Posts filed under ‘België’

Oostendse Kapers en Brusselse Bankiers als slavendrijvers.

Door Lucas Catherine

Ze hebben dan wel Gorée niet gesticht of de eerste slavenmarkt van New-York geopend, maar hun verhaal wil ik u toch niet onthouden.

Het huis van bankier en slavenhandelaar Frederic Romberg in Brussel (Nieuwe Graanmarkt)

Na de afscheiding van de Noordelijke Nederlanden werd in Holland de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht en later de West-Indische compagnie, die zich richtte op de Amerika’s en op West-Afrika.

Dit was een doorn in het oog van de financiële elite in de Zuidelijke  Nederlanden. Wanneer zij Oostenrijks worden in 1715 vinden zij steun bij de Gevolmachtigd Minister en dus de eigenlijke gouverneur, de Marquis de Prié. Hij zal het ‘Belgisch’* kapitaal stimuleren om met de VOC te gaan wedijveren en later aan de basis liggen van de oprichting van de Oostendse Compagnie.

De Marquis zal zelf de meeste aandelen in die Compagnie verwerven (150) daarna volgen vooral Brusselse adel, waaronder de hertog van Arenberg (120) en bankiers uit Brussel, waaronder de tweede grootste aandeelhouder Corneel Walckiers met 121 aandelen. Walckiers was een bankier die voor bewezen diensten tot raadgever van keizer Karel VI werd benoemd en tot algemeen belastingontvanger van Vlaanderen.

 De eerste boot die eind september 1718 vanuit Oostende vertrekt richting Afrika om zijn part in de koloniale handel op te eisen heet dan ook Le Marquis de Prié (100 ton, 22 bemaningsleden en zes kanonnen.) De reder was de Oostendenaar Jean de Schonamille. De familie Schonamille was met Jeans broer, François al van 1690 actief in de kaapvaart. Wanneer de boot twee maand later het anker uitgooit aan de monding van de Rio Sestro op de Peperkust (nu Liberia) wordt hij door twee fregatten van de VOC gekaapt. Zij verwijderen de Keizerlijke Oostenrijkse vlag en voeren de bemanning als criminelen mee naar hun grote slavenfactorij Elmina op de Côte d’Or/ Goudkust (nu Ghana). Elmina zal tussen 1637 en 1872 Hollands blijven. Vergeet niet dat de Nederlanders tot de eerste grote slavenhandelaars behoorden. Zij hebben ook het bekende slaveneiland Gorée gesticht. Eigenlijk Goeree (naar het gelijknamig Zeelandse eiland), later verbasterd in het Frans tot Gorée. En in 1646 openden zij de eerste grote slavenmarkt in Nieuw-Amsterdam (nu New-York).

De kapitein van de Marquis de Prié, Jan Willemsen overleefde de gevangenneming niet en de bemaning werd gedwongen aan te monsteren op Hollandse slavenschepen. Een jaar later werd het zusterschip La Marquise de Prié het zelfde lot beschoren. Ook hiervan was de reder een Oostendenaar, François Woelaert net als de kapitein, De Winter. Pieter-François Woelaert was toen thesaurier van de stad Oostende en reder. De bemanning werd in Elmina vast gehouden maar kapitein De Winter kreeg toestemming om met het jacht Commany  naar Europa terug te keren om daar de situatie uit te leggen°. De Winter wist in Dover te ontsnappen en aangekomen in Oostende zorgde hij ervoor dat hij  met de hulp van de Oostendse admiraliteit de Commany kon kapen zodra ze de Engelse wateren had verlaten. De lading werd aangeslagen: 150 Goudmark, olifantstanden ter waarde van 20.000 pond en nogal wat peper. Als repressaille werd in Holland het Brugse schip Flandrina binnen de Hollandse wateren gekaapt.

Het werd een diplomatieke warboel en de Oostendse Companie werd in 1727 opgeheven.

Windwijzer in de vorm van een schip op het huis Romberg. De boot is van het zelfde type als die van de Oostendse Companie.

Wanneer Oostende een vrijhaven wordt (1781-1783) zal Brussel van daaruit opnieuw de slavenhandel activeren.

In 1782 doet de Brusselse bankier Joseph Chapel een oproep om de slavenhandel te ontwikkelen. Hij heeft dan net met bankier Frederik Romberg, die kantoor houdt op de Brusselse Nieuwe Graanmarkt (het huis is nu een school, zie foto), de Société Romberg, Bapts & Cie gesticht.. Deze Société zal samenwerken met partners in Le Havre, toen een van de grote thuishavens van slavenhandelaars, om zo een nieuwe boycot van Holland of Engeland te ontlopen.

 Ook de familie Walckiers is van de partij. Zij waren een van de grote, rijke families, afstammelingen van de al genoemde Corneel Walckiers. Adrien-Ange Walckiers bouwt in 1765 het kasteel van Helmet met grote Engelse Tuin waar nu het Walckierspark een restant van is (nu beschermd erfgoed). Zo zal Eduard Walckiers (1721-1799), eigenaar van de grootste bank in de Zuidelijke Nederlanden, het Belvédère kasteel bouwen (nu deel van het Koninklijk Domein van Laken).

Beaulieu kasteel

De broers Jean-Joseph en Josse-Jean Walckiers worden partner van Frederik Romberg. Zij zullen alle drie samen het kasteel van Beaulieu (nu aan de Woluwelaan) overkopen. Jean-Joseph richt ook het huidige domein Drie Fonteinen in als Engelse tuin.

In 1786 stuurt Romberg & Cie boten naar San Domingo en start er een financiële operatie. De bank geeft leningen als voorafbetaling op de oogst aan een zestigtal kolonisten die slaven inzetten op hun plantages. Bedoeling is dat Romberg in exclusiviteit hun produkten in Europa mag commercialiseren. De colons houden zich niet echt aan de afspraak en zo wordt Romberg niet terug betaald en wanneer in 1791 een grote slavenopstand plaats vindt, gaat dit project in 1793 failliet.

Naar Afrika zelf zal de Société Romberg, in opdracht van Slavenhandelaars in Le Havre et La Rochelle, elf slavenboten uitrusten. Enkele namen : Etats de Brabant, Comte de Flandre, Le Négrier Impérial, of Le Cheval Marin Flamand en Le Roy du Congo die in het gebied rond de monding van de Kongostroom slaven opkochten. Maar in 1783 vaardigt Frankrijk een verbod uit op niet-Franse slavenboten en de Brusselse slavenhandel van Romberg & cie zal langzaam wegkwijnen.

In 1818 vaardigt Koning Willem I een algeheel verbod op slavenhandel uit.

Wet tegen de slavenhandel

Het wordt nu wachten op een nieuwe manier om zwarte arbeidskracht uit te buiten. Leopold II zal die introduceren in Kongo. Hij wordt de nieuwe Roy du Congo.

* De Noordelijke Nederlanden werden in het Latijn Belgica Foederata genoemd, de Oostenrijkse Belgium Austriacum.

 ° Een jacht was toen een snel, klein oorlogsschip.

