HEBBEN WE NU ALLES GEHAD OVER DE GROOTE OORLOG?

De Commune

De Commune

 

door Jef Coeck

 

Veel toch. Films, musicals, tv-series, herdenkingen, meters boeken van wisselende kwaliteit. En weten we nu alles over dit onderwerp? Nee, dus. Er verschijnen bv. nog altijd historische werken die klemtonen leggen waar andere schrijvers overheen keken.

Volgens de Belgische historicus die zijn leven lang in Canada doceerde Jacques R. Pauwels was WO I het product van de 19de eeuw. Ze wordt doorgaans beschouwd als de ‘lange’ eeuw. Ze eindigde niet enkel in 1919, maar is volgens deze theorie ook vroeg begonnen, nl. in 1789, met de Franse Revolutie. Daarop volgden met enige regelmaat andere politieke en militaire conflicten: de Franse en Belgische revoluties van 1830, de opstanden van 1848 in diverse Europese steden, de Frans-Pruisische oorlog in 1870 met aansluitend de Commune van Parijs, Dat waren stuk voor stuk ook sociale conflicten. Het kan dus niet anders of ook de Groote Oorlog 1914-1919 (Verdrag van Versailles), was een klassenstrijd. Daarom noemt de historicus dit conflict de Groote Klassenoorlog.
JP 2

De Eerste Wereldoorlog was dus zeker niet: een louter politiek en militair gebeuren, een tragisch ‘ongeval’ van de geschiedenis, een vorm van onbegrijpelijke ‘menselijke waanzin’. Dit was een oorlog binnen de oorlog, vol berekening en hebzucht. Het ging niet enkel om een strijd van Fransen tegen de Duitsers, maar ook van Fransen tegen Fransen, en Duitsers tegen Duitsers. Een bepaalde klasse van Fransen, Duitsers en Britten ging de confrontatie aan met een heel andere klasse van Fransen, Duitsers en Britten.

De Groote Oorlog was een verticale oorlog, tussen landen en bondgenootschappen. Maar het was in elk land ook een horizontale oorlog, tussen de bovenklasse en de onderklasse. Ons is geleerd dat het een gewapend conflict tussen naties was, verder niets. De waarheid is dat de Groote Oorlog gewild en uitgelokt was door een Europese elite die gevormd werd door een symbiose van de grootgrondbezittende adel en de haute bourgeoisie, die vooral bestond uit industriëlen en bankiers.

Oorlog als bevrijding

Het kapitalisme ontwikkelde zich steeds sneller. Een verschijningsvorm of op zijn minst een bijverschijnsel ervan was het imperialisme. De essentiële functie van het imperialisme was het door oorlog veroveren of direct controleren van gebieden waar belangrijke grondstoffen te vinden waren. Die gebieden moesten dienen als afzetmarkten en de inwoners ervan als goedkope arbeidskrachten. Daardoor werden aanzienlijk hogere winsten mogelijk. De kosten, verbonden aan de imperialistische oorlogen werden gedragen door de staat. Zo werkt het ook vandaag nog, in Irak, Afghanistan… De regel is: privatisering van de winsten, socialisering van de kosten. ‘Het kapitalisme draagt de oorlog in zich zoals de wolk het onweer in zich draagt’, verklaarde de Franse socialistische leider Jean Jaurès in 1895. Enkele jaren later werd hij vermoord door een Franse nationalist.
JP 4

De socialistische partijen, die steeds meer afgleden naar het reformisme (evolutie i.p.v. revolutie) en naar de sociaal-democratie, keuren zowat overal de oorlogskredieten goed. Ook de kerken bleken geen morele of andere bezwaren te hebben tegen een winstgevend oorlogje. Niet alleen de katholieke kerk maar ook de anglicaanse in Groot-Brittanië, de lutherse in Duitsland en de ortodoxe in Rusland – dachten dat zij uit een grote oorlog groot voordeel konden halen. Het spreekt vanzelf dat hun gelovigen die in zo’n oorlog sneuvelden, recht naar de hemel gingen. Waar is het verschil met het jihadisme van de huidige islamisten? Allemaal zeggen ze in hun eigen taal: Gott mit Uns (Hitler).

De Brits-Amerikaanse historicus Adam Hochschild verwoordt het aldus: ‘De komst van de oorlog werd algemeen aangevoeld als een bevrijding en een opluchting… Net als een onweer maakte het een einde aan de spanning van de verwachtingen en het bracht opnieuw frisse lucht… Na eindeloos wachten openden nu de gordijnen en kon een groot en opwindend historisch drama aanvangen, een drama waarin de toeschouwers tezelfdertijd acteurs zouden zijn.’ (Hochschild, To End all Wars: a Story of Loyalty and Rebellion 1914-1918, Boston/New York, 2011).
JP 5

In de Tweede Wereldoorlog ging het net zo. Alleen, met nog meer middelen, mensen en verliezen. Het was echter niet bij ‘de overgrote meerderheid van het volk’, zoals Hitler geloofde, dat de opluchting en vreugde groot waren. Dat was wel het geval bij de adel en de haute bourgeoisie en bij een deel van de kleine burgerij, waartoe Hitler zelf behoorde. De oorlog die uitgebroken was, was de door hen gewilde oorlog waarmee ze het democratiseringsproces wilden terugschroeven, het socialisme overwinnen en het risico op revolutie definitief elimineren.

En ook dit was tegelijk een verticale en horizontale oorlog: tussen landen en in elk land tussen klassen. De bovenklasse bestond uit de adel en de haute bourgeoisie, de onderklasse werd (wordt) gevormd door de kleinburgerlijke en de proletarische massa. De laatsten waren de ‘classes dangereuses’, de dreigende massa die opgestookt door de socialisten al sinds tientallen jaren onrustig waren en via het democratiseringsproces al te veel vooruitgang hadden geboekt. De elite beschouwde de verlossende oorlog als een strijd tegen democratie, revolutie, internationalisme en pacifisme.

En de derde?

