Posts filed under ‘België’

U ZEGT WAT WIJ DENKEN

door Johan Depoortere

‘Pretpedagogie’ is het jongste product uit het framingfabriekje van De Wever Bart, burgemeester van Antwerpen en grote leider van de Vlaams-Nationalistische rechterzijde. Net als zijn concullega Filip Dewinter is De Wever zeer bedreven in het bedenken van nieuwe of het recycleren van oude neologismen (denk aan ‘gutmensch’ of ‘omvolken’ – met dank aan de oude nazivrienden) die het debat ‘framen.’ En ook dat ‘framen’ is een (relatief) nieuw begrip dat dank zij de sociale media tot het algemen taalgebruik is gaan behoren. Het is een woord dat een negatieve bijklank heeft gekregen. Ten onrechte vindt Jan Blommaert, sociolinguist aan de universiteit van Tilburg. Immers of we het beseffen of niet we doen het allemaal en zonder ‘framing’ is een zinnig debat of zelfs zinnige communicatie niet mogelijk. Blommaert heeft aan het fenomeen een klein maar fijn boekje gewijd onder de titel: U zegt wat wij denken, een omkering van het beruchte ‘Wij zeggen wat u denkt’ van het Vlaams Blok/Belang.

Bart De Wever: ‘Marrakeshcoalitie,’ ‘pretpedagogie’ ‘opengrenzenbeleid’ ‘gutmensch’

Die slogan waarmee de extreemrechtse partij in de jaren 90 verkiezingen na verkiezingen won is zonder meer briljant, schrijft Blommaert. “De suggestie was krachtig: hier was eindelijk een partij die ónze stem zou vertolken, niet die van de politieke klasse zelve, en ook niet die van de elites die deze politieke klasse beheersten.” Het Blok/ Belang mag dan recentelijk door een politieke woestijn zijn gegaan, de slogan of een variant erop doet het nog steeds uitstekend. Het spectaculaire succes van windbuil Baudet in Nederland is voor een groot deel door dezelfde marketingtruuk te verklaren: de kiezer ervan overtuigen dat het standpunt van de politicus zijn of haar standpunt is. “Ik dacht altijd al zo maar u drukt het precies uit, u zegt wat ik altijd al dacht.” Dat heet – zegt Blommaert – ‘overtuigen’ en het middel daartoe is ‘framing.’ Is dat misschien het geheim waardoor partijen in staat zijn mensen zo massaal tegen hun eigen belangen te laten stemmen? Zie het succes van De Wever, van Trump, van Baudet.

Jan Blommaert, auteur

‘Woorden zeggen alles.’ Sterker nog: woorden zeggen meer dan wat ze ‘betekenen.’ Ze hebben ook een emotionele en morele lading. Woorden zijn dus nooit neutraal. Bovendien zijn ze ingebed in een netwerk, een kader of een ‘frame.’  ‘Werk’ is goed en leidt tot associaties met ‘werk geven’ ‘banen scheppen’ ‘activeren’ en van daar naar mensen, identiteiten: ‘hard werkend’ ‘plichtbewust’ en zo voort. ‘Werkloos’ daarentegen is slecht. En ook aan dat woord hangt een hele reeks handelingen en identiteiten met een negatieve connotatie (‘werkschuw’ ‘hangmatwerklozen’ ‘welfare queen’): een frame dat een spiegelbeeld is van het vorige.

Filip Dewinter: ‘omvolken’

U zegt wat wij denken is niet alleen een analyse van het publieke debat en de rol van framing. Het is zoals de ondertitel luidt ook ‘een praktische handleiding voor framing,’ een oefenboekje met blanco pagina’s waar de lezer zelf kan experimenteren en oefenen in het ontdekken hoe schijnbaar alledaagse en onschuldige woorden in een frame passen. Stel bijvoorbeeld vast hoe het woord ‘vluchteling’ of ‘migratie’ verschillend kan worden geframed, naargelang van het uitgangspunt: de morele richting – goed of slecht – die we het woord toekennen. Of hoe woorden met een negatieve connotatie vervangen worden door verzachtende en omfloerste termen: het negatieve frame vervangen door iets positiefs. Dat noemen we ‘eufemismen.’ “Het ontslaan van honderden werknemers (wat niet veel mensen positief vinden) noemen we het liefst ‘rationalisering,’ ‘reorganisatie’ of ‘herstructurering.”

Blommaert herhaalt zelf de oefening voor de woorden  ‘Marrakesh,’ ‘Marrakeshregering’, ‘migratiechaos,’ ‘migratieomwenteling,’ ‘Brexit,’ ‘opengrenzenbeleid,’ ‘soevereiniteit,’ ‘migratiegolf.’ Waarbij hij noteert dat hier van een mislukt frame sprake kan zijn, een soort overkill die tot het tegenovergestelde van het gewenste resultaat leidde. “Het plotse saturatiebombardement van het woord ‘Marrakesh’ werkte bij velen op de lachspieren. Iedereen had het op de sociale media over ‘Marrakeshkoekjes,’ ‘Marrakeshfrieten,’ ‘Marrakeshschoenen’ en zo meer, allemaal vergezeld van royale hoeveelheden schaterlachende emoticons.” Bovendien was het effect van het frame in dit geval vluchtig: andere thema’s (klimaat, onderwijs) verdrongen het algauw uit de nieuwscyclus. 

Nee dan was een ander voorbeeld van framing succesvoller: het verhaal van de groep Roma  die in 2017 het Gents pand kraakten van een koppel dat in het buitenland verbleef. Media en politici namen gretig de framing over waarin het verhaal gepresenteerd werd. Kernwoorden: ‘radeloos’ (burgemeester Termont), ‘machteloos’ (de huiseigenaars en de burgemeester) ‘woedend’ (nog eens de burgemeester), ‘absurd’ (Liberaal politicus Lachaert) – allemaal woorden met een zware morele lading. Het frame: 1. ‘foute’ wetten en een rechtsmodel dat niet werkt, waardoor we machteloos staan tegenover het onrecht dat we ervaren 2. De slechte allochtoon die asociaal zijn zin doet en dingen ‘afpakt van ons’ en daarmee ongestraft wegkomt. Dat frame bepaalt de grenzen van het ‘debat’ dat daarop volgt in media en politiek. Buiten het zichtveld blijft: de complexiteit van de wet die rekening houdt met het eigendomsrecht maar ook met het recht op wonen. De ‘machteloosheid’ van de eigenaars van het kraakpand “sloeg op het feit dat ze niet bij machte waren de krakers meteen uit het huis te zetten. Ze moesten de stappen van de wet volgen.” 

Politieke debatten, zo schrijft Blommaert zijn vaak ‘botsingen van tegengestelde frames.’Een stelling die hij illustreert aan de hand van het actuele klimaatdebat. Ook hier weer een moreel oordeel als uitgangspunt: klimaatmaatregelen zijn goed/slecht. Daaruit volgen tegengestelde handelingen: uitstoot beperken/ maatregelen afwegen tegen economische belangen en concurrentiekracht en tenslotte identiteiten: groenen/klimaatrealisten. Hier is nog een interessant fenomeen in het spel: herframing. Wetenschappers worden vanouds gezien als ‘objectief’ en ‘rationeel.’ “Hun onderzoek is onafhankelijk en de resultaten ervan worden belangeloos geformuleerd vanuit een hoger doel: de wetenschappelijke waarheid.” In de klimaatdiscussie wordt die framing onderuitgehaald en omgekeerd. Wetenschappers worden nu geframed als ‘klimaatactivisten,’ ‘gelovigen.’ Klimaatwetenschap is ‘dogmatisch,’ een ‘religie,’ een ‘sekte.’

Zijn we als burger en consument van de media dan machteloos overgeleverd aan de slimme marketeers die dank zij framing hun waar aan de man brengen? Nee en dat is juist de bedoeling van dit boekje: inzicht krijgen in het mechanisme van de framing. Als we dat goed begrijpen “dan worden we minder vatbaar voor beïnvloeding en propaganda. Dan zijn we autonomer als burger, kritischer voor de eigen argumenten en die van anderen.” U zegt wat wij denken is hoop en al 76 bladzijden. Te weinig wellicht om het fenomeen van de framing exhaustief uit de doeken te doen. Wie honger heeft naar meer kan terecht bij een ouder werk van Jan Blommaert: Let op je woorden (EPO 2016) of nog Frames, Formats en selfies (zelfde uitgeverij 2018)

U zegt wat wij denken. Jan Blommaert, Uitgeverij EPO 2019

April 3, 2019 at 3:57 pm 1 comment

Honderd jaar geleden: komt na Oorlog Vrede?

 

Door Lucas Catherine

We hebben recent het einde van 100 jaar Grooten Oorlog gevierd, maar kwam er toen Vrede? Officieel werd die in 1919 in Versailles ondertekend. Vroeger, als er een honderdjarige in de straat gevierd werd moest elke buur een mooie tekst met felicitaties aan zijn deur hangen met daar rond bloemensluiers en die tekst moest kort of lang, het jaar honderd bevatten in Romeinse cijfers. Als je een woord met C had mocht er geen i, v, x, d of L meer inkomen. Ik heb er mij als kind aan dood gezwoegd.

Daarom deze tekst, maar dan zonder bloemen of getalcijfers, over dat Verdrag van Versailles.

In Europa had België de oorlog niet gewonnen. Tot nader orde vieren wij op 11 november niet de overgave van Duitsland, maar een wapenstilstand nadat Duitsland beloofd had de oorlogsschade te vergoeden.