October 4, 2019 at 9:49 pm Leave a comment

DE OORLOG IN EEN KLEIN DORP

Door Johan Depoortere

75 jaar geleden, op 7 september 1944, werd mijn geboortedorp Westrozebeke (bekend van die slag in 1382) door Poolse troepen bevrijd. De eerste Shermantanks met leden van het 10e Regiment Pantsers rolden rond half tien het dorp binnen. Het enthousiasme van de bevolking was enorm: de tanks en vrachtwagens werden met bloemen overladen, jonge mannen en vrouwen reden in triomf op de tanks door de dorpsstraat. Maar de oorlog was niet voorbij. Nauwelijks een uur later botsten de bevrijders op hevig Duits verzet in het nabijgelegen Hooglede. In het gehucht Sleihage, tussen Westrozebeke en Hooglede vielen de eerste drie doden onder de Polen. Dat was nog maar een begin: de bevrijding van Hooglede kostte nog eens het leven aan 7 Poolse militairen en 20 Duitsers. Er vielen ook 2 burgerslachtoffers en er werden 200 krijgsgevangenen gemaakt. Duitse scherpschutters werden ter plekke afgemaakt en in een massagraf gegooid. (1)

Duits soldatenkerkhof Hooglede. Hier liggen de Duitse gesneuvelde soldaten uit de twee wereldoorlogen.

Dat was twee en een halve maand vóór mijn geboorte. Ook de naweeën van de bevrijding en de “repressie” heb ik niet bewust meegemaakt. Alles wat ik me ervan herinner was het besmuikt praten daarover door de volwassenen. En toch hebben zich in mijn prille levensjaren ook bij onze directe buren dramatische gebeurtenissen voorgedaan. Onze overbuurman Henri was een timmerman, of preciezer een wagenmaker met een groot gezin. Eén van de zonen was “fabriekswachter,” een kleine garnaal in de collaboratie dus. Toch werd bij de bevrijding het hele hebben en houden van Henri, inclusief zijn timmeratelier en de machines, kort en klein geslagen door – volgens mijn vader – de verzetslui van het laatste moment.

Ik herinner me nog dat mijn vader er schande van sprak dat de dorpspastoor geen vin uitstak om het geweld te doen stoppen. Later, het moet 48 of 49 geweest zijn, verdween plotseling Isolde (2), mijn beste vriendinnetje, een kleindochter van Henri. Ze was met haar moeder plotsklaps naar Brussel verdwenen, zo werd me uitgelegd. Een jaar of zo geleden kwam ik bij een begrafenis na meer dan 70 jaar Isolde weer tegen. Ze was niet bereid of in staat veel details mee te delen over die plotselinge verhuizing. Ze wist me alleen te vertellen dat haar vader, een zekere Vanhaver – met wie ze nooit veel contact heeft gehad – in de gevangenis zat of was vrijgekomen. Het laat zich raden waarom de man was opgepakt.

Euforie bij de bevrijding van Westrozebeke

In het dorp kwam kort na de bevrijding ook Godelieve Van Opbroecke (“Lieveke”) terug, de weduwe van een verzetsman die samen met nog een andere in de laatste maanden van de oorlog was gedeporteerd naar het concentratiekamp van Bergen-Belsen en was omgekomen op één van de dodenmarsen in april 1945. Haar man, Gilbert Hallein, was koster van de parochiekerk en actief in de verzetsgroep Nola, die onder andere Britse piloten hielp onderduiken. Van Opbroecke zelf had het concentratiekamp Ravensbrück overleefd, maar had door de ontberingen en de ellende haar zoontje (een paar dagen na mij geboren) verloren. Later werd het kind plechtig herbegraven in Westrozebeke, van de verzetslui zijn de resten niet teruggevonden (3). Oorlogsdrama in een klein dorp.

Mijn familie is van dat drama grotendeels gespaard gebleven al had mijn vader de reputatie veeleer “Duitsgezind” te zijn. Hij sprak bijvoorbeeld met grote bewondering over Reimond Tollenaere, de beruchte propagandist voor het Oostfront. Hij moet de man gekend hebben tijdens zijn studiejaren aan het Klein Seminarie van Roeselare waar Tollenaere een jaar of zo hoger zat dan hij. Na de oorlog kreeg mijn vader, die toen bij de post werkte, een “blaam” omdat collega’s hem hadden betrapt op het lezen van de Brüsseler Zeitung! Hij kwam er dus met weinig kleerscheuren van af. Zijn “Duitsgezindheid” was blijkbaar beperkt tot het lezen van een Duitse krant al had hij wel sympathie voor de nieuwe orde, maar ik vermoed dat hij gemengde gevoelens had over de bezetting en de nazis.

Mijn vader, Geerard Depoortere, speelde als amateur de rol van dorpsfotograaf en hij legde de intocht van de bevrijders vast op grote zwart-witnegatieven (6x9cm). De foto’s zijn niet bijzonder scherp: de filmgevoeligheid lag in die dagen lang niet zo hoog als nu en 7 september was een druilerige sombere dag. Maar het zijn historisch waardevolle beelden die nu worden tentoongesteld in de Christus-Koningkerk in de wijk Sleihage tussen Westrozebeke en Hooglede. (4) Daar zijn nog meer historische documenten over de bevrijding te bewonderen. Daarbij het tragikomisch verhaal van de „Engelse piloot“ die in Staden als bevrijder werd gehuldigd, maar die in werkelijkheid een Poolse SS-er was die bij een plaatselijke boer was ondergedoken. In de verwarde dagen aan het einde van de oorlog was alles mogelijk.

De man in het witte hemd is de vermeende Engelse piloot, in werkelijkheid een ontsnapte kampbewaker.

 

  1. Met dank aan Wilfried Deraeve
  2. Sommige namen zijn pseudoniemen
  3. Zie: Gilbert Coghe Westrozebekenaars in de Tweede Wereldoorlog (2010). Uitgave in eigen beheer.
  4. Nog tot 29 september

September 23, 2019 at 4:20 pm 1 comment

De Kongolese Olifant, een verhaal met prentjes maar niet van Côte d’Or

De eerste olifant die ik zag was niet in de Zoo van Antwerpen, maar in Tervuren. Eigenlijk waren het er twee: de bijna echte, want opgezette die binnen stond en buiten, de grote stenen met drie Kongolezen erop. Daarna verzamelde ik allerlei prentjes, chromo’s van chocolade Jacques, van Artis, van Côte d’Or. Toen was de olifant in. En al een tijdje. Die stenen olifant was een overblijfsel van de de koloniale tentoonstelling in Antwerpen (1930). Toen heeft dezelfde beeldhouwer trouwens een hele brug naar het Kiel met olifanten gedecoreerd.

Van waar die Belgische liefde voor de Olifant? Of beter, wat had Leopold II, de man die ons Kongo en zijn olifanten ‘schonk’, met dat beest?

Vanaf 1877 organiseerde Leopold II vijf expedities naar wat later Kongo werd, en dit vanuit Zanzibar. Vergeet even Stanley, want hij was er niet bij betrokken. De leiders waren allen Belgische militairen in dienst van Leopolds Association Internationale Africaine.

Normaal liet je, zoals Stanley deed, zo’n expeditie praktisch organiseren door Zanzibari handelaars, die daar al decennia ervaring mee hadden. Maar dat kostte geld. Vooral dragers waren duur. Jawel, vergeet de koloniale mythe dat die dragers slaven waren. Slaven waren koopwaar, net als ivoor, maar geen dragers. Heel het traject tussen Zanzibar en het Tanganikameer werd beheerst door de WaNyamwezi – nu nog altijd de grootste volksgroep in Tanzania. Die mannen hadden een soort closed-shopsysteem ontwikkeld: alleen zij mochten drager spelen, en ze moesten betaald worden, met balen textiel of met geld. Alle mannen deden eraan mee, zelfs de zonen van de chefs. Niemand van de jonge Nyamwezi mannen mocht trouwen voor hij als drager de oceaan had gezien.

