet méér maar veeleer minder wortel had geschoten dan in bijvoorbeeld Frankrijk of Engeland – hielp wellicht om de vervolging van de Joden door het grote publiek te laten verteren. Maar het is zeer de vraag of de overgrote meerderheid van de Duitsers op de hoogte was van de omvang van de gruwel en de schaal van de massamoord. Het is niet toevallig dat van de zes uitroeiingskampen er niet één op Duits grondgebied lag: het moorden gebeurde hoofdzakelijk in het Oosten, wat uiteraard geen verontschuldiging is voor de medeplichtigheid en het wegkijken door een deel van de Duitse bevolking die in eigen land ten overvloede voorbeelden had gezien van de misdaden en de wreedheden van de nazi’s.

Heinrich Himmler en Reinhard Heydrich, de architecten van de Endlösung. Foto: Wikicommons

De uitzending had terecht veel aandacht voor de psychologische processen die van een brave burger, een “gewoon mens,” een massamoordenaar maken. Van de ideologische achtergrond en de motieven van de opdrachtgevers was in de “Kinderen van de Holocaust” weinig of niets te bespeuren. De namen van Heydrich of Himmler, nochtans de architecten van de Endlösung, hoorde ik nergens vernoemen. Evenmin werd veel aandacht besteed aan de manier waarop Hitler de staatsmacht veroverde en aan de medeplichtigheid van de “fatsoenlijke” conservatieve, nationalistische en katholieke partijen. In de laatste aflevering wordt de mythe herhaald dat Hitler “na democratische verkiezingen” aan de macht is gekomen. Dat is hooguit ten dele waar. Bij de verkiezingen van 6 november 1932 ging de nazipartij achteruit – ze verloor twee miljoen van haar kiezers (ten opzichte van juli) en haalde nog 33,1% van de stemmen, minder dan communisten en sociaaldemocraten samen. Dat Hitler rijkskanselier werd had hij behalve aan de verdeeldheid van links te danken aan de conservatieven en reactionairen onder leiding van de Junker Franz von Papen die ervan uitging dat de plebejer Hitler wel blij zou zijn tot het walhalla van de heren te worden toegelaten en dat hij door ze “in het bad te trekken” de nazi’s wel zou temmen. Von Papen en zijn aristocratische vrienden droomden hardop van een autoritair regime waarin zij – niet de nazi’s – het voor het zeggen zouden hebben en waarvoor ze Hitler wel meenden tijdelijk te kunnen gebruiken.

 

Franz von Papen. Foto: Wikicommons

Het omgekeerde gebeurde. Hoewel Hitler slechts drie van zijn partijgenoten in zijn kabinet had opgenomen slaagde hij erin in binnen de drie maanden de macht volledig naar zich toe te trekken. Hij kreeg daarbij de welwillende hulp van de Duitse politieke, economische en militaire elite. “Zowel de burgerlijke administratie als het leger werkten op alle echelons mee” schrijft Mayer in De Hakenkruistocht. “Dat gold eveneens voor de meeste industriemagnaten, bankiers, grootgrondbezitters, intellectuelen, academici en voor de clerus. Samen met rechters en advocaten hielden zij hun mond bij de meest gruwelijke schendingen van burgerrechten- en vrijheden, zowel voor als na Hitlers machtsovername begin 1933.“

Frank Seberechts bracht de rol in herinnering die Vlaamse en Waalse SS-ers speelden in de massamoord op de Joden.

Het is prijzenswaardig dat de makers van de reeks er niet voor zijn teruggeschrokken de rol te belichten die Vlaamse en Waalse collaborateurs hebben gespeeld bij de uitvoering van de massamoord op de Joden. Daarvoor haalden ze enkele van de meest misselijk makende fragmenten uit interviews van gewezen collaborateurs van onder het stof. Het is alweer bijna veertig jaar geleden dat Maurice De Wilde erin is geslaagd deze unverfroren Vlaamse nazi’s voor de camera te halen. Dat ze in deze tijden van heroplevend fascisme en antisemitisme te kijk worden gezet kan een les zijn voor de jonge dwepers van vandaag, al is het twijfelachtig of de les tot het brein van de hardleerse vrienden van Van Langenhove en Van Grieken zal doordringen.

Ook op een andere manier probeerde het programma een link te leggen naar vandaag of  het recente verleden. Er waren beelden te zien van de gruwelijke genocide in Rwanda en Srebrenica, van de onderdrukking van de Rohinjya en van de Oeigoeren in China. Wat in het lijstje ontbrak is de onderdrukking en discriminatie van de Palestijnen, de oorspronkelijke bewoners van het land dat nu Israël heet. Is er een wezenlijk verschil tussen enerzijds de jacht op de Rohinjya en anderzijds de etnische zuivering van Palestina met de vernietiging van meer dan 500 dorpen en het verdrijven van 750000 Palestijnen nu 72 jaar geleden? Ik kan me levendig voorstellen hoe de makers van het programma hebben zitten tobben en brainstormen over de ongemakkelijke vraag: “Wat doen we met Israël?”

Het antwoord daarop was te zien in een vorige aflevering van “De kinderen van de Holocaust.” Een aantal van de getuigen uit de serie heeft na de oorlog zijn of haar toevlucht gezocht in Israël, het enige land ter wereld waar Joden geacht worden ‘zich veilig te voelen’ maar met als hoge prijs de verdrukking van een ander volk, de discriminatie van 20% van de bevolking, een buitensporige militarisering, oorlogen tegen buurlanden, een uitzichtloze bezetting en een samenleving getekend door religieus fanatisme, apartheid en racisme. “Ik wil niet in een huis wonen waar twee soldaten met mitrailletten voor de deur staan om mij rustig te laten eten” zei David Wagman, één van de getuigen, in zijn prachtige, wat archaïsche, Nederlands: een perfecte metafoor voor de situatie in het huidige Israël. Wagman was een verademing in een uitzending die voor de rest bol stond van de zionistische clichés en de mythes die de oprichting van de Joodse staat moeten legitimeren: de “terugkeer” van de Joden naar hun “vaderland” uit Bijbelse tijden, de Palestijnen die de “verkeerde leiders” hebben, de Arabieren die de “Joden in de zee willen drijven” etc. etc.

Op deze open vlakte tussen Jaffa en Tel Aviv bevond zich tot de lente van 1948 de Palestijnse volkswijk Al Manshieh met 70000 inwoners. Het enige Palestijnse gebouw dat vandaag (gedeeltelijk) overeind bijft is nu het “Etzel House” een museum gewijd aan de overwinnaars: de paramilitaire terreurgroep Etzel (of Irgun) van de latere premier Menachim Begin. https://forward.com/culture/380340/how-jaffas-etzel-house-stands-at-odds-with-history/

De enigen die in de zee werden gedreven zijn de 70000 Palestijnse bewoners van Jaffa die in de lente van 1948 door de aanvallende Joodse strijdkrachten en de terroristische bendes Etzel en Lehi werden opgejaagd en alleen de zee als uitweg hadden. Honderden – misschien duizenden – verdronken in hun poging om via een boot uit de omsingeling weg te komen. De aanval op Al Manshieh, de dicht bewoonde volkswijk van Jaffa en de omliggende dorpen begon al op 9 april 1948, bijna anderhalve maand vóór de onafhankelijkheidsverklaring door Ben Gurion en de interventie van de Arabische legers die de Palestijnen te hulp kwamen. Ook dat spreekt de “David en-Goliathlegende” tegen die wil dat de machtige Arabische buren het zwakke Israël wilden vernietigen. De Israëlische architect en historicus Sharon Rotbart schrijft daarover in White City, Black City: “Of all the numerous, unwarranted times the phrase ‘push them into the sea’ has been flippantly bandied around in the context of the Arab-Israeli conflict, this may well be the only instance in history when the expression has literally taken form.”

Kun je van overlevenden van de massamoord op de Joden en hun nabestaanden verwachten dat ze oog en begrip hebben voor de slachtoffers van de slachtoffers? Het is een moeilijke en pijnlijke vraag waar de zionistische ideologie slechts één antwoord op weet te bedenken: de uniciteit van de Shoah die elke vergelijking met andere massale schendingen van de mensenrechten verbiedt. Het lot van de Palestijnen afwegen tegen dat van de Joden is daarom alleen al taboe en volgens de definitie van de International Holocaust Remembrance Alliance zelfs antisemitisme. Nee, de etnische zuivering van Palestina is niet hetzelfde als de gigantische onderneming om alle Europese Joden met industriële middelen te vermoorden, de schaal en de gebruikte methoden verschillen maar het doel is gelijklopend: de overheersing van één etnische groep, bij de nazi’s door uitroeiing, bij de zionisten door “transfer,” een codewoord voor etnische zuivering. Ook in de mechanismen die tot dat eindresultaat leiden zijn gelijkenissen te ontwaren: de geleidelijke ontmenselijking van een groep, het wij-zij-denken, het opofferen van morele overwegingen aan een “hoger doel:” geenszins het monopolie van één historische periode of van een één misdadige politieke beweging. Zonder dat inzicht is de roep “Nooit meer” een holle slogan.

June 15, 2020 at 4:26 pm Leave a comment

EINDE VAN EEN TIJDPERK?

De coronacrisis opent onze ogen voor een paar ongemakkelijke waarheden: onze kwetsbaarheid en die van de natuur, ons vals gevoel van veiligheid, het besef dat we niet eeuwig kunnen doorgaan met roofbouw plegen op de planeet. De vraag is: welke lessen zullen we trekken uit deze crisis. Is de pandemie een epochmakende gebeurtenis, te vergelijken met de wereldoorlogen of de financieel-economische krach van 1929? Gaat ons huidig maatschappijmodel op de schop?  Maken we de zwanenzang mee van het neoliberalisme dat nu al ruim veertig jaar ons openbare leven beheerst? Het antwoord is neen, als het van de verdedigers van de bestaande orde afhangt. Het economisch relancecomité dat de Vlaamse regering heeft opgericht bestaat uitsluitend uit profeten van de status quo ante: een nationalistische burgemeester, een rechtse arbeidssocioloog, een vermogensbeheerder – pardon econoom – die ook klimaatscepticus is en andere adepten van de neoliberale consensus. Zo gauw mogelijk terug naar “het normale” is het devies.

En toch is de bestaande toestand – het “normale” – met de toenemende ongelijkheid, de dreigende klimaatcatastrofe, de wanhoop van de miljoenen uitzichtlozen in de vluchtelingenstromen overal ter wereld op termijn onhoudbaar. Tot voor kort leek het alsof opstand en rebellie op het punt stonden een nieuwe wereld te baren: de gele hesjes in Frankrijk en België, de klimaatbetogers, de rebellen in Hongkong en Libanon, de straatprotesten in Chili: het joeg de hartslag omhoog bij al wie smacht naar verandering. “Wat mij betreft wordt 2020 inderdaad het jaar van de anti-neoliberale revolutie” schreef de financieel geograaf Ewald Engelen in een optimistische opwelling. Dat was eind vorig jaar. Toen kwam de coronacrisis. Of die de revolutie dan wel de contrarevolutie zal bevorderen moet nog blijken.