Slechts in één land was de socialistische (communistische) revolutie gelukt, met vooruitzicht op democratie en pacifisme: Rusland, a.k. de Sovjet-Unie. Voor de relatief hoge graad van welvaart en democratie die West-Europa na 1945 bereikte, aldus Pauwels, moeten we dus vooral Lenin en Stalin dankbaar zijn, ook al wordt dit duo door westerse historici en media als on- en antidemocratisch afgeschilderd. Toch is het ook zo dat die hervormingen er niet zouden zijn gekomen als de arbeiders en andere proletariërs in West-Europa zelf niet via stakingen en demonstraties enorme druk op de elite hadden uitgeoefend en de elite op die manier tot grote toegevingen hadden gedwongen.

Ondanks de opdoffer waarmee de Tweede Wereldoorlog eindigde voor de elite, ontketende zij al een nieuwe klassenoorlog voor die van 1939-1945 goed en wel ten einde was: de Koude Oorlog. Net als de twee wereldoorlogen was ook deze Koude Oorlog naast een verticale oorlog tussen landen (en blokken van landen: Navo en Warschaupact) een horizontale oorlog tussen klassen. Voor de door Washington aangevoerde elite ging het in die oorlog zeker niet alleen om een overwinning op een land, maar eerder om een overwinning op een systeem, namelijk het socialistische systeem zoals dat in de Sovjet-Unie na 1917 was opgebouwd.
JP  3

Samenvattende conclusie van historicus Jacques Pauwels: ‘De vrede die in Versailles officieel verklaard werd, manifesteerde zich slechts als een wapenstilstand. Het was een wapenstilstand die gedoemd was om vroeg of laat af te lopen en opnieuw in krijgsverrichtingen en een officiële oorlog te hervallen. In 1939 was het zover en brak een nieuwe Groote Oorlog uit.
Geschiedkundigen zoals Arno Mayer hebben daarom gesproken van de ‘Dertigjarige Oorlog’ van de 20ste eeuw, gevoerd van 1914 tot 1945, met tussendoor een ‘wapenstilstand’, een ‘twintigjarig bestand’ van 1919 tot 1939.’

Een voor de hand liggende vraag,: wanneer de volgende oorlog? Van zodra de A-B-C-krachten zich aanzienlijk voelen verzwakken. ABC staat voor Adel/Bourgeoisie/Christendom. Het blijven dezelfde krachten, maar ze vertonen zich nu onder wat andere verschijningsvormen. 1 procent rijken, 49 procent die rijk willen worden, en 50 procent die het nooit zullen zijn – omdat ze verpletterd worden door het systeem. Want laten we ons geen illusies maken: na het einde van de Koude Oorlog is de horizontale (klassen-)oorlog gewoon doorgegaan. Als die onhoudbaar wordt, komt er ook een nieuwe verticale oorlog. De laatste? Een armaggeddon als uitsmijter?

Terror drones

Terror drones

*Jacques R. Pauwels, De Groote Klassenoorlog 1914-1918, EPO, Berchem, 2014

oktober 23, 2014 at 9:50 am Een reactie plaatsen

IT’S THE ECONOMY, STUPID

huiselijk geweld

door Kris Smet

Huiselijk geweld is niet alleen een fenomeen dat veel fysiek en psychisch leed veroorzaakt. Het kost ook handenvol geld. Dat blijkt – andermaal – uit een studie aan de universiteiten van Stanford en Oxford. Onderzoekers berekenden er de kosten van huiselijk geweld op wereldschaal. Het resultaat van hun studie is ronduit verbijsterend.
Waar oorlogen de samenleving jaarlijks 125 miljard euro kosten, bedragen die voor huiselijk geweld vijftig keer zoveel : 6.200.000.000.000 oftewel 6.200 miljard per jaar.
Van dit gigantisch bedrag gaat 5.000 miljard alleen naar de kosten van geweld tegen vrouwen en kinderen. Het gaat o.m. om de kosten van politie en justitie, medische kosten, kosten voor psychosociale hulp, opvang van slachtoffers en daders , kosten in de sfeer van sociale zekerheid ( ziekteverzuim, huursubsidie, bijstandsuitkeringen).
Andere hallucinante conclusie : er vallen negen keer meer slachtoffers bij geweld in huis dan bij militaire conflicten.
Nederlandse onderzoekers berekenden in 2010 dat de kosten voor werkgevers door verzuim als gevolg van huiselijk geweld, tussen 74 en 192 miljoen per jaar bedragen. Dergelijk onderzoek is in ons land nooit gedaan.
De Nederlandse Volkskrant besteedde een halve bladzijde en wel op de economiepagina’s aan de resultaten van Oxford en Stanford en formuleerde een aanklacht tegen de regering Rutte die o.m. bespaart op de jeugdzorg. In onze kranten was hier en daar een klein berichtje te lezen. Sommige kwaliteitskranten vonden dit wereldnieuws zelfs helemaal geen berichtje waard.
We worden dagelijks overspoeld met verhalen en gruwelijke beelden uit oorlogsgebieden , maar over geweld in het huis naast ons krijgen we niets te zien.
Moeten we wachten tot via internet een video verspreid wordt waarin je ziet hoe een vrouw uit je buurt geslagen, geschopt, gewurgd , het hoofd ingeslagen of neergeschoten wordt door haar partner?
Tijdens de eerste zes maanden van 2013 hadden we 77 dergelijke video’s kunnen zien, want tijdens die periode werden in België 77 vrouwen vermoord door hun partner of ex-partner. Dat cijfer is niet alleen een aanklacht tegen de daders, maar ook tegen een systeem dat faalt en niet voldoende bescherming, preventie en ondersteuning biedt .
Alle interesse gaat naar I.S., Oekraïne en andere oorlogen die duizenden slachtoffers maken. Veel geld en aandacht gaat naar de bescherming van burgers tegen terroristen, maar dat wereldwijd 260 miljoen kinderen thuis worden mishandeld, van wie naar schatting meer dan 50.000 in ons land ,daarover hoor je nauwelijks iets en daarvoor is geen budget voorzien. Het extra geld dat uitgetrokken wordt voor veiligheid gaat naar defensie en opsporing van jihadisten. Voorzien de verschillende regeringen meer geld voor jeugdzorg of preventie van huiselijk geweld en voor opvang van slachtoffers en daders? Horen of lezen we daar iets over bij de regeringsverklaringen? Buigt de synode van de Katholieke kerk over het gezin zich over de vraag of daders van incest en plegers van geweld tegen kinderen, partners en ouders de communie mogen ontvangen?
Over huiselijk geweld wordt gezwegen. We zijn bang voor hangjongeren, vluchtelingen, jihadisten, en slachtoffers van ebola.. Wat binnen de gezinnen gebeurt blijft taboe en is ‘privé’. Maar privé geweld is een publieke zaak, zeker als we kijken naar wat het de maatschappij kost.
In Australië staat huiselijk geweld eindelijk op de politieke agenda. Allerlei maatregelen worden genomen met als doel de ‘epidemie’ uit te roeien tegen 2030.
Waar blijven de plannen van Minister Van Deurzen van CD&V, de gezinspartij bij uitstek, om een grote campagne te starten: “Stop huiselijk geweld” ?