.

Wanyamwezi maken hun lading klaar

Zo’n karavaan was een prachtig zicht: voorop de kirongozi, de gids met een hoed van apevel waarop allerhande veren, de staart van een leeuw rond het middel en over de schouders een groot, rood stuk stof wapperend in de bries  – rood was de kleur van de Zanzibari sultan onder wiens soevereiniteit de karavanen marcheerden. Dan kwam het orkest met kleine trommels  en korte trompetten uit antiloophoorn. Zij kondigden bij het naderen van een dorp de komst van de karavaan aan. Achter hen volgde de lange lijn pazazi, de dragers. Het waren fiere jongens en ze liepen er in allesbehalve werkkledij bij. Op hun hoofd droegen ze een hoed van zebramanen en pluimen van struisvogels en kranen. Aan hun armen rinkelden ivoren armbanden en rond hun hals zaten kralen en koperen bangles. Ze droegen ook handwapens. Meestal zongen ze geïmproviseerde liedjes over wat er op de tocht zoal was gebeurd. Verder droegen ze voetbelletjes. Aan de punten van de olifiantstanden hingen koebellen. Dan volgden de vrouwen en kinderen en de manga, de ziener-medicijnman, het lijf behangen met amuletten. Zijn mening over het meest gunstige vertrekuur en de minst gevaarlijke weg werd dagelijks gevraagd. Als laatste kwam de kafila bashi met de askari-soldaten. Hij was de leider van de karavaan en de soldaten keken er op toe of geen drager achterop raakte of er met zijn lading van door ging.

(Deze beschrijving is van Jerome Becker, die Karema bestuurde, de eerste Belgische kolonie in Afrika, aan de oever van het Tanganika-meer)

Veel volk, dus en dat moest allemaal betaald worden. Te duur vond Leopold. Toen zijn eerste expeditie in 1877 vanuit Zanzibar vertrok probeerde men veel van dat volk te vervangen door ossenkarren. Dat lukte niet, volkomen onaangepast aan het terrein.

In 1865 had Leopold door India getourd en had daar gedresseerde olifanten bewonderd. Dat moest ook in Afrika kunnen. Hij contacteerde zijn Britse partner MacKinnon en die bezorgde hem vier afgerichte olifanten. Ze arriveerden met een Indische dhow, de Chinsura voor de kust van Oost-Afrika en werden daar opgewacht door zijn tweede expeditie, geleid door Popelin. De olifanten waren vergezeld van hun  vaste begeleiders,  hun kornaks. De dhows probeerden aan te meren in de baai van Msasani (nu Dar es Salaam), maar dit lukte niet want de mangroves en andere planten groeiden tot in zee. De dhows kwamen langs, zo dicht als de peilingen het toelieten en dan hesen de kornaks de olifanten eerst aan dek met een takel die ze aan de fokkemast hadden geïnstalleerd; daarna werden ze over de reling richting strand gedraaid.

Ze hadden de olifanten in een soort harnas verpakt van dekens en koorden die onder hun buiken doorliepen. De kornaks hingen er ook aan. De dieren passeerden hoog boven de reling en werden dan dankzij de fokkemast op een tiental meter van de romp in zee gedropt. Op het moment dat ze de zeespiegel raakten, hakten de kornaks die zich aan de olifantsflanken vastklampten, de koorden door, zodat het harnas zonk. De dieren reageerden niet: wekenlang hadden ze in het ruim opgesloten gezeten en wisten niet wat hen overkwam. Ze bleven ter plaatse drijven. De kornaks gebruikten hun prikspieren om ze aan te porren, niks hielp. Maar toen ze het groen op de oever in de snuit kregen, staken ze hun slurf op en zwommen luid trompettend met ruim kielzog naar de wal. Ze draafden op het verse groen af en de bevolking stond er perplex op toe te kijken, slaakte kreten van bewondering. Nijlpaarden hadden ze al in zee zien baden, maar olifanten? Waar hadden die Belgen het!

Het waren twee mannetjes: Sundergrund en Naderbux en twee vrouwtjes: Sosankali en Pulmalla. Ze waren begeleid door dertien kornaks. Die kornaks waren belangrijke gasten. Ook dat was in India een soort closed-shop-systeem. Een beroep van vader op zoon waarmee veel geld was te verdienen. Ze waren dan ook gekleed als rajahs: hun kledij was van zuivere zijde in flamboyante kleuren, en ze droegen allerlei juwelen.

De bedoeling was om de kornaks en de olifanten in te zetten bij het domestikeren van Kongolese olifanten. En toen zag men het nog groot. De kolonalie propaganda heeft het over een project om in één jacht dertig of meer lokale olifanten gevangen te nemen en af te richten. Het zou anders uitdraaien.

Vanuit Dar es Salaam vertrok de karavaan onder leiding van Popelin met de olifanten, de kornaks, acht askari-soldaten en eenenzeventig dragers richting Karema, aan het Tanganikameer. Die dragers kwamen van pas, want halfweg in Tabora bleef er nog één olifant over. Het was het wijfje Pumalla waarmee Popelin triomfantelijk de stad introk. De olifanten verdroegen het klimaat niet.  De dragers hadden het moeten overnemen, maar ze stonden sterk want ze hadden al het vlees van de dode olifanten opgegeten.

Pumalla, haalde wel Tabora. Maar van kweken kwam niets in huis. Ook zij stierf. De karavaanroute vanuit Zanzibar naar Kongo bleek te duur, daarom werd daarna vooral de route langs de Kongorivier gevolgd die Stanley had geëxploreerd, maar ook anderen, zoals de gebroeders Van de Velde uit Gent, naar wie de eerste hoofdstad van de Kongo Vrijstaat, Vivi werd genoemd. Vivi is geen bantoe woord maar verwijst naar de V’s in hun naam, die indruk maakten op de lokale bevolking.Leopold zou het africhten van olifanten niet opgeven. Hij wou in de geschiedenisboeken komen als de eerste man na Hannibal die Afrikaanse olifanten dresseerde en gebruikte om zijn doel te bereiken.

In 1900 gaf hij commandant Laplume opdracht olifanten te vangen en hun africhting aan te vatten. De olifantenfarm lag in het verre noordoosten, in Gangala na Bodio.  Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden niet de eeuwenlange ervaring van de Indische kornaks, en Afrikaanse olifanten waren blijkbaar moeilijker te vangen. Ze probeerden het vooral door kuddes op de vlucht te jagen en dan een achtergebleven jong te strikken. Vijf jaar later hadden ze er 55 bijeen. Dat was ongeveer iets meer dan men twintig jaar eerder had gedacht te vangen bij één jacht.

 .

In de jaren 1942-1944 bedroeg het aantal olifanten onder staatscontrole 70. in 1944 werden 25 jonge olifanten gevangen, in 1945 waren er dat 40 en begin 1946 ongeveer 29. Echt vooruitgang zat er dus niet in. Maar de olifant had ondertussen in België een grote status gekregen als symbool voor Kongo. Je vond olifanten zowat overal afgebeeld, en niet alleen op chromo’s bij de chocolade. Ik had het al over de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen. Het grootste olifantenbeeld dat er stond is bewaard. Het staat nu voor het Africamuseum in Tervuren. In Geraardsbergen is het monument voor de Kongoveteranen (1948) een olifant.

