VAN ROMPUY’S COLLATERAL DAMAGE
De thuiskomst
door Frits Abrahams
Er wachtte Jan Peter Balkenende een lastig weerzien met zijn echtgenote, toen zijn chauffeur de dienstauto voor de woning in Capelle aan den IJssel had geparkeerd.
Je kon niet zeggen dat ze hem stralend stond op te wachten, al deed ze haar uiterste best.
Pas toen de auto weer vertrokken was en ze met Jan Peter in de vestibule stond, liet ze zich gaan. „Ik vind het zó rot voor je”, zei ze met een korte snik, terwijl ze hem door zijn haar streek.
Hij week met zijn bovenlichaam iets terug en keek haar effen aan. „Hoezo?”
„Nou, die rotzakken die jou al die tijd hebben laten bungelen en toen voor die Belgische nobody kozen.”
„Waar heb je het over?” zei hij.
Hij probeerde haar zachtjes van zich af te duwen, pakte zijn uitpuilende presidentiële loodgieterstas bij het hengsel en liep naar de woonkamer. Ze dribbelde achter hem aan en zei: „Het is een schande.”
Hij draaide zich om, keek haar strak aan en zei: „Wanneerhoudenjullieernoueensoverop? Ik wás geen kandidaat, ik bén niet gevraagd, ik héb het nooit gewild en ik hóef dus helemaal niet teleurgesteld te zijn, verbitterd, geschokt, of wat dan ook. Ik ben mijn collega’s dankbaar voor deze beslissing, Van Rompuy lijkt me een uitstekende president en ik zal hem door dik en dun steunen. Watetenwevanavond?”
Het duurde even voor de verbijstering haar gezicht tekende. „Ik begrijp het”, zei ze, „maar je hoeft je voor mij niet groot te houden.”
Hij keerde haar zijn rug toe en beende driftig naar het raam, waarachter Capelle aan den IJssel iets minder veelbelovend lag te fonkelen dan Brussel bij nacht.
„Weetjewathet is”, zei hij, „jullie praten elkaar allemaal na. Politiciperspubliek. Ik zeg het nu nog één keer en daarna hou ik er voor eeuwig mee op: ikwasgeenkandidaat. Punt! Basta! Schluss! Finito!”
Ze knikte en liep naar de keuken. „Ik heb nog wat groentesoep van gisteren over, wil je dat?”
Ze luisterde niet naar zijn antwoord en zette een bakje met soep in de magnetron. Ondertussen dacht ze aan al die nachtelijke gesprekken van de laatste maanden.
Hoe ze hier aan de keukentafel hadden gezeten en hij zijn gal gespuwd had. Over die zak van Bos die steeds met de eer ging strijken, over Verhagen met zijn eigenwijze gedram, over de Venlose proleet die hem stond uit te schelden, over die waanwijze kakker van D66, over dat nuffige nest van GroenLinks, over die vergelijkingen met Harry Potter, over de hetze van de pers, ja, over dat hele klotekikkerlandje met z’n ruwheid en onfatsoen waar hij zich steeds meer aan ergerde.
God, wat hád hij er genoeg van gekregen en wat hád hij er graag weggewild. Reizen, regelen, recepties, dát wilde hij, regeren zonder regering, prestige zonder prestatie.
Ze dekte zwijgend de tafel en haalde de soep. De ringtone – de eerste maten van het Wilhelmus – van zijn mobieltje klonk. „Ja, Jack, leg jij het de mensen maar uit”, hoorde ze hem vermoeid zeggen, „ik hou erover op.”
Jack de Vries, wist ze, die gruwelijke gladakker, het leek wel alsof-ie met hém getrouwd was in plaats van met haar. De eeuwige lach van die man! Hij zou nog blijven lachen als hij je met een slagersmes van boven naar beneden opensneed. Den Haag, wat een verschrikkelijk oord.
„De soep is klaar”, zei ze dof.
Frits Abrahams is columnist en redacteur bij NRC Handelsblad
http://weblogs.nrc.nl/dag/2009/11/20/de-thuiskomst/#more-1213
Jack de Vries is staassecretaris van Defensie in de Nederlandse regering, voorheen campagneleider van de partij CDA (Christen-Democratisch Appèl) en persoonlijk adviseur van Balkenende (jc)
http://www.nrc.nl/binnenland/article2419625.ece/Nederland_bleef_in_Brussel_lobbyen_voor_premier
En over de teleurstelling in Londen, deze lezersbrief in The Guardian:
‘There are so many negatives about Herman van Rompuy. He’s never declared an illegal war, never claimed Iraq has tons of chemical and biological arms, and nuclear weapons; and he’s never been addressed as “Yo, Rompy” by an US president. How can such a person command respect across Europe and the rest of the world?’ (Gordon Mott)
1 comment november 23, 2009
TAALLES
Gebrekkige kennis van het Nederlands is een veelgehoorde klacht in Vlaanderen over nieuwe en niet zo nieuwe immigranten. Maar dat Nederlands, als je er niet mee bent opgegroeid, is een verdomd moeilijke taal. Deze week kreeg ik per email een gedicht dat dit zeer goed illustreert. De auteur was weer eens niet vermeld. Als u zou weten wie dit geschreven heeft, geef ons een seintje. (TR)
Men spreekt van één lot, en verschillende loten,
maar ‘t meervoud van pot is natuurlijk geen poten.
Zo zegt men ook altijd één vat en twee vaten,
maar zult u ook zeggen: één kat en twee katen?
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog.
Maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog,
want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
maar is dan ‘ik voog’ een vervoeging van vegen?
Wat hoort er bij ‘zoeken’? Jazeker, ik zocht,
en zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht?
Welnee, beste mensen, want vlocht komt van vlechten.
En toch is ik ‘hocht’ niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin zegt men bij slopen ‘ik sliep’.
Want sliep moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk ‘ik riep’ bij het rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u ‘t weet
en dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus: kwam ik u roepen, dan zeg ik ‘ik riep’.
Nu denkt u: van snoepen, dat wordt dan ‘ik sniep’?
Alweer mis, m’n beste. Maar u weet beslist,
dat ried komt van raden, ik denk dat u ‘t wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood.
En toch volgt na wieden beslist niet ‘ik wood’.
‘Ik gaf’ hoort bij geven, maar ‘ik laf’ niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als ‘ik waf’ hoort bij weven.
Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
‘t Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet, zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed? U moet zelf maar beslissen:
hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig, of ik slond?
Want bij gaan hoort: ik ging, niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesrat nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.
U ziet, onze taal beste dames en heren,
is, net als ik zei, best moeilijk te leren!

1 comment november 22, 2009
IT AIN’T NECESSARILY SO
Gie Tavernier stuurt ons de volgende tekst, waarvan hij de bron niet meer kan achterhalen maar die blijkbaar bedoeld is als antwoord op kritiek op Richard Dawkins’ boek “The God delusion”. Sommigen zullen vinden dat de tekst open deuren instampt maar diegenen die zoals ik in het katholieke geloof zijn opgegroeid, zullen er wellicht smakelijk om kunnen lachen.
Gie koestert veel belangstelling in het ontmaskeren van mythen, niet alleen de katholieke. Hij verwijst daar omtrent naar de volgende sceptische sites:
http://www.exitmundi.nl/exitmundi.htm
http://www.pnl-nlp.org/download/propaganda/page4.htm
http://www.poodwaddle.com/worldclock.swf
http://skepticsannotatedbible.com/quran/
“Richard Dawkins is a complete loony. I, on the other hand am a Catholic, with the following perfectly sensible beliefs.
1. Everything requires an explanation, including the observable universe.
2. The observable universe was created by an unobservable Invisible Magic Friend. This explains the observable universe.
3. The Invisible Magic Friend has existed for all eternity and therefore requires no explanation. This is entirely consistent with point 1.
4. The Invisible Magic Friend comes in three lumps: Father, Son and mum Holy Ghost.
5. There is an Invisible Magic Baddy called the Devil, who’s constantly tempting people to do bad things and stop being Catholics.
6. Every baby is born a sinner, stained with the sin of Eve, who ate a piece of fruit on the command of the Devil, then disguised as a talking snake.
7. The Invisible Magic Friend revealed himself to a bunch of Middle Eastern Semitic tribes starting about 700 B.C.E. All the other gods of the Persians, Romans, Egyptians, Greeks, Norse and Indian were just made up. Only the god of Abraham is the real Invisible Magic Friend.
8. We were all condemned to eternal damnation by the all loving Invisible Magic Friend because of the talking snake incident and it’s too good for us if you ask me.
9. The Invisible Magic Friend sent an Invisible Magic Messenger, with invisible magic white wings, called Gabriel to tell a young woman in Palestine that she was pregnant thanks to the third lump of the Invisible Magic Friend who had impregnated her with the extra chromosomes needed to conceive, and the child would be called Emmanuel, so she called him Jesus.
10. Mary’s fiancé, Joseph was a bit miffed at Mary being pregnant and having to remain a virgin for the rest of her life, but she explained about the third lump of the Invisible Magic Friend so he married her anyway.
11. Jesus did all sorts of amazing things: turning water into wine, walking on water, redoing the Elisha feeding thousands trick, spitting on people to cure them, transforming into something, raising from the dead.
12. Jesus got a bit too uppity so the Romans crucified him.
13. Two days later, he rose from the dead in accordance with the prophecy that he’d rise three days later.

14. Jesus’ death was actually a sacrifice of the second lump of the Invisible Magic Friend to all three lumps of the Invisible Magic Friend. This sacrifice was adequate compensation for the talking snake affair and you now only had to spend eternity in agony if, on average, you aren’t terribly nice while you inhabit the observable universe or until recently, you weren’t a Catholic.
15. Before going up into the sky on a cloud, Jesus said, “Peter, I’m leaving you in charge of the observable universe. Here are some magic powers.”
16. Peter went to Rome and gave his magic powers to lots of other people.
17. Only people with external genitalia can have magic powers (obviously).
18. The magic powers consist of: turning ordinary water into magic water, turning ordinary oil into magic oil, forgiving people’s sins by saying three Hail Marys as an alternative to eternal damnation, turning bread and wine into the flesh and blood of the second lump of the Invisible Magic Friend, consuming him, thus recreating the original sacrifice 2,000 years ago, and in the case of being top priest, being infallible. All this, is best done in the language of the Roman Empire.