Milton Friedman was populair bij opeenvolgende Amerikaanse presidenten en bij de Britse premier Margret Thatcher. Onderaan rechts: Thatcher en Reagan in Camp David. Foto’s: Wikicommons

In een recente uiterst informatieve reeks uitzendingen ging het Duits-Franse Arte dieper in op verleden, heden en toekomst van het neoliberalisme. De oorsprong van de marktreligie die nu al vier decennia ons bestaan regelt, is te vinden in de economische theorieën van Friedrich Hayek, Milton Friedman en Ludwig von Mises, de grondleggers van wat later de Chicago school of de Chicago boys werd genoemd. Hun analyse van het nazisme vormde de grondslag voor hun wantrouwen tegenover alles wat met staatsinterventie te maken heeft. Ze waren ervan overtuigd dat het naziregime de verre erfenis was van de ontluikende welvaartsstaat onder Bismarck (1815-1895) en dat elke bemoeienis van de staat om armoede en ongelijkheid te bestrijden tot dictatuur moest leiden. Het systeem van sociale voorzieningen zoals dat in het Verenigd Koninkrijk na de Tweede Wereldoorlog door de socialist William Beveridge werd uitgebouwd was hun een gruwel omdat het de kiemen van de dictatuur in zich droeg: socialisme leidt tot nationaalsocialisme.

Ronald Reagan: het gezicht van het neoliberalisme Foto: Wikicommons

Het neoliberalisme is meer dan een economische doctrine het is een ideologie, een filosofie die vrijwel alle aspecten van het maatschappelijk leven is gaan overheersen: van mobiliteit tot gezondheidszorg, van kunst en cultuur tot onderwijs en media. Het is een geloof, een religie als het ware. Het politieke doel van de neoliberale ideologen was volgens Michel Foucault heel duidelijk: de vernietiging van marxisme en communisme, de notie van een maatschappij waarin sociale klassen bestaan. De ambitie was – aldus de Franse filosoof en econoom Frédéric Lordon – niet minder dan de creatie van “de nieuwe mens,” naar analogie van wat de Sovjetunie nastreefde: niet de homo sovieticus maar de homo oeconomicus. 

De proletariër verdwijnt, de werknemer die door de kapitalist van zijn tijd en arbeidskracht werd beroofd is nu zelf een kapitalist. Hij biedt zijn kapitaal: zijn tijd, zijn vaardigheid, zijn werkkracht en zijn talent op de vrije markt aan, onderhandelt over de juiste prijs. Elke consument wordt een ondernemer en sluit een contract af met een andere ondernemer. Van collectieve actie geen sprake meer: het is ieder voor zich. De atomisering van het industrieproletariaat wordt wel eens de grootste overwinning van het neoliberalisme genoemd. De politieke consequenties zijn evident. Het neoliberalisme kon pas overwinnen waar de linkse politieke partijen overgenomen werden door pro-kapitalistische krachten, zoals Labour in het Verenigd Koninkrijk (De “Derde Weg” van Blair) of de Democraten in de VS met Clinton en Obama.

Dictator Augusto Pinochet van Chili Foto: Socialisme.nu

Hoe paradoxaal dat Milton Friedman en de Chicago Boys, de grote voorvechters van de Vrijheid, een dictatuur nodig hadden om hun neoliberale theorieën in de praktijk te brengen. Friedman werd door dictator Pinochet in Chili uitgenodigd voor het eerste grootschalige experiment met neoliberalisme. De dictatuur had de gunstige voorwaarden gecreëerd voor een ongebreideld marktfundamentalisme: de vakbonden verboden, de pers gelijkgeschakeld, de media aan banden en politieke opponenten “verdwenen,” vermoord, gevangengenomen of verbannen. Het was wachten op Thatcher en Reagan voor het vervolg. Ook onder hen was de eerste stap de Kaltstellung van de vakbonden: de mijnwerkers in Groot-Brittannië, de verkeersleiders in de VS. Thatcher en Reagan zouden de nieuwe eenheidsgedachte in een paar treffende citaten samenvatten: “There is no such thing as society” voor Thatcher, “Government is the problem, not the solution” voor Reagan. Daar bovenop: TINA, “There is no alternative,” dat laatste ook in het plaatselijk dialect vertaald door de burgemeester van een dorp aan de Schelde. 

Veertig jaar na Thatcher en Reagan is de overwinning van het neoliberalisme totaal. Tegelijk komen de contradicties scherper dan ooit in beeld: toenemende ongelijkheid, dreigende klimaatcatastrofe en daar bovenop nu een pandemie die het hele economische raderwerk tot stilstand brengt en miljoenen mensen (opnieuw) in extreme armoede dreigt te storten.  De vermaledijde staat treedt weer op de voorgrond: de regeringen worden verzocht om de zwaarste gevolgen van de crisis – gezondheid en klimaat – op te vangen: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. Het verzet groeit en het neoliberale gebouw davert op zijn grondvesten. Maar met de natiestaat is ook het extreme nationalisme terug. De economisch historicus Arnaud Orin gelooft dat het ultraliberalisme zal blijven gelden voor de arbeidsmarkt en voor diensten binnen de natiestaat, maar dat de natiestaten meer en meer tegenover elkaar komen te staan. Einde van de globalisering dus.

Maarten Schinkel Foto: Maartenonline

De Nederlandse econoom Maarten Schinkel vergelijkt onze tijd met de vooravond van de eerste Wereldoorlog. Ook toen was er sprake van een geglobaliseerde wereld waarin ondernemers maar ook arbeiders elkaar over de grenzen heen vonden. En ook toen had de wereld een lange periode van vrede achter de rug. De oorlog verbrokkelde de wereld opnieuw en het zou tot 1990 duren eer hetzelfde niveau van globalisering werd bereikt. Niemand kon geloven dat de oude tribale reflexen van “de stam, het eigene” in een oogwenk als bij toverslag zouden terugkeren. Hetzelfde lijkt nu te gebeuren. Sinds het uitbreken van de pandemie gingen In een mum van tijd de grenzen dicht. Het America First van Trump krijgt navolging, ook in de EU. Om zijn eigen verantwoordelijkheid voor de coronaravage in zijn land te ontvluchten haalt Trump zwaar uit naar China en schuwt daarbij het rauwe racisme niet.

We zien een explosie van de militaire budgetten, vooral in de marine. Conflicten om schaarse grondstoffen en het beschermen van de afzetmarkten hangen in de lucht. De confrontatie tussen China en de kwijnende grootmacht Amerika is niet langer een schrikbeeld in de toekomst. De incidenten tussen Chinese en Amerikaanse vaartuigen in de Zuid-Chinese zee nemen toe, net als de kans op gewapende confrontaties. De toenemende welvaartskloof kan door de coronacrisis tot explosieve situaties leiden. Er zijn altijd economische motieven geweest voor oorlog zegt de Duitse econoom Fritz Helmedag. Als mensen vertwijfeld zijn grijpen ze naar geweld. “Wie geen stuk brood in zijn hand heeft pakt een steen.”

Johan Depoortere

29 mei 2020

May 29, 2020 at 11:18 am 1 comment

KINDEREN VAN DE REKENING

Door Gie van den Berghe

 

Foto kazernedossin.eu

De eerste aflevering van Kinderen van de Holocaust bracht sterke getuigenissen (‘In de bek van de wolf’, Canvas, 28.4.2020). De getuigen schetsen een doordringend beeld van het begin van de discriminatie en vervolging van joden in België. Hun aangrijpende getuigenissen maken inleving mogelijk, het onvoorstelbare bijna voorstelbaar.

Anders dan bij de vorige Kinderen van (de collaboratie, het verzet) dekt de titel de lading niet helemaal. De meeste getuigen zijn geen kinderen van de Holocaust maar overlevenden van de jodenvervolging. De programmamakers wilden ‘de laatste kroongetuigen van de Holocaust voorrang verlenen’. Onder de getuigen twee volwassenen die Auschwitz hebben overleefd, de anderen ontkwamen als kind of adolescent aan het allerergste, twee werden na de oorlog geboren.

De eerste aflevering begon met wat een dader tegen Simon Wiesenthal (gevangene in Mauthausen) zei: “Als je het ooit overleeft dan zal niemand je geloven. ‘Maar wij, de kinderen van de Holocaust,”  repliceert de in 1941 geboren Norbert Vos, “hebben het overleefd en wij zijn hier om te vertellen wat jullie gedaan hebben.”

Ook Primo Levi, die Auschwitz overleefde, vervolledigt dit in De verdronkenen en de geredden: “niet één van jullie zal getuigenis kunnen afleggen, maar zelfs als iemand het zou overleven, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Misschien zullen er vermoedens, discussies en onderzoek door historici zijn, maar geen zekerheden want we zullen de bewijzen samen met jullie vernietigen. En zelfs als er enkele bewijzen zouden overblijven en sommigen overleven, dan zullen de mensen zeggen dat de gebeurtenissen die jullie beschrijven te monsterlijk zijn om geloofd te worden: ze zullen zeggen dat het overdrijvingen zijn van de geallieerde propaganda en zullen ons geloven, wij die alles zullen ontkennen. Wij, niet jullie, zullen de geschiedenis van de kampen dicteren.” Ontelbare getuigenissen en geschiedkundige studies hebben het tegendeel bewezen.

Onderzoek leert dat getuigenissen vele jaren na datum, ook over traumatische gebeurtenissen, niet waterdicht zijn, dat ook niet kunnen zijn. Herinneringen worden hoe dan ook aangevuld, bijgekleurd en herdacht door wat men nadien heeft meegemaakt, door wat van anderen en uit andere bronnen vernomen werd, door iemands persoonlijke en de maatschappelijke evolutie (Loctus, Schacter, Wagenaar). Let wel, wat deze getuigenissen betreft, is dit slechts een theoretische vaststelling – aan de waarachtigheid van deze getuigen en het ‘waarheidsgehalte’ van hun getuigenis hoeft geen seconde getwijfeld te worden. Niets dan lof overigens voor de wijze waarop de programmamakers de getuigen in beeld hebben gebracht.

Helaas laat de historische omkadering te wensen over, ook al kwam die tot stand met de medewerking van Kazerne Dossin, en sparen Christophe Busch (voormalig directeur van dit museum) en Herman Van Goethem in het persdossier de superlatieven niet.

Van bij de machtsovername door de nazi’s probeerden talloze joden aan hun klauwen te ontkomen. Europa werd overspoeld door vluchtelingen. In juni 1938 beslisten beschaafde naties op een conferentie in het mondaine Evian-les-Bains eensgezind de grenzen af te grendelen voor joden. In Kinderen van de Holocaust zegt een getuige hierover dat de nazi’s zo carte blanche kregen om met de joden te doen wat ze wilden. De programmamakers koppelen hier zonder enige duiding een flard aan uit een toespraak die Adolf Hitler op 30 januari 1939 tot de Rijksdag hield: “Als het internationale Finanzjudentum binnen en buiten Europa er zou in slagen de volkeren nogmaals in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet de bolsjewisering van de aarde en daardoor de zege van de joden zijn, maar de vernietiging van het joodse ras in Europa!”

Deze ontstellende intentieverklaring wordt wel vaker gebruikt als bewijs dat Hitler van het begin af aan en zeker begin 1939 (dus voor de Tweede Wereldoorlog begon) de joden wou uitroeien. Daarom wordt de passage die hieraan voorafging doorgaans weggelaten: ‘Europa kan maar tot rust komen als de joodse kwestie uit de weg geruimd is. De wereld heeft genoeg vestigingsruimte, maar er moet definitief gebroken worden met de mening dat het joodse volk door de lieve god zou voorbestemd zijn om in een bepaald percentage te profiteren van het lichaam en de productieve arbeid van andere volkeren. Het jodendom zal zoals andere volkeren moeten wennen aan een solide, constructieve bezigheid of er komt vroeg of laat een crisis van onvoorstelbare grootte’. 