Geraardsbergen

 

En die cultus van de olifant begon vroeg, en natuurlijk eerst bij de artiesten. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1897 was in Tervuren een hele zaal gewijd aan chryselephantine sculpturen. Chryselephantine gaat terug op de Grieken die sculpturen maakten bestaande uit goud (chrys) en ivoor. Nu moest dit de kolonisatie artistiek verdedigen dankzij het ivoor van de Kongolese olifant. Het bekendste werk is misschien wel dit van Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie. Het werd door Leopold II geschonken aan Van Eetvelde, de eerste goeverneur van de Kongo Vrijstaat.

Philippe Wolfers: Civilisation et Barbarie.

En de olifant? Hij staat nog altijd in Tervuren, in Geraardsbergen, op de reclames van Côte d’Or, en life in de Zoo van Antwerpen.

Lucas Catherine

Historicus met een olifantengeheugen

July 26, 2019 at 3:54 pm 3 comments

MUSHAIDI NGELENGWA, ALIAS MSIRI, DE MAN DIE VAN GEEN BELGEN WOU WETEN

door Lucas Catherine

Op 30 juni vierden de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een tweede verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri onthoofd.

In wat nu Katanga is regeerde Mushaidi over de kopermijnen. Hij zal in 1891 worden vermoord door koloniale held Omer Bodson. De koperwinning en -handel is zeer oud in centraal Afrika. We kennen al kopergeld dat 8 eeuwen oud is.

Kopergeld

 

Hoe zag dat geld eruit? De munten die dagelijks werden gebruikt waren heel klein (1cm x 1cm), en in H-vorm. De oudste dateren uit de 13de eeuw. Dan was er het grof geld, voor belangrijke zaken, zoals het uitbetalen van bloedgeld na een moord of als bruidschat. De Koningen van die koper-koninkrijken, zoals Mushaidi, stockeerden grote staven in dubbele T-vorm. Die dateren uit de 19de eeuw en Livingstone heeft er nog mee rond gezeuld. Er liggen er nu in het Livingstone Museum (Schotland). En meezeulen is het juiste woord want ze wegen 30kg en meer. In het Africamuseum van Tervuren hebben ze er ook een.

Er was ook koperhandel met de West-Afrikaanse kust. Dit weten wij dankzij Pieter Van den Broecke die tussen 1608 en 1612 dertig maanden aan de Kongomonding handel dreef. Hij schrijft over de koning van de baKongo: ‘Hij heeft een goed inkomen en bezit huizen vol ivoor en rood koper.’ ‘De vrouwen dragen er koperen en zilveren armringen.’ In 1846 zal de Zanzibar-Swahili Said bin Habib dwars door Afrika trekken, van Zanzibar naar het gebied ten zuiden van de Kongomonding (nu Noord- Angola) – Stanley was toen een kleuter van vijf jaar! –. Hij ziet de talrijke kopermijnen in het gebied ten zuidwesten van het Tanganika-meer en vertelt dat het vandaar naar het noorden wordt uitgevoerd via de Lufira en zo naar het Kongobekken.

Uit: La Force Publique de sa naissance à 1914, Brussel, 1952

België penetreert het gebied dat nu Katanga heet via drie militaire expedities. De derde (in 1891), onder leiding van de Brit William Grant Stairs en kapitein Bodson heeft succes. Ze zullen zelfs de vorst van het gebied Mushaidi Ngelengwa (verbasterd door de Belgen tot Msiri) vermoorden. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij afgeschilderd als een brute, gewelddadige despoot. Maar we hebben een Afrikaanse visie op hem. Zijn zoon Mukanda Bantu beschreef het leven van zijn vader in zijn memoires. Mushaidi was oorspronkelijk afkomstig uit het gebied ten oosten van het Tanganika-meer (Nu West-Tanzania). Hij was er samen met de Swahili van de kust actief in de handel in ivoor en koper, en secundair ook in slaven. Hij beslist om zich bij de kopermijnen te vestigen. Mukanda Bantu vertelt het zo:

“Bij de Luapula-rivier ontmoette Mushaidi een vorst genoemd Kazembe Kinyanta. Die zei hem: ‘Welkom hier, maar leer mij enkele van uw remedies tegen ziekten.’ Mushaidi  gaf hem remedies tegen ondermeer de pokken. Inenting was in Mushaidi’s streek van origine al bekend: je deed enkele sneetjes in de huid op het voorhoofd, waar de neus begint en smeert ze in met een mengsel van olie en etter uit een pestbuil van een zieke. Ze noemden het kutema lulindi (beschermende insnijding). Mushaidi  kende Kazembe Kinyanta want die handelde met de Zanzibari’s in ruil voor geweren, munitie en balen stof.”

“Daarna trok Mushaidi naar vorst Katanga. Die ontving hem met open armen en gaf hem twee mukuba wa matwi, lange koperen staven van 90cm lang en 6cm breed met aan de uiteinden twee dwarsstaven van ieder 20cm. Daarop installeerde Mushaidi zich bij Katanga.” Na de dood van Katanga volgde hij hem op.

“Later trok Mushaidi ook naar vorst Pande. Die was oud en voelde zijn einde naderen  en schonk hem de omande-schelp en bij het volk van de Pande, de baSanga staat die gelijk met de kroon van Europese vorsten.”

Mushaidi bouwt zijn rijk op door één voor één de kleinere bestaande gemeenschappen op te slorpen. Hij zal daarop zijn rijk organiseren. De vorsten van de opgeslorpte gebieden of hun opvolgers blijven op post, maar nu als een soort gouverneurs van Mushaidi. Zijn hoofdstad Bunkeya maakt indruk op de eerste missionarissen die arriveren en zij noemen het “Neger Londen.” Rond de stad en overal in zijn gebied worden plantages van maniok, zoete patatten en yam aangeplant. Die worden op overheidsbevel geïrrigeerd tussen januari en maart. Verder vaardigt Mushaidi wetten uit en stelt een rechtsprocedure op. Daarbij worden nutteloze en bijgelovige gewoonten afgeschaft. De doodstraf werd beperkt en kon vervangen worden door schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. Hij organiseerde de ivoorhandel, de zoutwinning en de mijnbouw. Op de kopermijnen werd toegezien door een vrouw, de Inafumu (Moeder van de Vorst). Zowel op ivoor, koper als zout hief hij hoge belastingen, in ruil kenden zijn onderdanen geen wetteloosheid of willekeur meer.

Het portret dat zijn zoon van hem ophangt , klopt dus helemaal niet met de koloniale geschiedschrijving. De Memoires van Mukanda Bantu werden dan ook gemarginaliseerd en zelden gebruikt. Te dissonant van de koloniale versie. Ook hoe Mushaidi aan zijn einde kwam laat ik zijn zoon vertellen:

Als de derde Belgische expeditie vraagt om zich onder de hoede en de autoriteit van Leopold II te stellen, antwoordt hij: ”Ik heb geen bescherming nodig. Ik ben de grootste koning van Afrika. Men zegt dat ik een despoot ben, maar ik regeer volgens de gewoonten van mijn volk.”

Na wat gepalaver doet hij soi-disant een toegeving: “OK, ik wil uw vlag aanvaarden, maar wat jullie bij hebben is veel te klein. Kom eens terug met een groter exemplaar”.