Zie ook deze reportage van Tom Van de Weghe in de US

http://deredactie.be/permalink/2.35973?video=1.2111835

*Kris Smet, Liefde met alle geweld, Agressie tegen vrouwen in huiselijke kring, Manteau, 2014, 19,99 euro

oktober 17, 2014 at 10:10 am 2 reacties

“DE MINST GEHOLPEN, MEEST VERGETEN SLACHTOFFERS”

Juba Central Prison, januari 2011

Juba Central Prison, januari 2011

Fotograaf Robin Hammond bekroond voor zijn werk over geesteszieken in Afrikaanse landen in krisis

Interview door Tom Ronse

“Als fotograaf die zich toespitst op humanitaire onderwerpen, heb ik veel ellende gezien”, zegt Robin Hammond, “maar niets heeft me zo aangegrepen als de mensonterende behandeling van geesteszieken.  Zelfs de hulporganisaties laten hen in de steek”. Voor zijn project “Condemned” dat de behandeling en mishandeling van geesteszieken in Afrikaanse conflictgebieden documenteert, kreeg Hammond donderdag de Dr. Guislain Award, gesponsord door het Gentse Dr. Guislain Museum.

Het was niet toevallig dat de Guislain Award aan de vooravond van de wereld-dag van de geestelijke gezondheid werd uitgereikt. De prijs (50 000 dollar) beloont een organisatie of individu die een buitengewone bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen de stigmatisering van geesteszieken. Dat heeft Hammond zeker gedaan. De jonge Nieuw-Zeelander (geboren in 1975) heeft al heel wat prijzen in de wacht gesleept voor zijn werk dat vooral schendingen van de mensenrechten als onderwerp heeft. Zijn interesse in het lot van geesteszieken dateert van 2011 toen hij als fotograaf voor de Sunday Times in Zuid-Soedan was waar een referendum plaatsgreep over de onafhankelijkheid van het land.

Robin Hammond

Robin Hammond

Hammond: De internationale pers was er ruim vertegenwoordigd. We waren op zoek naar een eigen invalshoek toen we langs de kant van de weg een psychisch gestoord meisje zagen bedelen. Ik vroeg aan onze chauffeur –een locale journalist- welke behandeling geesteszieken kregen in Zuid-Soedan. “Ze worden opgesloten in de gevangenis”, antwoordde hij. We gingen naar Juba Central Prison en zagen daar inderdaad vele geesteszieke mannen en vrouwen opgesloten samen met de criminelen. Ze kregen geen enkele behandeling. Een jonge geesteszieke zat naakt in een kale cel, vastgeketend aan de vloer. Dat werd onze invalshoek: de prijs die Zuid-Soedan betaalde voor de jarenlange oorlog. De trauma’s, de vernietiging van infrastructuur en sociale diensten waarvan de meest kwetsbaren de grootste slachtoffers zijn. Het deed me afvragen hoe de situatie elders in Afrika was. In de daarop volgende jaren fotografeerde en interviewde ik geesteszieken in acht andere Afrikaanse landen. Vorig jaar moest ik stoppen. Het werd me te veel. Niet alleen omdat sommige gevallen van misbruiken verwaarlozing zo extreem waren maar ook omdat de omvang van het probleem me moedeloos maakte. Waar ik ook kwam zag ik hoe opsluiting de eerste en vaak de enige vorm van behandeling was voor mentaal gestoorde volwassenen en kinderen. Thuis werd ik s’nachts wakker, geplaagd door schuldgevoelens. Dan dacht ik bijvoorbeeld aan het ondervoede mentaal gestoord jongetje van 9 jaar dat ik tussen volwassen criminelen in een gevangenis in Port Harcourt had gezien en wenste ik dat ik met het kind in mijn armen naar buiten was gerend…het ergste is, dat kind zit er nog steeds”.

Dan publiceerde u uw boek “Condemned”. Is het project nu afgelopen?

Hammond: Er komt een tweede luik waarin ik de inspanningen zal belichten van de zeldzame dapperen die de geesteszieken helpen in die landen. Ze krijgen veel tegenkanting. Mentale gezondheidszorg is het eerste budget waarin gesnoeid wordt, voor zover er een is.  Ook de NGO’s laten hen in de steek. Zo heeft Dokters Zonder Grenzen een heel nodig project in noord-Congo stopgezet. En Médécins du Monde draait de geldkraan dicht voor een zeer goed lopende psychiatrische kliniek in Liberia. De patienten zijn er doodsbang dat ze hun behandeling zullen verliezen. Meer hulp is broodnodig. In de krisislanden krijgt slechts 2 % van de geesteszieken een behandeling. De hulpverleners hebben aan alles tekort: medicijnen, benzine om patienten te bereiken…

Een imam in Smalie 'behandelt' geesteszieken door hen met een megafoon Koranverzen in  de oren te brullen. 'Op zijn minst geeft hij hen aandacht, zegt Hammond.

Een imam in Somalie ‘behandelt’ geesteszieken door hen met een megafoon Koranverzen in de oren te brullen. ‘Op zijn minst geeft hij hen aandacht’, zegt Hammond.

Over medicijnen gesproken: de Guislain Award wordt gefinancieerd door Janssen R&D, een afdeling van de farmaceutische reus Johnson & Johnson. Maar is de farmaceutische sector niet medeschuldig aan de situatie? Zou het niet helpen als ze medicijnen gratis of aan kostprijs ter beschikking zou stellen?