De komplottheorie die Duitsland en Ariërs presenteert als slachtoffers van een almachtige vijand – jodendom, bolsjewisme, plutocratie – komt in tal van toespraken en geschriften van nazi-bonzen voor, te beginnen met Mein Kampf. Hitler wou de joden kwijt, discrimineerde en vervolgde meedogenloos, maar de wereld bleef toekijken. Begin 1939 wou en kon Hitler de joden niet uitroeien, zijn intentieverklaring was een laatste drukkingsmiddel op de wegkijkende wereld.

Hitlers voorlaatste drukkingsmiddel wordt in het programma niet eens vermeld: de nochtans beruchte Kristallnacht van 9-10 november 1938, vijf maand na de Evianconferentie en voorafgaand aan die toespraak van Hitler. Bij deze centraal georganiseerde Reichspogrom werden in Duitsland en (het ondertussen gewillig aangehechte) Oostenrijk ettelijke joodse bezittingen vernield en vele joden gemolesteerd. Minder bekend is dat op staande voet twintig- tot dertigduizend joden in concentratiekampen werden opgesloten (Schutzhaft heette dat: gevangenschap om vijanden van het volk te beschermen tegen de gerechtvaardigde volkswoede!). Enkele honderden joden overleefden de terreur in de kampen niet, maar alle anderen werden binnen het jaar vrijgelaten.

De aankomst van gedeporteerden in Auschwitz

Het drukkingsmiddel had enig effect. Van eind november 1938 tot het begin van de oorlog verleende Groot-Brittannië asiel aan meer dan tienduizend joodse kinderen uit Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechoslowakije en de vrije stad Danzig (Refugee Children’s Movement, vaak ‘kindertransport’ geheten). De meeste kinderen zagen hun ouders nooit terug. Joden konden overigens tot augustus 1941 Duitsland en door nazi’s bezette gebieden verlaten, met achterlating van hun hele bezit en op voorwaarde dat ze asiel kregen in een ander land. Niet dus. Een paar rijken en machtigen uitgezonderd.

Dit alles komt in deze aflevering van Kinderen van de Holocaust niet aan bod. Er is alleen even sprake van de ‘Antwerpse Kristallnacht’, de plunderingen en vernielingen die extreemrechtse bendes aanrichtten na de vertoning van de virulent antisemitische propagandafilm De Eeuwige Jood op 14 april 1941.

Na de beelden uit de toespraak van Hitler (30 januari 1939) springt het commentaar zonder overgang naar de jodenuitroeiing. Beweerd wordt dat ‘het onafgebroken moorden [vanaf juni 1941 bij de inval in Rusland, maar ook dit blijft onvermeld] voor mentale problemen bij de daders zorgde en het immense aantal lijken steeds moeilijker weg te werken viel. De nazitop dacht na over hoe ze de joden efficiënter konden uitroeien’. Meteen hierna komt de lijst in beeld die werd opgesteld voor de Wannseeconferentie (20 januari 1942), een optelsom van de uit te roeien Europese joden: meer dan elf miljoen (met inbegrip van joden in landen die de nazi’s nooit zouden veroveren, zoals Groot-Brittannië: 330.000, Rusland: 5 miljoen). Hierop, vervolgt het commentaar, werden in ijltempo ‘uitroeiingscentra gebouwd in bezet Polen, onder meer Birkenau bij Auschwitz’.

Geschiedkundig gezien is dit een rommeltje. Neem de daders. Dat waren niet alleen SS’ers maar ook gewone soldaten en (reserve)politielui. Bitter weinigen onttrokken zich aan hun taak en ze gingen doorgaans systematisch en gedisciplineerd te werk. Wie plezier schepte in het doden, zich door jodenhaat liet meeslepen, ‘nodeloze’ gruwelijkheden beging of plunderde, kon gestraft worden (wat af en toe gebeurde). Heinrich Himmler, hoofd van de SS en de Duitse politie, herinnerde hieraan in een urenlange toespraak die hij op 6 oktober 1943 hield voor SS- en politiegeneraals: ‘Wij hebben het morele recht, we hebben tegenover ons volk de plicht, dit volk, dat ons ombrengen wil, om te brengen. Maar we hebben niet het recht, ons persoonlijk te verrijken met een bontjas of een uurwerk, met een mark of met een sigaret, of wat dan ook. We zullen toch niet, omdat we een bacil uitroeien, erdoor besmet worden en sterven. Ik zal niet dulden dat zich ook maar een kleine rotte plek vormt of zich vastzet. Waar ze zich vormt, zullen we ze samen uitbranden. Maar alles samen kunnen we toch zeggen dat we deze zwaarste opgave in liefde voor ons volk volbracht hebben. En ons innerlijk, onze ziel, ons karakter hebben daarbij geen schade opgelopen’. Zo bleek, ook na de oorlog (Welzer).

Gevormd door en doordrenkt van decennialang antisemitisme, opgezweept door tien jaar nazipropaganda, zagen de meeste daders geen mensen meer in joden maar bacillen die het Arische Volkslichaam bedreigden. De ‘veldtocht tegen het judeo-bolsjewisme’, schreef generaal-veldmaarschalk Walter Von Reichenau op 10 oktober 1941 in een bevelschrift, gaat om meer dan eenvoudige soldatenplicht, het is een ideologisch rechtvaardige oorlog. De soldaat aan het oostfront is ‘meer dan een strijder volgens de krijgskunst, hij is tevens drager van een onverbiddelijk volks idee en wreker van alle beestachtigheden die het Duitse volk en daaraan verwante volkeren werden aangedaan. Daarom moet de soldaat volledig begrip tonen voor de noodwendigheid van de harde maar gerechtvaardigde straf voor het joodse Untermenschentum’. Erich von Manstein, één van de bekwaamste en meest invloedrijke officieren van de Wehrmacht (het reguliere Duitse leger) vulde aan: “Het jodendom heeft de sleutelposities in handen van politieke leiding, bestuur, handel en nijverheid, en vormt de kiem van alle onrust en eventuele opstanden. Het joods-bolsjewistische systeem moet eens voor al worden uitgeroeid. Nooit meer mag het in ons Europees Lebensraum vaste voet krijgen.”

Primo Levi onderstreepte dat de daders geen sadisten waren maar mensen die uit hetzelfde hout gesneden waren als wij. Gewone menselijke wezens, gemiddeld intelligent, gemiddeld boosaardig. Op enkele uitzonderingen na geen monsters, mensen als wij en daarom des te gevaarlijker.

De massale moordpartijen waren voor de meeste daders minder belastend dan het bloed en de stank die ermee gepaard gingen. Bij slachtpartijen in de omgeving van steden was dikwijls sprake van ‘executietoerisme’. Duitsers van allerlei slag kwamen kijken en kiekjes maken. Honderden van die foto’s zijn bewaard gebleven (Hamburger Institut für Sozialforschung, Welzer).

Ook de Wehrmacht deed enthousiast mee met de uitroeiing van de Europese joden Foto: murks-manege.com

Om de vele joden vlugger, massaler en met minder mankracht uit te roeien, werden allerhande methodes uitgeprobeerd. Met explosieven, vergassingswagens, dieselmotoren en uiteindelijk met blauwzuurgas (Zyklon B).

Birkenau (Auschwitz-II) was niet het eerste uitroeiingskamp. Begin december 1941 al werden in Chelmno joden massaal vermoord met uitlaatgassen van stationair draaiende vrachtwagens. Die speciaal hiervoor omgebouwde wagens waren in een vroegere fase rijdend gebruikt; de uitlaatgassen werden in de met mensen volgestouwde laadruimte binnen gevoerd. In maart, mei en juli ’42 begonnen de vergassingen in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka (met uitlaatgassen geproduceerd door speciale motoren). 

Eén van de getuigen zegt dat de nazi’s iemand als jood beschouwden als hij of zij een joodse moeder had. Dat is de stelregel van het jodendom, maar niet die van de nazi’s. Die trokken genealogisch na hoeveel grootouders iemand had met ‘joods bloed’ in de aders (Neurenbergerwetten, september 1935). Om na te gaan of de grootouders joden waren, gingen de nazi’s er gemakshalve vanuit dat wie het joodse geloof aanhing ‘voljood’ was.

Tabel ter verduidelijking van de Nürenberger Gesetze (“Rassenwetgeving”) Foto publiek domein

Over de onteigening van joodse handelszaken – door de bezetter ‘ontjoodsing van de economie’ genoemd – luidt het in dit programma dat ‘slechts 3% van de winkels echt winstgevend was’. Er niet bij verteld wordt dat dit percentage afkomstig is uit het eindrapport van de Duitse militaire bezetter, een verslag dat werd opgesteld na de terugtrekking uit België. Het gaat dus niet om winstgevende handelszaken maar om zaken waar de Duitsers munt uit konden slaan.

In België viel bij de joden, waaronder veel recente armoedige vluchtelingen, niet veel te rapen. Heel wat minder dan het antisemitische stereotype van de van geld bulkende jood het wil. In België erkende de bezetter goed zevenduizend ondernemingen als joods, waarvan 70% kleine familiale en artisanale ondernemingen die volgens de Duitse bezetter minder dan tienduizend Belgische frank konden opbrengen (en ook verkocht werden). Om en bij de negenhonderd grote ondernemingen gingen geheel of deels over in Duitse handen. De liquidatie van middelgrote en kleine ondernemingen bracht 150 miljoen Belgische frank op en de Duitse deelname aan handelszaken die (nog) niet ontjoodst waren nog eens 1.250 miljoen frank (Steinberg).

Bij leed vereenzelvigt vrijwel iedereen zich met slachtoffers, niet met daders. Dat levert een slachtoffervisie op daders op. Zo valt met geen mogelijkheid te doorgronden wat daders bezielde. Jammer dus dat de indrukwekkende getuigenissen niet aangevuld en bijgesteld werden door indrukwekkende geschiedkundige inzichten.

Summiere bibliografie

Hamburger Institut für Sozialforschung (Hg.) – Verbrechen der Wehrmacht. Dimensionen des Vernichtungskrieges 1941-1944 (Ausstellungskatalog), Hamburg, Hamburger Edition, 2002 (http://www.verbrechen-der-wehrmacht.de/docs/ausstellung/ausstellung.htm)

Levi, Primo – The drowned and the saved, London, Michael Joseph, 1986

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Witness for the Defense. The accused, the eywitness, and the expert who puts memory on trial, New York, St. Martin’s Press, 1991

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Graven in het geheugen. De mythe van de verdrongen herinnering, Antwerpen/Amsterdam, Veen, 1995

Schacter, Daniel L. – How the mind forgets and remembers, London, Souvenir Press, 2007

Steinberg, Maxime – La question juive 1940-1942, Bruxelles, Vie Ouvrière, 1983

van den Berghe, Gie – Met de dood voor ogen. Begrip en onbegrip tussen overlevenden van nazi-kampen en buitenstaanders, Antwerpen, Epo, 1987

van den Berghe, Gie – Gott mit uns, Antwerpen, Hadewijch, 1995

Wagenaar, Willem A – Identifying Ivan. A case study in legal psychology, NewYork/London, Harvester – Wheatsheaf, 1988 (Het herkennen van Iwan, Swets & Zeitlinger, 1989)

Welzer, Harald – Daders. Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden, Amsterdam, Anthos, 2006

May 8, 2020 at 11:25 am 1 comment

LIEFDE EN KAPITAAL

“Filosofen hebben de wereld alleen maar op verschillende manieren geïnterpreteerd, het komt erop aan hem te veranderen.” Karl Marx

Door Johan Depoortere

Karl Marx, voor de enen de grote revolutionair en het genie van de sociale wetenschappen, voor de anderen de baarlijke duivel, was ook een liefhebbende – zij het niet volmaakte – echtgenoot, vader en grootvader. De vrouwen in zijn leven: zijn echtgenote, de adellijke Jenny von Westphalen en zijn drie dochters speelden een enorme rol niet alleen in het persoonlijke leven maar ook in het werk van Marx. Dat weten we dankzij “Love and Capital” het boek van Mary Gabriel die de biografie van Marx schreef, gezien door het prisma van die vrouwen: behalve Jenny dus, zijn dochters Jennychen, Laura en Eleonora beter bekend als “Tussy.”