Het antwoord is duidelijk: “Als je onze vlag niet wil accepteren, dan zullen we je met geweld verplichten om het te doen.”.

Enkele dagen later arriveert de tweede in commando van de expeditie, Omer Bodson, aan het hof van Mushaidi.

Schilderij Tshibumba Kanda Matulu (1974): Msiri en Bodson

De blanke man Bodson kwam bij Mushaidi en zei: ‘Mushaidi, kom en sluit een vriendschapsverdrag met uw vriend hier.’ Mushaidi antwoordde: ‘Wacht ik roep mijn zonen om mij bij te staan. Ik ben een groot vorst en we zullen dat morgen regelen.’ Daarop antwoordde de blanke: ‘Neen, dat moet nu gebeuren!’  Mushaidi sprak: ‘Ik merk aan uw toon dat gij alles behalve als vriend komt, gij wilt mij doden.’  Toen ontstond er ruzie en de blanke trok zijn pistool en schoot op Mushaidi. Die probeerde nog zijn huis te bereiken maar viel dood neer. Daarop schoot een zoon van Mushaidi, Masuka de blanke dood en de soldaten die bij de blanke waren schoten daarop ook Masuka dood. Toen zond Stairs, leider van de Belgische expeditie soldaten met de opdracht om de blanke en Msiri bij hem te brengen. Ze droegen de blanke in een hangmat maar Mushaidi werd over de grond gesleept. Toen hakten ze zijn hoofd af en staken het op een stok van de pallissade van het fort van de blanken.

Graf Mushaidi in Bunkeya.

Van toen af was het koper Belgisch.

 

Lucas Catherine

(dit is een fragment uit mijn aangevulde en sterk uitgebreide Wandelen naar Kongo dat in september verschijnt)

July 10, 2019 at 10:18 am Leave a comment

De Koppensneller van Wetteren

Door Lucas Catherine

Op 30 juni vieren de Congolezen hun onafhankelijkheid. Al 59 jaar zijn zij geen kolonie van België meer. Tijd misschien voor een verhaal over hoe die kolonisatie begon.

Emile Storms, standbeeld op het prestigieuze de Meeûssquarein Brussel.

Emile Storms. Standbeeld op de prestigieuze Brusselse de Meeûssquare.

 Bij een objectieve lezing van onze koloniale geschiedenis wordt algauw duidelijk dat witte helden eigenlijk slechterikken waren en de zwarte slechterikken lokale helden.

Die witte helden kregen standbeelden. Zo Emile Storms, (geboren in Wetteren 1846) die voor de Association Internationale Africaine in 1882 naar Centraal-Afrika trok. Die AIA was een coverorganisatie van Leopold II die hij gebruikte in zijn kolonisatiepogingen. Zo organiseerde hij vijf expedities die vanuit Zanzibar naar het Tanganika-meer trokken via de grote centrale handelsroute uitgebouwd door de Swahili en Wanyamwezi handelaren. De eerste expeditie had onder leiding van Ernest Cambier aan de oostelijke oever van het Tanganika-meer Karema gesticht, de eerste Belgische kolonie in Midden-Afrika. De volgende stap zou een kolonie op de westoever worden. Dat was de taak van Emile Storms die de vierde AIA-expeditie leidde. Hij koos Mpala uit op de Marungu hoogvlakte.

Marungu is de streek ten zuid-westen van het Tanganyikameer die de schakel vormde tussen de handelsroutes uit Katanga en de grote handelsroute naar de Indische Oceaan en de Swahili-kust. Vanuit Katanga vertrok vooral koper dat werd gedolven in de mijnen die beheerd werden door de lokale vorst Mushaidi (Msiri voor de Belgen). Op de centrale route werd naast slaven vooral ivoor verhandeld

Storms vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de handelsroute naar Tabora en zo naar het Tanganika-meer. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganikameer vormde hij de in 1878 door Ernest Cambier gestichte AIA-post Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er een nieuwe post uit te bouwen, Mpala, genoemd naar de lokale chef. Het vormde de toegangspoort tot Marungu en opende de weg naar Katanga. Later zou hij zich “Emile I, keizer van Tanganyika” laten noemen. Over Marungu heerste een sterke lokale vorst, Lusinga Iwa Ng’ombe. Storms beschrijft hem zo: “Je reçois la visite de Lusinga, quelle mauvaise figure ! Ce n’est peut-être pas le chef le plus important du Marungu, mais certainement celui qui est le plus craint. Il fait bon de s’en défier”

En Lusinga ziet de komst van Storms niet zitten: “vous venez au milieu de nous, vous ne pouvez pas nous mépriser. Si vous faites du mal à Mpala ou à l’un des siens, vous mourrez ; si vous lui faites la guerre, vous mourrez, tous les vôtres mourront et votre puissance finira. » Het conflict krijgt zijn beslag als Storms weigert om zoals gebruikelijk als betaling voor verkregen diensten munitie te leveren,. Het dorp van Lusinga wordt aangevallen en plat gebrand. Hijzelf wordt gedood en zijn hoofd op een spies naar fort Mpala gedragen. Nu komt Storms in volle actie en begint hij ook kleinere, lokale chefs te vermoorden waarna ook hun hoofden op de palen van de omheining van zijn fort worden gestoken. De staatsmacht van Leopold II is nu gevestigd.

De huiskamer van Storms.

Wanneer Storms in 1885 naar Brussel weerkeert heeft hij in zijn bagage massa’s buit, waaronder nogal wat kunstvoorwerpen (nu in Tervuren), onder meer een beeldje uit het huis van Lusinga dat jarenlang temidden andere trofeeën op zijn schouw in Elsene zal staan. Maar ook de schedel van Lusinga arriveert in Brussel, net als die van twee andere lokale vorsten, Maribu en Mpampa. Ze berusten nu in het Natuurhistorisch Museum van Brussel.

Dat deed Storms niet zo maar. Strauch, de nauwe raadgever van Léopold II, had hem  op 20 juli 1883 volgende raad gegeven : “Nous vous approuvons de consacrer vos loisirs à la formation de collections d’histoire naturelle. Ne vous pressez pas d’expédier en Europe vos échantillons. (…) Ne manquez pas non plus de recueillir quelques crânes de nègres indigènes si vous le pouvez sans froisser les sentiments superstitieux de vos gens. Choisissez autant que possible les crânes d’individus appartenant à une race bien tranchée, et dont le caractère n’a pas subi de modifications physiques par suite de croisements. Notez soigneusement le lieu d’origine des sujets, ainsi que leur âge quand cela est possible.”  

De schedel van Lusinga zal door antropoloog Emile Houzé (1848-1921) worden bestudeerd en hij komt tot de conclusie: “L’angle bi orbitaire est très ouvert, ce qui n’est pas un caractère pithécoïde, mais un caractère d’infériorité dans les races humaines.”

Dezelfde Houzé verdedigde toen trouwens de stelling dat Walen moreel en fysiek superieur waren aan Vlamingen.

Met dank aan onderzoeksjournalist Michel Bouffioux.