Artikel 235 van het Verdrag heeft het over 20.000.000.000 (twintig milliard goudmark), daarvan trok mijn overgrootmoeder Lise Dubois 110 frank omdat de Duitsers haar stootkar met trekhond hadden aangeslagen, zodat ze niet langer melk en eieren in Brussel kon gaan verkopen op de markt van Sint-Kathelijne. Verplicht vervroegd pensioen.

 

 

Tot daar dit luik van het Verdrag.

Een ander luik gaat over de opdeling van de kolonies en ander Duits territorium. Dit viel dus niet onder dat artikel 235. De overwinnaars beslisten op basis van de oorlogsprestaties van hun definitieve legers, niet op basis van geleden schade. België had gewonnen en wel in Duits Oostafrika dankzij haar koloniaal leger, La Force Publique. Daarbij had het een groot deel van het huidige Tanzania veroverd. Een eerste Belgische eis was dan ook dat het heel dat stuk zou mogen inlijven. Dat vonden de andere bondgenoten teveel voor zo’n klein land en dus werd het gereduceerd tot Rwanda en Burundi en wat men even een “witte kolonie” in Europa zelf zou noemen, de Landkreise Eupen und Malmedy. Hierover gaat Artikel 27 en 34

Article 27.

Les frontières d’Allemagne seront déterminées comme il suit : Du point commun aux trois frontières belge, néerlandaise et allemande et vers le sud : 
La limite nord-est de l’ancien territoire de Moresnet neutre, puis la limite est du cercle d’Eupen, puis la frontière entre la Belgique et le cercle de Montjoie (Landkreis Monschau, nvda), puis la limite nord-est et est du cercle de Malmédy jusqu’à son point de rencontre avec la frontière du Luxembourg ; 

Article 34.

L’Allemagne renonce, en outre, en faveur de la Belgique, à tous droits et titres sur les territoires comprenant l’ensemble des cercles (Kreise) de Eupen et Malmédy.

Eupen en Malmedy krijgen een militaire gouverneur, Herman Baltia(1863-1938) afin d’organiser ces cercles (Kreise) comme un « gouverneur de colonie, mais une colonie en contact direct avec la métropole[1] Herman Baltia maakte voor zijn aanstelling als Koninklijk Hoogcommissaris deel uit van het Institut Cartographique van het leger, een instelling die Leopold II gebruikte om Belgische militairen te détacheren naar zijn koloniaal leger, La Force Publique. Hij maakte er deel uit van de commissie die de zuidelijke grens van de Kongo Vrijstaat definitief moest vastleggen in overleg met de Britten die stukken van Katanga claimden. 

De opzet was om de bewoners van de Oostkantons op te voeden tot « un peuple discipliné, travailleur et heureux d’être entré dans le giron de la Patrie belge » Net zoals in de kolonie moest de eigen geschiedenis worden uitgewist. Een van de eerste beleidsdaden van Koninklijk Hoogcommissaris Baltia was dan ook om een Commission des monuments et sites op te richten die zoveel mogelijk alle naar de Duitse geschiedenis van de streek verwijzende monumenten moest verwijderen of ‘historisch neutraal’ maken. Zo zal hij het monument dat de Pruisische oorlogen van 1864, 1866 en 1870/71 herdenkt laten ontmantelen door de Club Wallon die ook het monument voor de Duitse soldaat in Malmedy onthoofdde. Baltia zelf noemt dit ‘une révision consciente de l’histoire’ De historicus Andreas Fickers omschrijft  het eerder als een ‘amnésie ordonnée lors de cette phase coloniale. 

Tussen 1920, jaar waarin België de kantons officieel in bezit neemt en 1925 wanneer de Belgische wet er volledig is ingevoerd, zullen Eupen en Malmedy een ‘witte kolonie’ kolonie van het moederland België zijn.

 En nu? Nu loopt er een experiment in burgerdemocratie.

 


[1]: Els HERREBOUT, Generalgouverneur Herman Baltia. Memoiren 1920-1925, Bruxelles, Archives Générales du Royaume, 2011, p. 19.”

March 6, 2019 at 5:57 pm 1 comment

2018…2019…en verder

Door Tom Ronse

Nee, een goed jaar was 2018 niet. Het was een jaar van samenpakkende donderwolken. Op alle vlakken: ekonomisch, ecologisch, politiek en sociaal.

Het werd pijnlijk duidelijk dat klimaatsverandering niet enkel voor onze kleinkinderen een probleem is. De mileurampen namen toe, ook in de VS waar de president te midden van de bosbranden en overstromingen bleef beweren dat er niets aan de hand is, dat er niets drastisch moet veranderen, dat er integendeel meer steenkool moet verbruikt worden. En de nieuwe president van Brazilie zet het licht op groen voor een kaalslag in het Amazonewoud. Hallucinant.

Wat er aan de oorzaken wordt gedaan is zo ridikuul weining in vergelijking met de omvang van de bedreiging dat men kan verwachten dat het weer dit jaar niet minder extreem zal zijn en misschien nog meer ontwrichtend.

Op sociaal vlak onhou ik in de eerste plaats de zichtbare groei van de kloof tussen rijk en arm. In New York zie ik bijna dagelijks meer bedelaars terwijl steeds meer glanzende torens de wolken krabben, met luxe-appartementen die soms voor meer dan honderd miljoen dollar verkocht worden. Dit voorjaar waren we in Los Angeles, waar de tentenkampen van daklozen tientallen kilometers voetpad in beslag nemen. Ook in Belgie groeide de kloof. Het aantal armen steeg er tot 17% van de bevolking. De rijkdom nam ook toe en de groep tussen rijk en arm wordt smaller. In armere landen gaat dat proces nog sneller.

De groeiende tegenstelling is een logisch gevolg van de supply side-bestrijding van de krisis. Massale geldcreatie was de motor van de heropleving van de wereldekonomie na “the great recession”. Het gros van die triljoenen ging naar de supply side: de bedrijven, banken en investeerders. Landen die het zouden wagen om de demand side te favoriseren riskeren kapitaalvlucht en galloperende inflatie. De ‘trickle down’-theorie werkte, in zekere mate. De heropleving duurt al relatief lang. Maar als de armoede en het gevoel van bedreiging en onzekerheid al tijdens de heropleving zo sterk stijgen, wat kunnen we dan verwachten als de ekonomie weer crasht?

Dansen op de slappe koord

De heropleving begon te sputteren in 2018. De groei vertraagde overal, behalve in de VS.

Groei in Europa 2018

Maar ook daar verliest de drug van goedkoop geld en fiscale cadeau’s stilaan zijn effect. Beleggers zoeken nerveus naar veiligheid met wilde beursschommelingen tot gevolg. De ‘opkomende landen’ die de eersten waren met wind in de zeilen liggen op apegaaien. De schuldenberg wordt te hoog, er moet worden afgeremd. De centrale banken staan voor een dilemma: ze moeten het lenen intomen, de prijs ervan verhogen maar dat riskeert de recessie in gang te zetten. Maar doen ze het niet, laten ze de rentevoet dicht bij nul, dan kunnen ze de recessie wel uitstellen maar die dreigt dan uiteindelijk veel dieper te worden. En dan kunnen ze de rente ook niet meer substantieel verlagen als de recessie tot een ineenstorting dreigt te leiden. Of ze er in 2019 in slagen om de recessieslang met virtuoze fluctuaties van de rentevoet in haar mand te houden, valt nog te bezien. China wankelt al op de slappe koord. Al de officiele pronostieken (van het IMF, de OESO, de Wereldbank etc) voorzien in 2019 een lagere groei dan in 2018. Nouriel Roubini, een van de enige ekonomen die de recessie van 2008 had voorspeld, verwacht een nieuwe recessie in 2020. Dat geeft ons nog even tijd. Maar om wat te doen?

Voor politici impliceert die ekonomische context zeer weinig manoevreerruimte. Toch op het vlak van beleid. Rethoriek is iets anders. Elk land is verplicht om zich aantrekkelijk te maken voor kapitaal. Kapitaal aantrekken en behouden is nodig om kapitaal te doen groeien, om winst te maken, om tewerkstelling te creeren. Daarover zijn rechts en links het eens. Hun dispuut gaat over de fiscale afroming, hoe groot die mag zijn en hoe de opbrengst moet besteed worden. Links wil de kloof tussen rijk en arm verkleinen, rechts wil de fiscale lasten verlagen. Ze leggen andere accenten maar de ekonomische realiteit maakt de verschillen steeds kleiner. Zelfs waar een linkse partij aan de macht komt zoals Syriza in Griekenland is die verplicht om een ‘rechts’ beleid te voeren: sociale uitgaven beknotten en het fiscaal regime aantrekkelijker maken voor kapitaalbezitters.

Globalisering, automatisering, bezuinigingen, als politicus – als manager of would-be manager van de staat – kun je daar niet tegen zijn. De noodzaak om kapitaal te doen groeien zet de grote lijnen uit. Politici lullen daar maar wat rond.