Klassiek portret van Karl Marx op rijpere leeftijd. Iedereen noemde hem “Mohr”

Dat Karl Marx, zoon van een Joodse advocaat en Jenny, de dochter van een lokale baron, elkaar vonden heeft veel met de geschiedenis en met Napoleon te maken. Hun vaders waren bevriend, ze waren beiden enthousiaste aanhangers van de ideeën van de Franse Revolutie die Napoleon tijdens de Franse bezetting had binnengebracht in West-Pruisen waar hun beider geboortestad Trier toe behoorde. Karls vader Heinrich was vanzelfsprekend geporteerd voor het Napoleontische regime dat de Joden in het door Frankrijk bezette Duitsland had geëmancipeerd. Dankzij Napoleon kon hij als Jood het beroep van advocaat uitoefenen. Na de Franse bezetting moest Heinrich zijn Joodse achtergrond afzweren en zich tot het protestantisme bekeren om zijn beroep te kunnen voortzetten onder het regime van de oerconservatieve Pruisische koningen. Ludwig, de progressieve baron en vader van Jenny, zag veel in de getalenteerde zoon van zijn Joodse vriend. Hij moet zowat de eerste zijn geweest die bij de jonge Karl Marx de zaadjes van het socialisme plantte. 

Jenny von Westphalen

Jenny werd smoorverliefd op de vier jaar jongere Karl en de verliefdheid was geheel wederkerig. Ze liet haar adellijke en vrij welgesteld milieu achter voor een leven van ontbering en soms bittere armoede met haar geliefde Karl, die ze trouw volgde van Trier naar Keulen, van Parijs naar Brussel en uiteindelijk tot Londen, waar ze in Soho terecht kwamen, één van de armste en smerigste buurten van de hoofdstad waar alle politieke schipbreukelingen uit Europa aanspoelden. Tot haar dood op 67-jarige leeftijd bleef Jenny Karl door dik en dun steunen: ideologisch maar ook menselijk en materieel. Dat het gezin het hoofd (met grote moeite) boven water hield was vaak te danken aan het zilverwerk met het familie-embleem van de von Westphalens dat Jenny naar het pandjeshuis bracht. Zonder de gulle bijdragen van Friedrich Engels – over hem later meer – had zelfs dat niet volstaan om het vege lijf te redden. Dan nog verloren Karl en Jenny drie van hun kinderen aan ziekte en ontbering.

Jenny was méér dan de persoonlijke secretaresse van Marx, die als enige zijn onmogelijke handschrift kon ontcijferen en kopieerde om het aan de uitgevers te bezorgen. Ze was ook zijn ideologische klankbord en zij voerde een uitgebreide correspondentie met al wie in Europa van betekenis was op het vlak van de sociale strijd. Marx bewonderde haar politiek inzicht en zelf schreef ze behalve theaterrecensies een aantal politieke teksten. Dat haar halfbroer Ferdinand er uiterst conservatieve ideeën op na hield deerde haar niet. Zelfs toen Ferdinand minister was geworden in de reactionaire regering van de Pruisische koning Frederik Willem IV en spionnen naar Londen stuurde om het gezin van zijn revolutionaire zus in de gaten te houden bleef Jenny een warme familiale band met haar halfbroer onderhouden.

Eleonora Marx, “Tussy”

Van de drie overlevende dochters van Karl en Jenny was het vooral de jongste, Eleonora, die in de politieke voetsporen van haar vader trad. Eleonora – Tussy – was Karls tweede ik. Op zesjarige leeftijd gaf ze al blijk van een fenomenaal geheugen. Ze kende hele dialogen van Shakespeare van buiten, las Engels en Duits en gedroeg zich intellectueel als “de gelijke niet alleen van haar tien jaar oudere zussen maar ook van haar 43-jarige vader. Ze las samen met hem dezelfde boeken die ze met hem besprak.” Tussy schreef brieven naar Abraham Lincoln, de door Karl bewonderde Amerikaanse president. Karl deed de brieven niet op de post maar bewaarde ze als kostbaar aandenken. 

Als jong volwassene stond Tussy in de voorste rij bij stakingen en betogingen in Londen. Ze speelde een grote rol bij de lange en bittere dokwerkersstaking in 1889 en werd ei zo na vertrappeld bij de grote betoging op Trafalgar Square die de geschiedenis zou ingaan als Bloody Sunday. Via Engels en diens Ierse vriendin, het fabrieksmeisje Mary Burns, kwam ze in contact met de Ierse onafhankelijkheidsstrijd en werd ze een vurige voorvechtster van de Ierse zaak en de “Fenians,” de Ierse revolutionaire nationalisten. Tussy speelde een leidende rol in de organisatie van socialistische partijen in het Verenigd Koninkrijk en in de rest van Europa. Na de dood van Karl beheerde ze in samenwerking met Engels zijn geschreven nalatenschap en zorgde ze voor de uitgave van het derde deel van “Het Kapitaal.” Haar persoonlijk leven was een drama. Marx verzette zich tegen een huwelijk met haar eerste liefde, Hippolyte-Prosper Lissagaray, een overlevende en geschiedschrijver van de Parijse commune. Haar latere jarenlange relatie met de socialist Edward Aveling, een man van twijfelachtig karakter, eindigde met haar zelf gekozen dood op 43-jarige leeftijd in 1898.

Jenny Marx, “Jennychen”

De levensweg van de andere twee zussen liep evenmin over rozen. Jennychen, de oudste, stierf op 38-jarige leeftijd aan kanker. Van haar zes kinderen bereikten slechts drie de volwassen leeftijd. Ook Jennychen zette het werk van haar vader voort. Ze was zijn secretaresse voor de International Working Men’s Association, (de Eerste Internationale) en correspondeerde met de leidende figuren van de beweging in heel Europa. Net als Tussy later stortte ze zich met hartstocht op de Ierse onafhankelijkheidsstrijd. In een reeks artikelen in de het Franse linkse dagblad La Marseillaise stelde ze de onmenselijke omstandigheden aan de kaak waarin Ierse nationalisten gevangen werden gehouden. De ophef die daarover in Engeland ontstond dwong premier Gladstone tot het instellen van een openbaar onderzoek dat leidde tot de vrijlating van enkele gevangenen. Jennychen trouwde met Charles Longuet, één van de stamvaders van het socialisme in Frankrijk. Het was geen gelukkig huwelijk.

Laura Marx

Ook Laura, de tweede dochter van Karl en Jenny, trouwde met een Franse socialist: Paul Lafargue. Marx had weinig politiek vertrouwen in zijn schoonzoon net zo min als in de meeste Franse socialisten die volgens hem nog steeds besmet waren met het utopische en idealistische gedachtengoed van Proudhon. Paul en Laura gaven de socialistische beweging in Frankrijk wel een kickstart maar als echtelingen groeiden ze steeds verder uit elkaar. Later kwamen ze elkaar weer dichterbij en samen kozen ze voor de dood door vergiftiging al is het niet zonder meer duidelijk dat Laura helemaal vrijwillig mee stapte in de collectieve zelfmoord.

Helene Demuth, “Lenchen”

Een andere vrouw die in het leven van Marx een grote rol speelde is grotendeels door de geschiedenis vergeten: Helene Demuth, alias Lenchen, de huishoudster die het gezin in de meest erbarmelijke omstandigheden overeind hield. Tijdens een afwezigheid van Jenny, die geld probeerde los te peuteren van haar rijke oom Philips in Holland, maakte Marx, de voorbeeldige familievader, Lenchen zwanger. Zoals steeds in hoge nood was Engels nodig om de situatie te redden. Dit keer nam hij – om een schandaal te vermijden – de rol van vader op zich en de zoon die Lenchen baarde werd aan een Londens arbeidersgezin uitbesteed, uiteraard op kosten van de vermeende vader. Het is onduidelijk of Jenny ooit heeft geweten wie de echte vader was van “Freddy Demuth” die overigens een goede relatie had met zijn halfzussen. Maar ook Laura en Tussy vernamen de waarheid pas na de dood van hun vader. Jennychen was toen al gestorven. Freddy was de enige van Marx’ nakomelingen die de Russische revolutie heeft meegemaakt. Hij stierf in 1929. Stalin gaf opdracht zijn naam diep in de archieven te begraven.

“Liefde en Kapitaal” brengt het beeld van de grote denker en revolutionair tot menselijke proporties. Ja Karl, was een liefhebbende vader, dol op zijn kinderen en kapot van verdriet toen hun achtjarig zoontje Edgar stierf. Gabriel beschrijft de hilarische scènes waarbij de grijzende Karl Marx paardje speelde en de kinderen achterop op een rij stoelen in de “omnibus” voorttrok. Ze schildert een menselijke – wellicht al te menselijke – Karl Marx. Maar echte sympathie voel je na het lezen van dit boek – behalve voor Jenny en de vrouwen in het verhaal – toch in de eerste plaats voor die buitengewone Friedrich Engels: de industrieel die de revolutie predikte, de intellectueel die een grote inbreng had in de opvattingen en de geschriften van Marx. Met zijn boek The Condition of the Working Class in England confronteerde Engels zijn vriend Karl met de onvoorstelbaar grauwe werkelijkheid waarin het Engelse proletariaat leefde. Tijdens een gezamenlijke reis naar Manchester kon Marx ook met eigen ogen die werkelijkheid vaststellen: het was de eye opener voor een man die tenslotte uit de burgerlijke klasse afkomstig was en geen idee had van de manier waarop de onderklasse leefde of beter gezegd nauwelijks overleefde. Engels en Marx schreven elkaar bijna dagelijks een brief en Engels trok telkens als het moest – en dat was bijna voortdurend – de buidel open om Marx en zijn gezin financieel boven water te houden. Toen Engels zijn belangen in de textielfabriek in Manchester verkocht kon hij Marx een jaargeld toestoppen waarmee diens financiële problemen definitief opgelost waren. Na de dood van Marx beheerde Engels zijn literaire nalatenschap en hij zorgde voor de vertaling en de (her)uitgave van Marx’ baanbrekend theoretisch werk. Je kunt je moeilijk voorstellen hoe er zonder Engels een Marx was geweest. 

21 april 2020

Mary Gabriel, LOVE AND CAPITAL Karl and Jenny Marx and the birth of a revolution, Little, Brown & Cie, 2011

Mary Gabriel, Liefde en Kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2012, 908 p.