19. Deliberately not having as many children as possible is a sin, unless you’re one of the men with magic powers who mustn’t ever touch anything hairy, wobbly or dangly, or even think about touching anything hairy, wobbly or dangly.
20. Having sex for fun is a sin.
21. When men with magic powers are discovered buggering altar boys, the appropriate action is to move them where there are some new boys and make the victims promise never to tell anyone because it was all their fault anyway, the little teasers. This turns you from just being Most Reverend into being Eminent.
22. Poofs (homos) are an inherent moral evil and a greater danger to the planet than global warming.
1 comment november 20, 2009
Belgische kunst in New York
Tom Ronse
Deze maand is er in New York werk van Belgische schilders, beeldhouwers, fotografen, filmmakers, dansers en muzikanten te zien en te horen. Opvallendst in dit uitzonderlijk ruime aanbod is een groepstentoonstelling in Robert Miller-galerij die zich tot doel stelt “een overzicht te geven van de Belgische hedendaagse kunstscene”.
Zo staat het in de persrelease maar het lijkt wat te hoog gegrepen. Met slechts negen kunstenaars heb je geen overzicht, hoogstens een staalkaart van de smaak van tentoonstellingsmaker Tim Goossens. De show heet “Avec le temps’, naar het lied van Leo Ferré maar dat thema werd achteraf gekozen, nadat Goossens zijn keuze had gemaakt. “Tijd” is de rode draad in de tentoonstelling maar die draad is losjes geweven.
Hij is wel duidelijk aanwezig in de etalage van de galerij die door de jonge Brusselse kunstenaar Fabrice Samyn is veranderd in een grote zandbak. Daarin liggen glazen vormen die een reusachtige gebroken zandloper suggereren. “Het graf van de tijd”, heet dat dan. Van Samyn zijn er ook grote, korrelachtige foto’s te zien. Het lijken ruimtefoto’s maar bij nader toezien blijken het close-ups van de navels van Adam en Eva op schilderijen van oude Vlaamse meesters. Ook dat roept tijdsvragen op, meer bepaald de vraag naar het begin. Waarom hadden de eerste mensen navels?
De andere zaal aan de straatkant is door Pieter Vermeersch geschilderd in gradaties van blauw. De installatie is een lege meditatieruimte waarin de tijd lijkt stil te staan en tegelijk -door het wisselend licht dat van buiten valt- voortdurend beweegt. Van fotograaf Dirk Braeckman die vorig jaar een overzichtstentoonstelling kreeg in de Miller-galerij, zijn er drie bijna abstracte exploraties van oppervlakten van muren, gordijnen en een tafel in subtiele grijze tonen. Elegant en enigmatisch. Daarnaast hangt een serie werken van de in Brussel wonende Nederlander Willem Oorebeek. Ze tonen een icoon dat zelf ook over vergankelijkheid gaat, Breughels Toren van Babel, bedekt met een laagje zwarte inkt, waarachter de aandachtige toeschouwer nog hier en daar een detail van het originele beeld kan ontwaren. In grote, elegant geborstelde zwart-witschilderijen mengt Stephan Balleux anachronistsiche scenes met wervelende abstracte vormen. Verder zijn er nog nagemaakte ‘gevonden voorwerpen’ van Koenraad Dedobbeleer en een video waarin Edith Dekyndt op poetische wijze magnetisme exploreert. In een apart zaaltje draait een filmpje van Els Opsomer. We zien de rand van een plein waar veel verkeer en voetgangers passeren. Plots lijkt het alsof de tijd lijkt te bevriezen. De bussen en taxi’s stoppen, de voetgangers verzetten geen voet. Slechts een man (een tijdreiziger?) wandelt voort, zo onopvallend mogelijk. Na enkele minuten schiet het leven weer in gang en snel lijkt het alsof er niets is gebeurd. Het is een bevreemdende massa-performance. Opsomer schoot het filmpje op het Taksim-plein in Istamboel. Elke 10de november om 9.05 uur staat heel Turkije stil om de dood van Ataturk te gedenken. De textiel van Philip Metten zorgt voor de enige felle kleuren in de show. Zij diende bovendien als pak voor Tim Van Hamel (ex-dEUS) die de druk bijgewoonde opening muzikaal opluisterde. Hij droeg Mettens’ “sound costume” met ingebouwde electronica en neon-lichten.
Voor Tim Goossens zijn het drukke tijden. Terwijl hij de Belgische show samenstelde, ontwierp hij, samen met Kate McNamara, een groepstentoonstelling in PS1, het bijhuis voor hedendaagse kunst van het Moma. In “Between Spaces”, zoals de show heet, is het bindteken het gebruik van alledaags materiaal in een verrassende context. Goossens is pas 28 jaar maar zijn carriere lijkt in de lift. De blonde krullebol uit Begijnendijk haalde eerst zijn verplegerdiploma en werkte dan zeven jaar als verpleger om zijn studies te betalen. Hij stuurde kunstgeschiedenis aan de KUL en dan museumbeheer aan de Ecole du Louvre en geschiedenis van de fotografie aan de Sorbonne. Parijs kotsbeu zijnde, sprong hij op een vliegtuig naar New York. Daar kon hij aan de slag als stagair in het Moma en nog geen jaar later kreeg hij een baan aangeboden als assistent-curator in PS1, waar hij nu twee jaar werkt. Met een stijgende reputatie zodat Robert Miller hem een jaar geleden uitnodigde om een Belgische overzichtstentoonstelling te maken.
In andere galerijen:
Er zijn nog andere Belgen in de New Yorkse galerijen. Galerij Broadway 1602 toont de erotische schilderijen die Evelyne Axell in 1971-72 maakte, voor ze omkwam in een auto-ongeluk. Mooie Evelyne was misschien wel de markantste Belgische vertegenwoordiger van de pop-art-stroming. Nylondraad en staal zijn de basiselementen in de solo-show van beeldhouwer Harold Ancart in LMAKprojects. In de Constatiner galerij van het Institute for Jewish Research loopt de tentoonstelling “Eugeen Van Mieghem and the Jewish immigrants of the Red Star Line”. Tijdens de grote Joodse emigratie uit Oost-Europa was Antwerpen een belangrijke tussenstop. Van Mieghem (1875-1930) schilderde wat hij zag: armzalige emigranten en het leven in de haven. In The Living Room loopt een groepstentoonstelling waaraan verscheidene Belgen deelnemen. De interactieve show heet “Bits ’n Pieces” en wil “de volgende fase van de digitale revolutie” anticiperen; onderzoeken hoe de consumptie van huizen, meubels en andere objecten erdoor verandert. De tentoonstelling is samengesteld door de Belgische en Nederlandse designers Claire Warnier, Dries Verbruggen, Lucas Maassen, Jan Habraken en Alissia Melka-Teichroew. Eveneens in the Living Room rondde “The bony king of nowhere” (de 22-jarige Gentenaar Bram Vanparys) op 2 november zijn eerste Amerikaanse tour af. Eind november komt de Belgische filmcomponist en dirigent Dirk Brossé met de populaire show “Star Wars in Concert” naar sportarena’s in de New Yorkse regio. En het performance art-festival “Performa 09” dat momenteel New York onveilig maakt, introduceerde het Brusselse danstheater-gezelschap Meg Stuart&Damaged Goods dat ‘Auf den Tisch!’ (‘aan de tafel’) opvoerde, een ‘improvisatieproject’ voor acteurs, redenaars en muzikanten.
-Avec Le Temps/ In Time: tot 23 december. www.robertmillergallery.com
-Between Spaces: tot 5 april 2010. www. ps1.org
-Evelyne Axell: tot 21 november. www.broadway1602.com
-Harold Ancart: tot 6 december. www.lmakprojects.com
-Bits ’n Pieces: tot 4 december. www.materialconnexion.com
-Vam Mieghem: tot 31 december. www.yivoinstitute.org
-Star Wars in Concert: op 20 en 21 november in New York. www.starwarsinconcert.com
Add comment november 20, 2009
CITYTRIP IN NOMANSLAND
EEN UITSTAP NAAAR DE KOUDE OORLOG
MET PIERRE HARMEL (°1911- 15 november 2009)
door Jef Coeck
Het was 1970 en de regering van Gaston Eyskens werkte aan een Grote Staatshervorming, toen al. De wereld keek niet om. Onze Buitenlandse Zaken waren in handen van de bedaagde staatsman Pierre Harmel, katholiek, Franstalig en koningsgezind. Zijn reputatie van politieke kleurloosheid was even taai als onterecht, zo bleek mettertijd.
Als jong redacteur van de BRT-radionieuwsdienst had ik mij sinds een jaar of twee op het Midden-Oostenconflict gestort, meer bepaald de Arabische kant van de zaak. Het was me dus – en is me nog steeds – een raadsel waarom ik door de hoofdredacteur werd aangewezen om in de zomer plotsklaps minister Harmel te vergezellen op een werkbezoek aan Joegoslavië. Waarschijnlijk waren de andere redacteuren op, vanwege vakantie.
De invitatie kwam kennelijk voor zowat iedereen onverwacht. Was het een diplomatieke zet van de Joegoslavische president-voor-het-leven Maarschalk Tito, gericht aan het kleine België en zijn dappere minister van Buitenlandse Zaken? Het klinkt wat schamper maar het is een niet onwaarschijnlijke gang van zaken. België en met name Harmel hadden een groot gezag in diplomatieke kringen van de NAVO, in Europa (inclusief Oost-) en daarbuiten. Er bestond zelfs een Harmeldoctrine, die een eigen Europese politiek van ontspanning nastreefde, nauw aansluitend bij de Ostpolitik van de Duitse kanselier Willy Brandt.
Harmel zelf werd door sommigen betiteld als ‘apostel van de detente’, door anderen, onder meer in de States, als een crypto-communist. In eigen katholieke Belgische rangen gold hij bij die-hards als een overloper, omdat hij inging tegen de kreet van de Westduitse christelijke partijgenoten tot onvoorwaardelijke opheffing van de DDR. Dit alles maar om te zeggen dat het zin had de uitstapjes van Cher Pierre in de gaten te houden. Zin had het zeker voor geslepen diplomatieke analisten met een batterij telefoons op hun bureau en een stel connecties all-over. Weinig zin had het om een jonge Tintin-achtige ‘new journalist’ lijfelijk in het voetspoor van de minister te zetten. Hoewel, onaangenaam was dat ook weer niet.
ZWIJGEN IS GOUD
Het gezelschap was exquis. Het bestond uit een tiental diplomaten en raadgevers van de minister, onder wie de toen al blitze kabinetschef Etienne ‘Steve’ Davignon, burggraaf, later EG-commissaris en financiële tycoon. Mediagewijs was exclusiviteit verleend aan de twee openbare omroepen, BRT en RTBf. Ik torste, zoals mijn Franstalige collega, een professionele bandopnemer Nagra mee, en dat was dat. Geen televisie. Geen fotografen. Geen kranten of andere concurrenten, geen opbod, scoops, gefluister in de gangen, verspreiding van valse geruchten. Deze reis was tenminste low profile opgezet en zou ook zo verlopen. Althans…
Onze Joegoslavische begeleiders waren zo mogelijk nog discreter dan de Belgische. Er was wel gezorgd voor hotelaccomodatie, eerst in Belgrado. De toen nog unitaire hoofdstad bruiste van leven, althans op het uur van de passeo in een paar van de centrale straten. Verder van het centrum en later op de avond heerste absolute rust tussen de stalinistische architectuur van afwisselend flats en villa’s. Er was een eenzame nachtclub, waar de gewone attracties werden opgediend – met minder pudeur dan in het Casino du Liban. Maar dat was het dan wel. Harmel kregen we niet te zien en informatie over zijn gesprekken niet te horen.
Na een dag of twee verhuisden we naar Dubrovnik. Dat was een revelatie. Historische plek, een en al schilderachtigheid, nog niet verpletterd door massatoerisme of granaatscherven. Schitterend hotel. Op het terras van mijn gelijkvloerse kamer kon ik pootje baden in de aan- en afspoelende Adriatische Zee, onderwijl de kwaliteit van de plaatselijke slivovic testend. Niet mijn idee van hooggestemde actieve journalistiek, maar wel het beste surrogaat ervan op dat eigenste moment. Geduldig wachten is een deel van het vak. De diplomaten bleven namelijk stom.
Konden we daar iets uit afleiden? Verliepen de besprekingen stroef en was de detente in gevaar? Of was dat algehele stilzwijgen juist een teken van vooruitgang – en zoja in welke zin – vooruitgang, die niet gecompromitteerd mocht worden door lekken naar de pers? Wat dat laatste betreft zaten we nog volop in de oude cultuur van ‘zwijgen is goud’. Ik had al in meer penibele omstandigheden gewacht op gebrek aan nieuws. En die avond kwam het verlossende moment: de minister was zowat klaar en zou over een uurtje willen praten met de journalisten, alle twee stuks. Of we zo goed wilden zijn alvast de vragen in te dienen?
REDERIJKER
Vragen vooraf indienen? Het was niet mijn gewoonte. Maar alles wat ik de voorgaande dagen gedaan had, was niet mijn gewoonte. Normvervaging, inderdaad. Ik bedacht vijf zes algemene thema’s, met in het achterhoofd nog altijd de mogelijkheid van nevenvraagjes. Mijn handgeschreven lijstje verdween in de klauwen van de hoge diplomatie, die niet te lijden had van haastige spoed.
Een hele tijd later schreed het gezelschap de lounge binnen: aan het hoofd de rijzige minister, de even minzame als ontspannen bewindsman Harmel. We namen plaats aan een daartoe bestemde cederhouten tafeltje, op stoelen uit het pre-Tito tijdperk. De Belgische protocoldiplomaat vertrouwde mij fluisterend toe dat ik me strikt aan de vragen moest houden en dat de minister in het Nederlands, ja mijn eigen moedertaal zou antwoorden. Geen nevenvragen.
Dat was een fikse tegenvaller. Ik had gerekend op een gesprek in het Frans, vanuit een meer dan vaag vermoeden dat ’s ministers talenkennis, meer bepaald die van het Nederlands vrijwel nihil zoniet nada was. En zeker niet gekenmerkt door linguïstische soepelheid, waarmee misschien nog een spoor van politiek nieuws had kunnen worden opgedolven. Nu pas brak het zweet me uit. Ik zette de bandopnemer aan. Het zachte gepiep van de spoel vulde heel de kamer. Ik las mijn eerste vraag alsof ze gedicteerd was uit het hiernamaals.
De inhoud van zowel vragen als antwoorden ben ik vergeten. Maar niet de stijgende verbijstering die zich van mij meester maakte. Harmel las van het blad een groot aantal op Nederlands lijkende woorden af, doorgaans met de juiste klemtonen maar zonder enige merkbare betekenis anders dan het trillen van lucht. Hier moest een groot rederijker – de protocoldiplomaat! – aan het werk zijn geweest. Acrostichon stapelde zich op binnenrijm, nevenzin op hulpwerkwoord, enigma op anagram. Het onderscheid tussen volzin en onzin was totaal vervaagd.
Evenredig met het koldergehalte steeg mijn innerlijke woede. Terwijl ik voorgaf te luisteren, zon ik op wraak. Ik kon maar één middel bedenken. Na mijn laatste officiële vraag – de minister rechtte al de rug om op te staan – verzon ik nog een extraatje, in het Nederlands en met een paar bijzinnen. De ministeriële omgeving stond klaar om me te lynchen, alleen Harmel gaf geen krimp. Na een korte aarzeling, stapelde hij in bijna hetzelfde ritme als voorheen de pseudo-Nederlandse frasen op en naast elkaar. Het bleef betekenisloos geluid, afkomstig van een alien.
VERRASSINGEN ZAT
De Oppercol – hij knipoogde, maar dat bleek een zenuwtrek te zijn – was wit. Dit had hij niet verdiend, ik hield me niet aan de afspraak (!). Maar alla, gedane zaken nemen geen keer. En hoe ik dacht het bandje met het interview in Brussel te krijgen? Via een radiolijn? Uitgesloten, de onderzeese kabels waren weer eens stukgeraakt door vissersnetten. De telefoon? Die werkte al uren niet meer – de minister zelf was helaas totaal van zijn hoofdkwartier afgesneden, een gevaarlijke situatie. Tja, het bleef hier de Balkan, nietwaar? Maar weet je wat? Er moest vanavond toch een diplomatiek valies naar het vaderland worden gezonden en wie was er stipter dan een vaderlandse piloot? Die zou het bandje binnen de kortste keren in het radiogebouw aan het Flageyplein afleveren, op erewoord. Ik kon toch niet twijfelen aan de goede trouw van zowel Sabena als de Belgische diplomatie? Ik gaf in volle vertrouwen mijn opname van de Harmeltoespraak aan de Opper.
Maar er was nog beter nieuws: we kregen een verrassing aangeboden door onze Joegoslavische gastheren. Beste pak aantrekken en baggage inleveren. De troep verplaatste zich naar de Kroatische kuststad Pula. Daar lag een boot voor ons klaar, een slank niet al te groot speedyacht. We gingen aan boord, nog steeds onwetend over onze bestemming. Het vaartuig zette zich in beweging en na korte tijd raceden we als gek langs de kust van Istrië.
Het was mijn eerste keer op zee en ik had geen aanleg. Met beide handen klemde ik me vast aan een trapleuning, kwestie van evenwicht. Dat werd bemoeilijkt door het aanbod van drankjes en andere versnaperingen, waardoor een hand minder beschikbaar was voor het trotseren van de zwaartekracht. Bovendien bleken we ook nog te moeten converseren met een totaal ontspannen Steve Davignon, die nu als een echte playboy stond te genieten in het midden van het gezelschap. Losjes op zeebenen, de handen vrij voor sigaar, whisky en grootse gebaren. Hij vertelde grappen!! (‘Het kapitalisme, messieurs, is de uitbuiting van de mens door de mens. Het communisme? Precies het omgekeerde. Haha.’) Uit zijn mond vernamen we ook onze bestemming: het eiland Brioni. Daar werd ik zo mogelijk nog stiller van.
JOVANKA
Brioni (zie foto’s boven- en onderaan) was in die dagen een haast mythische plek. President Maarschalk Tito had het in bezit genomen voor zijn zomerresidentie. In deze prachtige natuur met enkele Romeinse ruïnes werd uitsluitend het puikje van de internationale jet-set toegelaten. Bevriende staatshoofden, bekende filmsterren, beroemde zangeressen. En nu, wij. In het zog weliswaar van minister Détente, wiens internationale politieke gewicht na vandaag ongetwijfeld met sprongen zou stijgen.
De honneurs werden waargenomen door mevrouw Tito, de legendarische Jovanka. De machtige vrouw achter de man, heette het. Zij was vlot in de omgang, en kordaat. Een tikje bazig zelfs, wellicht om haar reputatie van Raspoetina gestand te doen? [Voor de petite histoire: na de dood van Tito in 1980 viel Jovanka in ongenade en werd zij totaal zonder inkomsten of bezit aan haar lot overgelaten. Pas een paar jaar geleden is ze enigszins gerehabiliteerd.]
Er was een tête-à-tête Harmel-Tito. Wij mochten hem de hand drukken en kregen een korte rondleiding door zijn privé-nomansland. Geen protocol, geen politie of militairen, alleen huispersoneel. Foto’s nemen bleef verboden.
Moe maar tevreden konden wij huiswaarts keren. We landden in Brussel op een zaterdagmiddag, ik was net op tijd voor de trouwpartij van mijn zus. Zo ging er een weekend overheen voor ik weer ter redactie verscheen.
EPILOOG
Het eerste wat ik die maandagochtend te horen kreeg was: ‘De RTBf had wel een interview met Harmel, hé. Waarom wij niet?’ Hoe kon ik de hoofdredacteur uitleggen dat ik te veel vertrouwd had op de Belgische diplomatie? En op Sabena – een bedrijf dat later failliet zou gaan met de steun van Steve Davignon? Hard moest ik op de tanden bijten om niet te zeggen: gelukkig is mijn interview niet uitgezonden. Met de hand op het hart werd me verzekerd dat noch Buitenlandse Zaken noch de Nationale Luchtvaartmaatschappij zich gemeld hadden met een bandopname ten behoeve van de Belgische Radio-omroep, Nederlandstalige uitzendingen.
Een hele tijd later hoorde ik een flard Harmel op de radio in ik weet niet meer welke kontekst. Het was een stukje van mijn interview. De omroeper voegde er zonder blozen aan toe dat minister Harmel zo goed als perfect tweetalig was. QED.
EPILOOG II
Vijfentwintig jaar later, in 1995, zocht ik Pierre Harmel op voor een interview. Hij was al hoogbejaard en teruggetrokken maar helder en spraakzaam. We praatten, in het Frans, in zijn eenvoudige Brusselse werkkamer. Ik wou na al die tijd weleens weten wat hij echt van Tito-land dacht.
Vraag: Als u ziet wat er vandaag in ex-Joegoslavië gebeurt, denkt u dan niet: Tito mag wat dictatoriale trekjes hebben vertoond, hij was tenminste in staat om al die volkeren in evenwicht te houden zodat ze elkaar niet de kop insloegen?
Harmel: ‘Dat is ongetwijfeld zo. U hebt gelijk, deze gedachtengang komt weleens bij me op. Er zijn nu eenmaal landen waar een relatief sterk presidentieel regime noodzakelijk is, centraal geleid om de zaak bijeen te houden. De versplintering, vaak op nationalistische grondslag, is een groot gevaar. In ex-Joegoslavië heeft Europa grote fouten begaan.’