Dat laatste is natuurlijk overdreven. Scherpe tegenstellingen kwamen aan bod in 2018. Over Brexit bijvoorbeeld en over Trumps handelstarieven. Een no deal-Brexit of een escalatie van de handelsoorlog tegen China zou dit jaar de recessie in gang kunnen zetten. Ik vermoed echter dat de kans groot is dat de no deal op het laatste nippertje zal vermeden worden en dat Trump zal de-escaleren. Misschien is het zijn instinkt om roekeloos de inzet van zijn pokerspel met China te verhogen maar de kapitaalmarkt zou hem snel dwingen om in te binden. Dat heeft hij al vaak moeten doen. Onlangs nog, toen hij de onmiddelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Syrië aankondigde. Die is intussen op de lange baan geschoven. Trump noemde Nafta – het vrijhandelsverdrag met Canada en Mexico – herhaaldelijk “het slechtste handelsverdrag uit de Amerikaanse geschiedenis” en sloot daarna een akkoord met de buurlanden dat Nafta impliciet herbevestigde, op enkele kleine wijzigingen na. Telkens wordt Trump door wat hij zelf “the deep state” heeft genoemd terug op “het rechte pad” geduwd als hij er te ver van afwijkt. Ook Brexit en de handelsoorlog met China zullen in 2019 wellicht meer spektakel dan echte verandering blijken.

 

De zondebok

Ekonomische krisis en klimaatrampen staan voor de deur. Noch links noch rechts heeft een oplossing. Wat de klimaatkrisis betreft steekt rechts zijn kop in het zand, terwijl links ijvert voor akkoorden die zand in de wind blijven. Ook op ekonomisch en sociaal vlak hebben ze geen echt alternatief. Ze willen uitgaven A verhogen en uitgaven B verlagen en omgekeerd, alsof dat iets wezenlijks zou veranderen.

Je zou denken dat het gebrek aan keuzemogelijkheden zou leiden tot roerende eensgezindheid tussen de politici maar het tegendeel is waar. De toon van het politiek debat is in 2018 nog bitsiger geworden. Nog harder, nog leugenachtiger. Net omdat er geen wezenlijke verschillen zijn wat het essentiële sociaal-ekonomisch beleid betreft, worden de symbolische verschillen extra in de verf gezet. In 2018 en ongetwijfeld ook dit jaar werd/wordt daarvoor vooral het thema immigratie gebruikt.

Niet dat immigratie geen echt probleem is. Het feit dat zoveel mensen ertoe gedreven worden om hun vertrouwde omgeving te verlaten en bereid zijn om de grootste gevaren te trotseren om ergens te geraken waar ze enige hoop op een toekomst kunnen hebben, geeft aan hoe ellendig en uitzichtloos het leven op veel plaatsen op aarde is geworden. Dit gebeurt, onder meer, net omdat de ekonomie zo efficiënt is: dankzij de automatisering en de globalisering vereist produktie steeds minder arbeidstijd, worden steeds meer mensen “overbodig”. Natuurlijk is er een aanzuigeffect dat “overbodigen” – de meest ondernemenden onder hen – naar de landen lokt waar het kapitaal geconcentreerd is; waar er nog vraag is naar arbeidskracht.

Maar in feite bestaat er ook over dit probleem een brede consensus tussen rechts en links. Beiden aanvaarden de noodzaak van een gecontroleerde immigratie. De westerse ekonomie heeft immigranten nodig maar met mate. Iedereen is tegen open grenzen en, in theorie, tegen de mishandeling van vluchtelingen. Dat er binnen die consensus verschillen bestaan over wat dat in de praktijk betekent, is ongetwijfeld waar. Maar de grote lijnen zijn uitgezet.

De liberale demokratie is het politieke spiegelbeeld van de vrijemarkt-ekonomie. Grote en kleine bedrijven concurreren voor dezelfde markt, dezelfde kiezers. Ze verkopen ideologie, sentiment en personaliteiten. Ze verkopen een merk. De kleinere bedrijven zoeken hun niche. Ze willen allemaal in de eerste plaats groeien, net als gewone bedrijven. Daartoe sturen ze voortdurend hun profiel bij. De versmalling van de verschillen ten gronde doet hen grijpen naar symbolen met een sterke emotionele resonantie. Het immigratie-debat is daar zeer geschikt voor. Het wekt hevige emoties op die het kiesgedrag in niet geringe mate kunnen bepalen. Ik stel me voor dat Kongresleden in de VS of partijbureau’s in Belgie van hun pollsters een grafiek hebben gekregen die er bijvoorbeeld zo uitziet:

(De lijn “A” drukt de empathie voor immigranten uit, de lijn “B” de angst voor immigranten en de kurve het aantal stemmen dat men kan verwachten.)

Op basis daarvan kunnen ze hun slogans en symbolen kiezen. Niets illustreert het symbolisch karakter van hun geschillen beter dan de huidige politieke impasse in de VS over de muur van Trump. Voor de ongedocumenteerde immigranten zou die muur slechts één obstakel meer zijn in hun hindernissenkoers. Een ladder van 25 dollar volstaat om die klus te klaren, zoals de Mexicaanse oud-president Vicente Fox opmerkte.

Om het zogezegde doel – de illegale immigratie stopzetten – te bereiken is het een bijzonder inefficiënt middel. Voor de Amerikaanse ekonomie is dat maar goed ook want ze heeft de ongedokumenteerden nodig. Trump heeft zelf ongedokumenteerden in dienst in de keukens en op de terreinen van zijn golfclubs in Florida en New Jersey. Maar de muur is een symbool dat zegt, eigen volk eerst, vreemdelingen buiten. De muur evokeert bescherming, tegen de buitenwereld, tegen een onzekere toekomst. De muur is een vuist, een bokshandschoen, een monument voor blank Amerika. Een thermometer die de angst voor de toekomst meet.

Pieter Breugel: Met den hoofde tegen den muer

De gedeeltelijke lamlegging van de publieke sector als gevolg van dit dispuut zal de Amerikaanse ekonomie weldra meer kosten dan de 5,7 miljard dollar die Trump voor zijn muur eist . 1   Dat de Demokraten desondanks het been stijf houden toont dat de muur – die in het totaal van de begroting maar een detail is – ook voor hen een belangrijk symbool is dat hen toelaat om zich te profileren en waarden te afficheren die voor een groot deel van de bevolking belangrijk zijn: anti-racisme, empathie voor vluchtelingen, etc.

Een soortgelijk symbolisch gevecht over een niet-bindend migratiepakt leidde in België tot een regeringskrisis. Je vraagt je af of dat ook zou gebeurd zijn als die VN-conferentie in plaats van in Marrakesh in Oslo zou zijn georganiseerd.

Ik beweer niet dat symbolen geen belang hebben. Ze manipuleren de gedachten. Ze spinnen een verhaal waarin mensen willen geloven. Er bestaat een breed en diep verlangen naar een breekpunt met de status quo, naar een andere toekomst dan deze die ons te te wachten lijkt te staan. Politici hebben op dat vlak niets te bieden. Ze hebben geen plausibele strategie om uit de systemische krisis te ontsnappen. Geen wonder dus dat de tendens toeneemt om dat verlangen een mikpunt te geven, een zondebok die in de woestijn kan worden gejaagd en alle zonden met zich meeneemt. Immigranten, vooral deze met een andere huidskleur, taal en religie, zijn ideaal voor die rol.

Het is een discours dat ons leert denken in termen van “ons volk” en “de vijand”. Het is impliciete oorlogsvoorbereiding. “You will not replace us !” scandeerden Trump-fans op rechtse betogingen. Sommigen onder hen maakten daar “Jews will not replace us” van. De identiteit van de vijand kan veranderen – China maakt wat dat betreft meer kans dan de joden – maar het verhaal blijft hetzelfde.

Het doel van de politici die dit discours hanteren is uiteraard de macht veroveren en de bevolking ideologisch aan zich binden zodat ze hun gang kunnen gaan. Viktor Orban, zowat de extreemste anti-immigrant onder de Europese leiders, dacht dat hij daar zo goed in geslaagd was dat hij de Hongaarse arbeiders dwangarbeid kon opleggen. Het massale verzet dat tegen zijn “slavenwet” rees, was een van de weinige lichtpunten van 2018. Of dat verzet voldoende massaal en radikaal is om Orban te doen terugkrabbelen, valt nog te bezien.

Lichtpunt

Een groter lichtpunt was de (nog steeds niet uitgedoofde) beweging van de “gele hesjes”. De werkende bevolking ligt al vele jaren zonder al te veel tegen te stribbelen onder de stoomwals van het “neo-liberalisme”, een politiek gedreven door het systematisch zoeken naar lagere loonkosten. De Gele Hesjes-beweging is in de eerste plaats een massale weigering om die situatie te blijven ondergaan.

Zoals alle belangrijke sociale bewegingen is ze spontaan ontstaan. Geen partij of vakbond had ze voorzien of georganiseerd. Van bij het begin verzetten de gele hesjes zich tegen inmenging of controle van deze instituties. Ze tolereren geen leiders die in hun naam spreken en onderhandelen. Ze hebben voor Macron gestemd, of voor Le Pen of Melenchon, maar in hun acties maakt dat geen verschil. Hun strijd is niet “demokratisch”, hij is een afwijzing van electorale strategieen. Dat heeft hij gemeen met de pleinbezettingsbewegingen van de Indignados, Occupy Wall Street en, meer recent, Nuit Debout. Maar de Gele Hesjes-beweging is veel massaler. In hun honderden, zoniet duizenden wegenblokkades, betogingen en andere akties, ontdekten de gele hesjes banden van solidariteit. Mensen kwamen in hun buurten samen met anderen die ze vroeger negeerden. Er werd een eenheid gesmeed, ondanks de soms aanzienlijke verschillen in sociale achtergrond en politieke opinies.