 

 

 

 

April 21, 2020 at 9:08 pm Leave a comment

HET CULTUURPRODUCT MENS

Door Gie van den Berghe

We zijn meer dan slimme apen. Mensen hebben complexe tuigen, talen en gemeenschappen, geloofssystemen en ideologieën, landschappen en industrie, ziektes en geneeskunde, oorlogen en vrede voortgebracht. Dat terwijl andere mensapen nog steeds leven als miljoenen jaren geleden. Hoe zijn we aan de trage biologische evolutie ontkomen? Hoe zijn we uitgegroeid tot een kracht die de natuur naar haar hand zette en ondertussen ernstig bedreigt?

Gaia Vince Foto:Cambridge Literary Festival

Volgens de uitstekend gedocumenteerde Britse wetenschapsjournaliste Gaia Vince konden mensachtigen het evolutionair-biologische pad geleidelijk verlaten door wisselwerking en terugkoppeling tussen de evolutie van genen, omgevingen en vooral culturen. Mensachtigen konden dankzij hun culturen hun biologische beperkingen en vermogens overstijgen, transcenderen. Homo sapiens stelt eigen doelen, verandert en programmeert de wereld en zichzelf. En zo trad de planeet die ons baarde een nieuw geologisch tijdperk binnen: het Antropoceen, het tijdperk van de mens, een geofysische kracht vergelijkbaar met vernietigende asteroïden en tektonische aardverschuivingen uit lang vervlogen tijden. 

Cultuur is het allerbelangrijkste aanpassingsmechanisme aan de omgeving, met als krachtig glijmiddel het sociale vermogen om van elkaar te leren, het geleerde toe te passen, aan te vullen en als kennis door te geven. Ook enkele andere diersoorten ontwikkelen een cultuur, maar die van ons is cumulatief, oneindig veel complexer, flexibeler en veranderlijker.

De groei en verandering van de plooien in de cerebrale cortex van mensen wordt na de geboorte, anders dan bij chimpansees, veel meer bepaald door sociale en omgevingsfactoren dan door genetische. Eenieders persoonlijkheid, intelligentie, gedrag, denken, waarnemen, voelen etc… wordt verregaand bepaald door het cultureel ontwikkelingsbad waarin hij of zij van bij de geboorte wordt ondergedompeld.

De buitengewone plasticiteit van het mensenbrein was en is bevorderlijk voor onze culturele ontwikkeling en intelligentie, maar het betekent tegelijk dat we vrijwel alles van anderen moeten leren. Thomas Edison mag dan wel de gloeilamp op zijn naam hebben staan, en Johannes Gutenberg de drukpers – geen van beiden vond die in zijn eentje uit. Vernieuwing en ontdekking zijn het gevolg van een combinatie van geluk en elkaar aanvullende, voortdurend herhaalde verfijningen en combinaties van voordien bestaande technologieën. 

De culturele evolutie die onze complexe technologie mogelijk maakte, gaat terug op het vermogen om een flink deel van onze kennis, cognitieve verwerkingsprocessen en fysieke arbeid aan de groep uit te besteden, met als resultaat een veel groter productievermogen dan dat van om het even welk individu.

Volgens Gaia Vince werd de menselijke evolutie bepaald door vier elkaar aanhoudend beïnvloedende culturele factoren: vuur, woord, schoonheid en tijd. 

Prometheus

Mensen leerden proefondervindelijk vuur als de bliksem vangen en zelf aanmaken. Deze belangrijke culturele stap wordt in vrijwel elke cultuur in mythes herdacht, met Prometheus als bekendste voorbeeld, de ‘vooruitdenkende’ die het vuur van de Olympische goden stal om het aan de weerloze Mens te schenken. Vuur beschermde tegen kou en roofdieren. Mensen moesten zich niet langer volledig plooien naar de omgeving, konden haar een beetje aanpassen aan eigen behoeften en noden. Vuur was de eerste stap op weg naar een planetaire kracht

Prometheus Foto: Historiek

Door het veiliger worden van de leefwereld veranderde de selectiedruk van de omgeving op onze genen. Mensen moesten niet langer in bomen slapen, enkele genetische mutaties kregen een kans, klimvoeten werden loopvoeten, we werden rechtop lopende tweevoeters. Vuur en de zorg om het brandend te houden, maakte ook dat mensen dichter en in grotere getale bij elkaar gingen wonen. Ze konden ook langer op één plek verblijven, werden langzaam maar zeker sedentair. Mensen werden afhankelijker van elkaar, socialer. Dit alles leidde tot, en werd bevorderd door, een grotere frontale cortex, het deel van het brein dat instaat voor beslissingsprocessen, probleemoplossing en sociaal gedrag. De van generatie op generatie doorgegeven culturele kennis (methodes om vuur te maken, ingenieuze jachttechnieken…) stapelde zich op, werd cumulatief. Hersenen die de toenemende kennis beter konden bevatten, onthouden en doorgeven, kregen een evolutionair streepje voor.

Vuur verhardt klei en mensen ontdekten dat ze daarmee voorwerpen konden maken om vloeistoffen en voedsel in te bewaren, te fermenteren, te pekelen en te koken, beter verteerbaar maken. De selectiedruk voor het behoud van vleesetende kaken viel weg en gaandeweg verkleinden mondopening, lippen en tanden, kregen onze stembanden vrijer spel.

Door de wisselwerking tussen toegenomen sociaal gedrag (sociabiliteit) en veranderde anatomie groeide het menselijke brein tot het een biologische beperking overschreed. Het babybrein is zo groot geworden dat mensenmoeders nog ternauwernood zonder hulp kunnen bevallen. Mensenbaby’s blijven ook lang hulpbehoevend en kwetsbaar (de schedel is pas na twee jaar volledig uitgehard). Mensen planten zich ook sneller opnieuw voort dan andere primaten. De zorg voor (meerdere) hulpbehoevende kinderen is maar mogelijk in een cultuur waarin voedseldeling en sociale hulp voorhanden zijn. Onze sociabiliteit, die zo’n groot brein nodig heeft, evolueerde in eenklank met onze hulpbehoevendheid. 

De ontdekking dat met vuur metaal gewonnen kon worden uit rotsachtige mineralen, dat die grondstof gesmolten en bewerkt kon worden tot duurzame gebruiksvoorwerpen, werktuigen en wapens, was een volgende wezenlijke stap. De steenblokken van de Egyptische piramides werden zo’n 2500 jaar voor onze tijdrekening met koperen beitels door slaven uitgehakt. Naar schatting 300.000 beitels, zo’n 10.000 ton kopererts!

Cultuur grijpt in op de omgeving, verandert omgevingsdruk, de mate waarin en de wijze waarop mensen zich moeten aanpassen en beïnvloedt uiteindelijk onze genen, onze biologie.

Logos

Taal maakt ons tot mens. Woorden zijn de informatiedragers van de culturele evolutie. Ze vertolken gedachten, brengen gevoelens, wensen en richtlijnen over. Ze zijn het sociale instrument bij uitstek. Zonder taal bestaat er ook weinig of geen innerlijke monoloog, geen systeem om gedachten te rangschikken en te formuleren. Volgens Gaia Vince kunnen afasiepatiënten geen verbanden meer leggen tussen dingen, niet meer in gedachten door de tijd reizen, geen argumentatie meer volgen. Kortom: Ik heb taal, dus ik ben.

Vertellers worden in alle culturen geëerd, van moeders tot dichters. Verhalen vormen het denken en handelen, onze omgang met elkaar, met onze omgeving en andere levende wezens. Verhalen leiden en verbinden. Ze geven betekenis en zin aan de wereld, aan ons bestaan. De verhalen die mensen elkaar vertellen (scheppingsverhalen, mythes, sprookjes, liederen, rituelen, familiegeschiedenissen, religieuze en ideologische bedenksels) vormen het collectief cultuurgeheugen.

Onze hersenen maken vrijwel automatisch verhalen aan. We zijn constant, bijna dwangmatig op zoek naar patronen die betekenis verlenen aan wat onze zintuigen opvangen om dat om te zetten in waar-neming. Proefpersonen die twee bewegende driehoeken, een cirkel en een onbeweeglijk vierkant geprojecteerd zagen, bedachten er onmiddellijk allerhande verhalen bij, schreven gedrag en intenties toe aan de geometrische figuren.[1]

De macht van verhalen blijkt onder meer uit de impact van hun religieuze en seculiere variant. Talloze mensen hebben eeuwenlang leven en dood afgestemd op verzonnen begrippen als ‘zonde.’ Ontelbaren zijn gesneuveld op het slagveld van hun ideologische of politieke dromen. Bidden tot ingebeelde goden kalmeert en verlicht de pijn van diepgelovigen. Zoals placebo’s werken omdat ons geleerd werd dat pillen genezen.

Beauty is in the eye of the beholder

Volgens Vince werden en worden we maar mens door de contemplatie van schoonheid. Al heeft schoonheid geen biologische basis, is het ‘slechts’ een menselijk bedenksel, Vince is ervan overtuigd dat ze ons heeft aangezet tot handelwijzen die onze evolutie ingrijpend hebben beïnvloed. Alles wat wij mensen doen of maken hangt volgens haar samen met onze drijfveer voor schoonheid. Al onze activiteiten zijn doorweven van ritueel, de voorwerpen die we maken zijn esthetisch verantwoord en de grootste menselijke samenwerkingsverbanden werden door schoonheid aangedreven. Verregaande veralgemeningen die Vince niet hard maakt. Menselijke gedragingen, rituelen, werktuigen en wapens zijn natuurlijk verre van altijd mooi, en grote samenwerkingsverbanden als oorlogen en genocides zijn dat al helemaal niet. 

Wat schoonheid betreft gaat Vince nogal uit de bocht. Zo stelt ze dat onze hang naar schoonheid blijkt uit onze tafelmanieren en het op een sociaal aanvaardbaar volume praten in publieke ruimtes. Tafelmanieren zijn, zoals Norbert Elias al in 1939 duidde, een bezinksel van het westers (burgerlijk) civilisatieproces, de evolutie van Fremdzwang (dwang van buitenaf) naar Selbstzwang (regulatie van binnenuit).[2] Die beschaving (afgeleid van ‘schaven’: glad maken, polijsten) lijkt in onze overbevolkte en multiculturele consumptiemaatschappij trouwens een beetje af te kalven. Op restaurant en café, bus en trein, recepties en musea houden al te velen nog maar weinig rekening met anderen. Jongeren staan niet langer hun zitplaats af aan oudjes en al te velen maken je, brullend in hun dumbphone, tot ongewilde deelgenoot van beuzelarijen en intimiteiten. 

Vince poneert dat we biologisch geprepareerd zijn voor schoonheid. Die ingebouwde nood werd cultureel omgevormd tot een visuele taal. Voorwerpen zonder praktisch nut of overlevingswaarde kregen een symbolische en esthetische waarde en betekenis. Dat alle menselijke gemeenschappen veel tijd, inspanning en materiële bronnen aan decoratie hebben besteed, toont volgens Vince de wezenlijke overlevingsfunctie van schoonheid aan. Dat is best een merkwaardige redenering. Mensen besteden flink wat meer tijd, inspanning en bronnen aan prullaria, maar dat betekent geenszins dat rommel produceren een overlevingsfunctie heeft.