En na een betekenisvolle stilte: ‘Als iedereen souvereiniteit wil, worden we terug naar de Middeleeuwen gekatapulteerd.’
Zou het kunnen dat dit zijn minst diplomatische uitspraak ooit is geweest?
(eigen archief JC)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Harmel
http://www.mo.be/index.php?id=63&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=15660&cHash=4dfe9c3393
Add comment november 18, 2009
CYBERSEX MET BIG BROTHER

(Tom Ronse)
De opmars van de totalitaire democratie ging vlotter dan verwacht, onmerkbaar haast. Het komt er op aan om een goede vijand te hebben, een angstaanjagend, door en door verdorven monster. Dan kan de staat zich zowat alles permitteren. Toen het Oostblok verdween, was er even een ontredderend vijand-deficit. Er bleven slechts enkele boefjes over, dus waar bleef dat ‘peace-dividend’? Gelukkig duurde het niet lang voor er een ander monster de wacht afloste: de terroristen. Big Brother kon zich geen betere bondgenoot dromen.
Maar er zijn nog andere monsters in het angst-theater van de staat die haar toelaten om haar tentakels te spreiden. Zoals de pedofiel. Behalve de terrorist is er geen vijand die de gemoederen zo verhit dat alle bezwaren tegen de expansie van Big Brothers greep wegsmelten. Dus wordt hij opgejaagd. En als hij niet wordt gevonden, is er altijd wel iemand die over de schreef kan worden gelokt. Iemand die de illusie koestert dat hij anoniem is in cyberspace…

De populaire NBC-show “To Catch a Predator” exploiteerde die illusie en dat leverde hoge kijkcijfers op. De onderbuik van het internet (wellicht zijn omvangrijkste lichaamsdeel) werd afgeschuimd tot er iemand verleid kon worden om de stap te zetten van chatten met een minderjarig meisje naar een afspraakje met haar maken. Zo moeilijk kan dat niet zijn. Zo’n man –een loodgieter, een leraar, een makelaar- komt dan naar de plaats van de afspraak waar hij omringd wordt door camera’s en agenten die hem prompt in de boeien slaan. De reporter –blond, met een engelengezicht- duwt een microfoon onder zijn neus en probeert zijn schaamte zo lang mogelijk uit te melken (“When we come back: the tears of a monster”). Zelfmoordpogingen waren meer dan eens het resultaat.
Ik vind het laf en gevaarlijk. Mensen worden aangezet om een mob te worden, een massa die niet meer denkt maar zich uitleeft in haar collectieve haat voor het monster, het soort massa dat fascisten doet likkebaarden. En intussen wennen we aan de alomtegenwoordigheid van Big Brother.
De creatieve jacht op monsters is schitterend belicht door Mark Bowden in de nieuwe Vanity Fair. Boeiende lectuur:
http://www.vanityfair.com/culture/features/2009/12/sexual-predators-200912

Add comment november 13, 2009
Bloed in Fort Hood

Het is gemakkelijk om de schietpartij in de Fort Hood legerbasis in Texas van vorige donderdag af te doen als de zoveelste daad van moslim-fanatisme, punt. Maar het verhaal is complexer dan dat. Het is in elk geval niet de eerste keer dat er bloed vloeit in Fort Hood. Ex-VRT-correspondent in Washington Johan Depoortere heeft tegenwoordig andere dingen zijn hoofd. Met zijn vrouw Mien zeilt hij zuidwaarts. Hij vertelt over zijn reis op zijn blog: http://detreknaarhetzuiden.blogspot.com/2009/11/blog-post.html
Maar ook op zijn zeilboot volgt hij het nieuws. Hij stuurt ons de volgende link naar een interessant achtergrondverhaal over het bloedbad in Fort Hood op de site Alternet:
Er is veel wanhoop en opgekropte frustratie in en rond Fort Hood. Een getergde moslim die plots doorslaat is slechts een van de symptomen. (TR)
1 comment november 11, 2009
TWINTIG JAAR FIASCO