De brandstoftaksen waren enkel de vonk aan de lont. Het gaat om veel meer. Er werd gezegd dat de gele hesjes zich enkel bekommeren over “einde van de maand”- problemen (koopkracht) terwijl de brandstoftaks was opgelegd uit bekommernis voor “het einde van de wereld”. Maar in Parijs en andere steden vervoegden de gele hesjes de “mars voor het klimaat”. Een grote spandoek verkondigde: “Einde van de wereld, einde van de maand: verander het systeem, niet het klimaat.” Beide problemen resulteren van dezelfde logica die mensen reduceert to handelswaar en winst het enige objektief maakt van alle produktieve aktiviteit.

En de “casseurs”? Die doen soms domme dingen en vaak proberen de minder heetgebakerde gele hesjes hen in te tomen. Maar de hesjes zien ook het geweld van de andere kant en in de konfrontaties met de “ordestijdkrachten” zijn de casseurs bij de dappersten. De regering en de gezagsgetrouwe media gebruiken hun excessen om de hele beweging voor te stellen als een bende ‘relschoppers’ (een favoriete term van onder meer De Morgen), geinspireerd en opgestookt door uiterst rechts. Maar intussen blijft de grote meerderheid van de bevolking volgens de polls de beweging steunen.

Natuurlijk zijn er onder de gele hesjes mensen die rechtse ideeen koesteren, die bvb. immigranten buiten willen. De gele hesjes zijn in dit conflict gesprongen met al de ideologische bagage die ze al hadden. De gezamenlijk strijd verandert die wel maar we mogen geen mirakel verwachten. Zeker als die strijd afzwakt – wat nu lijkt te gebeuren – zal de aanwezigheid van uiterst rechts en uiterst links wellicht prominent worden. Voor elk valt er wat te rapen als het doodbloeden van de strijd teleurgestelde gele hesjes terugdrijft naar de elektorale arena.

Is het sop de kool waard? Wat zal de beweging bereikt hebben? Konkreet niet veel, vrees ik. Maar toch was – is – het misschien een niet onbelangrijke stap naar een betere wereld. Dat is wat de gele hesjes willen. Een betere wereld, een wereld voor de mensen. Ze weten niet hoe er te geraken, ze weten alleen dat de huidige weg niet deugt. Dus waren ze eerlijk toen ze geen specifieke eisen stelden, behalve het ontslag van Macron (dit laatste alweer voor de symboliek, niet omdat dat iets zou veranderen). Maar op vele honderden gele hesjes-bijeenkomsten werd er druk gediscussieerd over hoe de wereld anders georganiseerd zou kunnen zijn. Allerlei ideeen deden de ronde en de populairste (“meer referendums!”) waren niet noodzakelijk de beste. Maar op zijn minst probeerden ze wat we , in 2019 en verder, collectief moeten doen om te overleven: ons een andere wereld inbeelden.

 

1 Het feit dat zovele werknemers zo snel beroep moesten doen op food banks en andere liefdadigheid illustreert overigens goed wat we eerder schreven over de groeiende kloof tussen rijk en arm en de toegenomen schuldenlast van de consumenten.

January 19, 2019 at 7:16 am Leave a comment

Onder Israël ligt Palestina en onder Tel Aviv ligt Jaffa.

Door Lucas Catherine

Over Witte en Zwarte steden.

Tijdens de kolonisatie heeft Europa zijn cultuur opgedrongen aan de landen en volkeren die het overheerste. Dat is ook te merken aan de koloniale architectuur. Europa exporteerde zijn toenmalige architectuur naar Afrika en het Midden-Oosten. Dit gebeurde op verschillende manieren, maar grotendeels kwam het hier op neer: Vaak negeerde men de bestaande lokale stad en bouwde er een nieuwe witte, Europese stad naast. Kon men de lokale cultuur niet echt negeren dan vond men volgens de koloniale ideologie die minderwaardig of onvolmaakt en men ging de stad een nieuw, ‘mooier’ uitzicht geven. Vooral de Fransen waren hierin actief. In Noord-Afrika bouwden ze volledig nieuwe steden, meestal in Art Deco, zoals Dakar, Kenitra of Casablanca. Casablanca telt nu nog 2.000 art-deco gebouwen.

Art Deco Dakar

 

Casablanca

Kenitra

Maar ze bouwden ook in Arabiserende stijl, Arabisances. Dat kwam zo: Gustave Le Bon, de eerste grote Franse specialist in Arabische kunst schreef in 1884 La Civilisation des Arabes. Hij vond dat de Arabische kunst, en dus ook de architectuur verstard was en moest vernieuwd worden. Die beschaving moest weer op gang worden getrokken en dat was dan ook de taak van de Fransen. En zo ontstond Arabisances. In Rabat, maar ook in Tunis zijn er talrijke voorbeelden van. In feite is het een vorm van Art Deco maar de decoratieve elementen gaat men zoeken in de architectuur van het Midden-Oosten. Zo vind men in Rabat gebouwen met gevels geïnspireerd op vroegere Egyptische architectuur. Zelfs benzinestations werden in die stijl gebouwd.

Rabat

Een ander voorbeeld van zo’n mengeling tussen Art Deco en Arabisances is Heliopolis door de Belg Empain naast Cairo gebouwd. De Belgen zelf hielden het in Congo bij gewone Art  Deco

Heliopolis

Kinshasha Leopoldville

 De Britten hebben minder architecturaal ingegrepen in hun kolonies, alhoewel. Zo vonden zij dat Zanzibar te Swahili en te Indiaas was en te weinig Arabisch. De meest Arabisch uitziende gebouwen in die stad zijn dan ook van de hand van J.H.Sinclair (°1871) en Majoor E.A.T. Dutton. Zij bouwden ondermeer het Kibweni Paleis en Beit el Amani.

Beit el Amani Zanzibar

 

Zowel de Fransen, de Britten als Empain zondigden hierbij tegen basisregels van de Arabische architectuur: geen ramen aan de buitengevels en gaanderijen liepen langs de binnenkoeren, niet langs de straatkant. Al deze Witte steden zijn ondertussen overgenomen door de voorheen gekoloniseerden en de kolonisator heeft zijn greep op de stad verloren.


Er is een uitzondering: de Witte Stad, Tel Aviv die de vroegere ‘zwarte’ stad Jaffa opslorpte en die nog altijd typevoorbeeld is van hoe de Europese zionisten Palestina koloniseerden. Jaffa was de politieke en economische hoofdstad van de Palestijnen.Tel Aviv begon als een voorstad van Jaffa. Het werd pas in 1934 een aparte stad.

Jaffa, of de Bruid van de Zee verkracht

أذكر يوماُ كنت بيافا

خبرنا خبر عن يافا

Ik herinner mij dat ik ooit in Jaffa was

Vertel mij over Jaffa…

(Chanson van Fairuz, op de LP Al Quds fi al Bal, Jeruzalem in mijn gedachten)

Jaffa was in de negentiende eeuw in volle expansie. Het was een van de belangrijkste havens in het Midden-Oosten. De Palestijnen noemden haar Urus al Bahr, Bruid van de ZeeVanaf 1850 installeren Russische, Franse, Britse en Duitse consuls zich in het land. Zij geven ons een tamelijk heldere beschrijving van de economie. Uit hun rapporten blijkt dat Palestina nogal wat producten uitvoert. Vanuit Jaffa vertrekken zeep, olijfolie, fruit en groenten naar Egypte; sesamzaad, olijfolie, granen en katoen naar Frankrijk, gierst naar Groot-Brittannië en wordt er verder ook nog geëxporteerd naar Syrië, Griekenland, Italië en Malta. De Palestijnse economie kent in de jaren 1850 een sterke opgang in de graanteelt, in de jaren 1860 gevolgd door de katoenteelt.

En dan zijn er de sinaasappels. Vanaf de achttiende eeuw stond Palestina echt bekend om zijn sinaasappelen. Na het einde van de Krimoorlog in 1856 raakte de export van appelsienen in een stroomversnelling. Jaffa zelf had grote plantages (zie kaart uit 1905) maar was ook de uitvoerhaven voor de plantages in heel de streek tot Gaza, vandaar dat dit de merknaam werd. In 1873 – het zionisme moest nog worden uitgevonden – telde de streek rond Jaffa al 420 sinaasappelplantages met een jaarlijkse productie van 33,3 miljoen stuks. Na 1875 veroveren de Jaffasinaasappelen onder die merknaam de Europese markt. In een rapport uit 1880 noteert de Britse consul in Jeruzalem dat de beste belegging in Palestina de citrusplantages zijn. In 1886 vestigt de Amerikaanse consul Henry Gillman in een rapport aan Washington de aandacht op de geavanceerde enttechnieken van de Palestijnse boeren: ‘Het zou nuttig zijn dezelfde technieken in Florida toe te passen.’ Een andere Britse consul rapporteert in 1893: ‘De sinaasappelbomen uit Palestina zijn superieur aan die in de andere kolonies. Zowel in Zuid-Afrika als in Australië zou men er goed aan doen boompjes uit Jaffa te importeren.’

In 1858 bedroeg de waarde van de export uit Jaffa 12.244 Turkse pond (Palestina was tot WO I onderdeel van het Turks-Ottomaanse Rijk). In 1882 was dit verdrievoudigd tot 37.802 Turkse pond. En de bevolking groeide aan. De haven bood werk. Er ontstonden nieuwe wijken in de stad. Ten noorden, rond de haven groeide vanaf WO I de wijk Manshieh. Ze ontwikkelde zich in het duinengebied langs de zee.

