Posts filed under ‘België’

EINDE VAN EEN TIJDPERK?

De coronacrisis opent onze ogen voor een paar ongemakkelijke waarheden: onze kwetsbaarheid en die van de natuur, ons vals gevoel van veiligheid, het besef dat we niet eeuwig kunnen doorgaan met roofbouw plegen op de planeet. De vraag is: welke lessen zullen we trekken uit deze crisis. Is de pandemie een epochmakende gebeurtenis, te vergelijken met de wereldoorlogen of de financieel-economische krach van 1929? Gaat ons huidig maatschappijmodel op de schop?  Maken we de zwanenzang mee van het neoliberalisme dat nu al ruim veertig jaar ons openbare leven beheerst? Het antwoord is neen, als het van de verdedigers van de bestaande orde afhangt. Het economisch relancecomité dat de Vlaamse regering heeft opgericht bestaat uitsluitend uit profeten van de status quo ante: een nationalistische burgemeester, een rechtse arbeidssocioloog, een vermogensbeheerder – pardon econoom – die ook klimaatscepticus is en andere adepten van de neoliberale consensus. Zo gauw mogelijk terug naar “het normale” is het devies.

En toch is de bestaande toestand – het “normale” – met de toenemende ongelijkheid, de dreigende klimaatcatastrofe, de wanhoop van de miljoenen uitzichtlozen in de vluchtelingenstromen overal ter wereld op termijn onhoudbaar. Tot voor kort leek het alsof opstand en rebellie op het punt stonden een nieuwe wereld te baren: de gele hesjes in Frankrijk en België, de klimaatbetogers, de rebellen in Hongkong en Libanon, de straatprotesten in Chili: het joeg de hartslag omhoog bij al wie smacht naar verandering. “Wat mij betreft wordt 2020 inderdaad het jaar van de anti-neoliberale revolutie” schreef de financieel geograaf Ewald Engelen in een optimistische opwelling. Dat was eind vorig jaar. Toen kwam de coronacrisis. Of die de revolutie dan wel de contrarevolutie zal bevorderen moet nog blijken.

Milton Friedman was populair bij opeenvolgende Amerikaanse presidenten en bij de Britse premier Margret Thatcher. Onderaan rechts: Thatcher en Reagan in Camp David. Foto’s: Wikicommons

In een recente uiterst informatieve reeks uitzendingen ging het Duits-Franse Arte dieper in op verleden, heden en toekomst van het neoliberalisme. De oorsprong van de marktreligie die nu al vier decennia ons bestaan regelt, is te vinden in de economische theorieën van Friedrich Hayek, Milton Friedman en Ludwig von Mises, de grondleggers van wat later de Chicago school of de Chicago boys werd genoemd. Hun analyse van het nazisme vormde de grondslag voor hun wantrouwen tegenover alles wat met staatsinterventie te maken heeft. Ze waren ervan overtuigd dat het naziregime de verre erfenis was van de ontluikende welvaartsstaat onder Bismarck (1815-1895) en dat elke bemoeienis van de staat om armoede en ongelijkheid te bestrijden tot dictatuur moest leiden. Het systeem van sociale voorzieningen zoals dat in het Verenigd Koninkrijk na de Tweede Wereldoorlog door de socialist William Beveridge werd uitgebouwd was hun een gruwel omdat het de kiemen van de dictatuur in zich droeg: socialisme leidt tot nationaalsocialisme.

Ronald Reagan: het gezicht van het neoliberalisme Foto: Wikicommons

Het neoliberalisme is meer dan een economische doctrine het is een ideologie, een filosofie die vrijwel alle aspecten van het maatschappelijk leven is gaan overheersen: van mobiliteit tot gezondheidszorg, van kunst en cultuur tot onderwijs en media. Het is een geloof, een religie als het ware. Het politieke doel van de neoliberale ideologen was volgens Michel Foucault heel duidelijk: de vernietiging van marxisme en communisme, de notie van een maatschappij waarin sociale klassen bestaan. De ambitie was – aldus de Franse filosoof en econoom Frédéric Lordon – niet minder dan de creatie van “de nieuwe mens,” naar analogie van wat de Sovjetunie nastreefde: niet de homo sovieticus maar de homo oeconomicus. 

De proletariër verdwijnt, de werknemer die door de kapitalist van zijn tijd en arbeidskracht werd beroofd is nu zelf een kapitalist. Hij biedt zijn kapitaal: zijn tijd, zijn vaardigheid, zijn werkkracht en zijn talent op de vrije markt aan, onderhandelt over de juiste prijs. Elke consument wordt een ondernemer en sluit een contract af met een andere ondernemer. Van collectieve actie geen sprake meer: het is ieder voor zich. De atomisering van het industrieproletariaat wordt wel eens de grootste overwinning van het neoliberalisme genoemd. De politieke consequenties zijn evident. Het neoliberalisme kon pas overwinnen waar de linkse politieke partijen overgenomen werden door pro-kapitalistische krachten, zoals Labour in het Verenigd Koninkrijk (De “Derde Weg” van Blair) of de Democraten in de VS met Clinton en Obama.

Dictator Augusto Pinochet van Chili Foto: Socialisme.nu

Hoe paradoxaal dat Milton Friedman en de Chicago Boys, de grote voorvechters van de Vrijheid, een dictatuur nodig hadden om hun neoliberale theorieën in de praktijk te brengen. Friedman werd door dictator Pinochet in Chili uitgenodigd voor het eerste grootschalige experiment met neoliberalisme. De dictatuur had de gunstige voorwaarden gecreëerd voor een ongebreideld marktfundamentalisme: de vakbonden verboden, de pers gelijkgeschakeld, de media aan banden en politieke opponenten “verdwenen,” vermoord, gevangengenomen of verbannen. Het was wachten op Thatcher en Reagan voor het vervolg. Ook onder hen was de eerste stap de Kaltstellung van de vakbonden: de mijnwerkers in Groot-Brittannië, de verkeersleiders in de VS. Thatcher en Reagan zouden de nieuwe eenheidsgedachte in een paar treffende citaten samenvatten: “There is no such thing as society” voor Thatcher, “Government is the problem, not the solution” voor Reagan. Daar bovenop: TINA, “There is no alternative,” dat laatste ook in het plaatselijk dialect vertaald door de burgemeester van een dorp aan de Schelde. 

Veertig jaar na Thatcher en Reagan is de overwinning van het neoliberalisme totaal. Tegelijk komen de contradicties scherper dan ooit in beeld: toenemende ongelijkheid, dreigende klimaatcatastrofe en daar bovenop nu een pandemie die het hele economische raderwerk tot stilstand brengt en miljoenen mensen (opnieuw) in extreme armoede dreigt te storten.  De vermaledijde staat treedt weer op de voorgrond: de regeringen worden verzocht om de zwaarste gevolgen van de crisis – gezondheid en klimaat – op te vangen: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. Het verzet groeit en het neoliberale gebouw davert op zijn grondvesten. Maar met de natiestaat is ook het extreme nationalisme terug. De economisch historicus Arnaud Orin gelooft dat het ultraliberalisme zal blijven gelden voor de arbeidsmarkt en voor diensten binnen de natiestaat, maar dat de natiestaten meer en meer tegenover elkaar komen te staan. Einde van de globalisering dus.

Maarten Schinkel Foto: Maartenonline

De Nederlandse econoom Maarten Schinkel vergelijkt onze tijd met de vooravond van de eerste Wereldoorlog. Ook toen was er sprake van een geglobaliseerde wereld waarin ondernemers maar ook arbeiders elkaar over de grenzen heen vonden. En ook toen had de wereld een lange periode van vrede achter de rug. De oorlog verbrokkelde de wereld opnieuw en het zou tot 1990 duren eer hetzelfde niveau van globalisering werd bereikt. Niemand kon geloven dat de oude tribale reflexen van “de stam, het eigene” in een oogwenk als bij toverslag zouden terugkeren. Hetzelfde lijkt nu te gebeuren. Sinds het uitbreken van de pandemie gingen In een mum van tijd de grenzen dicht. Het America First van Trump krijgt navolging, ook in de EU. Om zijn eigen verantwoordelijkheid voor de coronaravage in zijn land te ontvluchten haalt Trump zwaar uit naar China en schuwt daarbij het rauwe racisme niet.

We zien een explosie van de militaire budgetten, vooral in de marine. Conflicten om schaarse grondstoffen en het beschermen van de afzetmarkten hangen in de lucht. De confrontatie tussen China en de kwijnende grootmacht Amerika is niet langer een schrikbeeld in de toekomst. De incidenten tussen Chinese en Amerikaanse vaartuigen in de Zuid-Chinese zee nemen toe, net als de kans op gewapende confrontaties. De toenemende welvaartskloof kan door de coronacrisis tot explosieve situaties leiden. Er zijn altijd economische motieven geweest voor oorlog zegt de Duitse econoom Fritz Helmedag. Als mensen vertwijfeld zijn grijpen ze naar geweld. “Wie geen stuk brood in zijn hand heeft pakt een steen.”

Johan Depoortere

29 mei 2020

May 29, 2020 at 11:18 am 1 comment

KINDEREN VAN DE REKENING

Door Gie van den Berghe

 

Foto kazernedossin.eu

De eerste aflevering van Kinderen van de Holocaust bracht sterke getuigenissen (‘In de bek van de wolf’, Canvas, 28.4.2020). De getuigen schetsen een doordringend beeld van het begin van de discriminatie en vervolging van joden in België. Hun aangrijpende getuigenissen maken inleving mogelijk, het onvoorstelbare bijna voorstelbaar.

Anders dan bij de vorige Kinderen van (de collaboratie, het verzet) dekt de titel de lading niet helemaal. De meeste getuigen zijn geen kinderen van de Holocaust maar overlevenden van de jodenvervolging. De programmamakers wilden ‘de laatste kroongetuigen van de Holocaust voorrang verlenen’. Onder de getuigen twee volwassenen die Auschwitz hebben overleefd, de anderen ontkwamen als kind of adolescent aan het allerergste, twee werden na de oorlog geboren.

De eerste aflevering begon met wat een dader tegen Simon Wiesenthal (gevangene in Mauthausen) zei: “Als je het ooit overleeft dan zal niemand je geloven. ‘Maar wij, de kinderen van de Holocaust,”  repliceert de in 1941 geboren Norbert Vos, “hebben het overleefd en wij zijn hier om te vertellen wat jullie gedaan hebben.”