The Berlin wall fell, but capitalism did not necessarily rise.
by Slavoj Zizek
Vandaag is het de 20ste verjaardag van de val van de Berlijnse Muur. Vol bezinning wordt gewezen op het miraculeuze karakter van de gebeurtenis: een droom leek uit te komen, communistische regimes vielen als kaartenhuisjes en de wereld veranderde op een manier die kort tevoren nog ondenkbaar was. Welke Pool had durven dromen van vrije verkiezingen met Walesa als president?
Maar toen het mooie mistgordijn van de fluwelen revoluties plaats had gemaakt voor het nieuw democratisch kapitalisme, reageerden de mensen met onvermijdelijke teleurstelling. Die manifesteerde zich achtereenvolgens als nostalgie naar de ‘goede oude tijd’ van het communisme, als rechts nationalistisch populisme, en als een nieuwe laattijdige opstoot van anticommunistische paranoïa.
De eerste twee reacties zijn gemakkelijk te begrijpen. Dezelfde rechtse krachten die vele jaren hadden geroepen ‘liever dood dan rood’ mompelen nu stilletjes ‘liever rood dan hambugers vreten’. De nostalgie naar het communisme moet niet al te serieus worden genomen: het is minder een wens tot terugkeer naar het grauwe Stalinisme dan een vorm van rouwproces, van zachtjes loskomen uit het verleden. De opkomst van het rechtse populisme is geen Oosteuropese specialiteit maar een gezamenlijke trek van alle landen die geprangd zitten in de maalstroom van de globalisering.
Veel interessanter is de recente wedergeboorte van het anticommunisme, van Hongarije tot Slovenië. In de herfst van 2006 werd Hongarije wekenlang verlamd door massaal protest tegen de regerende Socialistische Partij. De economische crisis van het land hield voor de betogers verband met de machtsuitoefening door opvolgers van de Communistische Partij. De wettelijkheid van de regering werd betwist hoewel ze met democratische verkiezingen aan de macht was gekomen. Toen de politie erop uit gestuurd werd om de orde te herstellen, werden parallellen getrokken met het optreden van het Sovjetleger tegen de anticommunistische rebellie in 1956.
De nieuwe anticommunistische paniek jaagt zelfs op symbolen. In juni 2008 keurde Litouwen een wet goed om communistische afbeeldingen als hamer en sikkel te verbieden, en ook het spelen van de Sovjethymne. In april 2009 werd in Polen voorgesteld de wet op totalitaire propaganda uit te breiden tot communistische boeken en zelfs kleding: wie een T-shirt met Che Guevara droeg kon worden gearresteerd.
Geen wonder dat in Slovenië populistisch rechts de linkerzijde verwijt een ‘voortzetting’ te zijn van het oude communistische bewind. In zo’n verstikkend klimaat worden nieuwe problemen en uitdagingen gereduceerd tot clichés van vroeger, inclusief de absurde aantijging (in Polen en Slovenië) dat het eisen van homorechten en legalisering van de abortus deel uitmaken van een duister communistisch complot om de natie te demoralizeren.
Waar put de wederopstanding van het anticommunisme haar kracht uit? Waarom worden oude geesten tot nieuw leven gewekt in landen waar veel jonge mensen niet eens herinneringen hebben aan de communistische tijd? Het nieuwe anticommunisme heeft daar een simpel antwoord op: ‘Als kapitalisme zoveel beter is dan socialisme, waarom leven we dan nog in ellende?’
Omdat, zo geloven velen, we geen echt kapitalisme hebben: we leven nog altijd niet in een echte democratie maar zien alleen haar misleidend masker, dezelfde duistere krachten van vroeger trekken aan de touwtjes, een kleine secte van voormalige communisten vermomd als nieuwe bezitters en managers – in wezen is er niets veranderd, dus hebben we nood aan een nieuwe zuivering, de revolutie moet worden overgedaan…
Wat deze laattijdige anticommunisten ontgaat is, dat het door hen geschetste maatschappijbeeld griezelig dicht in de buurt komt van het meest misbruikte linkse beeld van wat kapitalisme is: een maatschappij waarin formele democratie het overwicht van de rijke minderheid bezegelt. Anders gezegd, de nieuwe anticommunisten snappen niet dat wat zij als verdorven pseudo-kapitalisme bestempelen, het echte kapitalisme is. (…)
HET HELE STUK VAN ZIZEK staat vandaag als commentaar in het Amerikaanse persicoon THE NEW YORK TIMES
http://www.nytimes.com/2009/11/09/opinion/09zizek.html?_r=2&th=&emc=th&pagewanted=all
Slavoj Zizek is een Sloveens socioloog en filosoof, radicaal marxist met psycyoanalytische inslag (Lacan). Hij is hoogleraar in Ljubljana en directeur van het Birkbeck Institute for the Humanities in Londen.
Add comment november 9, 2009
HET ANDERE CONGO: RENé NGONGO
door
Onze reisleider was Hugo Gevaerts, gewezen decaan van de wetenschappelijke faculteit in Kisangani , stichter en bezieler van een project om het woud te beschermen . Minstens één keer per jaar gaat hij kijken hoe “zijn” mannen en vrouwen, die het project voortzetten, het ervan afbrengen. In het vliegtuig had hij ons de oren van de kop gezeurd met de verzuchting : “als René maar op ’t vliegveld is, dan is alles in orde”. René , dat was René Ngongo, en hij was er. Beslist, maar steeds vriendelijk en voorkomend, loodste hij ons langs de ellendelingen van de immigratie- en douanediensten, die in het groepje blanken een dankbare prooi zagen om hun loonzakje te vullen. Maar tegen René waren ze niet opgewassen. In een minimum van tijd stonden we buiten, mét al onze bagage en zonder het betalen van ook maar één enkele franc congolais.
2002 : dat was een moeilijke tijd. Kisangani was een bezette stad, al sedert 1998, toen Rwanda het Oosten van Congo veroverde. De man die er de plak zwaaide heette Laurent Nkunda, een naam die de krantenlezers onder ons zich wellicht herinneren. De levensader van de stad , de Kongo-stroom, was afgeknepen, de industrie dood. Armoede en ellende waren troef. Maar dat was aan René niet af te zien. Hij was toen “werkleider” aan de wetenschappelijke faculteit , maar een salaris had hij, net zoals zijn collega’s al jaren niet gezien. Al snel werd duidelijk waarom Hugo Gevaerts zo’n hoge dunk van hem had . René was (en is nog steeds) een buitengewoon schrandere, een buitengewoon integere en een buitengewoon dynamische mens.

Op de universiteit zagen ze hem niet veel, René was met te veel andere dingen bezig. Zo had hij o.m. een organisatie opgericht om zijn landgenoten in het toen al geterroriseerde Kivu te hulp te komen. (Hij is zelf ook uit die streek afkomstig). De Rwandese soldaten en hun collaborateurs, die toen Oost-Congo bezetten, hadden vrijwel alle kippen geroofd. René wou daar wat aan doen. Met zijn ngo had hij kuikentjes in Zuid-Afrika gekocht, die hij voor een zacht prijsje doorverkocht. Waar hij het geld vandaan haalde is me nooit duidelijk geworden, maar als de mensen weer kippen en eieren kunnen eten is dat voor een groot deel aan René te danken.
Zijn echte bekommernis lag evenwel elders. Het Rwandese bezettingsleger en de elkaar bestrijdende Congolese milities roofden op grote schaal de bodemrijkdommen . René werd een expert in het blootleggen van de netwerken die zich in en buiten Congo illegaal verrijkten en verantwoordelijk waren voor de gruwelen, die tegen de bevolking werden bedreven. Een speciaal onderzoeksteam van de Verenigde Naties, dat de smokkel in grondstoffen in kaart bracht, leunde zwaar op de informatie die René hen verstrekte. Maar het ging hem niet alleen om goud en diamanten.
Met lede ogen zag hij aan hoe het regenwoud, dat ooit Kisangani omringde, almaar verder teruggedrongen werd. Dat kwam omdat de boeren constant op zoek waren naar nieuwe landbouwgrond. Die is in Kisangani en omstreken mager. Na één of twee oogsten is hij uitgeput. Bemesting kenden ze niet, dus kapten ze bomen om nieuwe veldjes aan te leggen. Bovendien is hout ook de enige brandstof die voorhanden is.
Aanvankelijk was René dan ook een enthousiast medewerker van Hugo Gevaerts en zijn ‘Projet Agroforestier” om het woud te beschermen door de landbouwmethodes te verbeteren. Maar René had al snel door dat een nog veel groter gevaar het oerwoud – en zijn bewoners – bedreigde : dat van de ongebreidelde houtkap door grote bedrijven. Waar de woudontginners in de koloniale tijd er nog voor zorgden het hout oordeelkundig te kappen en waar nodig voor nieuwe aanplantingen te zorgen, gaan de huidige cowboys als wildemannen tekeer : ze kappen alles weg zonder onderscheid en gooien de boomstammen in de Kongo-stroom , die dan als vanzelf een paar weken later aanspoelen in Kinshasa. De kosten zijn miniem, de winsten gigantisch, want het Congolese hout behoort tot de beste soorten van de wereld.
Daar wou René een einde aan maken, niet alleen om ecologische redenen, maar vooral omdat de reusachtige machines waarmee honderden bomen per dag worden neergelegd, miljoenen mensen bedreigen, die in en van het woud leven. Het zijn jagers en plukkers , die van hun grond worden verjaagd zonder enige compensatie. Het kon dan ook niet uitblijven dat René in contact kwam met Greenpeace. Hij nam ontslag aan de universiteit, verhuisde met zijn gezin naar Kinshasa en richtte daar het lokale bureau van de milieu-beweging op. Voortaan zou hij zich integraal aan de bescherming van het regenwoud wijden.

Sedertdien reist René Ngongo (foto hiernaast en hierboven) met Greenpeace de wereld rond om bewindvoerders en publieke opinie te wijzen op de gevaren , die één van ’s werelds belangrijkste groene longen bedreigen. Twee jaar geleden was hij in de Belgische Senaat om er een deskundig genootschap toe te spreken. Hij had voor de gelegenheid een pygmee meegebracht, die de verbaasde toehoorders erop wees dat het oerwoud voor zijn volk was, wat de supermarkt betekent voor de Europeaan.
En nu is René één van de vier winnaars van de Right Livelihood Award 2009. Op 4 december wordt hij in het Zweedse parlement in Stockholm in de bloemetjes gezet. Die Right Livelihood Award wordt vaak de alternatieve Nobelprijs genoemd, niet ten onrechte. De initiatiefnemer is Jakob von Ueskull, kennelijk een gefortuneerd journalist en filatelist (!). Hij vond, in 1980 al, dat de échte Nobelprijzen de blik te eenzijdig richtten op de geïndustrialiseerde landen en nooit mensen bekroonden die proberen antwoorden te vinden op uitdagingen als “milieuvervuiling, het gevaar van een kernoorlog, schending van fundamentele mensenrechten, de ellende van de armen en de geestelijke armoede van de rijken” (zijn eigen woorden). Dankzij deze Jacob kan René nu 150.000 euro opstrijken en dit , zoals de jury het formuleert, “ for his courage in confronting the forces that are destroying the Congo’s rainforests and building political support for their conservation and sustainable use “.

Dat van die moed is goed gezien. Want René riskeert met zijn activiteiten letterlijk zijn leven. Bij één van zijn boottochtjes op de Kongo-stroom is hij beschoten door een woedende, blanke, houtkapper. Dit soort lieden wordt beschermd door Congolese machthebbers, die tegen betaling een oogje dichtknijpen. Van hen krijgt René iets discretere maar daarom niet minder reële bedreigingen.
Vaak zeggen zijn Belgische vrienden hem dat hij in de politiek moet gaan. Om van binnenuit de boel te veranderen. Die redenering volgt hij niet. Want volgens hem moet je dan kiezen : ofwel meedraaien in het corrupte circuit ofwel het loodje leggen. Voor beide bedankt hij. Maar in Stockholm zal de Congolese regering wél vertegenwoordigd zijn om in de eer te delen.
lees ook:
Walter Zinzen, Kisangani Verloren Stad, 2004, Van Halewyck
1 comment november 4, 2009
BERLUSCONI’s Italië is furbo
door Marc Coucke
Het woord italiano heeft veel aangename, mooie, lekkere, artistieke en wat al nog connotaties maar het prachtige land Italië heeft ook een Eerste Minister, Silvio Berlusconi, die regelmatig van zich laat horen, niet omdat hij een gerespecteerd Staatsman is maar door zijn uitlatingen en zijn uitspattingen. Hoe valt dit te rijmen ?
Italië is een jonge natie die nog maar bestaat sinds 1946 en in zijn jonge bestaan al enkele traumatische crisissen heeft meegemaakt. Om er enkele te noemen : het fascisme, Le Brigate Rosse, het imploderen van de traditionele politieke partijen. De inwoners van dat mooie schiereiland hebben midden deze omwentelingen uit noodzaak geleerd zich uit de slag te trekken. Deze karaktertrek is weliswaar niet ontstaan in de twintigste eeuw maar is er zeker versterkt uit gekomen.
Zij proberen in eerste instantie niet de chaos op te ruimen die op vele vlakken heerst – zij kunnen ze zeer lyrisch beschrijven - maar hun eerste bekommernis is : ‘Hoe geraak ik hier uit ? Hoe los ik mijn probleem op ?’. In hun zoektocht naar een uitweg zijn ze zeer inventief en creatief en ze schuwen niet steeds de ongeoorloofde middelen. Dit gaat van het voorsteken in een rij wachtende mensen of het omkopen van een verpleegster in een ziekenhuis tot de politieke corruptie en de afpersing van de mafia. In het Italiaans drukt men het mooi uit : men moet furbo zijn, slimmer en sluwer dan zijn buur.
In die zin is Silvio Berlusconi een typische Italiaan. Hij is furbo en hij heeft het gemaakt. In 1936 geboren in een kleinburgerlijk gezin is hij erin geslaagd uit te groeien tot de tweede rijkste man van Italië en de zeventigste in de wereld. Zijn vermogen wordt geschat op 6,5 miljard dollar. Zijn holding Fininvest bezit 50% van de uitgeverij Mondadori, 39% van Mediaset (4 commerciële TV-zenders in Italië en Spanje), 35% van de financiële groep Mediolanum en ook 100% van voetbalclub AC Milan.