Er arriveerden zelfs Europese christelijke sekten. De Duitse protestantse sekte van de Tempeliers sticht in 1871 haar eerste kolonie, Sarona net ten noordoosten van Jaffa en nu ook onderdeel van Tel Aviv (Hakiryat). Zij kwamen uit Schwaben en noemden zich naar de Orde der Tempeliers die aan de kruistochten deelnamen.

Maar er arriveerden ook de eerste Europese joden. Zij vestigden zich eerst binnen de stad Jaffa in wijken die ze hebreeuwse namen gaven: Neve Zedek (Huis der Rechtvaardigen,1887) en Neve Shalom (Huis van Vrede). Die grensden aan Manshieh. Wanneer na 1897 de eerste Europese zionistische kolonisatoren arriveren kopen die van groot-grondbezitters tuinen en plantages op die meer landinwaarts lagen, achter de duinen. Een spilfiguur hierbij was de in Jaffa geboren bouwondernemer, Yosef Chelouche. Er arriveerden ook Jemenitische joden, aangetrokken door de economische bloei van Jaffa. Zo ontstond in 1904 de meest noordelijke joodse wijk, Mahane Israël (nu Kerem Hateimanim, ‘De Jemenitische Wijngaard’). Het was een soort buitenwijk van Manshieh. Hier lag de basis van wat later Tel Aviv zou worden. De mythe zal later willen dat het een andere wijk was, het vijf jaar later gestichte Ahuzat Bayit. (zie infra).

De Witte stad, gebouwd op de Duinen.

De eerste joodse wijk in wat later Tel Aviv zou worden was dus de Jemenitische wijk van Manshieh. In 1906 stichten Europees-joodse kolonisten de vereniging Ahuzat Bayit (Thuis-stad). Zij zullen via stromannen om de Ottomaanse overheid te misleiden, een strook land van 4ha aankopen en de 60 plots onder elkaar verloten. Daarvoor hadden zij inderdaad duinengebied uitgekozen. Alhoewel, de plek heette in het Arabisch Karm Jebali (Wijngaard op de Heuveltop) en het heeft drie jaar geduurd eer de bedoeïenen die er semi-permanent verbleven konden worden weggewerkt. Deze wijk Ahuzat Bayit slorpte in 1909 drie voorheen gestichte kolonies op: Neve Tzedek, Neve Shalom en Mahane Yehuda (Het Joodse Kamp) en de nieuwe entiteit koos voor de naam Tel Aviv.

Wat het huidige Tel Aviv betreft is het duidelijk als je kaarten uit 1898, 1905 en 1917 vergelijkt dat het grootste gedeelte van het oude Tel Aviv is gebouwd op wijngaarden, tuinen en boomgaarden en dat Arabisch Manshieh op duinzand werd gebouwd. De Israëlische architect Sharon Rotbard heeft het overtuigend aangetoond in zijn boek White City, Black City waaruit ik trouwens ook erg veel andere informatie heb gehaald.

Baedecker 1905

De kaart van Baedecker is erg duidelijk, waar collines de sablestaat kwam Arabisch Manshieh daarachter lagen vignobles/wijngaarden en verder grote stukken brande/schorren. Schorren zijn begroeide, overstromingsgevoelige stukken land waarop aan landbouw of veeteelt kan worden gedaan. Denk aan het Brusselse Schaarbeek dat eigenlijk (en in het Brussels nog altijd) Schorrebeek heet. Het dorp Summeil en zijn tuinen lag op zo’n schorre en ook het gehucht Abdel Nebi. De citrusplantages lagen rond het dorp Abu Kebir.

Onder het Ottomaans bewind waren er nog geen grote problemen omdat de overheid de Europese kolonisatie afremde. De problemen kwamen er echt nadat de Britten na WOI het bestuur over Palestina overnamen en de zionistische kolonisatie officieel steunden. Toen ontstond ook het eerste verzet. In 1909 was in Jaffa trouwens al de antizionistische krant Filastin verschenen. Er volgden revoltes tegen de kolonisatie in de jaren 1920 en 1930. Telkens was Jaffa één van de centra.

Daarop besloten de kolonisten om Tel Aviv van Jaffa de facto af te scheiden. De immigratie werd opgedreven en in de jaren 1920 vertwintigvoudigde de bevolking van Tel Aviv (van 2.804 naar 42.000 inwoners). Ze begonnen ook met de aanleg van een eigen haven, apart van Jaffa.

Na WOII wilden de zionisten niet langer een staat in de staat zijn, maar hun eigen staat creëren. Dat gebeurde met geweld en moord. 418 Palestijnse dorpen werden verwoest en de bevolking verdreven. En Tel Aviv deed mee. In 1948 slorpte de stad alle Arabische buurdorpen van Jaffa op: Summeil, Ajami, Jabaliya, Abu Kebir en Sheikh Muwanis. Al die dorpen werden grondig verwoest en gebulldozerd, nadat hun Palestijnse inwoners manu militari werden verjaagd, net zo in Jaffa, dat in 1954 een deelstad van Tel Aviv werd.

Summeil-Masudiya

Die aanval tegen de buurdorpen werd al ingezet, nog voor de staat Israël op 15 mei werd uitgeroepen en ondanks het feit dat die dorpen zich alles behalve vijandelijk opstelden. In december 1947 vergaderden de mukhtars (burgemeesters) van onder meer Sheikh Muwanis en Summeil met de zionistische militie en stelden zich vriendschappelijk op. Toch werden deze dorpen in februari 1948 al vernietigd en etnisch gezuiverd. Op de plek waar eens Sheikh Muwanis lag staat nu de Universiteit van Tel Aviv.

De eerste dichtbevolkte wijk van Jaffa, Al Manshieh werd vanaf 25 april veroverd door Etzel, de zionistische militie die sympathiseerde met Mussolini en die onder leiding stond van de latere premier Menahem Begin.

Manshieh 1948

Abu Kabir

Daarna volgde Jaffa zelf dat voor 75% werd gebulldozerd en de inwoners verdreven, op zo’n 3.650 na die werden samengedreven in de zuidelijke wijk Ajami. In 1954 werd Jaffa herleid tot een hippe wijk van Tel Aviv.Van Jaffa blijven nu nog enkele kleine relicten over, voor toeristisch gebruik: De Sint-Pieterkerk, de moskee, het kanon van Napoleon, de Andromeda-rots en een pseudo-historische wijk, eerder een tourist-trap. De verovering van Jaffa verliep erg gewelddadig. Zwaar mortiergeschut dat hele woonwijken plat bombardeerde. Massaal gebruik van terreur: vanaf de heuvels werden ‘barrel bombs’ naar beneden gerold. Zo rolden twee leden van Etzel, Chelbi ben David en Shaul Bador zo’n bomvat binnen in café Venezia naast de Al Ahamra-cinema die veertig burgerdoden maakte. Die terroristen zijn nu Israëlische nationale helden.Dan volgde het plunderen. Om mij te beperken tot een zionistische bron:

De Irgun (Etzel) soldaten begonnen te plunderen. Eerst kleren, bloesjes en juwelen voor hun liefje, maar daarna begonnen ze systematisch te plunderen, alles wat maar kon meegezeuld worden: meubels, tapijten, schilderijen, huisraad, serviezen, bestek… en wat ze niet konden meenemen werd systematisch vernietigd: ramen, piano’s, lusters, een ware vernielorgie.“ Jon Kimche, Seven Fallen Pillars, Londen 1950.

Sheikh Muwanis is nu Ramat Aviv, Salama: Kfar Shalem, Manshieh: the City, Summeil: Givat Amal en Jamassin: Bavli.Ter eer en glorie van deze fascistische Etzel-militie werd Etzel House opgericht op het puin van het enige overblijvende huis van Arabisch Manshihe. Over het puin werd een grote glazen kubus gebouwd.

Etzel House, het museum van de overwinnaars.

Om de tekst te citeren op de gedenkplaat binnen: “from the shattered walls of the old building grow dark glass walls… An attempt to freeze the special moment and time of the day that Jaffa was liberated.” Maar over hoe Jaffa werd ‘bevrijd’ geen woord. Sharon Rotbard vergelijkt het architectonisch concept van dit museum met de Ruinenwerttheorie “Waarde van Ruïnes”-theorie van Albert Speer. En concludeert over dit Etzel-museum: “Never before in the history of architecture has such an ugly truth been displayed in such a false, spruced up manner.”

De Bauhaus-stad

 

In 2003 voegde Unesco Tel Aviv toe aan de lijst van het Werelderfgoed: “The White City of Tel Aviv is a synthesis of outstanding significance of the various trends of the Modern Movement in architecture and townplanning in the early part of the 20th century.”

Daarop lanceerde men in Israël de mythe dat Tel Aviv niet alleen een witte stad was, maar ook een Bauhaus-stad, een stad van de International Style. De witte elite van Israël bestaat vooral uit Askenazi joden, en dat woord betekent in het Hebreeuws: Duits. In het jiddish-Duits heten ze Yekkes. Het zijn zij die in 1933 met de nazi’s een samenwerkingsakkoord afsloten waarin een transfer van mensen en kapitaal werd vastgelegd. ‘Transfer’ is in het Hebreeuws ‘ha’avara’. Als gevolg van deze Ha’avara-akkoorden kregen tussen 1933 en 1939 16.000 kapitaalkrachtige Duitse joden toestemming om naar Palestina te emigreren en om 31.570.000 toenmalige ponden (nu miljarden euro) te transfereren. Zij werden de economische elite. Een van de bedrijven die ze oprichtten was de Nesher cementfabriek, de grootste industrie van toenmalig Palestina. Nesher is Hebreeuws voor Adler, Adelaar. Alles wat Duits is, is kwaliteit vinden de Yekkes en zij schreven dan ook de geschiedenis van Tel Aviv. Een Witte Stad met Duitse origine, dankzij een link met Bauhaus, de befaamde architectuurschool in Dessau. En het verhaal dat Tel Aviv een soort annex van de Duitse cultuur zou zijn werd in Duitsland zelf gretig overgenomen.