Ook Primo Levi, die Auschwitz overleefde, vervolledigt dit in De verdronkenen en de geredden: “niet één van jullie zal getuigenis kunnen afleggen, maar zelfs als iemand het zou overleven, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Misschien zullen er vermoedens, discussies en onderzoek door historici zijn, maar geen zekerheden want we zullen de bewijzen samen met jullie vernietigen. En zelfs als er enkele bewijzen zouden overblijven en sommigen overleven, dan zullen de mensen zeggen dat de gebeurtenissen die jullie beschrijven te monsterlijk zijn om geloofd te worden: ze zullen zeggen dat het overdrijvingen zijn van de geallieerde propaganda en zullen ons geloven, wij die alles zullen ontkennen. Wij, niet jullie, zullen de geschiedenis van de kampen dicteren.” Ontelbare getuigenissen en geschiedkundige studies hebben het tegendeel bewezen.

Onderzoek leert dat getuigenissen vele jaren na datum, ook over traumatische gebeurtenissen, niet waterdicht zijn, dat ook niet kunnen zijn. Herinneringen worden hoe dan ook aangevuld, bijgekleurd en herdacht door wat men nadien heeft meegemaakt, door wat van anderen en uit andere bronnen vernomen werd, door iemands persoonlijke en de maatschappelijke evolutie (Loctus, Schacter, Wagenaar). Let wel, wat deze getuigenissen betreft, is dit slechts een theoretische vaststelling – aan de waarachtigheid van deze getuigen en het ‘waarheidsgehalte’ van hun getuigenis hoeft geen seconde getwijfeld te worden. Niets dan lof overigens voor de wijze waarop de programmamakers de getuigen in beeld hebben gebracht.

Helaas laat de historische omkadering te wensen over, ook al kwam die tot stand met de medewerking van Kazerne Dossin, en sparen Christophe Busch (voormalig directeur van dit museum) en Herman Van Goethem in het persdossier de superlatieven niet.

Van bij de machtsovername door de nazi’s probeerden talloze joden aan hun klauwen te ontkomen. Europa werd overspoeld door vluchtelingen. In juni 1938 beslisten beschaafde naties op een conferentie in het mondaine Evian-les-Bains eensgezind de grenzen af te grendelen voor joden. In Kinderen van de Holocaust zegt een getuige hierover dat de nazi’s zo carte blanche kregen om met de joden te doen wat ze wilden. De programmamakers koppelen hier zonder enige duiding een flard aan uit een toespraak die Adolf Hitler op 30 januari 1939 tot de Rijksdag hield: “Als het internationale Finanzjudentum binnen en buiten Europa er zou in slagen de volkeren nogmaals in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet de bolsjewisering van de aarde en daardoor de zege van de joden zijn, maar de vernietiging van het joodse ras in Europa!”

Deze ontstellende intentieverklaring wordt wel vaker gebruikt als bewijs dat Hitler van het begin af aan en zeker begin 1939 (dus voor de Tweede Wereldoorlog begon) de joden wou uitroeien. Daarom wordt de passage die hieraan voorafging doorgaans weggelaten: ‘Europa kan maar tot rust komen als de joodse kwestie uit de weg geruimd is. De wereld heeft genoeg vestigingsruimte, maar er moet definitief gebroken worden met de mening dat het joodse volk door de lieve god zou voorbestemd zijn om in een bepaald percentage te profiteren van het lichaam en de productieve arbeid van andere volkeren. Het jodendom zal zoals andere volkeren moeten wennen aan een solide, constructieve bezigheid of er komt vroeg of laat een crisis van onvoorstelbare grootte’. 

De komplottheorie die Duitsland en Ariërs presenteert als slachtoffers van een almachtige vijand – jodendom, bolsjewisme, plutocratie – komt in tal van toespraken en geschriften van nazi-bonzen voor, te beginnen met Mein Kampf. Hitler wou de joden kwijt, discrimineerde en vervolgde meedogenloos, maar de wereld bleef toekijken. Begin 1939 wou en kon Hitler de joden niet uitroeien, zijn intentieverklaring was een laatste drukkingsmiddel op de wegkijkende wereld.

Hitlers voorlaatste drukkingsmiddel wordt in het programma niet eens vermeld: de nochtans beruchte Kristallnacht van 9-10 november 1938, vijf maand na de Evianconferentie en voorafgaand aan die toespraak van Hitler. Bij deze centraal georganiseerde Reichspogrom werden in Duitsland en (het ondertussen gewillig aangehechte) Oostenrijk ettelijke joodse bezittingen vernield en vele joden gemolesteerd. Minder bekend is dat op staande voet twintig- tot dertigduizend joden in concentratiekampen werden opgesloten (Schutzhaft heette dat: gevangenschap om vijanden van het volk te beschermen tegen de gerechtvaardigde volkswoede!). Enkele honderden joden overleefden de terreur in de kampen niet, maar alle anderen werden binnen het jaar vrijgelaten.

De aankomst van gedeporteerden in Auschwitz

Het drukkingsmiddel had enig effect. Van eind november 1938 tot het begin van de oorlog verleende Groot-Brittannië asiel aan meer dan tienduizend joodse kinderen uit Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechoslowakije en de vrije stad Danzig (Refugee Children’s Movement, vaak ‘kindertransport’ geheten). De meeste kinderen zagen hun ouders nooit terug. Joden konden overigens tot augustus 1941 Duitsland en door nazi’s bezette gebieden verlaten, met achterlating van hun hele bezit en op voorwaarde dat ze asiel kregen in een ander land. Niet dus. Een paar rijken en machtigen uitgezonderd.

Dit alles komt in deze aflevering van Kinderen van de Holocaust niet aan bod. Er is alleen even sprake van de ‘Antwerpse Kristallnacht’, de plunderingen en vernielingen die extreemrechtse bendes aanrichtten na de vertoning van de virulent antisemitische propagandafilm De Eeuwige Jood op 14 april 1941.

Na de beelden uit de toespraak van Hitler (30 januari 1939) springt het commentaar zonder overgang naar de jodenuitroeiing. Beweerd wordt dat ‘het onafgebroken moorden [vanaf juni 1941 bij de inval in Rusland, maar ook dit blijft onvermeld] voor mentale problemen bij de daders zorgde en het immense aantal lijken steeds moeilijker weg te werken viel. De nazitop dacht na over hoe ze de joden efficiënter konden uitroeien’. Meteen hierna komt de lijst in beeld die werd opgesteld voor de Wannseeconferentie (20 januari 1942), een optelsom van de uit te roeien Europese joden: meer dan elf miljoen (met inbegrip van joden in landen die de nazi’s nooit zouden veroveren, zoals Groot-Brittannië: 330.000, Rusland: 5 miljoen). Hierop, vervolgt het commentaar, werden in ijltempo ‘uitroeiingscentra gebouwd in bezet Polen, onder meer Birkenau bij Auschwitz’.

Geschiedkundig gezien is dit een rommeltje. Neem de daders. Dat waren niet alleen SS’ers maar ook gewone soldaten en (reserve)politielui. Bitter weinigen onttrokken zich aan hun taak en ze gingen doorgaans systematisch en gedisciplineerd te werk. Wie plezier schepte in het doden, zich door jodenhaat liet meeslepen, ‘nodeloze’ gruwelijkheden beging of plunderde, kon gestraft worden (wat af en toe gebeurde). Heinrich Himmler, hoofd van de SS en de Duitse politie, herinnerde hieraan in een urenlange toespraak die hij op 6 oktober 1943 hield voor SS- en politiegeneraals: ‘Wij hebben het morele recht, we hebben tegenover ons volk de plicht, dit volk, dat ons ombrengen wil, om te brengen. Maar we hebben niet het recht, ons persoonlijk te verrijken met een bontjas of een uurwerk, met een mark of met een sigaret, of wat dan ook. We zullen toch niet, omdat we een bacil uitroeien, erdoor besmet worden en sterven. Ik zal niet dulden dat zich ook maar een kleine rotte plek vormt of zich vastzet. Waar ze zich vormt, zullen we ze samen uitbranden. Maar alles samen kunnen we toch zeggen dat we deze zwaarste opgave in liefde voor ons volk volbracht hebben. En ons innerlijk, onze ziel, ons karakter hebben daarbij geen schade opgelopen’. Zo bleek, ook na de oorlog (Welzer).

Gevormd door en doordrenkt van decennialang antisemitisme, opgezweept door tien jaar nazipropaganda, zagen de meeste daders geen mensen meer in joden maar bacillen die het Arische Volkslichaam bedreigden. De ‘veldtocht tegen het judeo-bolsjewisme’, schreef generaal-veldmaarschalk Walter Von Reichenau op 10 oktober 1941 in een bevelschrift, gaat om meer dan eenvoudige soldatenplicht, het is een ideologisch rechtvaardige oorlog. De soldaat aan het oostfront is ‘meer dan een strijder volgens de krijgskunst, hij is tevens drager van een onverbiddelijk volks idee en wreker van alle beestachtigheden die het Duitse volk en daaraan verwante volkeren werden aangedaan. Daarom moet de soldaat volledig begrip tonen voor de noodwendigheid van de harde maar gerechtvaardigde straf voor het joodse Untermenschentum’. Erich von Manstein, één van de bekwaamste en meest invloedrijke officieren van de Wehrmacht (het reguliere Duitse leger) vulde aan: “Het jodendom heeft de sleutelposities in handen van politieke leiding, bestuur, handel en nijverheid, en vormt de kiem van alle onrust en eventuele opstanden. Het joods-bolsjewistische systeem moet eens voor al worden uitgeroeid. Nooit meer mag het in ons Europees Lebensraum vaste voet krijgen.”

Primo Levi onderstreepte dat de daders geen sadisten waren maar mensen die uit hetzelfde hout gesneden waren als wij. Gewone menselijke wezens, gemiddeld intelligent, gemiddeld boosaardig. Op enkele uitzonderingen na geen monsters, mensen als wij en daarom des te gevaarlijker.

De massale moordpartijen waren voor de meeste daders minder belastend dan het bloed en de stank die ermee gepaard gingen. Bij slachtpartijen in de omgeving van steden was dikwijls sprake van ‘executietoerisme’. Duitsers van allerlei slag kwamen kijken en kiekjes maken. Honderden van die foto’s zijn bewaard gebleven (Hamburger Institut für Sozialforschung, Welzer).