Om dit te bereiken heeft hij alle geoorloofde en minder geoorloofde middelen gebruikt. Heel waarschijnlijk omdat zijn zakenimperium steeds meer onder fiscaal en juridisch vuur kwam te liggen heeft hij in 1994 besloten in de politiek te stappen. En met succes ! Hij heeft flair (hij noemde zijn partij ‘Forza Italia’), zijn programma was aantrekkelijk want populistisch en hij had in zijn TV-zenders en de pers een groot platform. Hij had ook de tijdsgeest mee want de traditionele partijen lagen uitgeteld op de vloer.
Berlusconi is in 1994 voor het eerst Eerste Minister geworden en is nu bezig aan zijn vierde ambtstermijn en hiermee de langst regerende Eerste Minister van de Italiaanse Republiek. Die eer heeft hij niet verdiend als grote hervormer of groot Staatsman, want het Italiaanse staatsapparaat is nog altijd krakkemikkig en de Italiaanse economie is niet efficiënt. In het verleden kon de Italiaanse lira om de zoveel jaren gedevalueerd worden om te kunnen wedijveren in internationale markten, maar met de invoering van de Euro kunnen ze dit middel niet meer gebruiken en slaan ze in internationale vergelijkingen een belabberd figuur.
Toch krijgt Silvio Berlusconi bij verkiezingen de helft van de Italianen achter zich. De grote (drog)reden is dat hij voor vele mensen een lichtend voorbeeld is, een icoon om naar op te kijken, een na te streven ideaal. Berlusconi meet zich die rol met veel genoegen aan. Hij ziet zichzelf als een god, die aanbeden (adorare) wordt door zijn volgelingen. Hij is de populaire figuur, die met kwinkslagen (‘Obama is abbronzato’ of ‘een echte man betaalt niet voor seks’) de massa bewerkt en bespeelt. Hij gebruikt graag het woord coglioni om zijn tegenstanders te treffen. Hij noemt zichzelf steevast Il Presidente (van de Ministerraad) daarbij met opzet verwarring scheppend met de echte President (van de Republiek). Omdat hij zoveel stemmen krijgt en zich omringt met mensen die graag voor hem applaudisseren waant hij zich ongenaakbaar en verheven boven het volk.
Een paar weken geleden, toen het Grondwettelijk Hof de puntjes op de i zette en niet toeliet dat Berlusconi zichzelf door een gewone wet onschendbaar had verklaard, zei Berlusconi dat hij ‘primus sopra pares’ is.
Berlusconi is een gevaar voor zijn land. Niet alleen door zijn populisme maar ook door zijn smaad aan de grondvesten van de Staat. Na de uitspraak van het Grondwettelijk Hof besmeurde hij in een interview uitgezonden op de RAI de President van de Republiek (‘Nu weten wij aan welke kant hij staat.’) en de rechterlijke macht (‘De kanker van dit land’ en ‘mentaal gestoord’).
Dit horen de Italianen uit de mond van hun Eerste Minister en toch gebeurt er niets. Dit wijst op een gelatenheid (of goedkeuring) van de bevolking en de zwakheid van de oppositie, die er niet in slaagt zich te verenigen en het middenveld in te palmen. De vierde macht, die de media zouden moeten zijn, is zwak. Alles draait om show en verkoopcijfers.
Het dagelijkse duidingsprogramma ‘Porta a Porta’ op RAI 1 is zo een nieuwsshow. De gasten moeten aanbellen en worden in de studio binnengelaten door de sterjournalist Bruno Vespa. Zij worden verwelkomd door het applaus van het publiek. Het programma is geslaagd wanneer de gasten elkaar voldoende met woorden hebben afgemaakt of wanneer de nodige tranen vloeien. Dezelfde journalist bestond het om in september een hele dag met Berlusconi op te trekken in en rond L’Aquila en dan ’s avonds bijna twee uur zendtijd te geven aan de Eerste Minister, waarin hij aan de bevolking kon bewijzen hoe goed hij de gevolgen van de aardbeving had aangepakt.
De ware journalisten houden zich koest uit lijfsbehoud of worden monddood gemaakt door Sua Emittenza zelf. Bij zijn jongste aantreden als Eerste Minister heeft hij een nieuwe directie aangesteld bij de publieke omroep RAI en recent heeft hij nog een zware schadeclaim ingediend tegen La Repubblica en L’Espresso, die vragen durven stellen bij zijn optreden. Enkel in buitenlandse media durft men het aan vragen te stellen bij zijn optreden en zijn beleid en stilaan laten buitenlandse regeringsleiders blijken dat ze niet erg opgezet zijn met de stijl van Berlusconi.
Niet alle Italianen vallen in zwijm voor Berlusconi. Er zijn vele rechtgeaarde mensen in Italië die het er moeilijk mee hebben maar zij zijn een minderheid en hun stem gaat verloren in de lawaaierige massa. Enkele schrijvers en intellectuelen durven uitkomen voor hun mening maar die wordt door weinigen gehoord want ‘the show must go on’. Het Berlusconi-regime komt ooit aan zijn einde en de gevolgen zullen pijnlijk zichtbaar zijn maar de Italianen zullen zich waarschijnlijk uit de slag trekken. Furbo als ze zijn.
Add comment oktober 31, 2009
DE GELDSTROMEN NAAR KAPITALONIË
Financiële Excessen
door Marc Coucke
Het eerste en ergste exces is het geld zelf : ‘Excess Money’. Er is (veel) te veel geld in omloop. Veel meer dan nodig is. Prof. Bernard Lietaer (www.transaction.net) rekent dat slechts 2 à 3 % van al het geld dat in omloop is nodig is om de reële economie te doen draaien. Als we dit percentage verdubbelen om wat speelruimte te geven kunnen we nog steeds stellen dat 95% van al het geld in omloop overtollig is. Een klein voorbeeld om een idee te geven over welk volume we spreken. Pascal Paepen (een financieel commentator die voor de KBC werkt in Londen) schreef op 13 maart 2009 nog in De Morgen dat er enkel in London elke dag voor 1300 miljard dollar geld wordt gewisseld en dat er daarnaast nog eens voor 1000 miljard dollar afgeleide producten worden verkocht. Beide volumes zijn van de grootteorde van drie keer de waarde van het BBP van België, de som van alles wat wij in België jaarlijks aan goederen en diensten produceren.
Dit overtollige geld bevindt zich in grote mate bij de Hedge Funds, de zakenbanken en de commerciële banken. Zij zijn geen eigenaar van dit geld maar lenen het van anderen. Naar aanleiding van de financiële crisis is het duidelijk geworden dat vele van die fondsen en banken 35 dollar leenden voor elke dollar eigen kapitaal. Vandaar het woord ‘hefboom’ en ‘leverage’. Met deze $ 36 (die in de financiële wereld gemakkelijk met een miljard wordt vermenigvuldigd) wordt gespeculeerd. De winst die wordt gemaakt wordt vergeleken met het ingezette eigen kapitaal ($ 1) en levert een geweldige ‘return’ op. Deze manier van ‘zaken doen’ heeft ook een keerzijde. Indien de speculatie geen winst oplevert maar verlies duurt het niet lang vooraleer die ene dollar eigen kapitaal verloren is en men geen geld meer heeft om de geleende $ 35 terug te betalen. Zo gaan die fondsen en zakenbanken over de kop. Die hedge funds bestaan niet alleen op zonnige en obscure eilanden. Ook KBC had hefboomfondsen in Londen. In de Financial Times van 23 augustus 2007 verklaarde Carlo Georg van KBC dat ze in 2001 de firma KBC Alternative Investment Management Ltd hadden opgericht, die verschillende hefboomfondsen beheerde (Convertible Bond Arbitrage Fund, Convertible Opportunities Fund en Credit Arbitrage Fund). In 2004 hadden ze al 5 miljard dollar onder beheer, die hoofdzakelijk gebruikt werd om te spelen op de markt van de converteerbare obligaties. Het ging een paar jaar zeer goed. Insead heeft er zelfs een studie aan gewijd. KBC kreeg jaarlijks 2% van de waarde van het beheerde geld als vaste fee (dus $ 100 miljoen) plus 20% van de winsten die de fondsen jaarlijks realiseerden. Op 15 december 2008 heeft KBC beslist hiermee te stoppen.
Het overtollige geld zoekt een uitweg. Er moet iets mee gebeuren. Het kan toch niet zomaar op een wachtrekening staan. Het wordt dus aangewend om winsten te genereren door te speculeren op alle mogelijke manieren, legale en illegale, op de gereglementeerde markt en de niet gereglementeerde markt, in Londen of in Jersey. Men kan speculeren op de huizenprijzen, op de ondergang van Dexia, op de olieprijs, enz. De financiële crisis is ontstaan omdat velen ervan uitgingen dat de huizenprijzen in Amerika (en elders) enkel konden stijgen. De koers van het aandeel Dexia is deels onderuit gegaan omdat er speculanten belang bij hadden dat de koers van het aandeel zakte en in die zin ook geruchten verspreidden. De prijs van een vat olie is omhoog gestuwd tot $ 150 door speculatieve posities en is nadien terug gevallen tot onder de $ 40, vermoedelijk zijn huidige economische waarde. Een paar voorbeelden zullen illustreren hoe het overtollige geld werd aangewend en tot welke excessen dit leidde.
Op 24 januari 2008 heeft de Franse bank Société Générale bekend gemaakt (zie http://www.socgen.com/sg/upload/comm24012008/en/fraudnote.pdf) dat ze op drie dagen tijd € 4,9 miljard verloren had als gevolg van speculatieve posities die ingenomen werden door een jonge trader Jerôme Kerviel. Deze trader werkte in het Delta One Team, een arbitrage afdeling van de bank, dat voor rekening van de bank operaties uitvoerde in de financiële markten met het oog op winstmaximalisatie. In principe moest elke speculatieve positie gedekt zijn door een gelijkaardige speculatieve positie in de omgekeerde richting (verwachting dat een onderliggende waarde gaat stijgen of dalen). Kerviel slaagde erin om de lakse controle te omzeilen en hield enkel speculatieve posities aan die in één richting gingen. In de eerste weken van 2008 kocht hij voor rekening van de bank voor € 30 miljard call opties (of een gelijkaardig instrument) op de Eurostoxx 50 index, € 18 miljard op de Duitse Dax index en € 2 miljard op de Britse FTSE 100 index, samen € 50 miljard. Hij kocht die financiële instrumenten en ging ervan uit dat deze beursindices zouden stijgen. Dan kon hij de gekochte instrumenten met enkele percenten winst verkopen. (Een paar percent van € 50 miljard maakt al vlug € 1 miljard.) De trader had pech. Rond midden januari 2008 zakten de meeste indices met 15% en daar had hij geen rekening mee gehouden door tegenposities in te nemen, m.a.w. door instrumenten te kopen die winst opleveren wanneer de indices zakken. Toen de bank ontdekte wat er aan het gebeuren was zat men met een potentieel verlies van € 1,5 miljard. De bank heeft het nodig geacht die speculatieve posities op drie dagen tijd ‘af te handelen’ en ze hebben uiteindelijk een reëel verlies van € 4,9 miljard geleden, dat ten laste komt van het eigen vermogen van de bank. Wat zich heeft voorgedaan bij Société Générale is geen alleenstaand geval. Het is aan de oppervlakte gekomen en is goed gedocumenteerd. Alle grote banken hebben traders in dienst die marktonvolkomenheden uitbuiten door met grote volumes (met miljarden dollars of euro’s) te spelen op minieme margeverschillen en hierdoor hopen winst te maken.
Een ander voorbeeld is dichter bij huis. De KBC groep heeft recent cijfers gepubliceerd (zie https://multimediafiles.kbcgroup.eu/ng/published/KBCCOM/PDF/COM_RVG_pdf_quarterly_report_EN_4Q08.pdf). Ze hebben betrekking op het boekjaar 2008. Hier kan men lezen dat de groep op 31 december 2008 een eigen vermogen had van 14,2 miljard euro. Dit is het kapitaal dat in het verleden is ingebracht door de aandeelhouders en de gereserveerde of niet uitgekeerde winsten. Daarnaast beschikte de groep nog over 196,7 miljard euro, die ze had geleend van zijn klanten in de vorm van spaardeposito’s of obligaties of geleend op de geldmarkt. Samen met nog andere middelen had de groep eind 2008 een totaal passief van 339,9 miljard euro. Van deze som was 157,3 miljard euro uitgeleend aan klanten en werd 94,9 miljard gebruikt om alle soorten effecten te kopen. Sommige van deze effecten (voor een totale waarde van 15,2 miljard euro) zijn ‘synthetische’ financiële producten (zie https://multimediafiles.kbcgroup.eu/ng/published/KBCCOM/PDF/COM_RVG_pdf_update_risk_report_4Q08.pdf). Men kan moeilijk inschatten wat ze waard zijn omdat ze niet transparant zijn en zeer veel verschillende elementen bevatten. Er zijn voor 8,7 miljard euro CDO (collateralised debt obligation of herverpakte obligaties) waarbij het onderliggend goed een CDS is. Deze credit default swap is in wezen een verzekering om het risico te dekken dat een bepaalde lening niet terugbetaald wordt. Deze CDS is verworden tot een afgeleid product want het heeft zelf een zekere waarde en begint een eigen leven te leiden : het wordt (werd !) dagelijks verhandeld in veel grotere hoeveelheden dan de onderliggende leningen die ze moesten verzekeren. Sommige van deze CDO’s vervallen slechts in 2017 zodat KBC zolang zal moeten wachten tot ze zeker is of ze werkelijk zullen terugbetaald worden of niet. Er zijn ook 6,4 miljard euro ABS (asset backed securities) waarvan het onderliggend pand voor 2/3 bestaat uit RMBS (residential mortgage backed securities). Deze RMBS zijn dus herverpakte hypotheekleningen die voor 19% uit de USA komen, voor 17% uit Spanje, voor 11% uit Italië, voor 9% uit Nederland, enz. Het is duidelijk dat het ook voor deze hypotheekleningen nog jaren zal duren vooraleer men weet of ze alle zullen terugbetaald worden. In het slechtste geval, wat zich allicht niet zal voordoen, kan KBC 15,2 miljard euro verliezen. Dit is meer dan het eigen vermogen van de groep en legt uit waarom men zegt dat een bank ‘wankelt op zijn grondvesten’.
Bij de Fortis groep heeft zich hetzelfde voorgedaan. Op 6 december 2008 verklaarde Georges Ugeux, die toen kandidaat voorzitter was van de Fortis Holding, in een interview met De Standaard dat Fortis in 2008 een CDO-portefeuille had met een waarde van ruim 40 miljard euro. Over dit cijfer bestaat geen zekerheid maar het is een feit dat de Fortis Holding nu zelf een Special Purpose Vehicle heeft opgericht met de mooie naam Royal Park Investments (zie http://www.holding.fortis.com/nl/aandeelhouders/media/pdf/NL_Circular_20090408.pdf) waarin voor 11,4 miljard euro ‘gestructureerde kredieten’ zitten : 4,8 miljard Amerikaanse hypotheekleningen, 2,5 miljard Spaanse en Britse hypotheekleningen en nog 4,1 miljard andere kredieten waaronder studentenleningen, autoleningen, kredietkaartleningen, enz.
Conclusie
Het gebrek aan regulering, gesteund op de Amerikaanse overtuiging dat de markt zichzelf wel regelt, heeft ervoor gezorgd dat uitwassen konden groeien tot ongekende proporties. De mensen in de financiële wereld werden blind, dachten dat het echt was en geloofden dat dit zou blijven duren. Het grote publiek wist van niets of snapte er niets van en vertrouwde de financiële wereld die hen benevelde met mooie ‘returns’. We zijn met zijn allen wakker geworden, hebben vastgesteld dat we jaren in een waan geleefd hebben en worden nu met onze twee voeten op de grond gezet. De geest is uit de fles en het is een grote vraag of hij er terug in kan.
1 comment april 3, 2009
PUUR PERSOONLIJK? HOUDEN ZO