Hammond: Dat zou inderdaad een enorm verschil maken. En ze zou er geen markt door verliezen want die markt is er gewoon niet. Er is natuurlijk niet alleen tekort aan pillen, ook aan training en expertise. Maar ik ben vaak genoeg in instellingen geweest waar zelfs de meest elementaire medicatie ontbrak. Deze prijs is mooi voor mij, ik kan er mijn werk door verderzetten.Maar het ontslaat de farmaceutische firma’s niet van hun verantwoordelijkheid.

Hoe gaat het met uw eigen geestelijke gezondheid? Geen last van post-traumatische stress?

Hammond: Ik ben soms droef maar ik denk niet dat ik klinisch depressief ben. Het helpt dat ik een ander leven heb en een vriendin die met heel andere dingen bezig is. Die droefheid voel ik minder ter plaatse dan wanneer ik thuis mijn foto’s afwerk. Tijdens het maken van de foto’s ben ik zo geconcentreerd bezig met de lichtinval, de technische aspecten, het zoeken naar het beste beeld. De emotionele impact komt later. Het is niet alleen droefheid, ook moedeloosheid. Toen ik jonger en naief was, dacht ik dat als ik een onrecht kon tonen, het ook zou verdwijnen. Helaas, zo gaat het niet. Maar je kunt maar blijven proberen. Een deel van mij vindt het verschrikkelijk en wil er mee stoppen. Maar een ander deel van me voedt zich aan de emoties waarmee dit werk gepaard gaat. De woede, de empathie. Ik heb het gevoel met iets belangrijk bezig te zijn. Dat drijft me, dat geeft me energie. Ik wil een getuige zijn. Ik vind het een verantwoordelijkheid maar ook een privilege.

Opgesloten en vergeten wegens geestesziek

Opgesloten en vergeten wegens geestesziek

Een Gentse prijs…uitgereikt in New York

Het was gisteren de derde keer dat de Dr. Guislain Award, gesponsord door het Gentse museum en Janssen R&D,  werd uitgereikt.  Maar waarom greep de ceremonie plaats in New York? “Van bij het begin werd de Guislain Award opgevat als een internationale prijs”, zegt Patrick Allegaert, artistiek directeur van het museum. “De jury is internationaal samengesteld en ook de inzendingen van kandidaten is wereldwijd”. Om de internationale weerklank te verhogen, werd ervoor gekozen om de uitreiking van de prijs telkens in een andere wereldstad te laten doorgaan. Vorig jaar was dat Mumbai. Het Guislain museum maakte toen van de gelegenheid gebruik om er tentoonstellingen te organiseren in samenwerking met locale instellingen zoals het Indian Institute for Contemporary Art. Dit patroon werd dit jaar gevolgd met een tentoonstelling in samenwerking met het American Folk Art Museum die het werk toont van de befaamde geesteszieke kunstenaar Willem van Genk. (TR)

 

(Een kortere versie van dit artikel verscheen vorige vrijdag in De Morgen)

 

oktober 15, 2014 at 3:16 am Een reactie plaatsen

EEN KOSTSCHOOL IS SCHRIJVERSGOUD

Brouwers-Jeroen-foto-Annaleen-Louwes

door Jef Coeck

Er is een nieuwe Jeroen Brouwers. Jaaaa! En hij gaat over mishandeling van jongetjes in de kostschool. O Neee!! Moeten we nu weer door de pedofielenzeik waden? Na de kranten, de weekbladen, de televisie, de radio, de facebooks en –crooks, na pastoors, bisschoppen en de paus zelve zullen we nu ook nog onze beste schrijvers zich laten corrumperen met letterlijk uitgemolken onderwerpen?

Er is één troost: het is een roman, want dat staat er buiten op en hij heeft het ook al in tien interviews gezegd. Dit is niet autobiografisch, de schrijver zelf is destijds nooit sexueeel misbruikt geworden, althans niet op de kostschool. En nog een: het gaat maar matig over sexueel misbruik, en heel veel over fysieke, intellectuele en morele mishandeling door de dienaren gods. Dat klinkt al beter, hoewel de vergrotende trap van ‘goed’ hier alles behalve toepasselijk is.

‘Het Hout’ van de titel is een stokachtig en hard voorwerp, een soort borstel zonder haren, waarmee de jongens gekasteid worden als hun ‘opvoeders’ daar zin in hebben. Wat het verhaal nog prangender maakt is, dat het zich afspeelt in een kloosterschool vlakbij de Duitse grens, Zuid-Limburg (Ned.), begin jaren vijftig dus vrij kort na de oorlog en dat de Opper-houtslagmeister een Duitse franciskaan is. Zo speelt de auteur zich een mooie troef in handen: hij kan hele stukken dialoog of de korte weergave ervan in een soort Duits-Nederlands omzetten. En reken maar dat het werkt, soms op de lachspieren dan weer op de ruggewervel. Terloops, de franciscanen waren vanaf de 13de eeuw de favoriete pauselijke uitvoerders van de inquisitiebesluiten. Maar dat soort leuke details hoef je geen Jeroen Brouwers te vertellen.

Het gaat dus weer zoals (bijna) altijd met een boek van Brouwers. Ik begin erin te lezen en het steekt me goed tegen: het onderwerp, de woordkeuze, de verhaallijn, de contextuele details, alles. Nee, hier heb ik geen zin in, denk ik dan, als ik wil walgen ken ik fijnere methoden, ik drink gewoon een glas wijn teveel onder het kijken naar een B-film met bijvoorbeeld Eddy Murphy. Maar Brouwers laat me niet los. Want ik wéét natuurlijk dat ik, twintig bladzijden verder, niet meer los kàn van het boek. Stijl en verhaal zijn dan zo dwingend geworden, dat je ervoor op zou blijven om het uit te lezen. Aldus geschiedt.

De hoofdfiguur, de jonge broeder Bonaventura – geen incarnatie van Brouwers, dus – ondergaat en onderneemt zowat alle dingen die des mensen zijn. Hij is per ongeluk en tegen maar ook toch wel met zijn zin in het klooster versukkeld geraakt, doet daar nu zijn devotie tussen de kostschooljongens en de fraters in. Hij bekleedt dus een uitstekende observatiepost en is een meer dan geschikte persoon om te weten wie van het hout kreeg als hij het zelf al niet was. Ouders die van hun zoontjes te horen kregen dat ze mishandeld waren, reageerden: Je zal het er wel naar hebben gemaakt. De broeders weten heus wel wat goed en rechtvaardig is. Er spande zich een membraan van angst over het leven binnen de muren.