Maar klopt dat? Tel Aviv zou een witte stad zijn, maar eigenlijk is het een blanke stad. Veel wit zie je niet. Toen de bekende Franse architect Jean Nouvel in 1995 de stad bezocht was hij zwaar ontgoocheld: Men heeft mij verteld dat dit een witte stad is. Zie jij ergens wit? Ik niet.” Het is een grijze, vale stad.

Is het een Bauhaus stad? Nu zijn er wel vier Israëli’s die aan de Bauhaus-school hebben gestudeerd: Shlomo Bernstein, Munio Weinraub-Gitai, Shmuel Mechtekin en Aryeh Sharon. Maar zij hebben nooit een groep gevormd of samen gewerkt onder de naam Bauhaus, want zei Aryeh Sharon in een interview: “Bauhaus is geen concept, laat staan een uniforme instelling.” En vooral, ze werkten na WO II, terwijl de gebouwen die nu in Tel Aviv “Bauhaus-Style” worden gecatalogiseerd dateren uit de jaren 1920.

Maar de overgrote meerderheid van de architecten die volgens de “Bauhaus Style” in Tel Aviv actief waren hebben in Frankrijk of België gestudeerd en werden niet door Bauhaus beïnvloed maar door de Franse koloniale architectuur van ondermeer Le Corbusier, daarom dat Tel Aviv zo gelijkt op Algiers of Casablanca. In België studeerden: Haim Casdan (Brussel), Benjamin Ankstein (Brussel) en een van de bekendste Israëlische architecten, Dov Karmi (Universiteit Gent, 1929.)

Om tot slot nog eens Sharon Rotbard te citeren: “In tegenstelling tot Tel Aviv zijn de witte regeerders uit Casablanca, Algiers of Dakar vertrokken en blijven nog alleen hun gebouwen over. In Tel Aviv overheerst nog altijd de cultuur van de witte regeerders en nu meer dan ooit. Tel Aviv is dan ook een voorbeeld tot wat Casablanca, Algiers of Dakar waren geworden als de Franse kolonisatie was blijven verder duren.”

 

Lucas Catherine, vanuit zijn art-deco appartement in Brussel.

December 20, 2018 at 11:51 am Leave a comment

BIJ DE VAL VAN EEN REGERING

Door Johan Depoortere

De persconferentie van Bart De Wever gisteravond (zaterdag 8 december 2018) gaf ons een inzicht in wat we de komende maanden kunnen verwachten. De Wever toonde zich in zijn favoriete rol van slachtoffer, Calimero: “Niet wij hebben de val van het kabinet veroorzaakt, wij worden eruit geduwd omdat ons geen gezichtsbesparend compromis in de kwestie van het immigratiepact werd gegund.” Dat is een merkwaardige omkering van de feiten. De NVA-ministers in de regering Michel – die voortaan Michel 1 zal heten – hebben tot na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober met geen woord voorbehoud gemaakt bij de afspraak om dat fameuze pact goed te keuren. Sterker: begin oktober nog vond het kabinet van minister van Binnenlandse Zaken Jambon dat het pact gepromoot moest worden bij ”derde landen” omdat de tekst het terugsturen van migranten zonder verblijfsvergunning makkelijker zou maken. (http://www.standaard.be/cnt/dmf20181129_03998994.

De magere resultaten van de gemeentraadsverkiezingen voor de NVA en het succes van het Vlaams Belang deden de partij van de Wever naar de noodrem grijpen. En wat is beter om het twijfelende kiespubliek te bewerken dan een portie angst voor de vreemdeling, de chaos, de “overrompeling van onze grenzen.” Het voorbeeld van Wilders, Baudet, Orban en Salvini wenkt: rechts populisme zit in de lift en de NVA ziet haar kans schoon om op die golf mee te surfen. Een walgelijke leugencampagne tegen het migratiepact was nog maar het begin. Ja de campagne werd vrijwel onmiddellijk offline gehaald (en prompt overgenomen door De Winter) maar de boodschap was intussen overgekomen. Kijk naar de vele reacties op Facebook en je merkt dat het hondenfluitje gehoord is door wie het moest horen: Marrakesh = de grenzen open en de “invasie” van vluchtelingen en “gelukzoekers.”

Op zijn persconferentie ging De Wever op dat elan verder. De verkiezingscampagne is begonnen en de grote leider bracht behendig maar niet zo subtiel het codewoord aan: Marrakesh. De coalitiepartijen die doorgaan in dit kabinet zijn de “Marrakeshpartijen” en de regering de “Marrakeshregering.” Je kunt er donder op zeggen dat het de komende weken en maanden tot walgens toe zal worden herhaald. Niet gehinderd door enige verantwoordelijkheid zal Theo Franken zijn inwendige twitterende Trump ongeremd loslaten. De twee persona’s in De Wever zullen moeten kiezen tussen de burgemeester van Antwerpen die wil besturen met de vermaledijde socialisten en de partijvoorzitter die voluit wil gaan in het opbod met de extreem-rechtse concurrentie.

Een andere uitspraak van De Wever gisteravond verdient meer aandacht dan ze tot nu toe in de media heeft gekregen. “Het parlement is vóór Marrakesh, de bevolking is tégen,” beweerde de NVA-voorzitter, annex burgemeester, annex volksvertegenwoordiger. Dat is rechts-populisme pur sang. Niet alleen liet De wever na duidelijk te maken hoe hij dat wist, hij herhaalde wat zijn voorbeelden Orban, Wilders en Le Pen voortdurend erin hameren: “Niet de elite van verkozen politici weet wat het volk wil, wij weten dat.” Het zal in alle toonaarden tussen nu en de verkiezingen in mei gezongen worden.

De Belgische regering is gevallen, met of zonder zal het Global Compact for Migration worden goedgekeurd en internationaal de basis vormen voor samenwerking op het vlak van migratie. Dat is een goede zaak al hoeven we er geen wonderen van te verwachten. Niet één migrant/vluchteling zal door deze internationale intentieverklaring méér of minder naar Europa komen. Maar de discussie over het pact binnen het kabinet en in het parlement was verworden tot een pure symbolenkwestie waar de inhoud met al zijn nuances ver naar het achterplan was gedreven. De regering is niet gevallen over de dringende problemen van deze tijd: de klimaatcrisis, onze dichtslibbende wegen, betaalbare gezondheidszorg, energievoorziening en nog veel meer. Dat Michel 2 deze problemen zou aanpakken lijkt helaas alles behalve waarschijnlijk.

Voor wie het zou interesseren, dit is de volledige tekst van het Global Compact for Migration.

December 9, 2018 at 12:00 pm 3 comments

De Buik van Brussel

Door Lucas Catherine

Nu hier zo plechtig aangekondigd werd dat het Salon geen commerciële reclame meer zal bevatten, profiteer ik ervan om culturele reclame te maken voor mezelf, of toch voor een project waar ik mee bezig ben: De Buik van Brussel, en dat heeft niets te zien met mijn eigen fysieke voorkomen. Bij Brussel denkt iedereen aan de Grote Markt of De Marollen, niemand aan De Buik van Brussel. Wel daar moet wat aan gedaan worden dacht ik en om u een idee te geven waarover het gaat: dit korte stuk.

De term Buik van Brussel is ooit gelanceerd door architect en socialistisch volksvertegenwoordiger, Fernand Brunfaut. In het culturele tijdschrift Germinal (10/9/1950) schrijft hij over de markten van Sint-Kathelijne en de Vismet als over Le Ventre de Bruxelles. Zelf refereert hij hierbij naar de roman van Emile Zola, Le Ventre de Paris (1873) die rond de Hallen van Parijs speelt en de sociale strijd beschrijft tussen de Vetten en de Mageren (zie ook het Eiland Amoras van Willy Vandersteen, uit 1945). Recent wordt de term ook gebruikt voor de restaurantbuurt rond de Grote Markt. Maar dat is fake history voor toeristen. Het gaat wel degelijk om de Vismet en Sint-Kathelijne waarover Jacques Brel zong: 

C’était au temps où Bruxelles bruxellait
Sur les pavés de la place Sainte-Catherine 
Dansaient les hommes les femmes en crinoline

Waarom er nu over schrijven ? Wel de markt van Sint Kathelijne is tegenwoordig maar pover, vier kraampjes op zaterdag, en de Vismet werd al in 1955 afgebroken.

 

Tot voor kort bleven er nog talrijke vishandelaars gevestigd. Nu is er nog slechts één. Voor hoe lang nog? Voor ze volledig verdwijnt wil ik haar geschiedenis schrijven en de vertelsels opschrijven die men in sommige staminees rond de Vismet nog vertelt. 