Ook de Wehrmacht deed enthousiast mee met de uitroeiing van de Europese joden Foto: murks-manege.com

Om de vele joden vlugger, massaler en met minder mankracht uit te roeien, werden allerhande methodes uitgeprobeerd. Met explosieven, vergassingswagens, dieselmotoren en uiteindelijk met blauwzuurgas (Zyklon B).

Birkenau (Auschwitz-II) was niet het eerste uitroeiingskamp. Begin december 1941 al werden in Chelmno joden massaal vermoord met uitlaatgassen van stationair draaiende vrachtwagens. Die speciaal hiervoor omgebouwde wagens waren in een vroegere fase rijdend gebruikt; de uitlaatgassen werden in de met mensen volgestouwde laadruimte binnen gevoerd. In maart, mei en juli ’42 begonnen de vergassingen in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka (met uitlaatgassen geproduceerd door speciale motoren). 

Eén van de getuigen zegt dat de nazi’s iemand als jood beschouwden als hij of zij een joodse moeder had. Dat is de stelregel van het jodendom, maar niet die van de nazi’s. Die trokken genealogisch na hoeveel grootouders iemand had met ‘joods bloed’ in de aders (Neurenbergerwetten, september 1935). Om na te gaan of de grootouders joden waren, gingen de nazi’s er gemakshalve vanuit dat wie het joodse geloof aanhing ‘voljood’ was.

Tabel ter verduidelijking van de Nürenberger Gesetze (“Rassenwetgeving”) Foto publiek domein

Over de onteigening van joodse handelszaken – door de bezetter ‘ontjoodsing van de economie’ genoemd – luidt het in dit programma dat ‘slechts 3% van de winkels echt winstgevend was’. Er niet bij verteld wordt dat dit percentage afkomstig is uit het eindrapport van de Duitse militaire bezetter, een verslag dat werd opgesteld na de terugtrekking uit België. Het gaat dus niet om winstgevende handelszaken maar om zaken waar de Duitsers munt uit konden slaan.

In België viel bij de joden, waaronder veel recente armoedige vluchtelingen, niet veel te rapen. Heel wat minder dan het antisemitische stereotype van de van geld bulkende jood het wil. In België erkende de bezetter goed zevenduizend ondernemingen als joods, waarvan 70% kleine familiale en artisanale ondernemingen die volgens de Duitse bezetter minder dan tienduizend Belgische frank konden opbrengen (en ook verkocht werden). Om en bij de negenhonderd grote ondernemingen gingen geheel of deels over in Duitse handen. De liquidatie van middelgrote en kleine ondernemingen bracht 150 miljoen Belgische frank op en de Duitse deelname aan handelszaken die (nog) niet ontjoodst waren nog eens 1.250 miljoen frank (Steinberg).

Bij leed vereenzelvigt vrijwel iedereen zich met slachtoffers, niet met daders. Dat levert een slachtoffervisie op daders op. Zo valt met geen mogelijkheid te doorgronden wat daders bezielde. Jammer dus dat de indrukwekkende getuigenissen niet aangevuld en bijgesteld werden door indrukwekkende geschiedkundige inzichten.

Summiere bibliografie

Hamburger Institut für Sozialforschung (Hg.) – Verbrechen der Wehrmacht. Dimensionen des Vernichtungskrieges 1941-1944 (Ausstellungskatalog), Hamburg, Hamburger Edition, 2002 (http://www.verbrechen-der-wehrmacht.de/docs/ausstellung/ausstellung.htm)

Levi, Primo – The drowned and the saved, London, Michael Joseph, 1986

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Witness for the Defense. The accused, the eywitness, and the expert who puts memory on trial, New York, St. Martin’s Press, 1991

Loftus, Elizabeth & Ketcham, Katherine – Graven in het geheugen. De mythe van de verdrongen herinnering, Antwerpen/Amsterdam, Veen, 1995

Schacter, Daniel L. – How the mind forgets and remembers, London, Souvenir Press, 2007

Steinberg, Maxime – La question juive 1940-1942, Bruxelles, Vie Ouvrière, 1983

van den Berghe, Gie – Met de dood voor ogen. Begrip en onbegrip tussen overlevenden van nazi-kampen en buitenstaanders, Antwerpen, Epo, 1987

van den Berghe, Gie – Gott mit uns, Antwerpen, Hadewijch, 1995

Wagenaar, Willem A – Identifying Ivan. A case study in legal psychology, NewYork/London, Harvester – Wheatsheaf, 1988 (Het herkennen van Iwan, Swets & Zeitlinger, 1989)

Welzer, Harald – Daders. Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden, Amsterdam, Anthos, 2006

May 8, 2020 at 11:25 am 1 comment

HOLLANDSE KONGO

Hoe de Hollanders Leopold II in Kongo ondersteunden en ondervonden dat ondank ‘s werelds loon is.

Door Lucas Catherine

Als je stripverhalen leest zou je denken dat de Nederlanders niet weten waar Kongo ligt. Toen Hergé daar populair werd moest Kuifje in Kongo, Kuifje in Afrika heten.

Want wisten ze veel waar Kongo lag ? Nu, als het op koloniale geschiedenis aankomt zijn de Nederlanders inderdaad niet zo sterk in aardrijkskunde: Indië ligt volgens hen niet op het Indische subcontinent, maar in Indonesië. Hun Oost-Indië is het enige “Indië” dat ze kennen. En toen Suske en Wiske ginder in het Noorden populair werden moest het album De Tamtamkloppers niet langer in onze Kongo spelen, maar in hun Suriname. De teksten werden aangepast. Voor de tekeningen kon dit niet : daardoor dat Afrikaanse dieren als leeuwen, giraffen, olifanten, neushoorns of nijlpaarden volgens die albums ook in Suriname rondliepen. Nogal verwarrend voor de Hollandse lezertjes.

En je zal, in hun toch wel prachtige Atlas of Mutual Heritage op het internet  waarop ze al hun koloniale posten en factorijen oplijsten, nergens Boma of Banana vinden. Laat staan Kinshasha. Nochtans, de Hollanders waren voor Leopold II in Kongo. Jawel !

De Hollandse factorij in Boma

De Rotterdamse firma Kerdijk en Pincoffs startte activiteiten in Kongo vanaf 1857 en stuurde Henry Kerdijks broer Lodewijk uit als hun vertegenwoordiger ter plaatse. Hij overleed in 1861 te Boma. De firma Kerdijk & Pincoffs exporteerde katoen, kookgerief, messen, geweren, kruit en sterke drank uit Nederland en ruilde die voor Afrikaanse ivoor, palmolie en rubberKerdijk & Pincoffs waren daarvoor ook in West-Afrika actief, maar ze splitsten hun West-Afrikaanse posten af en brachten de Kongolese factorijen onder in de Afrikaansche Handelsvereeniging (1868). Daar werkten naast vrije arbeiders ook enige honderden slaven (door de Portugezen “coromanos” en door de Nederlanders “Kroo-mannen” genoemd). Pincoffs en Kerdijk waren dan ook deelnemers aan Leopolds Geografische conferentie van Brussel (1876), de eerste stap die hij zette in zijn verovering van Kongo.

 

Deze AHV investeerde mee in Leopolds Kongoproject. Het was Pincoffs die aan Leopold voorstelde een financieringscomité op te richten. Dat werd het Comité d’études du Haut-Congo . Zij werden dan ook bestuurders in dit Comité en waren naast Leon Lambert (vertegenwoordiger van de Rothschilds in België en Leopolds bankier) de tweede grootste aandeelhouders: Lambert voor 400.000 goudfrank. De AHV voor 130.000 goudfrank. Dat was meer dan bijvoorbeeld de Brusselse bankier Georges Brugmann (20.000 frank).

Het is dit Studiecomité dat Stanley engageerde (en betaalde) voor zijn expeditie op de Kongostroom. De Hollandse AHV liet Stanley en zijn materiaal (vier gedemonteerde rivierboten) kosteloos naar Banana verschepen. Van daaruit vertrok op 14 augustus 1879 zijn koloniale expeditie. Het quid pro quo was natuurlijk dat AHV een bevoorrechte positie zou krijgen in Leopolds gebied, maar doordat in 1879 de AHV  na een grootscheepse fraude failliet ging kwam daar niets van terecht. Leopold  maakte van de gelegenheid gebruik om het Comité volledig over te nemen.

Daarop werd de Nieuwe Afrikaansche Handelsvereniging opgericht. In 1884, het jaar vóór de officiële oprichting van de Kongo Vrijstaat bezat ze 69 handelsposten langs de Kongostroom. Haar hoofdkwartier was in Banana. Er was zelfs sprake van dat Nederland soevereiniteit over de Kongostroom zou krijgen. Maar Nederland herkende, na ruggespraak met de NAVH tijdens de Conferentie van Berlijn (1885) de Kongo Vrijstaat onder voorwaarde van vrijhandel, zoals de Conferentie in haar artikel 14 had bepaald.

Korte tijd lang liet onze Leopold II zich als Koning van Kongo Potorko I noemen. Een naam die we terugvinden in een knipsel uit een toenmalige Nederlandse krant

 

Venloosch weekblad, 5 september 1885

Aan het hoofd van de NAVH kwam Anton Greshoff (1). Hij vestigde zich in het dorp Kinshasa, naast Leopoldstad. Greshoff zou een luis in de pels van Leopold worden. Samen met andere handelaars verzette hij zich tegen de verdragen die de Vrijstaat afsloot met de lokale vorsten en waarin die hun soevereiniteit afstonden. Zij eisten dat die vorsten enkel handelsakkoorden zouden ondertekenden.

In 1886 en 1887 schreef Greshoff een reeks artikels in het tijdschrift Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap met felle kritiek. Onder meer dat “na vijf jaar de Vrijstaat nog niets heeft gedaan om de traditionele karavaanweg te verbeteren tot een meer fatsoenlijke weg.” Of dat hij gemerkt had dat “alle dorpen tussen de Inkisi (rivier) en Nzugu-Mbola zijn platgebrand …terwijl hier nooit enige melding van is gemaakt.” De stations van de Staat “kan je eerder stallen dan huizen noemen; zelfs is het zeer twijfelachtig of een aan een zindelijke Hollandse stal gewende koe wel zou voortgaan melk te geven, zo men haar een kamer in Leopoldstad gaf.” En: “Alles wat we van de Vrijstaat gezien hebben is lijnrecht in strijd met haar programma : menslievendheid, wetenschap, beschaving…” Eerst werd Greshoff hiervoor in 1887  in Boma voor de rechtbank gedaagd, maar gelukkig voor hem werd de zaak geseponeerd.