De overlevingsrol van schoonheid schuilt volgens Vince in het duiden van sociale normen, het met elkaar verbinden van stamleden. Identificatie met de leden van de groep waartoe je behoort en gehoorzaamheid aan de groepsnormen is immers van levensbelang. Alleen dan kun je op steun en bescherming rekenen. Daarom conformeren mensen zich graag. Wie dat niet doet, ligt volgens Vince alleen maar dwars om op te vallen. 

Sociale normen zijn volgens haar zo krachtig dat ze ook dicteren wat in het privéleven mag, iets wat blijkt ‘uit het verrassend aantal regels tegen masturbatie’. Vince ziet voorbij aan de repressieve rol van kerkelijke en seculiere autoriteiten die meer zieltjes, werkvee, soldaten en belastingbetalers op het oog hadden. Er staan wel meer betwistbare beweringen in dit leerrijke boek. Mensen zouden een aangeboren gevoel hebben voor eerlijkheid en orde. Maak dat aan kinderen wijs! Een en ander komt ook nogal behoudsgezind over. Vince praat achterklap goed omdat roddel een band zou scheppen tussen mensen; ze ziet er geen graten in dat mensen elkaar meer beoordelen op reputatie dan op gedrag; meningen die indruisen tegen die van de groep worden beter niet geuit, en mensen doen er goed aan personen met prestige te kopiëren.

Transcendentie

Ook Vince’s behandeling van de vierde culturele factor – tijd – overtuigt niet. Goed, anders dan primaten plannen mensen vooruit. Maar heeft dat niet vooral te maken met rede, kennis en wetenschap? Kennis is, zoals ze elders schrijft, de substantie en eenheid van culturele evolutie. De door de mens met kalenders en klokken gereguleerde tijd heeft onze cultuur zo ingrijpend veranderd dat we ondertussen denken dat we tijd kunnen verliezen, maar Vince toont niet aan dat het concept tijd tot ingrijpende veranderingen van onze biologie heeft geleid.

Vince beklemtoont terecht dat de (biologische en culturele) evolutie doel noch richting heeft, dat het bestaan van intelligent leven niet onvermijdelijk was maar het gevolg is van een onmetelijke reeks toevallige gebeurtenissen, klein en groot, lichtjaren lang. Toch redeneert ze nu en dan teleologisch, worden oorzaken uit gevolgen afgeleid en wekt ze de indruk dat biologie en cultuur wèl vooruitgaan.

Transcendence is een bijzonder knap verhaal over de zichzelf overstijgende mensensoort. Het bevat magistrale inzichten en staat vol interessante wetenswaardigheden. Vince biedt vanuit haar enorme belezenheid een adembenemend overzicht, maar neemt onvermijdelijk soms te veel hooi op de vork. Zo beweert ze los uit de pols dat kinderen een aangeboren affectie hebben voor hun biologische moeder en alle mensen een aangeboren behoefte voor samenwerking.

 

Rudolph Zallinger, The March of Progress, 1965  https://en.wikipedia.org/wiki/File:The_March_of_Progress.jpg

De evolutie tot homo sapiens wordt vaak voorgesteld als een lineaire vooruitgang waarin elke figuur de directe nakomeling is van de voorouder, met homo sapiens als triomfantelijk eindproduct. Gaia Vince maakt duidelijk dat alleen klopt dat wij overblijvers, echte laatkomers zijn. 

Vince, Gaia – Transcendence. How humans evolved through fire, language, beauty and time, Allan Lane, Penguin, 201

[1] Fritz Heider & Marianne Simmel – An experimental study of apparent behavior, 1944, zie https://www.youtube.com/watch?v=VTNmLt7QX8E

[2] Zie ook: Philippe Perrot – Werken aan de schijn. Veranderingen van het vrouwelijk lichaam in de achttiende en negentiende eeuw, Nijmegen, SUN, 1987; Alfred Franklin – La vie privée d’autrefois. Arts et métiers. Modes, moeurs, usages des Parisiens du XII au XVIII siècle. Les Repas, Paris, Plon, 1889


 

 
 
 

April 3, 2020 at 4:36 pm 1 comment

OOST WEST, THUIS PEST

Door Gie van den Berghe

Afstand houden, luidt het in deze crisistijd. Hoe hou je anderhalve meter afstand in de overbevolkte kampen op Lesbos, in Idlib, in Turkije, aan de Amerikaans-Mexicaanse grens? Het hemd is altijd nader dan de rok. Afstand houden van dierbaren kost veel moeite, afstand houden van de rest van de wereld zijn we vrij gewoon. 

De pest (1947) van Albert Camus verkoopt als zoete broodjes (https://www.lemonde.fr/societe/article/2020/03/03/le-coronavirus-dope-les-ventes-de-la-peste-d-albert-camus_6031679_3224.html). Mensen willen eruit leren hoe om te gaan met de ‘coronapest’, niet beseffend dat Camus het metaforisch over de bruine pest had, het nazisme en het Europese verzet ertegen. Camus’ meesterwerk speelt zich af in 194., in 1944 verscheen al een uittreksel in bezet Frankrijk. Oran (waar de roman zich afspeelt) en andere Algerijnse steden werden niet toen, maar in de 18de en 19deeeuw door de pest getroffen, en die was afkomstig uit Europa, via de handel en piraterij (gevangengenomen Europeanen die besmet waren).

Corona: de dagelijkse update

Ook niet gedane zaken nemen geen keer. Eens het sars virus bedwongen, startten virologen wetenschappelijk onderzoek op om vaccins te verzinnen tegen de vele ongekende virussen die op ons afkomen. Na enkele jaren werd de financiering van dit onderzoek wegens te duur stopgezet. Dat komt ons nu en straks duur te staan (zie voor een onverwachte bron hierover, de TED talk die Bill Gates in april 2015 gaf: https://youtu.be/6Af6b_wyiwI).

Ook toen de Chinese provincie Wuhan door Covid-19 werd getroffen, keken we weg. Met alle Chinezen, moet men gedacht hebben, maar niet met den deze. Het ging gepaard met een snuifje racistische laatdunkendheid over het soort mensen dat wilde, door vleermuizen besmette beestjes eet, en een overheid die vreselijke gevolgen op dictatoriale wijze aanpakte. Mede door deze houding trokken westerse beleidsvoerders geen broodnodige lessen uit de Chinese rampspoed en werden we vrijwel onvoorbereid getroffen door de pandemie. De overheden hollen al enkele weken achter de feiten aan: mondmaskers, gummihandschoenen, beschermingskledij, alternatieve beademingstoestellen, al dan niet lock-down, ethische regels over wie men toch maar beter laat sterven, onderbetaalde en onderbezette verpleging en onvoorbereid verzorgingspersoneel.

Voor het definitief te laat was, bleven we bevlogen goedkoop de wereld bevliegen. Geen vuiltje aan de lucht! Gezwind trokken we op krokusvakantie, als vanouds (ook al is het een zeer recent fenomeen) richting Italiaanse skigebieden, ook al was toen al bekend dat het virus er huishield. Negenhonderd Groningse jongeren van de studentenvereniging Vindicat trokken ondanks het negatieve advies van de overheid naar Noord-Italië om er ’s avonds dronken op elkaar gepakt de bloemetjes buiten te zetten. Na hun repatriëring werden ze niet eens in quarantaine geplaatst. (https://www.sikkom.nl/vindicat-met-900-man-op-de-piste-in-noord-italie-er-is-hier-niks-aan-de-hand/https://www.trouw.nl/binnenland/vindicat-studenten-zijn-terug-uit-noord-italie-volgens-de-adviezen-hoefden-we-niet-terug~b05a59cf/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.be%2F)

Ook de uit Noord-Italië terugkerende Belgen mochten moeiteloos het virus in ons land introduceren. 

Blijf in je kot, krijgen we te horen, terwijl vliegtuigen werden en worden ingezet om Belgen uit het buitenland te repatriëren, zelfs uit landen waar de besmettingsgraad hoger ligt. Oost-west, thuis pest.

Mag je deze kritische bedenkingen nog uiten? Moeten we uit fout begrepen solidariteit zwijgen? De rangen sluiten, aan hetzelfde zeel trekken. Burgerzin vertonen. Zoals die vriend van me, nochtans een linkse rakker, die me een paar dagen geleden vertelde dat hij, uit zijn raam liggend, een jong koppeltje aan de overkant van de straat zag knuffelen en zich moest inhouden om niet de politie te bellen. Een ruk naar rechts.

Sheila Sitalsing

 

Virusangst, schreef in De Volkskrant van 23.3, is een perfecte dekmantel voor kwaadwillende regimes (https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/virusangst-is-een-perfecte-dekmantel-voor-kwaadwillende-regimes~be430fd6/). Anders dan veelal gedacht wordt moet kwaad niet altijd gewild of gepland worden, het wordt ook met de beste bedoelingen aangericht. Om onze oma’s en opa’s te beschermen worden onze vrijheden drastisch teruggeschroefd. In Denemarken werd goed een week geleden een totalitaire wet goedgekeurd die de politie verregaande controlemaatregelen biedt. In België sloot het kabinet van De Block een schimmig akkoord met telecombedrijven om actuele locatiegegevens te delen met een privaat bedrijf (Dalberg Data Insights). In de Verenigde Staten zal men samenwerken met Google en Facebook om ‘locaties van gebruikers en risicopatiënten op te sporen’ (https://www.apache.be/gastbijdragen/2020/03/18/hoe-het-coronavirus-ook-onze-privacy-bedreigt/    https://plus.lesoir.be/286535/article/2020-03-12/coronavirus-le-cabinet-de-block-dit-oui-lutilisation-des-donnees-telecoms).

Shoshana Zuboff

In The Age of Surveillance Capitalism, maakt Harvard professor Shoshana Zuboff overduidelijk dat Big Brotheruitgegroeid is tot een uit de kluiten gewassen broer (https://www.nybooks.com/articles/2020/04/09/bigger-brother-surveillance-capitalism/?utm_medium=email&utm_campaign=NYR%20Surveillance%20capitalism&utm_content=NYR%20Surveillance%20capitalism+CID_a69eaa66f815e0ecf721fbd64afd3d2c&utm_source=Newsletter&utm_term=surveillance%20capitalism). In de nieuwe economische en politieke orde worden onze gangen nagegaan en wordt ons leven, ons handelen, verlangen en welzijnsgevoel, gestuurd als in een Skinner-box (naar Burrhus Skinner – https://nl.wikipedia.org/wiki/Burrhus_Skinner).

In verscheidene landen worden tracing Apps ingezet om de gangen en de besmettingsgraad van burgers na te gaan, mensen te verwittigen als een mogelijk besmet iemand nadert, politie in staat te stellen allemans bewegingsvrijheid te beperken, wie besmet is de toegang te weigeren tot winkels. Enkele Vlaamse virologen vinden het een goed idee en de App zit er ook in België aan te komen (https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/03/26/is-technologie-onze-exit-strategie-uit-de-coronacrisis/). Leve de dumbphone, weg met onze privacy! 

Law and order, luidt het steeds nadrukkelijker. Mensen die onduidelijke en om de haverklap wisselende regeltjes overtreden, riskeren zware boetes. Vooral jongeren moeten in toom gehouden worden. ‘Handhaving’ luidde het eensgezind in De Afspraak van 26.3. Want, weerklinkt het alarmerend, we zijn in oorlog. Wat kun je daartegen inbrengen? We staan erbij als makke schapen. Grenzeloos gehoorzaam.