Brouwers schrijft in een ritme waaraan niet te ontsnappen valt. Een cello-suite van Bach. Ook als de klankkleur je niet helemaal aanstaat, blijf je toch luisteren. Zo lees je, beschaamd maar leergierig door in een vijf pagina’s-lange verkrachtingsscène waarin schoolhoofd Mansuetus, de mof, maar geen greep krijgt op het steeds kleiner wordende geslacht van het jongetje dat soms helemaal uit zijn handen glipt. Hij wordt met ether buiten bewustzijn gebracht; zo verrukkelijk moest sterven zijn. Hoe dramatisch en walgelijk ook, het hele verhaal is hilarisch, alsof Bach zelf met zijn cello door de lucht klieft terwijl hij rustig doorspeelt.

Het is een soort klassenstrijd die het instituut op stelten zet en almaar harder gevoerd wordt. De middenfiguur Bonaventura tracht eerst nog neutraal te blijven, of noem het objectief, of loyaal aan iedereen. Maar dat wordt van langsom minder mogelijk. Uiteindelijk kiest hij voor de onderkant, tegen de machtigen. Maar het loopt niet uit op een revolutie, zelfs niet op een Groote Stooringhe. Bonaventura is geen Rodenbach, laat staan een Karl Marx. De opstand gaat vanzelf over: De kloosterling raakt verliefd.

Het derde boekdeel is van een ongemene tederheid, vaak gecamoufleerd in spitse formuleringen (van haar, ene Patricia) of in opperste klunsigheid (van hem). Je zou denken: nu kan hij het klooster wel achter zich laten, ze willen het allebei, maar hij zal het moeten doen. Hij is te laf. Hij leest haar gesmokkelde brieven op de ouderwetse patersplee, waar de stank en de vliegen niet te harden zijn, maar het is de enige plaats met wat privacy. Bij zo’n treurigheid blijven je ogen niet droog. Hij mag niet durven wat hij zou willen durven. Hij scheurt haar brief in duizend snippers, dumpt ze in de excrementen, een moeras van stront. “Wat ben ik aan het doen, wat doe ik hier. Alles aan mijn lichaam, alles in mijn overhoop geploegde hersens hunkert naar jou.”

Tot slot moet Bonaventura op het matje bij overste Benedictus. Die heeft een nieuw soort Nederlands ontworpen om iemand uit te kafferen. Brouwers inventor. Bonaventura moet als straf naar de missies, Nieuw-Guinea, streek Fakfak. De beklaagde, die eigenlijk Eldert Haman heet, denkt fukfuk. Dat is denken. Maar doen?

De rest mag ik niet prijsgeven, om het lezersplezier niet te bederven. Maaar het is Pasen, het feest van de wederopstanding. U zal er nog van opkijken, van dit slot van Brouwers’ laatste roman. Allerlaatste? Dat is tenminste wat hij zegt, althans suggereert, maar ja wie kent de toekomst? En het zou ons verbazen als hij niet al een ideetje had voor zijn volgende boek. Het zal niet over de kostschool gaan, denk ik.

*Jeroen Brouwers, Het hout, Roman, uitg. Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2014

oktober 10, 2014 at 1:43 pm Een reactie plaatsen

HET LEF VAN LEUVEN

door Lucas Catherine

Leuven herdenkt Vesalius. Op hun website lees ik: (ik knip en plak): De geboorteplaats van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie. Een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was een Brusselaar, en ondertekende altijd met Andreas Vesalius Bruxellensis. Waar hij begraven ligt vertel ik zo dadelijk, maar dat is zeker niet in Leuven.

A1 BoekVesal_0001_NEW

De dag dat de Leuvense viering op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd want dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de Brusselaars hem moeten vieren. Maar in Brussel vinden ze dat Vesalius niet te slijten is aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de Ommegang en Keizer Karel. Als ze in Leuven de geschiedenis herschrijven om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme.
Vesalius was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en tegenkanting heeft gekend.

gedenkplaat Miniemenstraat

gedenkplaat Miniemenstraat

Op 31 december 1514 werd in het Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries van Wesel omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel naar Brussel was geëmigreerd Het Hellestrotje bestaat niet meer. Het was een verbindingsstraat tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat Zijn vader liet hem vanaf zijn zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort op Sint-Goriks bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van de clerus en allerlei ongewenste kerkelijke praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd. Daar leerde Andries zijn eerste woordjes Latijn en Grieks. In 1530 gaat hij twee jaar studeren in Leuven aan het Pedagium Castri, De School aan de Borcht , zoiets als de middelbare school die afhing van de universiteit daar en hij vervolmaakt zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College

De sfeer in Leuven had niet veel met de renaissance te maken. Het rook er teveel naar wierook en verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de Paus rook daarna het solfer van de ketterij en in juli 1520 arriveerde een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen vroeg. Karel ondertekent daarop in september het eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand later organiseert de Leuvense Universiteit de eerste boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gaan in de vlammen op. Het mag niet helpen. Nog dat jaar verschijnen de eerste vertalingen van Luther in het Nederlands en in 1521 worden, ondanks het edict en de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privé-leraar van de jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar Spanje, wordt er tot kardinaal gekroond en Karel promoveert hem tot inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia. In 1519 overlijdt Karels grootvader Maximiliaan en hij vertrekt naar Duitsland om zich daar tot keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelt hij Adriaan Boeyens aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en Leon. Daarmee komt dan heel de Spaanse Inquisitie onder een ‘Leuvens’ bevel.

A3 Priempoort

Op 23 april 1522 wordt in navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd. Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant wordt door de Keizer officieel aangesteld om de repressie te organiseren en Adriaan Boeyens die ondertussen paus is gekroond, dankzij politieke druk van Karel, bekrachtigt dit en geeft van der Hulst de titel van “universalem et generalem inquisitorem”. Kort daarna wordt hij opgevolgd door drie clericale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hebben nauwe banden met de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen kwamen van hier.

En Leuven bleef een bastion van Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son (1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek en “ zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een ooggetuige het in 1545.

Dan was Parijs toleranter. Vesalius gaat dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden was sterk gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken waren verboden.