June 25, 2019 at 4:23 pm 1 comment

VAN BLOK NAAR BELANG ZOEK DE VERSCHILLEN

Is het u ook opgevallen dat op het overwinningsfeest van het Vlaams Belang minder leeuwenvlaggen te zien waren dan we gewend zijn? De enthousiaste menigte zwaaide met vlaggetjes waarop prominent niet de Vlaamse leeuw maar het partijlogo prijkte. Dat is geen toeval lezen we in de analyse van socio-linguist Jan Blomaert die op zijn website de verkiezingsuitslag van gisteren analyseert (zie de volledige tekst hieronder.)  Zowat de meest luciede en diepstgravende analyse die ik tot dusver heb gelezen. Blommaert wijst er onder andere op dat het Belang nu ongeveer op hetzelfde niveau is terugkomen als in  het jaar van de grote doorbraak 2003: toen zoals nu 18 zetels. NVA is de grootste stemmenleverancier voor het Belang dat ook uit de traditionele partijen kiezers blijft wegzuigen. Niets nieuws onder de zon dus was het niet dat het Vlaams Belang van Van Grieken een totaal andere partij is dan die van Dewinter-Annemans destijds.

“Men ziet het Vlaams Belang van Van Grieken nadrukkelijk als gewoon een voortzetting van het oude Vlaams Blok van Dewinter en Annemans, en dat is een vergissing.” schrijft Blommaert. “De partij heeft een grondige verandering ondergaan, en het antwoord op het N-VA kannibalisme dat ik boven heb vermeld is niet zomaar een negatie of uitvergroting van dingen waarvoor N-VA staat. De partij heeft nu een heel andere en veel completer ideologie dan in 2003. Haar succes is dan ook niet enkel het gevolg van een “foert” van de kiezer tegen De Wever en Francken, maar ook het succes van een nieuw-rechts programma.”

Het Vlaams Blok is gemuteerd tot een partij die niet langer “Vlaams-nationalistisch” is (zoals De Wever beweert) maar deel uitmaakt van een internationaal netwerk van “identitairen.” “Onze mensen” zijn niet langer alleen de hardwerkende Vlamingen, maar de witte mensen – het ” blanke ras.” Daarmee zitten ze op één lijn met de Alt-rightbeweging van Steve Bannon en met het Trumpisme in de VS. In deze analyse is het groepje van Dries Van Langenhove zeker geen marginaal fenomeen, maar de kern van dit nieuwe VB. Dat deze ideologen ook het geweld niet schuwen was al te zien in de reportage over “Schild en Vrienden” van Tim Verheyden op Panorama. Veel gevaarlijker dus dan het stelletje Vlaamse-Leeuw brallende anciens van het oude Vlaams Blok.

Het zou interessant zijn te analyseren hoe de NVA zich als “fatsoenlijk rechts” tegenover dit nieuwe fenomeen positioneert. Naar mijn gevoel zijn er uiteenlopende tendensen in de partij van De Wever: de fractie Francken staat veel dichter bij de identitaire beweging dan pakweg de traditionele Vlaamsnationalisten als Bourgeois. Daar moet gedoe van komen in de interne keuken van de “Alliantie” en verkiezingsnederlagen zijn zoals we weten de gelegenheid om de messen te slijpen. Is het ook daar een kwestie van generaties? Voer voor politicologen. Het is duidelijk dat de partij sinds de Marakeschcrisis bewust in de richting van het Blok is opgeschoven en in alle commentaren liet kopstuk De Wever uitschijnen dat hij samenwerking of zelfs regeren met die partij niet uitsluit.

NVA heeft ingezet op het harde antimigratie-standpunt van Francken en verloren (al heeft de ex-staatssecretaris in zijn Vlaams Brabant de meubelen gered) . Gaan ze verder in het identitaire discours en dus in de richting van extreemrechts in de hoop hun zuidelijke flank terug te winnen of proberen ze de vermeende “Chinese Muur” die hen volgens de Wever van het Belang scheidt steviger op te bouwen?  De nabije toekomst zal het uitwijzen.

Johan Depoortere

 

Alles in perspectief

zetels 2019

Jan Blommaert

Verkiezingen zijn als mediaformat strikt een hier-en-nu aangelegenheid: men kijkt enkel naar wat zich nu voordoet, en op deze kluit. Er heerst een voorliefde voor een soort hijgerige sportverslaggeving waarbij in de 74ste minuut een mooie doelkans wordt gemist en de VAR twee keer onterecht tussenbeide komt. Zo’n formattering helpt ons niet. Dus hier volgt een poging om enkele ruimere bedenkingen te formuleren die de uitslag van 26 mei 2019 in perspectief kunnen plaatsen.

1. Het historische perspectief

Vlaanderen wordt weer overspoeld door een zwarte golf, want Vlaams Belang is de grote winnaar. En dus krijgen we de klassieke oprispingen: “kan men dit nog negeren?” “is het cordon sanitaire nog vol te houden”, “dit is een duidelijk signaal van de kiezer” etcetera.

Het is goed te beseffen dat Vlaams Belang nu gewoonweg teruggekeerd is naar z’n niveau van 2003, toen het ook 18 zetels in de Federale Kamer haalde:

zetels 2003

En ook in 2007 (na de veroordeling van het Vlaams Blok en de naamsverandering naar Vlaams Belang) won de partij de verkiezingen in percenten, zij het dat ze 1 zetel verloor.

2007

Kijk ook eens naar wat andere elementen in deze grafieken. Bijvoorbeeld: het feit dat in 2003 de sp.a-Spirit, de PS, MR en de VLD zowat even groot waren als N-VA nu, en dat de CD&V in het kartel met N-VA (Leterme-De Wever) in 2007 niet minder dan 30 zetels behaalde. Merk ook op dat in 2007 de as Ecolo-Groen 12 zetels behaalde, en bekijk de electorale optater die de sp.a in 2007 krijgt.

Het is na 2003 dat de N-VA aan z’n opmars begint, en dat we het Vlaams Belang zien achteruitgaan. De twee zijn aan elkaar gerelateerd: N-VA plaatst zich doelgericht en constant deels in de electorale kavel van Vlaams Belang. In 2010, bijvoorbeeld, kregen we dan ook dit als uitslag:

zetels 2010

De andere kavel die de N-VA leegvreet is die van de Christendemocraten en Liberalen. Vergelijk de uitslagen van 2003, 2007 en 2010 even: het zijn de klassieke centrumpartijen CD&V en VLD die een dreun krijgen van de N-VA. Dit patroon zet zich gewoon door in 2014:

zetels 2014

Vanaf 2007 zijn de Vlaamse Christendemocraten en Liberalen partijen van de omvang van het Vlaams Belang in 2003, of zelfs kleiner. En hoe groter N-VA wordt, hoe kleiner Vlaams Belang wordt. Een partij die vanaf 2007 constant stemmen en zetels afgeeft aan anderen is de sp.a. Groen blijft grotendeels constant als blok.

Wat we op 26 mei 2019 hebben meegemaakt is dus enerzijds een voortzetting van de trend, en tegelijkertijd een breuk ermee. De voortzetting bestaat erin dat N-VA de Vlaamse centrumpartijen klein houdt – Christendemocraten, Liberalen en Sociaaldemocraten krijgen alweer klappen.

zetels 2019

Maar verschillende elementen zorgen voor een trendbreuk.