Verhofstadt incognito op de G-20 top in Londen.
door Jef Coeck
Sinds lang aangekondigd met luide trailers, met intellectuele pronkzucht van Lux, met gewoon gekwebbel in De Laatste Show, met randreclame bij Phara en met nog wat tromgeroffel in de televisiepagina’s van Vlaamse kranten: Hier Was Guy Verhofstadt Persoonlijk Zelf.
Dat viel tegen. Of zelfs niet eens. Wie nog diepgang verwacht had na de wekenlange hype rond de liberale ex-premier en lijsttrekker bij de Europese verkiezingen, moet eens het woord boerenbedrog (onzijdig, geen meervoud) opzoeken. In de hiërarchische rangschikking van mediamieke fopartikelen staat het programma ‘Puur Persoonlijk’, gisteravond op Canvas, voorlopig eenzaam aan de top.
Ruim een uur lang kreeg de ‘redder van België’ (dixit Albert II) de tijd om zich Gestaltpsychologisch te nestelen in zijn eigen imago, dat van de hardwerkende doch populaire politicus. Koude kikker en toch warm. Intelligent maar ook slim. Ruwe bolster, blanke pit. Verzin zelf de clichés, ze kloppen wel.
Wat was dit een saai, irrelevant, nietsonthullend, pretentieus stuk televisionaire nonsens. Voor wie het niet heeft uitgezeten: het duurde ruim een uur.
Natuurlijk viel er in die tijd vanalles te zien. Lange witte gangen, bureaumeubels, artnouveau ramen, nauwelijks bewegende mensen met soms hun voeten op de bank, laptops en eten, veel eten. Er wordt wat afgeschrokt, daar in Wetstraat 16. Soms waren er een paar tegelijk bezig met het ledigen van hun trog, maar altijd was Guy de oppervraat. Daar is hij echt goed in, voedsel naar de mond brengen zonder te stoppen met praten, telefoneren, wegkijken van de camera, roepen in het ijle, flapperen met de oren. Het moet bewegen, het is tenslotte televisie. Visueel bewoog er weliswaar weinig, geestelijk helemaal niets.
Er werd ab-so-luut nul/nada/niente toegevoegd aan onze kennis over de politiek, het parlement, het land en zijn bewoners, de Wetstraat of het Warandepark, het evenwicht der volkeren, de stand van de planeten. Noch over Verhofstadt, for that matter. Of toch, want wie oud genoeg was herkende sommige tics van zijn allereerste spindoctor Sus Verleyen. Deze ten hemel opgenomen Redder van Roularta, hoofdredacteur later directeur van Knack (nèk in die tijd), ghost- en speechwriter van menig aankomend of afgaand politicus, schrijver van de onverbiddelijke bestseller ‘De factor Verhofstadt’ (1987), waaruit dit verhelderend citaat: “Hij is een nagelbijter, een doe-persoonlijkheid die in de avondschemering overvallen kan worden door heimwee, waarover hij dan niets zegt” – die Sus dus bediende zich vaak van hetzelfde brede gebaar om met de verkeerde hand over het hoofd heen in de nek te krabben, onder het kreunen van een geheel eigen jargon. Dat kon in het groepsgebeuren dat elke redactie toch is, heel therapeutisch werken.
Zo ook nu, in het gebeuren van Wetstraat 16, waar de woordenstromen Gucht en Wael zich in bochten wrongen om godweetwelke monding te bereiken, na eerst de oertaal van de primatenleider met verstomming te hebben ontcijferd. Wat was dat genant.
En het hield niet op, het werd almaar erger. De eenzame televisiemaakster Sarah De Bisschop, die een jaar lang zorgelijk achter Verhofstadt had aangehold, manifesteerde zich stemgewijs in het programma. Zo moesten we vernemen dat het gemaakt was met een handcamera – die oude voetcamera is blijkbaar voorgoed verbannen? Er was ook iets met een speldknopmicrofoonapparaat, dat Verhofstadt tegen zijn nagelbijtende doe-natuur in niet kon bevestigen of ontkennen, of inslikte, wie zal het zeggen?
Nietszeggend, dat was wat het was. Op een enkele boeiende scène na. De secretaresse Magda, door het bovenbaasje hardnekkig ‘Madam’ genoemd, mocht of moest na dertig jaren trouwe dienst met pensioen. Er werd haar een bos rozen toegediend en een speech van de wonderboy zelf. Die was zo mogelijk nog flutter dan anders, iedereen zonk de grond in behalve Magda. Zij redde de situatie met opgeheven hoofd en een gevatte repliek. Een kort moment leek het erop dat het met dit programma nog goed kon komen, maar toen kreeg Sarah iets aan het handje, de camera draaide weg en daarmee ook Madam. Jammer.
Voor de jonge coryfee Sarah De Bisschop wenkt de toekomst. Zij kan vele kanten op. De politiek, waar zij zich via Puur Persoonlijk heeft ingelikt. Ieder zichzelf respecterend politicus zal voortaan zeker een jaar door haar gevolgd willen worden. Ook bij de omroep is haar broodje gebakken, gezien de juichende commentaren die vandaag in sommige kranten stonden. Trouwens, binnenkort zullen politiek en media geheel in elkaar opgaan.
Of, mevrouw De Bisschop kan de filmerij in. Voor een eerste speelfilm was dat, afgezien van de totale vorm- en inhoudsloosheid (gecopieerd van Ingmar Bergman), niet eens zo slecht. Volgende keer met goede acteurs en een echt verhaal.
Er is een boek van gemaakt. En er volgen nog negen nieuwe afleveringen van Puur Persoonlijk. Wanneer zijn de lijnvluchten naar Afghanistan?
2 comments april 7, 2009
DE NEW YORK TIMES STAART IN DE AFGROND
Door Tom Ronse
De wereld verandert aan een razend tempo maar van sommige dingen verwacht je dat ze nooit zullen verdwijnen. Zoals de goeie ouwe New York Times. Maar nu blijkt dat zelfs de meest gezaghebbende aller kranten in ademnood is. In mei zou ze al kunnen verdwijnen, beweert Michael Hirschorn in The Atlantic Monthly.
Er is een bloedbad aan de gang in de Amerikaanse perswereld. De reclame-inkomsten zijn alarmerend gedaald. Journalisten en ander personeel worden afgedankt bij de vleet, om de haverklap gaat er een krant bankroet. Het lot van andere hangt aan een zijden draadje. In vele andere sectoren gaat het ook slecht. Vroeg of laat echter, zal een heropleving hen (voor een tijd) opnieuw wind in de zeilen geven. Maar wat de kranten betreft is dat niet zo zeker. Hun verval begon al voor de huidige recessie. Het “business model” van de “old media” is voorbijgestreefd, beweren Wall Street-experts, de krant heeft geen toekomst meer.
Dat sommige kranten de huidige schok niet zullen overleven is misschien onvermijdelijk, maar de New York Times? Velen kunnen zich geen wereld zonder dit venerabel icoon voorstellen. Met zijn bijna 1300 journalisten is het de grootste nieuwsorganisatie ter wereld. “Niet alleen haar eigen lezers zouden de krant missen”, zegt Richard Perez-Pena, media-reporter bij de Times, “iedereen zou verliezen want andere media recycleren wat de Times rapporteert. Zonder de Times zou heel wat informatie nooit het licht zien.” Dat is niet overdreven. Welke andere media maken er een gewoonte van om steengoede reporters een half jaar tijd of meer te geven om een door anderen verwaarloosd verhaal uit te spitten? Welke kunnen het zich veroorloven om miljoenen te besteden aan verslaggeving uit Irak? Zeker niet de ‘blogosfeer’ die door sommigen al gedoodverfd wordt als de opvolger van de gedrukte pers. Achterhaald of niet, voorlopig blijft de Times onmisbaar.
Maar intussen stapelt het slechte nieuws zich op. De aandelen van de New York Times Company verloren al 60% van hun waarde. In het laatste kwartaal van 2008 waren de inkomsten 48% lager dan in dezelfde periode vorig jaar. De schulden van het bedrijf werden door Moody’s en andere analisten gedegradeerd tot ‘rommelstatus’. Die schulden bedragen meer dan één miljard dollar, waarvan het bedrijf 400 miljoen moet ophoesten in mei en nog eens 400 miljoen in 2011. Toen vorige herfst bleek dat het bedrijf nog geen 50 miljoen dollar cash in voorraad had, leek bankroet plots niet onmogelijk.
Hoe werd de schuldenlast van de Times zo gigantisch? Katherine Mathis, senior vice-president van de New York Times Company, antwoordt ontwijkend als ik het haar vraag. “Een jaar geleden vond niemand onze schuld abnormaal hoog”, zegt ze. “Wat veranderd is, is de perceptie van die schuld. Men maakt zich zorgen vanwege het economisch klimaat. Iedereen staat onder druk om zijn schuldenlast te verminderen. Maar de New York Times staat er beter voor dan vele andere kranten omdat wij de nodige stappen gezet hebben om onze positie te verbeteren.” Om dat te onderstrepen somt ze een lange reeks maatregelen op die het bedrijf heeft genomen om kosten te besparen.
Maar het valt niet te ontkennen dat ook de New York Times Company zich in het voorbije decennium liet meeslepen door de tijdsgeest. De zwellende zeepbel maakte geld verdienen te gemakkelijk om er aan te weerstaan. De grote baas van de Times, Arthur ‘Pinch’ Sulzberger, kocht voor meer dan 3 miljard dollar aandelen op van het eigen bedrijf, om de aandelenkoers omhoog te drijven. Dat maakte alle aandeelhouders rijker. Aangezien de Ochs-Sulzberger Family Trust de voornaamste aandeelhouder is, vaarde de hele familie daar wel bij. Om de familie nog gelukkiger te maken, werd het dividend vorig jaar met 31% verhoogd. Ook de explosief groeiende vastgoedmarkt in Manhattan was te verleidelijk. De Times liet zich in 2007 in het hartje van New York een nieuw hoofdkwartier bouwen. Een mastodont van 52 verdiepingen, ontworpen door de Italiaan Renzo Piano, waar een prijskaartje aan hing van ruim 600 miljoen dollar. Aanvankelijk leek het een wijze beslissing want het duurde niet lang of de waarde van het gebouw werd op een miljard dollar geschat. Dat was voor de crash of course. Sindsdien is de marktwaarde met een derde gezakt. Het ‘Vlaams Huis’ dat onlangs zijn kantoren in het gebouw opende, beklaagt zich wellicht dat het een tienjarig contract afsloot op het ogenblik dat de prijzen piekten. Maar dat is een ander verhaal.
Het bedrijf deed nog andere investeringen die op overmoed wezen. Zoals de overname van The Boston Globe, een gerespecteerde maar verlieslatende krant die de Times nog geen cent heeft opgebracht.
Toch zijn de speculaties over de nakende ondergang van de Times op zijn minst prematuur. Zelfs Hirschorn gaf in zijn ophefmakend artikel toe dat er nog“vele stappen kunnen ondernomen worden om zijn bestaan te verlengen”. Die stappen zijn intussen genomen. In februari leende het bedrijf 250 miljoen dollar van de Mexicaanse miljardair Carlos Slim, de derde rijkste man ter wereld die eerder al bijna 7% van de aandelen van het bedrijf kocht –een transactie waar hij zwaar op verloor. Op 9 maart sloot het een lang-verwacht ‘sale-and-lease-back’- akkoord met een investeringsfirma, waarbij de krantengroep 21 verdiepingen van haar hoofdkwartier verkoopt met de optie om ze binnen 10 jaar terug te kopen. In feite komt het neer op een lening van 225 miljoen dollar met de 21 verdiepingen als onderpand. Verder werden distributienetten geconsolideerd en niet –essentiele eigendommen te koop aangeboden. Het onmiddellijke gevaar is bezworen.
Dat betekent nog niet dat ze op rozen kunnen slapen bij de Times. Volgens een nachtmerrie-scenario zou er een kaper kunnen opdagen die genoeg aandelen zou kopen om controle te verwerven en vervolgens het bedrijf -19 kranten, 50 websites, een radiostation- in stukken zou hakken. Nog steeds volgens dat scenario zou de nieuwe eigenaar dan de hakbijl zetten in de grootste kost van de krant: de journalisten. Omdat de Ochs-Sulzbergers de dominante aandeelhouders zijn, lijkt het bedrijf immuun tegen overname-pogingen. Maar toch kan die familiale band juist een achillespees blijken. Om de kosten te drukken, heeft het bedrijf het dividend eerst scherp verminderd, dan geschrapt. Maar voor een groot deel van de Sulzbergers zijn die dividenden hun enige inkomen. Als de geldkraan dicht blijft, zal hun bereidheid om te verkopen snel toenemen. “Vroeg of laat zullen ze het opgeven”, voorspelt media-expert Steve Brill, “want hun middelen zijn beperkt.” Zoals de Bancrofts die, na onderlinge ruzie, de Wall Street Journal aan Rupert Murdoch verkochten. Maar voor de Bancrofts was de krant enkel een geldkoe terwijl de Sulzbergers al vijf generaties lang intens bij het bedrijf zijn betrokken. De krant heeft net de jongste telg van het geslacht, die net als zijn vader en grootvader Arthur heet, aangeworven als blogger. De Times is een stuk van hun ziel en dat leg je niet zomaar op de toonbank. Bovendien, wie zou het kopen? Vele namen doen de ronde: Slim, Murdoch, David Geffen van Dreamworks, zelfs New Yorks burgemeester Michael Bloomberg. Microsoft of Google zouden het willen om van de Times een ‘content mill’(informatiefabriek) te maken voor hun websites. Geen van hen heeft openlijke interesse getoond.
De NYT-aandelen staan nu zo laag –de beurswaarde van het bedrijf, dat vorig jaar een jaaromzet had van 2,9 miljard dollar, zou nog nauwelijks een miljard bedragen- dat de meeste aandeelhouders wellicht geneigd zijn om te wachten en te geloven in de verzekering van de bedrijfsleiding dat, met het nodige geduld, alles in zijn plooi zal komen.
Maar het structurele probleem is niet verdwenen, volgens Hirschorn en Wall Street-analisten als Henry Blodget. De oplage daalt, de reclame-opbrensten dalen, de kosten blijven te hoog. Er worden schulden gemaakt om schulden af te betalen. De stappen die genomen zijn, betekenen slechts uitstel van executie. De cijfers tonen onweerlegbaar dat Amerikanen steeds minder kranten kopen –nu al minder dan in 1946, al is de bevolking meer dan verdubbeld- en dat de jongere generaties steeds meer hun informatie gratis via het internet consumeren. De modale winstvoet van de Times is in de laatste 15 jaar met meer dan 50% gezakt. De enige oplossing die ze zich kunnen voorstellen is dat de Times haar gedrukte versie opgeeft en nog enkel als website opereert. De websites van de krant zijn een fenomenaal sukses. NYTimes.com krijgt 21 miljoen bezoekers per maand,tijdens de verkiezingen zelfs meer dan 50 miljoen. Andere sites van het bedrijf, zoals About.com, doen het ook goed. De rest heeft volgens hen geen toekomst.