Tom Chivers

Ook interessant is Would you take a coronavirus risk?, een artikel van Tom Chivers op UnHerd (een forum dat iets wil doen aan de kuddegeest door nieuw en dwars denken, een platform wil zijn voor ongehoorde ideeën, mensen en plaatsen (https://unherd.com/2020/03/would-you-take-a-coronavirus-risk/?tl_inbound=1&tl_groups[0]=18743&tl_period_type=3). In deze bijdrage zit een mooie en beklijvende illustratie van het prisoner’s dilemma (https://www.youtube.com/watch?v=S0qjK3TWZE8). Het is wel een bijzonder voorbeeld van het dilemma (https://nl.wikipedia.org/wiki/Prisoner%27s_dilemma). Normaal gezien mogen de deelnemers niet vooraf met elkaar overleggen. Boeiend is de aanpak van de persoon die meteen aankondigt dat hij zal ‘stelen’ maar dat als de ander voor ‘delen’ kiest, hij de buit eerlijk met hem verdelen zal. De rest laat ik u zelf ontdekken.

In De Pest legt Camus zijn hoofdpersoon, dokter en humanist Bernard Rieux, in de mond dat in tijden van pestilentie in mensen meer dingen te bewonderen zijn dan te verachten. Dat, denk ik, hangt af van de duur en de extremiteit van de situatie en van de lessen die men er al dan niet uit trekt.

March 26, 2020 at 6:25 pm 1 comment

HOLLANDSE KONGO

Hoe de Hollanders Leopold II in Kongo ondersteunden en ondervonden dat ondank ‘s werelds loon is.

Door Lucas Catherine

Als je stripverhalen leest zou je denken dat de Nederlanders niet weten waar Kongo ligt. Toen Hergé daar populair werd moest Kuifje in Kongo, Kuifje in Afrika heten.

Want wisten ze veel waar Kongo lag ? Nu, als het op koloniale geschiedenis aankomt zijn de Nederlanders inderdaad niet zo sterk in aardrijkskunde: Indië ligt volgens hen niet op het Indische subcontinent, maar in Indonesië. Hun Oost-Indië is het enige “Indië” dat ze kennen. En toen Suske en Wiske ginder in het Noorden populair werden moest het album De Tamtamkloppers niet langer in onze Kongo spelen, maar in hun Suriname. De teksten werden aangepast. Voor de tekeningen kon dit niet : daardoor dat Afrikaanse dieren als leeuwen, giraffen, olifanten, neushoorns of nijlpaarden volgens die albums ook in Suriname rondliepen. Nogal verwarrend voor de Hollandse lezertjes.

En je zal, in hun toch wel prachtige Atlas of Mutual Heritage op het internet  waarop ze al hun koloniale posten en factorijen oplijsten, nergens Boma of Banana vinden. Laat staan Kinshasha. Nochtans, de Hollanders waren voor Leopold II in Kongo. Jawel !

De Hollandse factorij in Boma

De Rotterdamse firma Kerdijk en Pincoffs startte activiteiten in Kongo vanaf 1857 en stuurde Henry Kerdijks broer Lodewijk uit als hun vertegenwoordiger ter plaatse. Hij overleed in 1861 te Boma. De firma Kerdijk & Pincoffs exporteerde katoen, kookgerief, messen, geweren, kruit en sterke drank uit Nederland en ruilde die voor Afrikaanse ivoor, palmolie en rubberKerdijk & Pincoffs waren daarvoor ook in West-Afrika actief, maar ze splitsten hun West-Afrikaanse posten af en brachten de Kongolese factorijen onder in de Afrikaansche Handelsvereeniging (1868). Daar werkten naast vrije arbeiders ook enige honderden slaven (door de Portugezen “coromanos” en door de Nederlanders “Kroo-mannen” genoemd). Pincoffs en Kerdijk waren dan ook deelnemers aan Leopolds Geografische conferentie van Brussel (1876), de eerste stap die hij zette in zijn verovering van Kongo.

 

Deze AHV investeerde mee in Leopolds Kongoproject. Het was Pincoffs die aan Leopold voorstelde een financieringscomité op te richten. Dat werd het Comité d’études du Haut-Congo . Zij werden dan ook bestuurders in dit Comité en waren naast Leon Lambert (vertegenwoordiger van de Rothschilds in België en Leopolds bankier) de tweede grootste aandeelhouders: Lambert voor 400.000 goudfrank. De AHV voor 130.000 goudfrank. Dat was meer dan bijvoorbeeld de Brusselse bankier Georges Brugmann (20.000 frank).

Het is dit Studiecomité dat Stanley engageerde (en betaalde) voor zijn expeditie op de Kongostroom. De Hollandse AHV liet Stanley en zijn materiaal (vier gedemonteerde rivierboten) kosteloos naar Banana verschepen. Van daaruit vertrok op 14 augustus 1879 zijn koloniale expeditie. Het quid pro quo was natuurlijk dat AHV een bevoorrechte positie zou krijgen in Leopolds gebied, maar doordat in 1879 de AHV  na een grootscheepse fraude failliet ging kwam daar niets van terecht. Leopold  maakte van de gelegenheid gebruik om het Comité volledig over te nemen.

Daarop werd de Nieuwe Afrikaansche Handelsvereniging opgericht. In 1884, het jaar vóór de officiële oprichting van de Kongo Vrijstaat bezat ze 69 handelsposten langs de Kongostroom. Haar hoofdkwartier was in Banana. Er was zelfs sprake van dat Nederland soevereiniteit over de Kongostroom zou krijgen. Maar Nederland herkende, na ruggespraak met de NAVH tijdens de Conferentie van Berlijn (1885) de Kongo Vrijstaat onder voorwaarde van vrijhandel, zoals de Conferentie in haar artikel 14 had bepaald.

Korte tijd lang liet onze Leopold II zich als Koning van Kongo Potorko I noemen. Een naam die we terugvinden in een knipsel uit een toenmalige Nederlandse krant

 

Venloosch weekblad, 5 september 1885

Aan het hoofd van de NAVH kwam Anton Greshoff (1). Hij vestigde zich in het dorp Kinshasa, naast Leopoldstad. Greshoff zou een luis in de pels van Leopold worden. Samen met andere handelaars verzette hij zich tegen de verdragen die de Vrijstaat afsloot met de lokale vorsten en waarin die hun soevereiniteit afstonden. Zij eisten dat die vorsten enkel handelsakkoorden zouden ondertekenden.

In 1886 en 1887 schreef Greshoff een reeks artikels in het tijdschrift Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap met felle kritiek. Onder meer dat “na vijf jaar de Vrijstaat nog niets heeft gedaan om de traditionele karavaanweg te verbeteren tot een meer fatsoenlijke weg.” Of dat hij gemerkt had dat “alle dorpen tussen de Inkisi (rivier) en Nzugu-Mbola zijn platgebrand …terwijl hier nooit enige melding van is gemaakt.” De stations van de Staat “kan je eerder stallen dan huizen noemen; zelfs is het zeer twijfelachtig of een aan een zindelijke Hollandse stal gewende koe wel zou voortgaan melk te geven, zo men haar een kamer in Leopoldstad gaf.” En: “Alles wat we van de Vrijstaat gezien hebben is lijnrecht in strijd met haar programma : menslievendheid, wetenschap, beschaving…” Eerst werd Greshoff hiervoor in 1887  in Boma voor de rechtbank gedaagd, maar gelukkig voor hem werd de zaak geseponeerd.

Kinshasa 1883

In Brussel had men op 30 april 1887 een decreet uitgevaardigd dat te land enkel de vlag van de Kongostaat nog mocht worden gehesen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de gouverneur-generaal. Op de rivier mocht men de eigen vlag hijsen aan de voorsteven, maar de vlag van de Vrijstaat moest aan de achtersteven.

Greshoff had als oranje-patriot overal de Nederlandse driekleur gehesen op al zijn factorijen en boten. Hij boycotte het decreet door ervoor te zorgen dat de vlag van de Vrijstaat steeds rond de vlaggestok bleef gerold en dat alleen de Nederlandse vlag wapperde in de wind.

Hij reisde in 1887 als eerste blanke handelaar naar de Swahili machthebber van Maniema in Kisangani, Hamed ben Mohamed al Murjebi, door de Belgen Tippo-Tip genoemd, met de bedoeling rechtstreeks bij hem ivoor te betrekken. En het lukte ! Directe concurrentie voor Leopold.

In 1889 werd de “fatale, de onvermijdelijk Greshoff”  zoals hij werd genoemd in de maand september per decreet uitgewezen uit Leopolds Kongo. Hij stak de rivier over en vestigde zich rechtover Kinshasa in Brazzaville, Na de ‘Vlaggenoorlog’ volgde nu een papieren oorlog met brochures tegen de Vrijstaat. Een citaatje : “De staat voerde in 1889 voor 4,3 miljoen frank producten uit; de NAHV kocht dat jaar voor 6,1 miljoen producten aan; als men zegt dat de NAHV van geringe betekenis is, hoe klein is dan wel de staat ?”

Maar de NAHV was nu wel haar toegang tot de monding van de Kongorivier kwijt. Anton Greshoff zou vanuit Brazzaville wel nog 12 jaar bedrijvig blijven in de Franse Kongo.

 

Greshoff aan zijn bureau in Brazzaville

Tot slot nog dit : Waarom was Leopold II zo wantrouwig tegenover de Hollandse handelaars ? Dat had wellicht te maken met zijn grote bewondering voor de Nederlandse kolonisatie in Indonesië die hij verschrikkelijk efficiënt vond. Vreesde hij te grote concurrentie ? In zijn eerste toespraak tot de Belgische senaat op 17 februari 1860, toen nog als Hertog van Brabant, sprak hij zijn bewondering al uit over die kolonisatie die “de Verenigde Provincies tot één van de belangrijkste staten van Europa” had gemaakt. Dankzij het gewin in hun kolonies.

Gedenkplaat Max Havelaar, Bergstraat Brussel

“Vorig jaar,” sprak hij, “bedroeg de nettowinst van Nederlands-Indië ongeveer 70 miljoen frank.” Zoals Sir James Brooke, die toen Sarawak bestuurde, na een onderhoud met Leopold verklaarde : “Hij is verliefd op het Hollandse systeem…Ik vond geen spoor van brede opvattingen, van liberale gevoelens; hij dacht alleen maar aan de manier waarop hij geld uit het volk kon persen… Hij lachte met de idee de rechten van de inheemsen te eerbiedigen.” Dat Hollandse systeem bestond uit het zogenaamde cultuurstelsel van gedwongen teelten, waarbij de koloniale ambtenaren gedreven werden door premies: de zogenaamde cultuurprocenten of cultuuremolumenten om de productie zo hoog mogelijk te maken en die dan tegen zeer lage prijs te leveren aan de staat via de Nederlandse Handel-Maatschapij . Leopold zou het in Kongo toepassen.

Dat zelfde jaar 1860 waarin Leopold zijn toespraak hield in de senaat verscheen de grote aanklacht tegen dit cultuurstel : Max Havelaar, of De koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Edward Douwes-Dekker schreef het boek in Brussel, op geen vijfhonderd meter van het  Koninklijk Paleis.