Ik geef er u eentje:

De Haai van de Vismet

De grootste vishandel van België was in de jaren 1980 op de Vismet gevestigd: Vishandel De Baquer. In de jaren 1990 begon het slecht te gaan, met alle vishandels en ook met De Baquer. Men probeerde klanten te lokken met spectaculair waterwild: Dick Fish begon krokodilsteak te verkopen en iemand kwam op het gedacht om haai te importeren. De vis arriveerde, maar ‘viel van de camion’ dankzij Clarence. Dat was een bijnaam: de man was een flierefluiter en keek scheel net zoals Clarence de schele leeuw in de toen immens populaire tv-serie Daktari. En net zoals die leeuw lummelde hij zo maar wat rond. Op een dag dweilde hij alle restaurants van de Vismet af met een kleine haai en probeerde die te verkopen. Maar geen van de koks wou die haai bereiden. Waarschijnlijk ging het om een hondshaai, een goedkope vis die nu nog als pseudo zalm of tonijn wordt verkocht, en ten langen leste wendde hij zich tot De Baquer. Daar werd de haai gewogen, en “tiens!” zei men daar: “dit is raar hij weegt net zoveel als de haai die wij hadden besteld en die nooit is toegekomen.” Omdat hij toch maar Clarence was werd de politie niet ingeschakeld, maar Clarence was wel zijn haai kwijt.

Of dit nog:

Koning Salomon op de Vismet.

Op de hoek van de Vismet met de Populierstraat is Café-Théatre Le Jardin de ma Soeur. Arthème die dat theater runt heeft die naam overgenomen van de gelijknamige pianobar die er in de Golden Sixties was gevestigd. Er kwam alleen champagne of whisky op tafel en dat was niet om de tafel te versieren, maar wel de vrouwen. Eigenaar was Jacques, zelf een getalenteerd pianist. Hij had jaren op cruiseboten geëntertaind. Ze noemden hem de juke-box want hij kon alles spelen wat je maar vroeg, wel duizend nummers. En volgens Jacques was de naam aan het huis ooit gegeven door de begijnen die er woonden, het lag immers aan de buitenmuur van het Begijnhof en sommigen hebben ooit beweerd dat de laatste Opperbegijn er is gestorven, maar dat is verzonnen. De naam zou verwijzen naar het Hooglied van Salomon in de Bijbel. “ Ik ben in mijn Hof gekomen, zuster…”(Hooglied, 5 vers 1) en Jacques vond dat een goeie naam voor zijn bar, want dat Hooglied is een zeer sexueel getinte tekst, en heeft het ondermeer over (Hooglied 6, vers 8): “Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen en maagden zonder tal.” (Daar moet zelfs de Koran het tegen afleggen), en in 2, vers 4 heeft men het over een soort bijbelse bar: “Hij voert mij in het wijnhuis, en bedekt mij met zijn liefde”. Jacques kende niet alleen duizend stukken voor piano, hij kende ook zijn Bijbel. 

Het Brussel van mijn jeugd en de verhalen over Brussel die ik vroeger hoorde bestaan niet meer. De Vismet sterft en Brussel bloedt dood. De Buik van Brussel is overgenomen door toeristen, Euro- en ander -craten, door Fransen die deze stad zien als een Franse provinciestad, door bobo’s uit Wallonië én door bobo’s uit Vlaanderen die hier na hun studies zijn blijven plakken of file-moe zijn en die hier een nieuw dorp hebben gesticht rond de Graanmarkt en de Vlaamse steenweg. Het Brussels is voor hen een dode taal, je merkt het aan het modieus gebruik van ons mooi Brabants met foute woorden. Het restaurant op de hoek heet nu Le Ket de Bruxelles. Ik kom er niet, want ik ben geen ket. Daar ben ik te oud voor. Een ketjesschool is een peutertuin. Ket ben je tot je communie daarna wordt dat fiston, kameroet, pei, ave pei of nog wat anders. Er is nu ook een trendy restaurant dat Kaberdouche heet. Dit terwijl een kaberdoesj een louche staminee is waar de bazin met klanten naar boven gaat. Een fake authenticiteit waarin het Brussels wordt verkracht. Want wat is Brussels? Ik citeer de immer erudiete Jean d’Osta in zijn Grammaire (1973) : La formation des phrases et l’ordre des mots (avec toutes les inversions et préfixes séparables propres au néerlandais) sont exactement les mêmes en bruxellois. Nous n’en parlerons donc pas. 

Ce langage, dont l’origine remonte aux Francs Saliens et qui depuis tant de siècles est resté quasi inchangé, est aujourd’hui tué lentement mais sûrement… en tot slot : Le parler bruxellois, och èrme, n’a jamais eu de culture. Il a cependant bien failli en avoir une, au XVIème siècle. Le brabançon écrit par Marnix de Sainte-Aldegonde, n’avait presque plus rien de dialectal. Ja, Marnix was een geboren en getogen Brusselaar en moest onze Brusselse republiek niet zijn gevallen die verdoemde 10 maart 1585 dan hadden ze nu in Amsterdam het Brabants Brussels van Marnix gesproken en had ik dit stuk in het Brussels geschreven. Daarom dan toch mijn oudste herinnering aan Brussel in deze gerateerde cultuurtaal:

Ik was me moeite ne meiter gruut en ik liep mê maane poepa lost de gruute boulevards. Lost Les Augustins oep de place de Brouckère – gewuun passeire moe nie binne stappe, veulst te duur veu ons – lost de Stella Bourse, woe damme uuk nie binnenginge want me moeiste noe d’A Met en toensj moestik pisse. En uuk al was ik me moeite ne meiter gruut, toch te aad veu op stroet in ’t

zeuppeke te mouge pissen. Moe Brussel es ’n liberoele stad. 

Ge mougt er zaaiken tegen et bestuur: op de binnekoer van ’t Stadhoeis es ’n trappeken af noe ’n pissaan. Nog altaat.

Zaaiken teige de kerk, teige Sainte Cathérine, uuk nog altaat want ’n pissaan geklasseid deu Freddy Thielemans. 

En teige ’t kapitoel: onner de Beuze, rechtouver de Stella Bourse was uuk een trappeken af noe een magnifik pissaan in posselaan, just zu as in Paraas. En waalen da toeis in ’n blekke gout bouve den beirput moeste pissen, naag impossant: da pissaan in ’t schuunste, witte posselaan. Van toen dateirt uuk ’t lieken:

In de gruute stad van Brussel komt een nuut pissaan

Omdat de stad van Brussel na prouper zoe zaan:

Den ienen pist al hie, den andere pist al doe,

A broek is nog nie oupe of de flikken zaan al doe.

Da pissaan onner de Beuze es weg en Brussel is nie mie zue prouper: ‘den ienen pist al hie… en de flikken? Ze zaan nuut nie doe.

(Om het Brussels te begrijpen: gewoon luidop lezen en dat werkt, en voor het Frans: liever Larousse dan Google translate)

 

November 20, 2018 at 10:29 am 1 comment

GENT 1969

Door Tom Ronse

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan. Na de bijdragen over Brussel 1967 en Antwerpen 1968, hier een persoonlijke terugblik op Gent 1969.

Tweede van rechts op de foto: de schrijver van dit stuk, na ontvangst van een rake klap op het achterhoofd

In vergelijking met mei 68 was de Gentse maart 69 natuurlijk klein bier. Een studentenstaking die zich snel uibreidde maar lang niet algemeen was. Betogingen, confrontaties met de politie, de bezetting van een faculteitsgebouw, dagelijkse volksvergaderingen, veel discussies en werkgroepen, een massa-arrestatie, dat was het zo ongeveer… en dan begon de blok en was het voorbij. Wat niet belet dat er heethoofden rondliepen die verkondigden dat de revolte een “generale repetitie” voor de revolutie was.

Ik was een eerstejaarsstudent, een dorpsjongen die met hoog gespannen verwachtingen naar de ‘grote’ stad Gent was gekomen. Ik hunkerde naar vrijheid, liefde, sex, drugs, naar vrienden om samen te vechten tegen onrecht, naar kennis en kunst. De eerste maanden vielen nogal tegen. Gent bleek niet de bruisende stad die ik gedroomd had. Gent was een vuile stad. Zelfs de mooiste gebouwen oogden zwart. Zwarter nog was het stinkende water. Dood water. De stad zelf leek me dood in de weekends, als de meeste studenten naar huis waren. Dat kwam natuurlijk omdat ik de stad niet kende en enkel met soortgenoten omging. Ik was teleurgesteld. De cursussen waren saai, de meisjes onbereikbaar en dat strijden tegen onrecht nam ook geen vaart. Maar dat veranderde op 13 maart.

Censuur!

Ik had toen een job in het studentenrestaurant ‘de Brug’. Toen ik die namiddag van mijn werk kwam, zag ik commotie aan de ingang van het rectoraat, dat vlakbij de Brug is gelegen. Er stonden politiewagens en daarrond had zich een menigte verzameld. Ter plaatse vernam ik dat studenten het rectoraat hadden bezet uit protest tegen de beslissing van rector Bouckaert om een voordracht over “zin of onzin van de pornografie” te verbieden 1. De rector had geweigerd om hen te ontvangen en had de politie gebeld. Die had een deel van de bezetters buiten gebezemd maar een ander deel had zich verschanst in het kantoor van de rector die zich doodsbang onder zijn bureau had verborgen. Intussen groeide de menigte voor het rectoraat. Een trotskist liep voor de eerste rij met een megafoon. Hij riep ons in schoon westvlaams op om niemand te laten wegvoeren. Als de politie met arrestanten buiten kwam moesten we massaal naar voor stormen om de weg naar de dievenwagen te versperren. Dus dat is wat ik deed. Maar niemand volgde. Ik werd neergeknuppeld en bij de andere arrestanten gegooid. De massa week braaf uiteen om plaats te maken voor de politie.