Kinshasa 1883

In Brussel had men op 30 april 1887 een decreet uitgevaardigd dat te land enkel de vlag van de Kongostaat nog mocht worden gehesen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de gouverneur-generaal. Op de rivier mocht men de eigen vlag hijsen aan de voorsteven, maar de vlag van de Vrijstaat moest aan de achtersteven.

Greshoff had als oranje-patriot overal de Nederlandse driekleur gehesen op al zijn factorijen en boten. Hij boycotte het decreet door ervoor te zorgen dat de vlag van de Vrijstaat steeds rond de vlaggestok bleef gerold en dat alleen de Nederlandse vlag wapperde in de wind.

Hij reisde in 1887 als eerste blanke handelaar naar de Swahili machthebber van Maniema in Kisangani, Hamed ben Mohamed al Murjebi, door de Belgen Tippo-Tip genoemd, met de bedoeling rechtstreeks bij hem ivoor te betrekken. En het lukte ! Directe concurrentie voor Leopold.

In 1889 werd de “fatale, de onvermijdelijk Greshoff”  zoals hij werd genoemd in de maand september per decreet uitgewezen uit Leopolds Kongo. Hij stak de rivier over en vestigde zich rechtover Kinshasa in Brazzaville, Na de ‘Vlaggenoorlog’ volgde nu een papieren oorlog met brochures tegen de Vrijstaat. Een citaatje : “De staat voerde in 1889 voor 4,3 miljoen frank producten uit; de NAHV kocht dat jaar voor 6,1 miljoen producten aan; als men zegt dat de NAHV van geringe betekenis is, hoe klein is dan wel de staat ?”

Maar de NAHV was nu wel haar toegang tot de monding van de Kongorivier kwijt. Anton Greshoff zou vanuit Brazzaville wel nog 12 jaar bedrijvig blijven in de Franse Kongo.

 

Greshoff aan zijn bureau in Brazzaville

Tot slot nog dit : Waarom was Leopold II zo wantrouwig tegenover de Hollandse handelaars ? Dat had wellicht te maken met zijn grote bewondering voor de Nederlandse kolonisatie in Indonesië die hij verschrikkelijk efficiënt vond. Vreesde hij te grote concurrentie ? In zijn eerste toespraak tot de Belgische senaat op 17 februari 1860, toen nog als Hertog van Brabant, sprak hij zijn bewondering al uit over die kolonisatie die “de Verenigde Provincies tot één van de belangrijkste staten van Europa” had gemaakt. Dankzij het gewin in hun kolonies.

Gedenkplaat Max Havelaar, Bergstraat Brussel

“Vorig jaar,” sprak hij, “bedroeg de nettowinst van Nederlands-Indië ongeveer 70 miljoen frank.” Zoals Sir James Brooke, die toen Sarawak bestuurde, na een onderhoud met Leopold verklaarde : “Hij is verliefd op het Hollandse systeem…Ik vond geen spoor van brede opvattingen, van liberale gevoelens; hij dacht alleen maar aan de manier waarop hij geld uit het volk kon persen… Hij lachte met de idee de rechten van de inheemsen te eerbiedigen.” Dat Hollandse systeem bestond uit het zogenaamde cultuurstelsel van gedwongen teelten, waarbij de koloniale ambtenaren gedreven werden door premies: de zogenaamde cultuurprocenten of cultuuremolumenten om de productie zo hoog mogelijk te maken en die dan tegen zeer lage prijs te leveren aan de staat via de Nederlandse Handel-Maatschapij . Leopold zou het in Kongo toepassen.

Dat zelfde jaar 1860 waarin Leopold zijn toespraak hield in de senaat verscheen de grote aanklacht tegen dit cultuurstel : Max Havelaar, of De koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Edward Douwes-Dekker schreef het boek in Brussel, op geen vijfhonderd meter van het  Koninklijk Paleis.

(1) Zijn neef, de dichter Jan Greshoff schreef indertijd Catrijntje Afrika. Alhoewel hij zelf in Zuid-Afrika woonde speelt dit werk toch in de Kongo van zijn oom Anton.

 

Lucas Catherine

March 13, 2020 at 8:50 pm 1 comment

KARIKATURALE JODEN

Door Gie van den Berghe

In een mooi en noodzakelijk opiniestuk (in De Standaard van 21.2.20) wijst Ludo Abicht er zeer terecht op dat nogal wat verstandige mensen dwalen als ze de zogenaamd antisemitische carnavalwagen in Aalst aan de jodenuitroeiing koppelen.

Toch vindt Ludo dat de makers van die wagen ‘ronduit fout waren door de karikatuur van de Jood – en carnaval gaat over niets anders dan karikaturen – spontaan te associëren met het beeld van de Jood dat al eeuwen de ronde doet en met het gevaarlijke idee van de geldjood’.

Lachen met volksvreemden in Aalst

Het woord ‘karikatuur’ komt uit het Italiaans en betekent letterlijk en figuurlijk ‘aanvalsactie’, het grotesk uitbeelden van autoriteiten, beroemdheden, vreemdelingen, minderheden. De uitgebeelde personen worden sterk vervormd voorgesteld, alle als negatief beoordeelde fysieke of karakteriële kenmerken worden zwaar overdreven en – als het om mensengroepen gaat – worden veralgemeend. Dat is ook wat carnavalisten doen. Dat mag, want carnaval is een tijdelijke vrijplaats om met alles en nog wat de draak te steken. Waarom zou het dan wel fout zijn om joden karikaturaal uit te beelden? Onverstandig is het in deze tijden wel, maar het is en blijft een karikatuur. Een karikatuur kan niet fout zijn, ook niet als het om joden gaat.

Ludo Abicht

Ludo Abicht schrijft ook dat je van de makers van die carnavalwagen niet kunt verlangen dat ze een geleerd boek gelezen hebben over het Kerkelijke verbod om munt te slaan uit het lenen van geld, waardoor de rol van ‘bankier’ aan niet-christenen, onder meer aan joden toeviel. Maar toch kun je volgens Ludo die carnavalisten verwijten dat ze het wijdverspreide beeld van de jood als ‘geldjood’ overgenomen hebben.

Da’s vreemd, want hoe je het ook draait of keert, Europeanen konden zeer lange tijd alleen bij (bepaalde) joden terecht om te lenen. Joden zaten, hoe  ongewild ook, in een monopoliepositie. Historisch onderzoek naar de verhouding tussen welwillende en kwaadwillende joodse geldleners kan waarschijnlijk niet, maar het spreekt voor zich dat deze machtspositie tot problemen heeft geleid. Christenen die hun lening niet volledig konden terugbetalen en daarom beroofd werden van hun schamele bezittingen kwamen er makkelijk toe om joden als bevolkingsgroep te veroordelen. Door joden als godsmoordenaars, hostieverkrachters, kindermoordenaars en dergelijk voor te stellen had de Kerk dit trouwens serieus in de hand gewerkt. Woekerende joodse geldschieters – want die waren er, zoals in alle mensengroepen – zullen deze vooroordelen en jodenhaat alleen maar versterkt hebben. Het stereotiepe beeld van de ‘geldjood’ gaat hoe dan ook deels terug op bepaalde historische verhoudingen, visies en gebeurtenissen. Daar kunnen joden noch christenen iets aan verhelpen.

Dergelijke stereotiepen buiten hun historische context gebruiken is in deze tijden niet verstandig. Maar is een gebrek aan verstand niet juist kenmerkend voor menigten, massa’s en massavertoningen? Worden vijandige stereotiepen dan niet bijna altijd klakkeloos overgenomen? Mag dat tijdens de zeer tijdelijke vrijplaats die carnaval is? Van mij wel, al spreken dergelijke uitspattingen me persoonlijk niet aan. Maar dan moet je consequent zijn, met alles de draak durven steken. Ook met de N-VA, het koningshuis, Aalst, Vlaanderen, carnaval en – constructiever – met het in de steek laten van miljoenen vluchtelingen en mensen in nood (Idlib, Lesbos, concentratiekampen in het Mexicaans-Amerikaanse grensgebied…) Zet eens een maatschappijkritische zotskap op!

Lees over hetzelfde thema ook:  OVER KARIKATUREN EN ISRAËL door Lucas Catherine

 

February 23, 2020 at 10:44 pm 1 comment

OVER KARIKATUREN EN ISRAËL

Door Lucas Catherine

Niet alleen de cultuursector lijdt onder besparingen en vallen er projecten stil. Ook de Vismooil’n hadden vorig jaar in Aalst geen geld voor een nieuwe praalwagen. Ze lasten een sabbatjaar in en ze recycleerden dan maar oude poppen. Sabbat = joden. Geen geld ? Wie heeft er geld volgens de antisemitische traditie? De joden. En hoe zien joden eruit ? Met een haakneus, een shtremel en pajes en lange zwarte jassen.

Een verschrikkelijke karikatuur, met de nadruk op verschrikkelijk.

Zo’n karnavalstoet loopt vol karikaturen, net zoals (vroeger) stripverhalen. Racistische karikaturen : ‘Arabieren zijn sheiks die rijden op een kemel in de woestijn’. In de realiteit willen alle Marokkanen die ik ken rijden met een Peugeot, maar soit.

‘Chinezen hebben niet alleen spleetogen, maar zijn niet te betrouwen : in hun restaurants laten ze ons ratten en katten eten.’ Nu is de Chinese keuken stukken beter dan, pakweg, de Hollandse.

‘Afrikanen hebben dikke lippen, grote witte oogballen, kunnen goed dansen, zijn grote kinderen, maar niet al te snugger en liever lui dan moe. Wat ze nodig hebben is een strenge vader die ze aan het werk zet’ zeiden de Belgische kolonialen. Maar studies wijzen uit dat de gemiddelde Congolese Belg beter is opgeleid dan de gemiddelde witte Belg. Toch moeten ze werk doen beneden hun niveau. Ik zie het dagelijks in Brussel.

Maar goed de joden. Er zijn orthodoxen en anderen. Die ‘anderen’ vormen de meerderheid. In Brussel wonen iets meer joden dan in Antwerpen, alleen weinig orthodoxen en ze vallen dus minder op.