The New York Times on Kindle
Maar die rest maakt voorlopig nog wel winst. “De losse verkoop is wat gedaald”, zegt Mathis, “maar ons abonneebestand is, ondanks een prijsstijging, al drie jaar aan het groeien. Dat zijn 830.000 klanten die gehecht zijn aan de gedrukte versie. Zij zijn winstgevend voor ons dus waarom zouden we er dan mee stoppen? Onze strategie is om op elk informatie-platform aanwezig te zijn. Als krant, als website, op Kindle en wat er ook nog om de hoek komt”.
Ook Hirschorn geeft toe dat de grootste omzet, zowel uit verkoop als reclame, voorlopig nog van de gedrukte krant komt, niet de website. Met enkel de reclame van deze laatste als inkomstenbron zou de Times 80% van zijn journalistiek personeel moeten afdanken. Dat zou traumatisch zijn maar geen ramp, vindt Hirschorn. De nieuwe media zullen op een of andere manier de lacune wel vullen. Anderen zijn minder koelbloedig over het vooruitzicht. “Ik zou het heel erg vinden”, zegt media-expert Ken Doctor, “maar ik zie geen strategie die kan werken. Zo’n grote redactie is op termijn niet vol te houden”.
Misschien door de website meer te doen opbrengen? “Er zijn twee manieren om geld te verdienen met het internet”, zegt Mathis, “de eerste is micro-betalingen door gebruikers, de tweede is reclame. Maar voor de tweede is de eerste een hinderpaal want hoe meer consumenten je bereikt, hoe meer de reclame opbrengt. Je moet dus kiezen. We hebben eerst geexperimenteerd met betalingen voor een deel van de inhoud, maar opteerden uiteindelijk voor een volledig vrije inhoud in het belang van schaalvergroting. Dat werd een succes.”
Maar intussen dalen de reclame-inkomsten van de website ook. Mathis sluit niet uit dat de Times opnieuw een deel van haar site voor betalers zal reserveren. Het is echter niet vanzelfsprekend om iets dat gratis was weer te koop te stellen. De stroom van vrije informatie op het internet wordt elke dag breder. Alleen gespecialiseerde sites die geen breed publiek zoeken slagen erin om een betaalpolitiek te doen lonen. Zelfs de onmisbare New York Times zou het lastig hebben om tegen de stroom in te roeien.
Toch is het een van de opties. Maar er zijn nog zoveel andere plannen en geruchten die de ronde doen. Een plan, gepubliceerd op de opiniepagina van de Times zelf, stelt voor om de Times te verkopen aan een stichting die gefinancierd zou worden door rijke Amerikanen, zoals prestigieuze universiteiten zich door rijke oud-studenten laten helpen. Twee miljard zou volstaan om van de Times een vzw te maken. Alleen in Amerika zou zo’n plan kunnen werken maar Sulzberger heeft er geen oren naar.
Natuurlijk is er onrust op de redactie. ‘Er heerst een gevoel van dreigend onheil, dat er iets gaat gebeuren. We weten alleen niet wat of wanneer.’, zei een Times-journalist aan The Guardian. Er zit niets anders op dan dag na dag een kwaliteitsproduct te maken –voorlopig werden geen journalisten ontslagen sedert de crisis begon- en, zoals zovelen onder ons dezer dagen, te zwoegen om schulden af te betalen.
1 comment april 9, 2009
MARX EN DE NIEUWE MEDIA