Tot mijn verwondering waren we slechts met drie. We werden opgesloten in de stadsgevangenis, het “Rolleke”. Elk in een afzonderlijke cel. Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik aan claustrofobie lijd. De cel had geen venster, je kon niet zien of het dag of nacht was. Het licht was altijd aan. Ik kon niemand horen en niemand hoorde mij. Ik kreeg een deken maar geen matras. De grauwe muren waren bekrast door mijn voorgangers; er waren donkere vegen waarvan mijn angstig brein vermoedde dat ze met stront waren gemaakt. Echt middeleeuws. Mijn mede-arrestanten Jan en Jantje bleven nog een hele tijd gevangen maar ik werd na 24 uren vrijgelaten – men kon me enkel “weerspannigheid” ten laste leggen. Meteen werd ik meegetroond naar de intussen bezette Blandijnberg. Toen ik de massa in het tot de nok gevulde mega-auditorium E moest toespreken schoten de tranen me in de ogen. Dat het verzet zo’n omvang zou nemen had ik in mijn cel niet durven dromen.

studentenbetoging op het Sint Pietersplein

Het kwam niet uit de lucht gevallen. De studentenopstanden in Leuven, Frankrijk, Amerika en elders waren inspirerend. ‘Begeerte had ons aangeraakt’. Anders dan in Leuven had de beweging in Gent van in het begin niets met vlaams nationalisme te maken. Ze begon als protest tegen censuur, betutteling, beknotting van de meningsuiting maar werd snel ruimer. Kritiek op de ondemocratische universitaire structuur werd kritiek op de rol van de universiteit in de maatschappij, wat leidde tot het in vraag stellen van het doel van de maatschappij, van het kapitalisme. Natuurlijk ging lang niet iedereen zo ver mee maar de beweging kon blijven rekenen op brede steun onder de studenten. De enige oppositie kwam van KVHVer Vic Van Branteghem, een eenzame man met stalen zenuwen. In de bezette Blandijnberg keurden volksvergaderingen radikale eisen goed terwijl in de kleinere lokalen allerlei werkgroepen uit diverse faculteiten thema’s zoals ‘universiteit en industrie’ uitdiepten en de inhoud en vorm van hun opleiding bekritiseerden.

Jachtscènes

De beweging had geen officiele leiders maar toch was het meestal hetzelfde duo dat de volksvergaderingen op sleeptouw nam: de trotskist Eric Corijn en de maoist Ludo Martens, de laatste een grote fan van de massamoordenaar Stalin. Dat die twee strekkingen zo’n dominante invloed hadden zegt wel iets over de sfeer van toen. Maar ze konden elkaar niet luchten. Ze waren concurrenten voor dezelfde markt. Corijn was een vlotte redenaar maar Martens had meer charisma. Hij kon een auditorium in vuur en vlam zetten.

Martens in auditorium E

Aanvankelijk was dat niet moeilijk. De beweging werd gestuwd door verontwaardiging over repressie. Verontwaardiging over het verbod van de rector, over de arrestatie van studenten, over de repressie van betogingen, over de aanhouding en uitsluiting van de als leider gebrandmerkte student Renaat Willockx… De halsstarrigheid van de rector en raad van beheer en het harde optreden van de politie en rijkswacht hadden het omgekeerde effect; ze wakkerden het enthousiame aan. We konden de Blandijnberg overdag niet verlaten om te betogen of ze stonden klaar, matrak in de hand. Om hen te omzeilen vertrokken we in kleine groepjes die samenkwamen in de Veldstraat waar we betoogden en pamfletten uitdeelden. De politie kwam erachter en probeerde ons weg te knuppelen wat tot chaos leidde in de drukste straat van Gent. De studenten vluchtten in de winkels. De jachtscènes in de Grand Bazar zouden niet misstaan in een komische film.De mond-aan-mond-navertelling die ook voor de ‘sociale media’ al bestond, maakte ze nog kleuriger.

Confrontatie aan de ingang van de Blandijnberg

Maar als er niets gebeurde, verslapte de participatie. Ik herinner me een volksvergadering waar het revolutionaire vuur op een laag pitje brandde. Het was al laat, mensen begonnen naar huis te gaan. Dan lanceerde Martens (of was het Corijn?) een rekwisitoor tegen de media die onze strijd verzwegen of vervormden. Vooral de Standaard-kranten kregen er van langs. In de Savaanstraat, op een boogscheut van de Blandijnberg, was er een drukkerij van De Gentenaar. ‘Laat ons massaal naar daar gaan om die krant aan de kaak te stellen!’ En hup, er was weer een betoging vertrokken. Dit keer zingend: “De gazetten zijn de marionetten van het grootkapitaal…”

De arbeiders van de nachtshift die vers gedrukte kranten in vrachtwagens aan het laden waren, keken vreemd op toen we daar opdaagden. Ze accepteerden beleefd onze pamfletjes maar om te praten hadden ze geen tijd. Ze gingen voort met hun werk en wij keerden terug. En dat was dat.

“Een dolk in de rug”

Toen ik in die periode met mijn vuile was naar het ouderlijke huis ging, vond ik mijn moeder in alle staten. Ik was bang dat ze een hartaanval zou krijgen. De rector was haar oom, haar geliefde nonkel Jan, bij wie ze vaak op vacantie was geweest, in zijn kasteeltje in Vinderhoute. De man was diep geschokt en had zijn beklag gedaan. De studenten hadden hem in zijn kantoor naar het leven gestaan, zo beweerde hij, en ze hadden hem zaken doorgestoken die ze alleen van zijn familieleden konden weten. Dat zijn eigen familieleden tot die bende behoorde, hij kon het niet geloven. Ik had hem “een dolk in de rug gestoken” zo had hij tegen mijn oma gezegd. Mama schold en jammerde alsof er in haar rug ook een dolk zat, ook al geloofde ze me wel dat ik niets over nonkel Jan zijn privé-leven wist en er dus ook niets over had kunnen vertellen.

Het zou nog erger worden. In de nacht van 20 maart werden niet alleen ik maar ook mijn broer en mijn zus gearresteerd. Samen met pakweg 700 anderen.

Rijkswachters aanvalsklaar op de Kouter

De autoriteiten hadden besloten dat het genoeg was geweest. In het holst van de nacht werd de Blandijnberg door de rijkswacht ontruimd. Alle bezetters werden opgesloten in de rijkswachtkazerne. We werden niet geisoleerd, wat die tweede arrestatie veel gezelliger maakte dan de eerste. Er werd gelachen en gezongen. Toen ik in de ochtend vrijkwam begaf ik me naar de Brug, waar studenten samenkwamen om hun strategie te bespreken. Daar zag ik voor het eerst Paul Goossens, voor wiens vrijlating ik als scholier betoogd had zonder goed te weten wie die Goossens eigenlijk was. Later, toen hij mijn chef was bij De Morgen, leerde ik hem beter kennen. Goossens vond dat we grote ruchtbaarheid moesten geven aan de de gebeurtenis van de vorige nacht. De witte muur tussen het rectoraat en de straat stak zijn ogen uit. Een ideale canvas, vond hij. Hij stelde voor om op die muur “Vannacht: 725 aanhoudingen!” te spuiten2. Iedereen vond dat goed maar niemand wou het doen. Dus deed ik het. Wat niet verstandig was want een derde arrestatie zou me wellicht slecht bekomen zijn. Ik beefde zo erg dat de letters raar kronkelden maar allee, het stond er op. Ik was zo bang dat ik daarna meteen terug naar de Brug rende en me daar in een kast verborg.

De rest was anticlimactisch. Er waren nog enkele massale protesten, zoals op 28 maart toen ik en zestien andere rebellen voor een soort universitaire rechtbank moesten verschijnen. Maar dan maakte examenkoorts zich van de studenten meester.

“ ’t is maar een begin”…

“ ‘t Is maar een begin, wij gaan voort met de strijd”, was wellicht de meest gescandeerde slogan tijdens de maartse rellen. De strijd werd inderdaad voortgezet -de Gentse universiteit bleef het toneel van relatief veel radikaal studentenaktivisme in het daarop volgende decennium – maar werd nooit meer zo massaal.

Vormelijk is er sindsdien veel veranderd. Het stugge conservatisme van de academische en politieke overheden heeft plaats gemaakt voor een intelligenter beheer dat masseert en inkapselt in plaats van te antagoniseren. Inhoudelijk is er minder veranderd. De universiteit plooit zich meer dan ooit naar de noden van het industriekapitaal en de studentenmassa lijkt zich daar minder om te bekreunen dan vroeger.

Op een website van de universiteit (vakgroep geschiedenis) schrijft historica Fien Danniau: Na het orgelpunt van maart 1969 verschuift de belangstelling van het studentenengagement geleidelijk. Het discours rond maatschappij en kapitalisme maakt plaats voor meer specifieke maatschappelijke vraagstukken als de wapenwedloop, atoomenergie, milieuvervuiling, racisme, abortus en de emancipatie van arbeiders, vrouwen en holebi’s.”

Maar vandaag lijkt er ook rond die thema’s weinig te gebeuren aan de Gentse universiteit. En met alle respect voor de passie van mensen die over deze en andere deelaspecten actie voeren, is het niet meer dan tijd om de grondslag van de maatschappij in vraag te stellen? Ondanks onze naiviteit stonden we daaromtrent in 1969 toch een stapje verder.

1 In feite had de rector enkel verboden om illustratiemateriaal te tonen .

2Het precieze cijfer herinner ik me niet. Misschien waren het er minder, misschien meer.

 

October 28, 2018 at 3:27 am Leave a comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,579 other followers