De meerderheid in Brussel zijn afstammelingen van joodse vluchtelingen uit de jaren dertig. Dit is bvb het verhaal van mijn vriend Jacques R. Oorsponkelijk woonden zijn ouders in Roemenië. Roemenië was erg antisemitisch (nu nog trouwens) en ‘s zondags preekte men tegen de joden in de kerk, na de dienst trokken met stokken en messen gewapende benden door de stad op zoek naar joden. Jacques’ ouders besloten te emigreren: naar Polen, maar daar was het nog erger. Dus besloten ze zekere dag om te voet van Polen naar Brussel te trekken. Zo kwam Jacques hier terecht. En waren die Oost-Europese joden rijk? De overgrote meerderheid was werkman of ambachtsman. Ze hadden dan ook hun eigen vakbond gesticht : Bund Yiddischer Arbeter en ze waren linkser dan toendertijd bijvoorbeeld Emile Vandervelde.

Racistische karikaturen berusten op onwetendheid en je bestrijdt ze door die onwetendheid op te heffen. Dat geldt ook voor karikaturen van zwarte Afrikanen, Chinezen of Arabieren. En wat opvalt is dat de groepen die het ergst onder zo’n racisme te lijden hebben, juist de grootste slachtoffers waren van de gruwel door Europeanen aangericht in naam van ‘onze Westerse beschaving’.

Spleetogen vormden het Gele Gevaar en waren een Gele Draak die bestreden moest worden. Ze ondergingen dan ook in China koloniale oorlogen en in Hiroshima de meest gesofisticeerde produkten van onze beschaving.

Zwarten werden met miljoenen door Hollanders, Portugezen, Fransen en Engelsen uit Afrika weggevoerd en in Afrika zelf ondergingen ze een Belgische beschaving die graag gebruik maakte van de chicote (bullepees) en handafhakkingen.

De Palestijnse Arabieren worden nog altijd gekoloniseerd en geterroriseerd.

De Christusmoordenaars werden al sedert de dag dat Godfried van Bouillon door de Rijnvallei trok op weg naar Palestina massaal vermoord. De Nazi’s industrialiseerden zijn praktijken op een miljoenenschaal.

Een tweede zaak die opvalt is dat de racistische Kuifjes, Nero’s (Moea-Papoea, de Woefwasserij,..) en Susken en Wiskes (De Tam-Tamkloppers, De Witte Uil) ondertussen al een halve eeuw oud zijn.

En ook Karnavalskarikaturen moeten aangepakt worden, want zoals de Union des Progressistes Juifs schrijft : Aujourd’hui, ricaner à propos des Juifs, des Noirs ou des Musulmans en répercutant les pires poncifs les concernant et alors que ceux-ci sont les cibles principales des crimes racistes, cela ne peut plus être considéré comme une innocente plaisanterie. Ces images ont un impact qui dépasse largement les trois jours du carnaval et elles ont un effet direct sur ceux qui décident de passer à l’acte.

Maar heeft u al een woordvoerder van die progressieve joden in onze media gehoord? (Er zijn er nochtans bij die Nederlandstalig zijn.)

Neen, wel spreekbuizen van Israël zoals Hans Knoop of hun minister van Buitenlandse zaken. Die blazen die domme en misplaatste en van grove onwetendheid getuigende karikatuur op tot een aanval op de Holocaust en een bewijs dat België doordrongen is van antisemitisme. De Holocaust rendeert, want, zoals de eertijdse Israëlische minister van Buitenlandse Zaken, Aba Eban zei : ‘There is no business like Shoah-business.’ De huidige minister van Buitenlandse Zaken Yisrael Katz doet het op zijn manier. Nadat hij een paar jaar geleden ( 2016) al de ‘chocolade etende Belgen’ verweet slechte democraten te zijn, heeft die minister van de koloniale apartheidsstaat Israël het over: “Belgium has positioned itself as one of the Security Council member states most hostile toward Israel.” België had, als tijdelijk voorzitter van de Veiligheidsraad in het kader van een briefing over kinderrechten een NGO uitgenodigd die actief is in Palestina, en wat gebeurde er : De dag voor Carnaval schreef De Standaard :

De NGO Defence of Children Palestine komt maandag (de dag na Carnaval) niet spreken op een briefing van de VN veiligheidsraad. België als tijdelijk voorzitter heeft de invitatie uitgesteld onder druk van Israël. De nummer twee van onze Ambassade in Israël, Pascal Buffin, werd twee keer op het matje geroepen door Buitenlandse Zaken in Jeruzalem.

Yisraël Katz. Foto Wikipedia

Over die meneer Yisraël Katz valt nog dit te zeggen :

Deze Litouwse  jood bracht zijn jeugd door in de kolonie Kafr Ahim, toen pas gesticht op het Palestijnse dorp Qastiniya. Het werd op 29 juni 1948 verwoest door het Israëlisch leger volgens wat de Israëlische historicus Benny Morris noemt ‘‘liquidation‘ (hisul) en ‘burning’(bi’ur.) De woorden tussen haakjes zijn de Hebreeuwse termen. Het dorp bezat grote boomgaarden waarop ze de befaamde Jaffa appelsienen kweekten, later overgenomen door de zionistische kolonisten.

Yisraël Katz wil dit soort verhalen niet geweten hebben. Palestina is zogezegd altijd Hebreeuws geweest. Als toenmalig minister van verkeer liet hij een wet stemmen waardoor in de bewegwijzering alleen nog maar de Hebreeuwse uitspraak mocht worden weergegeven van Arabische plaatsnamen als Nazareth, Jaffa, Jeruzalem…

Dezelfde Yisraël Katz pleitte tijdens de Gaza-oorlogen voor “targeted killings” en hij bepleitte dezelfde liquidatie-tactiek tegenover vreedzame opposanten van de Israëlische kolonisatie, zoals bepleiters van BDS (zie de mensenrechten organisatie Al Haq, 16 november 2019).

En voor zo iemand zwicht onze Belgische diplomatie. Waar een domme antisemitische karikatuur in Aalst al toe kan leiden.

PS. En er zijn natuurlijk ook niet-racistische karikaturen. Brusselaars hebben een ballonnekeskop, een moustache, een bierbuik en een dikke nek. En soms klopt dat : u moet maar eens een foto van mij googlen.

February 23, 2020 at 10:43 pm 3 comments

“DE MACHT VAN JODEN” (een repliek)

Tom Ronse

Het is in dit salon al vaak betoogd: antisemitisme en antizionisme zijn niet hetzelfde. Integendeel: wie konsekwent gekant is tegen racisme en dus antisemitisme kan niet anders dan ook verzet aantekenen tegen de discriminerende en koloniserende politiek van de Israelische staat. Het omgekeerde geldt ook: wie de racistische politiek van Israel verwerpt, moet zich ook konsekwent kanten tegen alle uitingen van antisemitisme.

Zoals de beruchte anti-joodse praalwagen in de Aalsterse karnavalstoet van vorig jaar. Plaatsvervangende schaamte is wat ik voelde toen ik daar beelden van zag. Sindsdien zijn allerlei argumenten aangevoerd om die weerzinwekkende vertoning te vergoelijken: de karnavalstoet lacht met alles, wie niet kan meelachen heeft lange tenen of is tegen de vrije meningsuiting, de praalwagen hekelt niet alle joden, enkel sommige, etcetera.

Bullshit. De gelijkenis tussen de Aalsterse karikaturen van geldbeluste joden -met hun geldzakken, hun graaiende handen, lelijke kromme neuzen en een rat op de schouder – en de haatcampagnes van de nazi’s van vroeger en nu, is onmiskenbaar.

Lachen met volksvreemden in Aalst

 

Nazi-propaganda

 

Het spijt me dan ook dat historicus Gie Van den Berghe, wiens originele artikels in dit salon ik ten zeerste waardeer, in zijn jongste bijdrage dit Aalsters racisme helpt goedpraten. Volgens hem stak de praalwagen in kwestie de draak met “de macht van joden (niet van ‘dé joden’ want dat zou een naar antisemitisme neigende veralgemening zijn)”. Zo simpel is dat: je laat het lidwoord vallen en alles is in orde. Je bezondigt je dus niet aan racisme als je spreekt over “de domheid van zwarten”, zolang je het maar niet over “de zwarten” hebt. De praalwagen van de “vismooil’n” spotte niet met “dé joden” maar specifiek met orthodoxe joden die behalve hun religie, hun excentrieke kledij en haardracht, ook geldzucht gemeen hebben volgens de Aalsterse karnavalgroep. Van den Berghe weet beter dan de meesten dat dit stereotiep op eeuwen kristelijke laster steunt maar knijpt een oogje dicht vanwege de rol die orthodoxen spelen in de kolonisatiepolitiek van Israel. Ook dat is een veralgemening. Er zijn heel wat orthodoxen die deze politiek niet steunen en er zich zelfs actief tegen verzetten.

Het is fout om alle orthodoxen, laat staan alle joden, over één kam te scheren. Er zijn zionistische en anti-zionistische orthodoxen, er zijn rijken en armen onder hen. Maar volgens het stereotiep denken ze allen hetzelfde en hebben ze allemaal veel geld en macht. Die macht werd volgens Van den Berghe geillustreerd door het feit dat klachten van joodse organisaties ertoe geleid hebben dat het Aalsters karnaval geschrapt werd uit Unesco’s werelderfgoedlijst.

Het concept zelf van “de macht van joden” impliceert een ‘naar antisemitisme neigende veralgemening’. Ik heb nog nooit iemand over “de macht van kristenen” horen praten, hoewel die ontegensprekelijk veel groter is dan die van joden. Het idee dat alle mensen met een kristelijke achtergrond dezelfde ideeen en belangen hebben lijkt immers bespottelijk maar als het over joden gaat (of moslims, of andere minderheden) is het voor velen niet meer het geval.

Joden zijn niet kwetsbaar of niet kwetsbaarder dan andere minderheden”, schrijft Gie. Maar vandaag zijn alle minderheden kwetsbaar en elk jaar zijn ze dat meer. In heel de wereld waait een wind van haat en onverdraagzaamheid tegen minderheden die kan aanzwellen tot een storm van uitsluiting en geweld. Het is in die context dat de Aalsterse praalwagen gesitueerd moet worden. Dit was geen satire op de politiek van Israel.

De laatste paragraaf van Van den Berghe’s artikel is een harde aanklacht tegen die politiek. Zo verbindt hij de verdediging van een antisemitische praalwagen met antizionisme. Ik hoor de zionisten al glunderen: “Zie je wel?”