In 1536 brak de oorlog uit tussen François I en Keizer Karel, en als onderdaan van een vijandige natie moet Vesalius Parijs verlaten en keert terug naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, en niet alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze gestorven was omdat haar corset te hard was dicht gesnoerd. Hij zette zijn studies nu een jaar verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis “Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem Almansorem.., Parafrase van het negende boek van de grote Arabische geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur”. Eer het jaar om is krijgt hij ruzie met zijn professor en daarom trekt hij in dat zelfde jaar 1537 naar Padua waar hij zijn eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld wordt als hoogleraar in de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceert hij zijn eerste groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen, die hij opdraagt aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer Karel. In 1543 volgt dan zijn meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem ( Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk: het weegt 7 kg, telt 663 pagina’s en elke bladzijde is bijna een halve meter hoog, draagt hij op aan Keizer Karel.

A4 Plaat uit het boek

Die is daarmee erg gevlijd en stelt hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel heeft Andreas meer dan zijn handen vol. Omwille van keizers slechte eetgewoonten – slecht kauwen en ijskoude dranken – had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een kruisbijter was. De Keizer leed verder nog aan een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius terug. In 1546 schrijft hij zijn Chinawortelbrief, Andreae Vesalii Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator usus est, pertractans….Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar, geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd… Wanneer Keizer Karel op 25 oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesaliius en benoemt hem tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans Paleis, dit levert hem een aardige lijfrente op. Daarop treed onze Brusselaar in dienst van de zoon en opvolger, Filips II met wie hij op 23 augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelt er zich niet echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen lijkschouwingen verrichten en kon zijn anatomisch onderzoek niet verder zetten.

In 1564 vertrekt hij op bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg, bij een tussenstop in Sète, bij Montpellier neemt hij afscheid van zijn gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant. In Palestina bezoekt hij de heilige plaatsen, Jericho en de Jordaanvallei, maar op de terugreis komt zijn schip in een storm terecht en ze leidden schipbreuk op het eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland. Daar sterft hij aan tyfus op 15 oktober 1564. Hij kreeg op dit eiland twee monumenten en een straat is er naar hem genoemd, de hodos Andrea Vesal. In Brussel hangt op de plek waar zijn huis stond, nu het atheneum Robert Cateau een gedenkplaat. Verder kreeg hij een standbeeld op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een straat in de Bas-Fonds. Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg heette ze Spellekensstraat, omdat Jan Grouwels, een van de beruchte inquisiteurs er woonde. Zijn bijnaam Spellekens kwam van het feit dat hij met spelden de ogen van de ketters bewerkte. Zo konden ze volgens hem niet meer naar de duivel kijken. Ook een anatoom dus, maar van een ander soort. Of Grouwels in Leuven had gestudeerd vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen want zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma halen”.

standbeeld Barricadenplein

standbeeld Barricadenplein

oktober 8, 2014 at 9:32 am 4 reacties

VECHT ISIS/Daish TEGEN SYKES-PICOT?

A day in the life of a jihadi gangster Aman Mojadidi

A day in the life of a jihadi gangster Aman Mojadidi

Arabische vrienden van mij denken dat Daish een uitvinding is van de Amerikanen, of minstens toch van Qatar, maar voor hen komt dit op het zelfde neer. Ze kunnen er niet bij dat moslims zo iets kunnen doen, ze verdringen het en spotten er mee. Wie Sykes en Picot zijn wordt in het stuk duidelijk.

door Lucas Catherine

Daish is nu wel het modewoord in het Arabisch en het gespreksonderwerp. U kent het als I.S.(is), de Islamitische Staat in Irak en Sham, Dawla islamiya fi Iraq wa al Sham en Sham is de klassieke Arabische naam voor de regio die wij nu kennen als Syrië, Libanon, Palestina/Israël, en neem er ook maar Jordanië bij. Dat is dus een naam die dateert van voor Sykes-Picot. Ook dat is een term die pas recent, na honderd jaar van weg geweest, bijna dagelijks in de media opduikt. Ik heb het nagetrokken in een krantenarchief dat terug gaat tot 1999. AFP schrijft op 13 december 2013 voor het eerst dat Isis de Sykes-Picot akkoorden wil teniet doen. Op 11 juni van dit jaar volgt Belga en twee dagen later De Standaard. De Morgen ontdekt Sykes-Picot pas op 1 juli.

Quod Sykes-Picot?

Eigenlijk zou men die akkoorden moeten herdenken in het kader van 100 jaar eerste wereldoorlog, want in de lente van 1916 kwamen de geallieerden voor het eerst bijeen om te bespreken hoe ze het Ottomaanse Rijk, na zijn nederlaag zouden opdelen. Na enkele vergaderingen en uitwisselen van diplomatieke nota’s werden de akkoorden opgesteld door Sir Mark Sykes, Georges Picot en de Tsaristische minister van Buitenlandse Zaken, Sergei Sazonov. Officieel heette dat toen The Anglo-Franco Russian Agreement (April-May 1916).

Waarom Sazonov nu vergeten is wordt direct duidelijk. De drie besloten de buit als volgt te verdelen: Frankrijk zou het grootste deel van Syrië krijgen, een deel van zuid Anatolië en Mosul in noord Irak. Engeland het grootste deel van Irak. Rusland zou Oost-Anatolië annexeren (het grensgebied langs de Russisch-Turkse grens), en omdat het kloosters en scholen had in Nazaret, Nabloes, Hebron en Jeruzalem claimde het ook Palestina. Maar dat laatste stonden de Britten niet toe. Daarom zou Palestina internationaal worden, maar met Russische invloed. En toen kwam de Russische Revolutie en de Bolshevieken zagen om evident ideologische redenen af van nieuw koloniaal gebied, meer nog ze maakten de akkoorden publiek en de kaart moest hertekend worden tot wat we nu kennen als Syrië, Irak, Libanon, Israël en Jordanië.