(1) Zijn neef, de dichter Jan Greshoff schreef indertijd Catrijntje Afrika. Alhoewel hij zelf in Zuid-Afrika woonde speelt dit werk toch in de Kongo van zijn oom Anton.

 

Lucas Catherine

March 13, 2020 at 8:50 pm 1 comment

CORONA EN HET MILIEU

Wat heeft de Coronapandemie te maken met ons leefmilieu en de klimaatverandering? Hoe komt het dat pandemieën elkaar in snel tempo opvolgen en duizenden slachtoffers maken: HIV, SARS, Ebola, Corona? Daarover gaat een bijdrage in een recent nummer van het Amerikaanse weekblad “The Nation.” Een samenvattende vertaling.

Door Sonia Shah

Was het een schubdier? Een vleermuis? Of een slang, zoals ergens werd beweerd? Welk wild dier zou verantwoordelijk zijn voor het coronavirus, officieel “Covid-19,” dat honderden miljoenen personen heeft besmet die nu in China en andere landen achter schutskringen en in quarantaines worden opgesloten. Een interessante vraag, maar belangrijker nog is niet uit het oog te verliezen hoe kwetsbaar we steeds meer worden voor de diepere oorzaak: de toenemende vernietiging van de habitats.

De laatste 80 jaar zijn ziektekiemen verschenen of teruggekeerd naar streken waar ze vaak nooit eerder waren opgemerkt. Dat is onder andere het geval voor HIV (Human Immunodeficiency virus), voor Ebola in West-Afrika of nog voor Zika op het Amerikaanse continent. De meerderheid (60%) is van dierlijke oorsprong. Een aantal is afkomstig van huis- of landbouwdieren, maar het merendeel (meer dan twee derde) is afkomstig van wilde dieren.

Toch treft hun geen schuld. Veel artikels laten – vaak aan de hand van foto’s – uitschijnen dat wilde dieren verwoestende epidemieën veroorzaken. Maar het is fout te denken dat deze dieren dragers zijn van dodelijke pathogenen die er op uit zijn ons te besmetten. De meerderheid van hun microben leven met hun gastheer of -vrouw samen zonder hun kwaad te doen. Het probleem ligt elders: door de ongeremde ontbossing, urbanisatie en industrialisering hebben we deze microben in staat gesteld zich naar het menselijk lichaam te verplaatsen en zich aan te passen.

Gezondheidswerkers tegen de Ebola-epedemie in Sierra Leone Foto MSF

Door het verdwijnen van de habitats wordt ook het voortbestaan bedreigd van tal van soorten, waaronder medicinale planten en dieren die de basis vormen voor geneesmiddelen. Voor de overlevende soorten zit er niets anders op dan zich terug te trekken op de beperkte habitats die overblijven. Het gevolg is toenemende kans op contact met mensen waardoor onschadelijke microben in het menselijk lichaam muteren naar dodelijke ziektekiemen.

Ebola is een duidelijk voorbeeld. Een studie uit 2017 toont aan hoe het virus, dat oorspronkelijk bij verschillende soorten vleermuizen werd geconstateerd, frequenter opdook in gebieden in Centraal Afrika die recent werden ontbost. Als de bossen verdwijnen gaan de vleermuizen zich nestelen in de bomen van tuinen en boerderijen. Het gevolg is duidelijk: door in een vrucht te bijten waar speeksel van de vleermuizen aan kleeft slikken mensen het in. Op die manier komen virussen die volkomen onschadelijk zijn voor de vleermuis bij bevolkingsgroepen terecht.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door muggen worden verspreid. Er is een verband vastgesteld tussen ontbossing en de frequentie van epidemieën. Hier gaat het niet zozeer om het verdwijnen maar om de transformatie van habitats. Samen met de bomen verdwijnen ook hun wortels en de laag dode bladeren. Daardoor stromen water en sedimenten makkelijker weg over een verarmde grond die uitdroogt door de zon waardoor er plassen ontstaan waarin de moerasmug welig tiert. Uit een studie uitgevoerd door twaalf landen blijkt dat muggen die dragers zijn van menselijke ziektekiemen twee keer vaker voorkomen in ontboste gebieden dan in streken waar de wouden intact zijn gebleven.

GEVAREN VAN DE INDUSTRIËLE VEETEELT

De vernietiging van de habitats dunt verschillende vogelsoorten uit en verhoogt daardoor het risico op het verspreiden van ziekteverwekkers. Een voorbeeld: het Westelijke Nijlvirus dat leeft bij trekvogels. In Noord-Amerika is het aantal vogelpopulaties de laatste 50 jaar met 25% gedaald als gevolg van het verdwijnen van biotopen en andere vernietigingen. Maar niet alle soorten worden in gelijke mate getroffen. “Specialisten” – vogels die aan een bepaalde habitat gebonden zijn zoals spechten en rallen worden harder getroffen dan de generalisten als de roodborsten en de kraaien. De eersten zijn nauwelijks dragers van het Westelijke Nijlvirus terwijl de laatsten dat bij uitstek zijn. Vandaar een uitgesproken aanwezigheid van het virus bij de huisvogels van die regio en dus neemt de kans toe dat eerst een vogel en daarna een mens door een mug gestoken wordt.

Hetzelfde geldt voor de ziektes die door teken worden verspreid. Door langzaam aan het Noordoost-Amerikaanse bosbestand te knagen verjaagt de stadsontwikkeling dieren als de Amerikaanse buidelkat (opossum) die bijdraagt aan het reguleren van het tekenbestand. Andere soorten die veel minder doeltreffend zijn op dat plan tieren welig, zoals de witvoetmuis en het hert. Het gevolg is dat de ziektes die door teken verspreid worden zich makkelijker verspreiden. Daaronder de ziekte van Lyme, die in 1975 voor het eerst in de Verenigde Staten is opgemerkt. De laatste 20 jaar zijn 7 nieuwe ziekteverwekkers geïdentificeerd die door teken worden verspreid.

Niet alleen de vernieling van habitats verhoogt het risico op ziekte-uitbraken, het is ook wat in de plaats komt. Om aan de drang van onze soort naar vleesconsumptie te voldoen hebben we een gebied ter grootte van Afrika ontbost om slachtdieren te kweken. Sommige van die dieren komen tot ons via de illegale handel in wilde dieren of in de markten voor levende dieren (wet markets). Wilde dieren die elkaar in de natuur zelden of nooit zouden tegenkomen worden daar in kooien naast elkaar geplaatst waardoor microben van de ene op de andere soort kunnen overspringen, een proces dat verantwoordelijk is voor het coronavirus dat in 2002-2003 de SARSepidemie veroorzaakte en wellicht ook voor het nieuwe coronavirus waarmee we vandaag geplaagd zitten.

Maar nog veel meer dieren worden gekweekt in industriële boerderijen waar honderdduizenden beesten dicht opeen gepakt wachten op de slacht en de microben ruim de kans geven om te muteren tot dodelijke ziekteverwekkers. Vogelgriepvirussen bijvoorbeeld die voorkomen bij wilde watervogels zwermen uit in fabriekfarms onder de gekooide kippen, muteren en worden kwaadaardiger, een proces dat zo voorspelbaar is dat het in het lab kan worden gereproduceerd. Eén streng, H5N1 genaamd, dat mensen kan besmetten doodt meer dan de helft van de geïnfecteerden. Om een verwante streng die in 2014 Noordamerika bereikte in te dammen moesten tientallen miljoenen kippen worden afgeslacht.

De reusachtige berg uitwerpselen die onze veestapel produceert biedt de dierlijke microben nog meer mogelijkheden om naar de menselijke bevolking door te dringen. De hoeveelheid dierlijk excrement is vele keren groter dan de landbouwgrond als meststof kan absorberen. Op veel plaatsen verzamelt het zich in zinkputten, “mestlagunes” genaamd. Shiga toxine producerende Escherichia coli, onschadelijk in de ingewanden van runderen, houdt zich ook schuil in de uitwerpselen. Bij mensen veroorzaakt het bloedige diarree en koorts en kan het tot acute nierinsufficiëntie leiden. Doordat rundermest makkelijk in het drinkwater en onze voedselketen terecht komt worden jaarlijks 90000 Amerikanen erdoor getroffen.

De transformatie van dierlijke microben naar menselijke ziektekiemen verloopt vandaag sneller maar het fenomeen is niet nieuw. Het begon met de revolutie van het neoliticum, toen de mens voor het eerst de habitat van wilde dieren ruimde om plaats te maken voor voedselgewassen en wilde dieren domesticeerde. De “dodelijke geschenken” die we, zoals Jared Diamond het stelt, van onze “vrienden de dieren” kregen waren onder andere mazelen en tuberculose van koeien, kinkhoest van varkens en griep van eenden. Het ging voort onder de koloniale expansie. Belgische kolonisten bouwden in Congo spoorlljnen en steden die het het lentivirus in een plaatselijke makak mogelijk maakte zijn aanpassing aan het menselijk lichaam te perfectioneren. Britse kolonisten in Bangladesh rooiden de mangrove bossen van de Sundarbans om plaats te maken voor rijstvelden en stelden de mensen daardoor bloot aan de bacteriën die in het brakke water van de drassige gronden leefden.

Prof. Jared Diamond Foto UCLA

De pandemieën ontstaan door deze koloniale ingrepen blijven ons tot vandaag achtervolgen. Het lentivirus van de makak evolueerde naar HIV. De bacteriën uit het brakke water van de Sundarbans, nu bekend als cholera, hebben tot dusver zeven pandemieën veroorzaakt, de recentste op Haïti, een paar honderd mijl van de kust van Florida.

Maar het goede nieuws is dat we niet machteloos staan tegen de mutatie van deze microben. We kunnen de wilde habitat beschermen zodat dierlijke microben in de lichamen van dieren blijven en niet verhuizen naar de mens. Deze aanpak wordt gepropageerd door onder andere de “One Health” beweging. We kunnen de plekken in het oog houden waar de kans het grootst is dat dierlijke microben zich tot menselijke ziekteverwekkers ontwikkelen, op zoek gaan naar die tekenen vertonen van aanpassing aan het menselijk lichaam en ze uitschakelen vóór ze een epidemie veroorzaken. Wetenschappers van het Amerikaanse programma “Predict” hebben over heel de wereld meer dan 900 nieuwe virussen ontdekt, waaronder nieuwe soorten SARS-achtige coronavirussen.

Vandaag hebben we opnieuw te maken met de dreiging van een pandemie. Dat komt niet alleen door het nieuwe coronavirus. Doordat de regering Trump de  winningsindustrieën en de industriële ontwikkeling bevrijd heeft van mileureguleringen kunnen we verwachten dat de vernietiging van habitats waardoor dierlijke microben bij de mens terecht komen in versneld tempo zal doorgaan. Tegelijkertijd beperkt de regering onze mogelijkheden om de volgende “spillover microbe” te ontdekken en onder controle te krijgen als ze  zich begint te verspreiden. Het programma Predict wordt stopgezet en het Witte Huis wil zijn bijdrage aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) met 53% korten.

De epidemiologist Larry Briljant zei ooit: “Uitbraken zijn onvermijdelijk, maar pandemieën zijn onze keuze.” Maar pandemieën zijn enkel optioneel als we bereid zijn om met hetzelfde gemak waarmee we de natuur en de wilde dieren verstoren ook onze politiek radicaal om te gooien.

Vertaling door Johan Depoortere

10-03-2020

March 10, 2020 at 2:54 pm 2 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,701 other followers