 

ratten en ander ongedierte

 

 

January 12, 2020 at 4:52 am 9 comments

HOLOCAUSTJODEN

Door Gie van den Berghe

In De Afspraak van 8 januari werd onder meer aandacht besteed aan de vrijheid van meningsuiting. Filosofe Tinneke Beeckman vond dat er sinds de aanslag op Charlie Hebdo, vijf jaar geleden, veel minder vrijheid is en betreurde dat. Bart Schols vroeg haar daarop of de burgemeester van Aalst dan ongelijk heeft als hij de schrapping van het Carnaval van Aalst van de werelderfgoedlijst van de UNESCO weglacht. Hierop formuleerde Beeckman een merkwaardige uitzondering op de vrijheid van meningsuiting. Dat, zei ze, ‘is een enorm verschil dat veel te weinig gemaakt wordt tussen het lachen met een geloofssysteem, zeker wanneer het radicaal fundamentalistisch is (…) wanneer het gaat om de uitwassen van zo’n systeem, en het lachen met mensen en ook in het geval van Aalst gaat het over de Holocaust, (…) een door de staat georganiseerde poging om een volk uit te roeien, (…) fundamenteel iets anders. Je mag mensen niet minachten of haten maar je moet wel kunnen kritiek geven op een geloof of een idee, dat is voor mij een fundamenteel verschil’.

Beeckman vergist zich, er werd in Aalst niet gelachen met wat zij de Holocaust noemt (een slachtofferbegrip, jodenuitroeiing, judeocide, Endlösung zijn correcter.) De praalwagen in kwestie bespotte de jodenuitroeiing niet maar wel orthodoxe joden, met shtreimes (grote hoeden in bont), pijpenkrullen, stereotiep grote neuzen, gezeten op en omringd door zakken geld en muntstukken. In De Afspraak wees niemand Beeckman op haar ‘vergissing’. Zo te zien vat vrijwel iedereen spotten met joden op als een persiflage van de ‘Holocaust’, een heiligschennis, een niet te vergeven misdaad die zelfs de vrijheid van meningsuiting ongedaan maakt.

Foto: Carnaval Aalst foto-en videoblog

Beeckman is niet de enige die op deze wijze in de fout gaat. Patricia Teitelbaum, een vertegenwoordigster van het International Movement for Peace and Coexistence, die begin december 2019 naar Bogota reisde om bij het UNESCOcomité voor werelderfgoed de schrapping van het Carnaval van Aalst te bepleiten, verklaarde in Het Laatste Nieuws (28 november) dat de joden op de Aalsterse praalwagen omringd waren door ratten. Dat is een allusie op de beruchte rattenstroom in de antisemitische nazifilm Der Ewige Jude (1940), maar in Aalst waren er op of rond de praalwagen géén ratten te zien.

Tijdens het carnaval had de wagen ook geen beroering gewekt, het waren joodse organisaties die achteraf klacht indienden. UNIA, een onafhankelijke openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijke kansen bevordert, vond onterecht: de wet op racisme en antisemitisme was niet overtreden.

Maar toch schrapte de UNESCO die het zeshonderd jaar oude Carnaval van Aalst in 2010 als ‘satirisch en uitbundig’ had erkend, het carnaval van de werelderfgoedlijst wegens racisme en antisemitisme. En zo illustreren joodse organisaties ongewild waar tijdens het Carnaval van Aalst de draak werd mee gestoken: de macht van joden (niet van ‘dé joden’ want dat zou een naar antisemitisme neigende veralgemening zijn). Joodse organisaties en niemand anders slaagden erin het Carnaval van Aalst te schrappen van de lijst van werelderfgoed. Maar niet getreurd, de Belgische biercultuur, garnaalvissen te paard en andere zotternijen staan er wel nog op.

Foto: Carnaval Aalst foto-en videoblog

Carnaval’, zei Teitelbaum nog, ‘is spotten met de machtigen der aarde, maar toch niet met de kwetsbaren’. Jarenlange Israëlische propaganda en politieke exploitatie van de judeocide hebben er kennelijk voor gezorgd dat we joden en hun daden onlosmakelijk verbonden zien met en verontschuldigen door hun vreselijke maar wel degelijk voorbije slachtofferschap.

Joden zijn niet kwetsbaar of niet kwetsbaarder dan andere minderheden. Israëlische joden zijn allesbehalve kwetsbaar, ze kwetsen en onderdrukken veelal andere mensen. Nogal wat orthodoxe joden spelen hierbij een rol, palmen met hun nederzettingen almaar meer Palestijns gebied in.

Kort na zijn machtsovername kondigde Trump aan dat hij de VS ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem zou verplaatsen. De VS ziet de Israëlische nederzettingen op de West Bank niet langer als onwettelijk. Vorige zomer zette Trump samen met Israël een eerste fase in om Palestina grondig te veranderen. Er werd vijftig miljard dollar geïnvesteerd in Palestijnse, Egyptische, Jordaanse en Libanese infrastructuur en zakelijke projecten, geld voornamelijk afkomstig uit Arabische bronnen. Details van de tweede, ‘politieke’ fase moeten nog onthuld worden. Uit betrouwbare lekken blijkt dat de VS en Israël een ‘nieuw Palestina’ willen creëren dat slechts 12% van de West Bank mag ‘omvatten’, in niet aaneengesloten kantons, met een hoofdstad in de buitensteden van Jeruzalem. Dit deel van de ministaat zou via een brug met Gaza verbonden worden en via twee landcorridors met Jordanië. Gaza zou in de noordelijke Sinaï uitgebreid worden op domeinen gehuurd van Egypte om er een industriële zone en een luchthaven te bouwen. Hamas zou zijn wapens moeten inleveren en onder de controle vallen van de Palestijnse autoriteit. De nieuwe staat zal compleet gedemilitariseerd zijn. Israël zal zijn veiligheid verzekeren, gefinancierd door de Palestijnen. Het Palestijns recht op terugkeer – volgens de VN Algemene Vergadering van 1974 een onvervreemdbaar recht – zou officieel afgeschaft worden: Palestijnse vluchtelingen zouden compensatie ontvangen van een internationaal fonds en meer rechten krijgen in de landen waar ze nu leven. Zo moet een einde gesteld worden aan alle Palestijnse rechten. Het plan volgt de principes die Westerse vredesvoorstellen van het begin af aan volgden: Palestijnse eisen blijven altijd onderschikt aan Israëls noden en wensen (Karmi, Ghada – ‘Constantly Dangled, Endlessly Receding’, London Review of Books, 5.12.2019).

January 10, 2020 at 10:54 am 3 comments

RUHIG ABWARTEN

Bilzen Foto Han Soete

Bilzen: tot voor kort was de naam van het Limburgse stadje voor mij en mijn generatiegenoten onlosmakelijk verbonden met Jazz Bilzen, de voorloper in de jaren zestig van de grote rockfestivals in Torhout en Werchter. Dat veranderde in de nacht van 10 op 11 november toen een toekomstig asielcentrum in brand werd gestoken. Voortaan staat Bilzen voor de eerste terreurdaad van dat soort in ons land, uitgerekend op de verjaardag van het einde van de eerste wereldoorlog en bijna dag op dag 81 jaar na de verschrikkelijke Kristallnacht waarmee in Duitsland de gewelddadige vervolging van de Joodse bevolking werd ingeluid en die zou leiden tot de massamoord op niet alleen Joden maar ook communisten, socialisten, liberalen, homo’s, zigeuners en al wie kritiek had op de nazi’s.

Kristallnacht: brandende synagoge in Baden Baden Foto: Flickr

Te veel samenloop van omstandigheden om toeval te zijn en de brand in Bilzen was dan ook de vernieuwde aanleiding tot het debat over de vraag of we ons tijdsgewricht al dan niet mogen of moeten vergelijken met de jaren dertig. De eminente historicus en kenner van de periode, Herman Van Goethem, meent dat er inderdaad voldoende parallellen zijn met de vooroorlogse jaren om ons zorgen te maken. Andere even eminente historici wijzen op de grote verschillen tussen toen en nu. Bruno De Wever bijvoorbeeld vindt dat de sociale zekerheid en de “stevig verankerde welvaartsstaat” ons kunnen behoeden voor een herhaling van de jaren dertig en de opkomst van fascisme en nazisme. Maar laat nu net die sociale zekerheid, het fundament van de welvaartsstaat onder druk van de neoliberale ideologie en rechtse regeringen steeds meer op de helling komen te staan. De lectuur van Geert Maks “Grote Verwachtingen” kan ons over de toekomst van de Europese eensgezindheid overigens alleen maar somber stemmen.

De politieke pyromanen van de jaren dertig zijn terug van nooit weggeweest schrijft Van Goethem. Hij geeft vier voorbeelden van historische tendensen die al vóór de tweede wereldoorlog aanwezig waren en die nu na decennialang min of meer sluimeren weer aan de oppervlakte komen. De leider die spreekt in naam van de massa, die zich niet langer vertegenwoordigd voelt door de klassieke politieke partijen. Denk aan Orbán, Salvini, Poetin en Trump. Bij ons is er nog niet zo dadelijk een “leider” van die allure in de coulissen waar te nemen, maar de afkeer van de bestaande politieke partijen maakt een breed publiek rijp voor zo een figuur. Voorts is er het sluipend gif van het nationalisme dat een externe vijand nodig heeft. Vandaag zijn dat niet alleen de moslims maar ook opnieuw de Joden. Denk maar aan de antisemitische campagne van de Hongaarse premier Orbán tegen de Joodse financier George Soros.

Tijdens de beruchte Alt-rightbetoging van augustus 2017 in het Amerikaanse Charlottesville scandeerden de extreemrechtse manifestanten: “Jews will not replace us”- President Trump noemde de betogers in Charlottesville “fijne mensen.” De ideologie van “the great replacement” van de Fransman Renaud Camus was de inspiratie voor de terreurdaden van Anders Breivik die in 2011 69 jongeren doodschoot en voor Brenton Tarrant, de blanke supremacist die in het Nieuw-Zeelandse Christchurch 51 mensen vermoordde.  Ook bij ons is de theorie populair in nieuwrechtse kringen met figuren als Van Langenhove als boegbeeld.