  1. De voornaamste is de terugkeer van Vlaams Belang, dat nu een antwoord heeft gevonden op het kannibalisme van de N-VA en terugkeert naar de omvang die het tussen 2003 en 2010 had.
  2. Een tweede trendbreuk is de groei van Ecolo-Groen; ze behalen samen 21 zetels en dus groter dan de PS en VB, en groter dan Ecolo-Agalev in het topjaar 1999 (dat tot rampzalige regeringsdeelname leidde). Vermits Ecolo en Groen een gemeenschappelijke fractie vormen in het Parlement is dit een relevante ontwikkeling.
  3. En een derde is de doorbraak van PTB-PVDA, die naar 12 zetels stijgen.

Ik ga wat dieper in op twee van deze elementen: de doorbraak van PTB-PVDA, en het nieuwe antwoord van Vlaams Belang.

2. Rode zondag

Op 21 oktober 1991 sprak men van “zwarte zondag”, want we kregen deze uitslag:

zetels 1991

Het Vlaams Blok van Dewinter en Annemans schoot plots door naar 12 zetels. Die doorbraak zette de hele zogenaamde vernieuwingsbeweging van de jaren 90 in gang, met als motief “de kloof tussen burger en politiek”. Alle Vlaamse partijen schoven naar rechts want de new kid on the block pikte nogal wat stemmen in. Dit proces is nooit gestopt.

De doorbraak van PTB-PVDA op 26 mei 2019 is precies even groot: ook Mertens en Hedebouw rijven 12 zetels binnen. Net als die van het Vlaams Blok in 1991 werd deze doorbraak gerealiseerd in een klimaat waarin de mainstream media de partij niet au serieux namen en enkel de meest minimale aandacht schonken, en overtrof ze ruimschoots de verwachtingen en de schattingen. En ze werd gerealiseerd tegen een obstakel dat Vlaams Blok niet had in 1991: de kiesdrempel.

Het is dus best dat men die linkse doorbraak even ernstig neemt als die van het Vlaams Blok destijds: PTB-PVDA heeft een rode zondag gerealiseerd. En het ligt in de lijn der verwachtingen dat de Kamerfractie van PTB-PVDA hyperactief zal zijn en een wezenlijke linkse druk zal uitoefenen op de rest, deze keer ook in Vlaanderen.

3. Vlaams Belang is gemuteerd

Men ziet het Vlaams Belang van Van Grieken nadrukkelijk als gewoon een voortzetting van het oude Vlaams Blok van Dewinter en Annemans, en dat is een vergissing. De partij heeft een grondige verandering ondergaan, en het antwoord op het N-VA kannibalisme dat ik boven heb vermeld is niet zomaar een negatie of uitvergroting van dingen waarvoor N-VA staat. De partij heeft nu een heel andere en veel completer ideologie dan in 2003. Haar succes is dan ook niet enkel het gevolg van een “foert” van de kiezer tegen De Wever en Francken, maar ook het succes van een nieuw-rechts programma.

Vlaams Belang is nu helemaal geïntegreerd in een wereldwijd netwerk van nieuw-rechtse partijen en bewegingen, in Europa zowel als in Rusland en de VS (Van Grieken ontmoette Steve Bannon, en allicht niet om over het weer te praten). Die partijen en bewegingen hebben zich grotendeels losgemaakt van de nostalgie naar een fascistisch verleden, en ze kijken uitdrukkelijk naar de toekomst. Die toekomst zien ze als revolutionair, en in de letterlijke zin van het woord: als een apocalyptische eindstrijd die op ons afkomt, waarbij het overleven van het “blanke ras” op het spel staat, en waarbij het strijdtoneel zich uitstrekt van Oostende tot Vladivostok. De helden van dit nieuw rechts heten niet Hitler, Goebbels of Franco, maar Breivik en anderen die de wapens opnamen om het “blanke ras” tegen z’n Moslimvijanden en hun linkse collaborateurs te beschermen. Schild en Vrienden is een schoolvoorbeeld van de beweging, en dus helemaal geen Fremdkörper binnen het nieuwe Vlaams Belang. Men kan er de teksten van Ico Maly op naslaan voor bewijsmateriaal.

Noteer hier dat het nationalisme van het huidige Vlaams Belang grondig anders is dan dat van Vlaams Blok, en dus ook van datgene wat N-VA aanhangt. Het gaat al lang niet meer alleen over Vlaanderen, wel over het “blanke ras”, Europa, en bij uitbreiding het hele Euraziatische plateau. Het “eigen volk” is van definitie veranderd. Haar leiders eveneens: ze zijn nu jong, netjes gekapt en geschoren en gekleed in Hugo Boss, met universitair diploma op zak, bekwaam om als intellectueel te poseren (denk aan Baudet), en niet geplaagd door parochialisme – het zijn internationalisten.

Dat alles heeft gevolgen voor hoe men de politieke actualiteit inschat. De vijand van Vlaams Belang is niet de N-VA (dus vergeet het belang van woordjes als “stront” en “paljas”), maar links, omdat links wordt gezien als de elite die doelbewust de deur voor Moslims open houdt. Noteer: links is geen politieke tegenstrever maar een volksvijand, een verrader. En om die verrader definitief te verslaan zal de beweging, wanneer het nodig is en kan, allianties aangaan met politieke tegenstrevers. De uitspraken van Van Grieken over een “pragmatische” opstelling bij coalitiegesprekken zijn tekenend. En zie ook de vorming van een nieuw-rechtse pan-Europese fractie in het Europees Parlement. Om links te vernietigen zal men ook geweld niet schuwen – zoals gezegd horen figuren als Breivik tot het pantheon van dit nieuwe extreemrechts.

Men onderschat dit nieuwe Vlaams Belang wanneer men het enkel ziet als dat extreemrechtse partijtje dat al sinds 1991 hetzelfde schreeuwt, “eigen volk eerst!” We zitten opgescheept met een Vlaams Belang dat even groot is als in de gloriedagen van Dewinter, maar dat veel meer in z’n mars heeft dan toen. Wanneer er in 1991 goede redenen waren voor een cordon sanitaire, dan zijn die er vandaag nog meer. Het feit dat men dit nieuw-rechts in de grote debatten omschrijft met onschuldige termen als “rechtse populisten” maakt ons blind voor wat ze wezenlijk zijn.

We gaan nog merkwaardige dingen zien en horen van Van Grieken en zijn kornuiten. U weze gewaarschuwd.

by-nc.eu

 

 

May 27, 2019 at 3:40 pm Leave a comment

U ZEGT WAT WIJ DENKEN

door Johan Depoortere

‘Pretpedagogie’ is het jongste product uit het framingfabriekje van De Wever Bart, burgemeester van Antwerpen en grote leider van de Vlaams-Nationalistische rechterzijde. Net als zijn concullega Filip Dewinter is De Wever zeer bedreven in het bedenken van nieuwe of het recycleren van oude neologismen (denk aan ‘gutmensch’ of ‘omvolken’ – met dank aan de oude nazivrienden) die het debat ‘framen.’ En ook dat ‘framen’ is een (relatief) nieuw begrip dat dank zij de sociale media tot het algemen taalgebruik is gaan behoren. Het is een woord dat een negatieve bijklank heeft gekregen. Ten onrechte vindt Jan Blommaert, sociolinguist aan de universiteit van Tilburg. Immers of we het beseffen of niet we doen het allemaal en zonder ‘framing’ is een zinnig debat of zelfs zinnige communicatie niet mogelijk. Blommaert heeft aan het fenomeen een klein maar fijn boekje gewijd onder de titel: U zegt wat wij denken, een omkering van het beruchte ‘Wij zeggen wat u denkt’ van het Vlaams Blok/Belang.