Sykes-Picot kaart

Sykes-Picot kaart

En nu wil IS dus die grenzen wegvagen. Dat kan en mag niet, dat ‘destabiliseert’ de regio, krijgt iedereen te horen die koloniale grenzen wil wegvagen in Afrika, Azië of elders en krijgt dan met de oude kolonisatoren te doen. Kijk maar naar de Arabische nationalisten en socialisten zoals Nasser die de grenzen wilden laten wegsmelten tot één Arabische staat. Ze werden met alle mogelijke middelen bestreden. Alhoewel, nu wordt er blijkbaar een uitzondering gemaakt, want als er een beweging is die Sykes-Picot van direct na WO I in vraag heeft gesteld dan is het wel het Koerdisch nationalisme dat strijdt voor een land dat zich zou moeten uitstrekken over grote delen van Irak, Syrië, Turkije en Azerbaidjan (ex-Sovietunie). Als de alliantie tegen IS nu de Koerden bewapent en inzet in de strijd dan steunen ze de groep die al het langst en het hevigst Sykes-Picot in vraag heeft gesteld. Maar zoals een Franse president zei: Et Alors…

En dan… wat ik mij afvraag is : las Abu Bakr al Baghdadi linkse literatuur?

Eerst iets over die man zijn naam. Met zo’n naam wordt je niet geboren. Hij heet eigenlijk Ibrahim Awwad Ibrahim Ali al-Badri al-Samarrai. Dat laatste is een bijnaam en betekent afkomstig uit Sammara, een Iraakse stad die tussen 836 en 892 hoofdstad was van de toenmalige khalief. Maar zijn nieuw gekozen naam vertelt meer. Abu Bakr al Baghdadi al-Husseini al-Quraishi. Hij wordt nu de man van Baghdad en Baghdad is natuurlijk veel bekender als khaliefen-hoofdstad dan Samarra. Zijn nieuw gekozen voornaam Abu Bakr is erg symbolisch. Abu Bakr was namelijk de eerste khalief die de profeet Mohamed heeft opgevolgd. Wanneer hij zich ook al Husseini noemt beweert hij hiermee af te stammen van de profeet Mohammed die enkel kleinzonen had via zijn schoonzoon Hussein en de Quraishi is dan weer de stam van de profeet. Liegen als een ketter zeiden ze vroeger.

de echte Abu Bakr

de echte Abu Bakr

De man werd in 1971 geboren, maar desondanks verdenk ik hem ervan gauchistische lectuur uit de jaren 1960-1970 te hebben gelezen. Misschien was zijn vader een linkse rakker van de Baath-partij met nogal wat guerilla-handboeken in zijn bibliotheek zoals die van Guevara of Vo Nguyen Giap, en dat hij die heeft gelezen. Ik verklaar mij nader. De rivaliteit om de efficiënste militaire beweging gaat nu tussen aanhangers van Al Qaida (in Syrië Jabhat al Nusra) en Dawla Islamiya, I.S. Als we de ideologie even weglaten en enkel kijken naar lange termijn strategie dan gaat het om twee tendensen. Er zijn zij die denken dat ze vanuit een klein commandocentrum (de letterlijke betekenis van Qaida) de oorlog moeten beginnen en zij die eerst een ‘bevrijd’ in dit geval ‘islamitisch’ gebied willen uitbouwen en van daaruit dan steeds verder uitzwermen. De al Qaida-strategie komt dan sterk overeen met die van Carlos Marighella (Pequeño manual de Guerilla Urbano, 1970) of nog meer met de foco-theorie die Che Guevara uiteenzet in zijn Guerra de Guerrilla (1961). Foco, letterlijk brandhaard, staat ook voor een klein centrum van strijders (honderd man volstaan om te beginnen schrijft Guevara) en is dus het equivalent van het Arabische begrip al qaida. En dan is er IS dat zich zelf niet alleen omschrijft als een staat, maar ook effectief zo’n staat uitbouwt en hier is dan de gelijkenis groot met de theorie van de Volksoorlog, eerst door Mao Ze Dong vanuit Yenan op China toegepast, later in Vietnam door Vo Nguyen Giap met zijn “Guerre du peuple, armée du peuple”. Giap is de man die de Franse kolonisator in Dien Bien Phu versloeg vanuit zijn bevrijde gebieden in Bac Bo (langsheen de Chinese en Laotiaanse grens) en in Nam Bo (langsheen de Cambodiaanse grens) en later de Amerikanen verdreef uit Zuid-Vietnam.

En daarom vraag ik mij af, wil al Baghdadi alleen maar Sykes-Picot te niet doen in het Midden-Oosten of wil hij meer? Hij gaf zelf het antwoord door de termen Iraq en Sham te laten vallen uit de naam van zijn organisatie, ze tot staat uit te roepen en zich zelf tot khalief aan te stellen.

Nu heb je twee mogelijkheden waarom hij zich khalief laat noemen: ofwel wil hij terug naar de tijd van de ‘rechtgeleide’ khaliefen (de vier opvolgers van Mohamed), waarvan de echte Abu Bakr de eerste was, maar ik denk dat hij daarnaast ook heimwee heeft naar de laatste khalief uit de geschiedenis, de Ottomaanse sultan Abdul Mejid die door Ataturk in 1924 werd afgezet. Of beter, heimwee naar dat Ottomaanse Rijk, waar trouwens ook de Turkse president Erdogan aan leidt. Dat Ottomaanse Rijk strekte zich ooit uit tot in Algerije. En wat zien we, daar heeft de lokale afdeling van al Qaida zich in september 2014 tot het nieuwe khalifaat bekeerd, nam een nieuwe naam aan, Jund al Khalifa (Leger van de Khalief) en opdat de media het zouden geweten hebben onthoofden zij hun eerste Europeaan, de Fransman Hervé Gourdel.

L4 Atjehers

Eind negentiende eeuw had Europa trouwens al enorme schrik van de toenmalige heropleving van het khalifaat. Het historische khalifaat was geëindigd in 935, maar de Ottomaanse sultans hadden het nieuw leven in geblazen. De Ottomaanse khalief Abdul Hamid ondersteunde eind negentiende eeuw verschillende anti-koloniale bewegingen. Dat ging van Tunis, dat in 1871 weer de oude banden met het Ottomaanse Rijk wilde herstellen tot in Atjeh (Indonesië), waar moslims oorlog voerden tegen de Nederlandse kolonisator, u herinnert het zich misschien nog van bij Multatuli. Toen noemde men dat geen terrorisme, de Sultan was immers een ‘bevriend’ staatshoofd, maar panislamisme. Europa kreeg toen een heilige schrik voor “de groote internationale met het groene vaandel” zoals Christiaan Snoeck Hurgronje, Nederlands islamdeskundige en koloniaal raadgever in Indonesië (1857-1936) het noemde. Misschien zouden onze analisten en specialisten er voordeel bij hebben om die Snouck Hurgronje, de peetvader van de islamologie uit de vergetelheid te halen en zijn boekje ‘Nederland en de Islam’ uit 1911 te herlezen. Of beter nog zijn boek De Atjehers (1894), over hoe je een moslim jihad kan neerslaan.
Ik zet mij in ieder geval aan het werk.