Charlottesville Foto|: Wikipedia Commons

Van Goethem wijst ook op de kracht van de nieuwe media. In de vooroorlogse jaren waren dat de radio en het bioscoopjournaal. Nu maken Twitter en Facebook, maar ook duistere internetkanalen het makkelijk om de boodschap van de leider “ongefilterd” op de massa los te laten. Trollenfabrieken in dienst van partijen of regeringen produceren aan de lopende band complottheorieën.  Ook de klassieke mainstreammedia zijn niet onschuldig. De Nederlandse populismespecialist Cas Mudde waarschuwt in De Volkskrant voor de normalisering van radicaalrechts populisme in de media die volgens hem de laatste jaren “steeds verder zijn gaan meebuigen met radicaalrechtse xenofobie.” Van een mediacordon is bij de Vlaamse openbare omroep intussen al lang geen sprake meer. Nadat hij in een ophefmakende documentaire van de VRT-Nieuwsdienst als een gewelddadige neofascist was ontmaskerd kon Van Langenhove doodgemoedereerd aan tafel zitten voor een debat met mainstream politici als Koen Geens en Maggy De Block. Na de brand in Bilzen kregen de politieke pyromanen als Tom Van Grieken en Jean-Marie De Decker uitgebreid de kans om het gebeuren te “duiden.”

Niemand heeft de sfeer en de geestesgesteldheid aan de vooravond van de twee wereldoorlogen beter beschreven dan de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig in zijn autobiografie “De wereld van gisteren.” Twee keer danste Europa op een vulkaan en twee keer gingen vooruitgangsgeloof en optimisme de duisterste periode van onze geschiedenis vooraf. In de jaren voorafgaand aan de eerste wereldoorlog had Zweig een indrukwekkend netwerk van vriendschappen opgebouwd in de literaire en kunstwereld over heel Europa: met de Franse pacificist Jules Romains bijvoorbeeld, met Franz Werfel (“Der Weltfreund”) in Duitsland, Camille Lemonnier, Constantin Meunier en vooral Emile Verhaeren in België. Allen geloofden ze heilig in de “broederschap der volkeren,” niemand zag de tekenen des tijds die het grote conflict aankondigden. “We vertrouwden op Jaurès, op de socialistische Internationale” schrijft Zweig, “we geloofden dat de spoorwegarbeiders eerder de rails zouden opblazen dan hun kameraden als slachtvee naar het front laten transporteren…. Ons gemeenschappelijk idealisme, ons door vooruitgang bepaald optimisme maakten dat wij het gemeenschappelijke gevaar niet zagen of onderschatten.”

Zweig moest met vertwijfeling vaststellen hoe het opgezweepte nationalisme en de oorlog de vriendschapsbanden aantastten, hoe de stilte viel in de conversatie, hoe correspondentie onbeantwoord bleef. In de jaren dertig maakte hij, na het uitbundige optimisme van het decennium daarvóór, hetzelfde mee. Zweig woonde in het Oostenrijkse Salzburg, een steenworp van Berchtesgaden net over de grens waar een zekere Adolf Hitler zich zou komen vestigen. Maar ondanks die nabijheid duurde het ook nu weer lang eer Zweig en zijn tijdgenoten de ernst inzagen van wat in Duitsland en Italië aan de gang was. Pas toen hij in Italië een aanval van een goed georganiseerde groep fascistische jongeren op een linkse betoging had meegemaakt maakte hij zich echt zorgen om wat Europa opnieuw te wachten stond. “Dit was voor mij de eerste waarschuwing dat ons Europa onder het schijnbaar rustige oppervlak vol gevaarlijke onderstromingen was.” Dat had net zo goed vandaag geschreven kunnen zijn.

Ook in Duitsland groeide pas laat – té laat – het besef dat de “agitator van de bierhallen” echt gevaarlijk kon worden. De industriëlen zagen met tevredenheid de man die ze “jarenlang in het geheim hadden gesteund aan de macht komen” en “de meest verschillende, meest tegengestelde partijen zagen deze ‘onbekende soldaat’ die elke stand, elke partij, elke richting alles beloofd had wat ze graag hoorden, als hun vriend – zelfs de Duitse joden maakten zich geen grote zorgen.” Nog op 30 januari 1933, nadat Hitler aan de macht was gekomen, schreef de voorzitter van het “Centralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens”,  de vereniging die in de 19e eeuw door Joodse intellectuelen was opgericht tegen het opkomende antisemitisme: “Im übrigen gilt heute ganz besonders die Parole: Ruhig abwarten!”

Johan Depoortere

24 december 2019

Deze tekst verscheen eerder als column in het decembernummer van Aktief, het blad van Het Masereelfonds

December 30, 2019 at 9:42 am 1 comment

ALLEMAN MOO LEIVE, WIT EN ZWET. KARABOUGIA !

 Door Lucas Catherine

Op 11 november  worden de oudstrijders uit WO I herdacht. Dit is het verhaal van één van de Kongolezen die vochten aan de Ijzer: Simon Lisasi, alias Johny, de man die de Karabougia uitvond.

Herdenking van de Kongolese oudstrijders in Schaarbeek

Nadat België officieel Kongo van Leopold II had overgenomen waren de Kongolezen niet langer onderdaan van de Kongo Vrijstaat maar werden ze Belgisch onderdaan. Vanaf 1909-1910 arriveerden dan ook enkele tientallen Kongolezen in Brussel. Het waren ex-matrozen die gediend hadden op Kongoboten, boys die tijdens de vakantie van de koloniale familie waarvoor ze werkten waren gaan lopen, of ontslagen waren. Ze vestigden zich vooral in de wijk rond de Beurs en op de Vlaamse Steenweg.

Op het nummer 14 van die steenweg, op zo’n vijf huizen van de Kathelijnemarkt ontstond zelfs een soort opvangs- of doorgangs huis. Officieel woonden er François Usekebambola en Antoine Boïmbo, maar er passeerden tientallen Kongolezen die er een tijdje hun intrek namen. Eén van de Kongolezen die er verbleven was Simon Lisasi, bijgenaamd Jo(h)ny. Hij raakte verliefd op een Brussellès, Hermine Van Welde en ze wilden trouwen. Maar dit kon niet want zijn papieren waren niet in orde.

Hij leerde er ook bakker Vos kennen die iets verder op de Vlaamse steenweg woonde, op nr 146. Die fabriceerde guimauves (schuimpjes in het Nederlands) en ook wat men in het Brussels maskesvlies of nonnenbillen noemt. Simon bracht hem op het idee om de brokjes die achterbleven te hergebruiken door ze samen tot een harde, zwarte suikerplaat te bakken die gearomatiseerd werd met anijs. Die werd daarna met een hamer in brokjes geslagen. Het kreeg een swahili-naam karabougia (van kara : brok en bugia : snoep).

Karabougia

Eerst werd het verkocht op de nabijgelegen Kathelijnemarkt. Simon, zeg maar Johny, deed dat heel spectaculair. In de zomer met enkel een strooien rokje en een halsketting van schelpen en hij danste en hij prees zijn waar niet alleen in het Frans aan, maar ook in het Brussels, geleerd van zijn Hermine : Karabougia, Karabougia ! Bolle vi de valling ! Bolle vi den oest. Alleman moo leive, wit en zwet. Karabougia !

Als het kouder werd stak hij zich in kostuum en droeg een bolhoed. Een marktkramer moet opvallen. Hij werkte voor zijn brood ook als mecanicien. Lisasi kreeg veel navolging en na een tijdje werkten er tientallen Kongolese karabougiaverkopers voor Simon Lisasi in opdracht van bakker Vos.

Karabougiaverkoper

Het werd een erg populaire zoetigheid die in Brusselse cafés zal worden verkocht tot in de jaren zestig. Dat iedereen het kende mag ook blijken uit het Kuifjesalbum De Krab met de Gulden Scharen, daarin speelt de boot van kapitein Haddock een hoofdrol en die boot heet, jawel, Karaboudjan. Het werd trouwens ook door Kongolezen verkocht op de markten van de dorpen en de streek rond Brussel.

Toen de oorlog uitbrak werd Simon Lisasi, net als 32 andere Kongolezen oorlogsvrijwilliger. Hij diende ondermeer in het 9de Linie waarmee hij vocht rond Nieuwpoort . Hij vocht ook bij Lombardzijde waar hij gewond raakte en in het militair hospitaal belandde. Daarna werd hij doorverwezen naar het hospitaal in Calais. Het bleek dat zijn longen aangetast waren door de Duitse gasaanvallen.

Gifgasaanval

Na de oorlog keerde hij naar Brussel terug maar zijn oud appartement was nu door anderen bewoond en al zijn bezittingen waren verdwenen. In 1919 was hij één van de medestichters van de eerste vereniging van Kongolezen in België, L’Union Congolaise. Hij trouwde met Hermine en ze vestigden zich in de Spoormakersstraat (bij de Beurs), later in Schaarbeek, waar hij werkte als mecanicien. Hij zal er in 1929  sterven, als gevolg van zijn oorlogsverwondingen.

 

November 11, 2019 at 9:39 am 4 comments

MENSAAPJES KIJKEN

Wereldtentoonstelling Brussel 1958

Het onderstaande artikel is een uittreksel uit het essay van Gie van den Berghe : ” Wild. Exotische dieren en mensen op Belgische wereldtentoonstellingen”. Het volledig essay met alle bronverwijzingen, noten, bibliografie en vele illustraties, is te vinden op http://www.serendib.be/boeken/WILD.htm

 

Op wereldtentoonstellingen en koloniale exposities werden behalve olifanten ook veel andere ‘curiosa’ uitgestald en opgevoerd. Wilde dieren, mensen uit verre streken en ‘misvormde’ mensen (Siamese tweelingen, dwergen, mensen zonder ledematen…) werden van oudsher vertoond op foren, volksfeesten en kermissen, in circussen, freakshows, carnavalstoeten en theaters (onder meer in de Folies Bergères). In de tweede helft van de negentiende eeuw kregen de exotische dieren in de zoo het gezelschap van exotische ‘wilden’ in mensenzoo’s (Hottentotten, ‘kannibalen’, pygmeeën, Azteken…). Veel mensen zagen voor het eerst zogenaamde wilden en reageerden er verbaasd, met verstomming en racistisch op, ook in de media en de literatuur. Het ongewone oefent op mens en dier een ongeëvenaarde aantrekkingskracht uit en ook al merkt men de uiterlijke gelijkenissen op, het exotische blijft vreemd en mysterieus, bedreigend en interessant. Het aan het Latijn ontleende woord fascinatie drukt dit goed uit, het omvat aantrekkelijkheid, hekserij en betovering. De door vreemdheid geïntrigeerde en sensatiebeluste massa stroomde toe naar deze in scène gezette vertoningen van het verschil die het raciaal meerderwaardigheidsgevoel en kolonialisme sterkten of goed praatten.