Bart De Wever: ‘Marrakeshcoalitie,’ ‘pretpedagogie’ ‘opengrenzenbeleid’ ‘gutmensch’

Die slogan waarmee de extreemrechtse partij in de jaren 90 verkiezingen na verkiezingen won is zonder meer briljant, schrijft Blommaert. “De suggestie was krachtig: hier was eindelijk een partij die ónze stem zou vertolken, niet die van de politieke klasse zelve, en ook niet die van de elites die deze politieke klasse beheersten.” Het Blok/ Belang mag dan recentelijk door een politieke woestijn zijn gegaan, de slogan of een variant erop doet het nog steeds uitstekend. Het spectaculaire succes van windbuil Baudet in Nederland is voor een groot deel door dezelfde marketingtruuk te verklaren: de kiezer ervan overtuigen dat het standpunt van de politicus zijn of haar standpunt is. “Ik dacht altijd al zo maar u drukt het precies uit, u zegt wat ik altijd al dacht.” Dat heet – zegt Blommaert – ‘overtuigen’ en het middel daartoe is ‘framing.’ Is dat misschien het geheim waardoor partijen in staat zijn mensen zo massaal tegen hun eigen belangen te laten stemmen? Zie het succes van De Wever, van Trump, van Baudet.

Jan Blommaert, auteur

‘Woorden zeggen alles.’ Sterker nog: woorden zeggen meer dan wat ze ‘betekenen.’ Ze hebben ook een emotionele en morele lading. Woorden zijn dus nooit neutraal. Bovendien zijn ze ingebed in een netwerk, een kader of een ‘frame.’  ‘Werk’ is goed en leidt tot associaties met ‘werk geven’ ‘banen scheppen’ ‘activeren’ en van daar naar mensen, identiteiten: ‘hard werkend’ ‘plichtbewust’ en zo voort. ‘Werkloos’ daarentegen is slecht. En ook aan dat woord hangt een hele reeks handelingen en identiteiten met een negatieve connotatie (‘werkschuw’ ‘hangmatwerklozen’ ‘welfare queen’): een frame dat een spiegelbeeld is van het vorige.

Filip Dewinter: ‘omvolken’

U zegt wat wij denken is niet alleen een analyse van het publieke debat en de rol van framing. Het is zoals de ondertitel luidt ook ‘een praktische handleiding voor framing,’ een oefenboekje met blanco pagina’s waar de lezer zelf kan experimenteren en oefenen in het ontdekken hoe schijnbaar alledaagse en onschuldige woorden in een frame passen. Stel bijvoorbeeld vast hoe het woord ‘vluchteling’ of ‘migratie’ verschillend kan worden geframed, naargelang van het uitgangspunt: de morele richting – goed of slecht – die we het woord toekennen. Of hoe woorden met een negatieve connotatie vervangen worden door verzachtende en omfloerste termen: het negatieve frame vervangen door iets positiefs. Dat noemen we ‘eufemismen.’ “Het ontslaan van honderden werknemers (wat niet veel mensen positief vinden) noemen we het liefst ‘rationalisering,’ ‘reorganisatie’ of ‘herstructurering.”

Blommaert herhaalt zelf de oefening voor de woorden  ‘Marrakesh,’ ‘Marrakeshregering’, ‘migratiechaos,’ ‘migratieomwenteling,’ ‘Brexit,’ ‘opengrenzenbeleid,’ ‘soevereiniteit,’ ‘migratiegolf.’ Waarbij hij noteert dat hier van een mislukt frame sprake kan zijn, een soort overkill die tot het tegenovergestelde van het gewenste resultaat leidde. “Het plotse saturatiebombardement van het woord ‘Marrakesh’ werkte bij velen op de lachspieren. Iedereen had het op de sociale media over ‘Marrakeshkoekjes,’ ‘Marrakeshfrieten,’ ‘Marrakeshschoenen’ en zo meer, allemaal vergezeld van royale hoeveelheden schaterlachende emoticons.” Bovendien was het effect van het frame in dit geval vluchtig: andere thema’s (klimaat, onderwijs) verdrongen het algauw uit de nieuwscyclus. 

Nee dan was een ander voorbeeld van framing succesvoller: het verhaal van de groep Roma  die in 2017 het Gents pand kraakten van een koppel dat in het buitenland verbleef. Media en politici namen gretig de framing over waarin het verhaal gepresenteerd werd. Kernwoorden: ‘radeloos’ (burgemeester Termont), ‘machteloos’ (de huiseigenaars en de burgemeester) ‘woedend’ (nog eens de burgemeester), ‘absurd’ (Liberaal politicus Lachaert) – allemaal woorden met een zware morele lading. Het frame: 1. ‘foute’ wetten en een rechtsmodel dat niet werkt, waardoor we machteloos staan tegenover het onrecht dat we ervaren 2. De slechte allochtoon die asociaal zijn zin doet en dingen ‘afpakt van ons’ en daarmee ongestraft wegkomt. Dat frame bepaalt de grenzen van het ‘debat’ dat daarop volgt in media en politiek. Buiten het zichtveld blijft: de complexiteit van de wet die rekening houdt met het eigendomsrecht maar ook met het recht op wonen. De ‘machteloosheid’ van de eigenaars van het kraakpand “sloeg op het feit dat ze niet bij machte waren de krakers meteen uit het huis te zetten. Ze moesten de stappen van de wet volgen.” 

Politieke debatten, zo schrijft Blommaert zijn vaak ‘botsingen van tegengestelde frames.’Een stelling die hij illustreert aan de hand van het actuele klimaatdebat. Ook hier weer een moreel oordeel als uitgangspunt: klimaatmaatregelen zijn goed/slecht. Daaruit volgen tegengestelde handelingen: uitstoot beperken/ maatregelen afwegen tegen economische belangen en concurrentiekracht en tenslotte identiteiten: groenen/klimaatrealisten. Hier is nog een interessant fenomeen in het spel: herframing. Wetenschappers worden vanouds gezien als ‘objectief’ en ‘rationeel.’ “Hun onderzoek is onafhankelijk en de resultaten ervan worden belangeloos geformuleerd vanuit een hoger doel: de wetenschappelijke waarheid.” In de klimaatdiscussie wordt die framing onderuitgehaald en omgekeerd. Wetenschappers worden nu geframed als ‘klimaatactivisten,’ ‘gelovigen.’ Klimaatwetenschap is ‘dogmatisch,’ een ‘religie,’ een ‘sekte.’

Zijn we als burger en consument van de media dan machteloos overgeleverd aan de slimme marketeers die dank zij framing hun waar aan de man brengen? Nee en dat is juist de bedoeling van dit boekje: inzicht krijgen in het mechanisme van de framing. Als we dat goed begrijpen “dan worden we minder vatbaar voor beïnvloeding en propaganda. Dan zijn we autonomer als burger, kritischer voor de eigen argumenten en die van anderen.” U zegt wat wij denken is hoop en al 76 bladzijden. Te weinig wellicht om het fenomeen van de framing exhaustief uit de doeken te doen. Wie honger heeft naar meer kan terecht bij een ouder werk van Jan Blommaert: Let op je woorden (EPO 2016) of nog Frames, Formats en selfies (zelfde uitgeverij 2018)

U zegt wat wij denken. Jan Blommaert, Uitgeverij EPO 2019

April 3, 2019 at 3:57 pm 1 comment

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,590 other followers