L5 Snouck_NEW Snouck Hurgronje in Mekka, 1885

oktober 1, 2014 at 11:54 am Een reactie plaatsen

GENIAAL EN SCHIZOFREEN

 

van Genk: Brooklyn Bridge, 1975

van Genk: Brooklyn Bridge, 1975

(klik op de beelden om ze groter te zien)

Tom Ronse

Een tentoonstelling van het werk van de ‘art brut’-kunstenaar Willem van Genk die vorige week opende in het American Museum of Folk Art heeft een grote weerklank gekregen in de New Yorkse kunstwereld. “Dit is een van de beste dingen die u deze herfst zult zien”, schreef The New York Times.  Dit sukses is een triomf voor het Gentse Dr. Guislain-museum dat het werk van van Genk sinds jaren chaperoneert en de expo mee organiseert.

Van Genk staat in Europa bekend als een van de grootste art brut-kunstenaars maar in de VS was hij tot nu toe vrij onbekend. Dit is zijn eerste overzicht-tentoonstelling in Amerika. “Het is opwindend om het kunstseizoen te beginnen met een diepgaande kennismaking met een buitengewone kunstenaar waar je nog nauwelijks van gehoord hebt”, schreef Roberta Smith, de doyenne van de NewYorkse kunstcritici, in The New York Times.

Het initiatief voor de expo kwam van het Guislain-museum. Het Gentse museum is in de eerste plaats gewijd aan de geschiedenis van de psychiatrie maar organiseert ook boeiende kunsttentoonstellingen. In zijn eigen collectie heeft van Genk de ereplaats. Daarnaast kreeg het museum ook de collecties van het (nu gesloten) Stadhofs-museum van Zwolle en de stichting Willem van Genk onder zijn hoede. Zo’n jaar geleden benaderde Guislain het Folk Art Museum met een voorstel voor de expo. Het New Yorkse museum reageerde enthousiast en maakte meteen ruimte in zijn programmatie.

van Genk: Keulen

van Genk: Keulen

De expo is het werk van drie tentoonstellingsmakers: Patrick Allegaert en Yoon Hee Lamot van het Guislain-museum en Valérie Rousseau van het Folk Art Museum. Het werk van van Genk werd gekoppeld aan dat van Ralph Fasanella, een New Yorkse outsider-kunstenaar die stilistisch verwant is aan van Genk.  Roberta Smith vond het “een briljante combinatie”.

Voor het Guislain-museum is het belangrijk dat de expo samenvalt met de uitreiking van de “Dr. Guislain Award” die dit jaar in New York plaatsgrijpt. Die prijs (50 000 dollar) wordt jaarlijks toegekend aan een persoon die een belangrijke bijdrage heeft geleverd in de strijd tegen de stigmatisering van psychiatrische patienten.  Zowel de Award als de van Genk-expo zijn gesponsord door Janssens Research & Development, een afdeling van de farmaceutische reus Johnson & Johnson.

Bijna tegelijk opent in Parijs een grote tentoonstelling waarin van Genk ook de hoofdrol speelt. Het Art Brut-museum Halle St. Pierre exposeert de Stadshof-collectie die door het Guislain-museum beheerd wordt. Het is jammer dat van Genk zijn internationale triomf niet meer heeft mogen meemaken. Hij stierf in 2005 op 78-jarige leeftijd. Zijn leven lang werd de Nederlander gekweld door psychische stoornissen die onder de noemer ‘schizofrenie’ vallen. Vele jaren bracht hij in instellingen door. Desondanks was hij artistiek onwaarschijnlijk productief. Hij heeft duizenden arbeidsintensieve werken nagelaten waarvan een groot deel in Gent terecht kwam.

van Genk:New York strip, 1973

van Genk:New York strip, 1973

De expo in New York geeft er een mooi overzicht van. Het sculpturaal werk bestaat uit trammetjes, gemaakt uit afvalmateriaal. Van Genk was geobsedeerd door transport. Dan is er werk dat vandaag ‘conceptueel’ zou genoemd worden: een collectie bewerkte regenjassen, voor van Genk een symbool van macht. Dat had te maken met een traumatische ervaring tijdens de tweede wereldoorlog. De kleine Willem werd toen ondervraagd en mishandeld door lang-gejaste nazi’s die op zoek waren naar zijn vader, een verzetstrijder. Maar het zijn vooral de tekeningen en schilderijen die indruk maken.  Ondanks de stilistische en thematische gelijkenissen met zijn mede-exposant Fasanella zijn er twee grote verschillen. Een is dat van Genk de betere kunstenaar is. Zijn gevoel voor kleur en compositie is subliem, zijn creatieve ingrepen zijn geniaal en gedurfd. Een ander is dat van Genk gekker was. Zijn schilderijen zijn worstelingen met zijn demonen, een gevecht van een weerloos individu tegen een verpletterende macht, een heroische poging om door kunst zin te geven aan de zondvloed van signalen die ons bestormen. Dat maakt zijn werk actueel. Je wandelt ervan weg met een gevoel van ontzag voor de complexiteit van de menselijke geest.

van Genk, great railroads of the world, 1970

van Genk, great railroads of the world, 1970

Willem van Genk: “Mind Traffic” en Ralph Fasanella: Lest We Forget” in het American Folk Art Museum, 2 Lincoln Square, New York, tot 30 november

“Sous le vent de l”art Brut: Collection De Stadshof” in Musée Halle Saint Pierre, 2 Rue Ronsard, Parijs, van 17 september tot 4 januari.

september 23, 2014 at 7:15 am 1 reactie

Oudere berichten


Categorieën

  • Blogroll

  • Feeds


    Volg

    Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

    Doe mee met 675 andere volgers