In 1874 organiseerde Carl Hagenbeck vader, dierenhandelaar van beroep, in Hamburg, Berlijn en Leipzig de eerste Völkerschau (volkerenshow), bestaande uit een gezin uit Lapland. Het werd een voor herhaling vatbaar succes. Op zijn tweede ‘antropologisch-zoölogische tentoonstelling’ waren Kalmüchen te bewonderen, boeddhisten uit zuidwest Rusland. Zoon Carl Hagenbeck opende in 1909 in Hamburg een zoo, Hagenbecks Tiergarten, met een afdeling voor een permanente Völkerschau, negerdorp inbegrepen.

De eerste wereldtentoonstelling waarop ‘wilden’ werden vertoond, was die van 1867 in Parijs. Antwerpen liet zich op zijn wereldtentoonstelling van 1885 niet onbetuigd. Op die voor de arbeidersklasse beperkt toegankelijke expo kwam er op initiatief van het Antwerps Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap een koloniale sectie met een facsimile negerdorp (village congolais), bewoond door twaalf streng bewaakte Congolezen bestaande uit twee gezinnen met kinderen, die moesten poseren voor de vele foto’s die men toen al maakte. Op de expo van 1894 in Antwerpen waren er al 144 Congolese ‘inlanders’ te bezichtigen, naast muilezels, koeien en varkens. Allen werden gefotografeerd en gemeten voor wetenschappelijk onderzoek. Bezoekers wierpen ze geldstukken toe en de zwartjes mochten ze uit het water opvissen. Vijf overleefden het Belgisch klimaat en de erbarmelijke levensomstandigheden in het dorp niet.

Ook op de wereldtentoonstelling van Luik in 1905 mochten bezoekers van het Senegalees dorp in het Frans paviljoen muntstukken gooien die door Senegalezen moesten worden opgedoken. Het onterend gebruik hield nog lang stand in dierentuinen.

Ook op aparte koloniale tentoonstellingen, zoals die van 1883 in het Brusselse Leopoldpark, de Koloniale Feesten van 1909 in Antwerpen en de Exposition Coloniale Internationale van 1931 in Parijs, werden exotische mensen opgevoerd.

In 1897 was Brussel aan de beurt. Koning Leopold II wou speciale aandacht voor zijn kolonie en het koloniale luik kwam er op het koninklijk domein in Tervuren, gescheiden van de wereldtentoonstelling die doorging in het enkele jaren voordien tot stand gekomen Jubelpark. Leopold II wou de interesse van de Belgen wekken voor ‘zijn’ kolonie en, meer nog, industriëlen overtuigen om erin te investeren. Bezoekers van de Koloniale Tentoonstelling konden zich in het Koloniënpaleis vergapen aan de rijkdommen van ‘de Congo’, de weldaden van witte missionarissen en het gebrek aan beschaving van halfnaakt opgevoerde Congolezen. De 269 ‘wilden’ – mannen, vrouwen en kinderen – waren door uit België uitgestuurde artsen geselecteerd uit 600 vrijwilligers uit verschillende Congolese stammen. Onder hen 178 manschappen van de Force publique. Twee Congolezen overleefden de lange bootreis naar België niet. Overdag moesten de uitgestalde zwarten hun dagelijks leven naspelen in drie aan de Sint-Hubertusvijver in het Warandepark nagebouwde dorpen (villages nègres; twee van de Bangala’s en één van de Mayombe). Het schouwspel was volledig in scène gezet. De gegrimeerde en ‘authentiek’ uitgedoste Congolezen kregen iedere dag hetzelfde programma af te werken: prauwwedstrijden, dans en gezang, vreemde gebruiksvoorwerpen demonstreren, potten bakken, primitieve wapens en ebbenhouten beeldjes vervaardigen.

De ‘inboorlingen’ werden constant bewaakt door 178 leden van de Force publique, op hun beurt in het gareel gehouden door een contingent Belgische politielui. Omdat sommige bezoekers de Congolezen eten wilden aanreiken, plaatsten de organisatoren een bord met het verzoek ze niet te voederen.

In een afzonderlijk dorp, het village de Gyseghem (ook village civilisé genoemd) illustreerden zestig in matrozenpakjes gehulde leerlingen dat negers mits de nodige inspanningen vatbaar zijn voor enige beschaving. Ze moesten de bezoekers vergasten op zang, muziek en dans. Bijna alle Congolezen werden antropometrisch opgemeten door Belgische artsen.

De “village civilisé ” (foto Alphonse Gautier)

Zeven Congolezen, bijna allen twintigers, overleefden het Belgisch klimaat en de onherbergzame levensomstandigheden niet. Ze werden begraven in de ongewijde grond bestemd voor overspelige echtgenoten, prostituees en geesteszieken. De pers schoot wakker en er kwamen vervelende vragen in het parlement. Op 30 augustus verordende België dat de Congolezen terug moesten naar de kolonie.

De commotie rond de dood van de zeven Congolezen, het begin 20ste eeuw losbarstende internationale protest tegen de barbaarsheid, uitbuiting en gruweldaden in Congo-Vrijstaat, plus de daaruit voortvloeiende overdracht van de kolonie aan België (1908), zorgden ervoor dat er in België gedurende enkele decennia geen Congolese negerdorpen meer te bezichtigen waren.

Op Expo 58 in Brussel, de laatste Belgische wereldtentoonstelling, werd aan de voet van het Atomium een vooraanstaande plaats ingeruimd voor Belgisch Congo en Ruanda-Urundi. ‘Zeven paleizen, gelegen in een tropische tuin, belichtten het Belgische beschavingswerk in zijn Afrikaanse kolonies’. Acht hectaren groot, zelfverheerlijking lukt niet op een zakdoek. De Troubadours van Koning Boudewijn, een Congolees kinderkoor onder leiding van een missionaris, en een Congolees gezelschap van 120 dansers en muzikanten die op de Heizel en in andere grote steden optraden, kregen heel wat bijval. Het Congolese namaakdorp in de Koloniale tuin werd bevolkt door een twintigtal ‘primitieve’ Congolezen. Het contrast tussen de strohutten en de stoffige grond van een hedendaags Congodorp te midden de moderne paviljoenen werkte de tegenstelling tussen beschaving en primitiviteit in de hand, praatte kolonisatie goed. Zes decennia na de tentoonstelling in Tervuren werden Congolezen eens te meer ontmenselijkt als vee, vlees voor witte toeschouwers. Niet meteen een bewijs van beschaving of vooruitgang.

De negers, zoals ze toen nog steeds genoemd werden, ‘zaten achter een bamboeafsluiting, wat de indruk wekte dat ze gevaarlijk waren’. België schaamde zich niet voor zijn kolonialisme, het was zoals andere landen trots op zijn rol als beschavingsbrenger. In het belangrijkste paviljoen van de Congolese afdeling, dat van de katholieke missies, beriep men er zich op dat ‘al zeven van de twaalf miljoen inlanders bekeerd waren’. Koning Boudewijn bleef bij zijn bezoek aan het ‘negerdorp’ toch maar op veilige afstand. Miljoenen bezoekers vergaapten zich aan de ‘als halve wilden gepresenteerde mensen die in schamele kledij aan eenvoudige werktuigen zaten te knutselen’. ‘Net apen’, vonden sommige bezoekers en ze gooiden hen pinda’s en bananen toe, soms vergezeld van oerwoudgeluiden en dito gebaren. Anderen wilden hun witte tanden en handpalmen onderzoeken. Op 26 juni berichtte Le Soir pour les Enfants (een bijlage van de krant Le Soir) over een bezoekster die luidkeels een ‘o zo schattig’ zwartje bejubelde, de jongen wat snoep toegooide dat hij zonder opkijken teruggooide over de afsluiting. ‘Goed zo’, schreef de journalist, ‘groot gelijk. Het Congolees dorp is geen zoo’. Maar dat was het dus wel. Enkele verontwaardigde figuranten hadden het dorp al na enkele dagen verlaten. Eind juli, halverwege de expo, weigerden de meesten verder vernederd te worden, de pers nam het voor hen op en het dorp werd opgedoekt voordat de wereldtentoonstelling de deuren sloot. De hutten bleven leeg achter.

Het lijdt geen twijfel dat de houding van veel bezoekers van koloniale tentoonstellingen werd ingegeven of bevorderd door de propaganda die Leopold II (tot 1908) en de Belgische staat (van 1908 tot de dekolonisatie) voerden om Congo en het imperialisme te promoten bij de Belgische bevolking. Koloniale expo’s, musea, monumenten, herdenkingsoorden, de Koloniale Loterij (vanaf 1934), koloniale film en dito onderwijs dirigeerden de geschiedenis van Congo in functie van kolonialisme, paternalisme en machtsmisbruik, zoals ook in andere koloniale landen gebeurde. De propaganda was alomtegenwoordig.

Missiespaarpotjes, missienegertjes of kniknegertjes (dankbaar knikkend als iemand geld in de gleuf stopte) stonden in Vlaanderen tot in de jaren 1960-70 op de toog van bakkers, slagers, kruideniers en in de klas. Denk ook aan Hergé’s tweede stripalbum Tintin au Congo (1931) gemaakt om bij jonge lezertjes koloniale roepingen op te wekken. De inboorlingen erin werden voorgesteld als lui, dom en bijgelovig; de opinie van de doorsnee Belg in die tijd.

Anders dan vaak beweerd wordt, waren behoorlijk wat Belgen trots op ‘hun’ kolonie, heerste er een koloniale cultuur en een enthousiast imperialisme dat ons gevoel anders en superieur te zijn sterkte.

Epiloog

In 1997 werd in de tuin van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, op de plaats waar honderd jaar voordien de negerdorpen stonden, in opdracht van de Regie der Gebouwen, een satirisch herdenkingsmonument opgericht van de hand van Tom Frantzen (°1954). De naam van het kunstwerk, The Congo, I presume? parodieert de – vermoedelijk nooit uitgesproken – woorden van Henry Morton Stanley toen hij David Livingstone ontmoette: Dr Livingstone, I presume? De beelden in de waterpartij evoceren de tentoonstelling van 1897 waarop zowel exotische dieren als mensen werden vertoond. De leeuw en de olifant keren Leopold II de rug toe. De voeten van de drie krijgshaftig uitgebeelde Afrikaanse krijgers zijn afgehakt, een verwijzing naar de onmenselijke praktijken in Congo-Vrijstaat.

een vader staart naar de afgehakte hand en voet van zijn vijfjarig dochtertje dat te weinig rubber zou geoogst hebben .

 

 

 

 

 

October 28, 2019 at 11:17 pm 2 comments

Older Posts


Categories

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Join 1,701 other followers