(Dit is een naschrift bij het vorige artikel:http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/04/09/de-new-york-times-staart-in-de-afgrond/
Als Karl Marx nog zou leven, zouden de problemen van de New York Times en andere kranten hem ongetwijfeld boeien. Boeien maar niet verbazen. Want de krisis van de “oude media” lijkt een perfecte illustratie van zijn waarde-theorie.
Volgens die theorie hebben koopwaren, in een kapitalistische economie, een waarde die bepaald wordt door de hoeveelheid gemiddelde arbeidstijd die in die maatschappij nodig is om die waren te maken. Die waardewet wordt opgelegd door de vrije markt: is er een sector waarin de gemiddelde arbeidstijd meer opbrengt dan in andere, dan stroomt de koopwaar ‘arbeidskracht’ naar die sector tot overcapaciteit tot een prijsdaling leidt die de zaken egaliseert. Dat gebeurt zonder dat iemand dat beslist, zonder bemoeienis van de staat, door de discipline van de markt. Die heeft voor gevolg dat de opeenstapeling van waarde de economische drijfveer wordt.
De normale winst is een stuk van de waarde van een waar. Het deel van de arbeidstijd waarvoor de kapitalist niet betaalt. Een loon is niet het equivalent van de geleverde arbeidstijd maar de waarde van de koopwaar arbeidskracht. Die waarde wordt bepaald als alle andere, door de hoeveelheid gemiddelde arbeidstijd nodig om de waar te reproduceren. Met andere woorden, door de arbeidstijd nodig voor het onderhoud van het arbeidersgezin. In de mate dat die reproductiekost kan verlaagd worden, kan de winst stijgen. Vandaar het sukses van de globalisering.
Maar het is niet alleen de ‘normale winst’ die de kapitalist motiveert. Telkens als een producent erin slaagt om de arbeidstijd in zijn product te verlagen onder het maatschappelijke gemiddelde, scoort hij een meerwinst die niet in de waarde van zijn product besloten is. Hij verkoopt aan de marktwaarde (de gemiddelde sociale arbeidstijd nodig om zo’n product te maken) die hoger is dan de waarde van zijn eigen product. Die meerwinst verdient hij dus niet aan zijn arbeiders maar aan zijn klanten.
Vandaar dus de prikkel om door technologische innovatie de waarde van wat men produceert te verminderen onder het maatschappelijk gemiddelde. Het gevolg was een duizelingwekkende groei van de arbeidsproductiviteit. Die was niet het doel maar een bij-product van de jacht op winst. Marx bewonderde dat expansievermogen van het kapitalisme, waarnaast alle vroegere maatschappijvormen stagnant leken. Maar hij voorspelde dat het net daardoor voor onoverkomelijke obstakels zou komen te staan. Het vermogen om te produceren zou steeds meer botsen tegen de door de waardewet opgelegde dwang om de waarde van die productie te meten met gemiddelde arbeidstijd. Enerzijds zou dat leiden tot overproductie, tot een productiecapaciteit die het consumptievermogen van de door de kapitalistische verhoudingen gevormde markt te boven zou gaan. Dat is een realiteit die ons in het gezicht staart maar in dit stuk ga ik er niet verder op in. Anderzijds zou het leiden tot de daling van de gemiddelde winstvoet. Immers, de winst is slechts een deel (het onbetaalde deel) van de arbeidstijd nodig om een waar te maken; als de totale arbeidstijd daalt, daalt het onbetaalde deel mee, zelfs als het stijgt in verhouding met het betaalde deel (bv door loonverlaging).
Digitale goederen zijn de meest extreme vorm van de tendens van het kapitalisme om de waarde van waren te reduceren. Natuurlijk vergt het veel arbeidstijd om hen te produceren. Of het nu over muziek gaat, artikels op NYTimes.com of zelfs in het Salon van Sisyphus, software of websites, ze vergen allen veel gezwoeg. Maar de markt erkent dit niet automatisch; de markt erkent enkel de reproductiekost: de arbeidstijd nodig om hetzelfde product te maken. Die arbeidstijd is vrijwel nul, digitale informatie copieren kost niets. Vandaar al de problemen om digitale waren winstgevend te maken.
Sommigen proberen het met reclame. Dat op zich lost het probleem van de waardedaling niet op. Reclame is zelf , in Marx’s theorie, waardeloos –ze maakt niets, ze verkoopt alleen maar wat anderen maken. Ze is een netto-kost voor de economie, zoals verzekeringen of militaire uitgaven. Bovendien slagen zeer weinig producenten van digitale goederen erin om met reclame genoeg winst te maken. Als de New York Times vandaag louter als een digitale waar zou moeten overleven, zou het 80 procent van zijn personeel moeten afdanken.
Anderen proberen het door hun product voor niet-betalende consumenten ontoegankelijk te maken. Ook de arbeidstijd die daarvoor nodig is, is waardeloos vanuit Marx’s standpunt. Het is een mooie illustratie van de absurditeit die het gevolg is van het conflict tussen het kapitalisme en zijn eigen fundament, de waardewet: steeds meer arbeidstijd wordt gebruikt om de consumptie van goederen te beletten en zo de markt een arbitraire ‘waarde’ op te leggen. Naarmate het product en de hinderpalen voor de consument complexer zijn, duurt het langer eer de markt de waardewet weer doordrijft en piraten het product ‘unscramblen’ om het voor een appel en een ei door te verkopen.
In landen als China is 95 % van de muzikale digitale waren gepirateerd. Films, idem ditto. Digitale waren zijn ‘van nature’ open, uitdeelbaar, juist omdat het niets kost om ze te reproduceren. Ze nodigen uit tot transacties die niets meer met kopen en verkopen te maken hebben. Vandaar de ‘open source’ beweging (unix etc), die software van iedereen wil maken, vandaar het succes van het ondanks zijn gebreken toch ongelooflijke Wikepedia-project, vandaar al het gratis uitdelen van muziek en andere informatie langs het internet, vandaar de explosie van de blogosfeer.
De enige manier waarop het kapitalisme van digitale goederen koopwaar kan maken is door tegen de waardewet, tegen de vrije markt in te gaan. Door, met staatsmacht en wet, monopolieprijzen op te leggen. Met copyrights, patenten, licenties of fiscale middelen. Een bedrijf als Microsoft laat zo’n 3000 patenten per jaar registreren. Zijn Research&Development- fabriek produceert kennis die geprivatiseerd wordt voor ze sociaal kan worden. Zodat Microsoft veel geld kan blijven vragen voor informatie die met enkele kliks kan gereproduceerd worden.
Het is zwemmen tegen de stroom in. De markt is als water dat altijd een weg naar een lager punt vindt. Hoewel monopolisme fabelachtige winsten heeft opgeleverd –meest van al in de farmaceutische sector- wordt de afbrokkeling ervan steeds zichtbaarder. Het komt me voor dat de buitenlandse politiek van de VS in de laatste decennia in ruime mate geinspireerd werd door het verlangen om een ‘wereldorde’ in stand te houden waarin monopoliewinsten gerespecteerd worden. Ook dat lijkt niet goed te lukken. Maar dat is een ander verhaal.
Als het zou blijken dat ‘de oude media’ inderdaad geen voldoende inkomsten meer kunnen genereren om een informatiefabriek van het niveau van de New York Times in stand te houden,
zouden de lichten op vele plaatsen in de wereld uitgaan. En wij zouden in het donker zitten.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de blogosfeer in staat zou zijn om die kloof te vullen. De nieuwe media bloeien als serreplanten maar blijven afhankelijk van de verslaggeving van de ‘oude media’. Wel doen ze wat de oude media nooit konden. Hun sterkte is hun diversiteit, directheid en interactiviteit, waardoor ze de betere dragers van sociaal debat en reflectie zijn. Het mooiste aan de nieuwe media vind ik hun tendens om te aanvaarden dat ze, vanuit kapitalistisch standpunt, waardeloos zijn. Ze bestaan bij de gratie van vrijwilligerswerk van miljoenen mensen die voor hun arbeid geen loon verwachten. De meest succesvolle (op hun terrein) zijn polen waarrond gemeenschappen ontstaan waarvan de leden zowel lezers als participanten zijn. De relatie van producent en consument is niet langer een ruil van waarde, de waardewet geldt niet meer.
Dat is een andere relatie dan deze die de maatschappij domineert en naar de kloten helpt. Een die de vraag oproept: waarom ons beperken tot digitale goederen? Waarom niet alles maken om noden tegemoet te komen in plaats van voor geld? Dat was wat Marx in gedachten had. Misschien komt er nog een tijd waarin zijn “van ieder naar gelang wat hij kan bijdragen, voor ieder naar gelang zijn noden” niet meer zo utopisch klinkt.
————————-
Nog over de krisis van de ‘oude media’:
Christophe Callewaert & Han Soete: ‘Zonder overheidssteun waren er nu al geen kranten meer’
Op: www.mediakritiek.be
Add comment april 10, 2009
Jerome De Perlinghi in East Londen

door Jerome De Perlinghi
Télérama m’a demandé de passer plusieurs jours dans les quartiers est de Londres pour que mes images accompagnent le texte d’Olivier Pascal-Mousselard. En parcourrant ces quartiers, on retrouve rapidement les parfums, les couleurs et la culture des anciennes colonies britanniques. L’empire s’est reformé dans les banlieues de la capitale anglaise. Chaque communauté apporte sa culture, ses coutumes et ses traditions, tous ces peuples différents se mélangent et participent cordialement à la vie de tous les jours. Ce sont la grande fraternité et la gentillesse qui frappent l’étranger de passage. Très différent des habitudes de la société américaine (je vis à Chicago), où les Noirs et les Latinos vivent toujours dans leurs quartiers propres – sous une forme de ghetto, il faut oser l’écrire.
A Baltimore ou à Detroit, on ne traverse pas les frontières des quartiers « chics », on ne se mélange pas entre différentes communautés. Ici, à Londres, j’ai retrouvé mes souvenirs de photographe, quand, jeune étudiant en photographie, j’avais réalisé mes premiers reportages. Ilford, East Ham, West Ham sont des quartiers passionnants. Non seulement on se promène dans ces rues aux maisons de brique et aux petits jardins très anglais, mais on rencontre des Pakistanais, des Indiens, des Afghans, des Jamaïcains ou des Congolais. Bref, on réalise un petit tour du monde des peuples en marchant quelques kilomètres d’est en ouest ou du nord au sud.
Au hasard des rencontres et au hasard du temps, des images défilent, comme ce groupe d’étudiants qui croisent mon chemin pendant la pose déjeuner. A elle seule, cette image nous montre á quel point ces quartiers sont bien intégrés, avec ce groupe d’amis issus d’au moins quatre ou cinq origines différentes. Tout comme le poissonnier ou les bouchers sont tout aussi populaires chez le Londonien de souche que chez les supporters purs et durs du club de West Ham United ou parmi les femmes indiennes en sari. Tout le monde se retrouve aussi dans ces pâtisseries orientales autour de sucreries délicieuses. On ne sait plus si le thé, avec un nuage de lait, est une coutume anglaise ou indienne, le earl grey ou l’assam sont les boissons de tous les jours. Starbuck’s Coffee devrait s’appeler Starbuck’s Tea dans ce grand Londres cosmopolite. C’est la grande joie du photographe que de pouvoir chercher et découvrir ces peuples et cultures et de pouvoir partager ses images et ses rencontres. De plus, il n’y a jamais de fin, car l’histoire continue d’évoluer tous les jours. Ceci n’est qu’un petit chapitre de la vie d’une très grande ville.
Chicago, le 10 avril 2009
Foto’s : www.telerama.fr/scenes/galerie-portfolio-perlinghi,41630.php
1 comment april 11, 2009
Peinzend aan Patricia

Guido’s bovenstaande rouwtekst over de ongeevenaarde Fritzi Harmsen van Beek deed me betreuren dat we de dood van een andere ‘straffe madam’ onopgemerkt lieten voorbijgaan. Op 4 maart stierf Patricia De Martelaere. Ze was ongetwijfeld een van de meest intelligente, intrigerende en originele auteurs van het Nederlandse taalgebied.
Ter afscheid een citaat uit haar ’Nachtboek van een slapeloze’ dat hier op zijn plaats lijkt:
“Mijn borstkas is zo leeg en hol als een tomaat op een feestdis waar je vergeten bent de garnalen in te doen (en anderzijds, mijn hoofd, barstensvol, wriemelend, alsof dáár de garnalen zaten, halfdood, spartelend van dierlijk, dodelijk onbehagen).
Ik voel mij de hele dag alsof er de dag daarvoor iets is gebeurd dat nu bij alles wat ik doe als koffiedik onderaan mijn gedachten ligt. Iemand of iets werd mij ontnomen, en ik mag er niet aan denken, ik moet het zo snel mogelijk proberen te vergeten, zó voel ik mij de hele dag – maar eigenlijk is er helemaals niets gebeurd, er is niets waaraan ik niet mag denken, en dat is telkens weer een vreemde, bijna ontgoochelende ontdekking: dat ik me voel als een minnaar die treurt om het verlies van zijn geliefde, terwijl ik bij mijn weten nooit een geliefde heb gehad, laat staan verloren.”
Add comment april 15, 2009
Fritzi is foetsie
Humorloos Gedicht
Waar winter schaduw aanblaast op het lijf
verstijft de ademtocht tot kleine rook,
van wellust geel, de appels van het oog
na-oogst van brakke hoop, beslaan met rijp.
O. Minnaars, door dit najaar ondermijnd
zijn wel geschraagd door zwart, waarachtig hout
maar staan als stammen, van hun kroon ontzet
met smalle handjes, spin- en bladernaakt.
en loven, liefkozen en spelen wel en
wentelen en strelen, eindeloos verstekt
het tedere insect, dat, winters al verpopt
verstopt, hergeven paradijs verbeidt:
maar ai, dat appeltje, getroond maar ongeplukt,
geluk? behouden aan de hoogste twijg, ge-
neigd tot eerste windvlaag het verrukt,
naar willekeur der zinnen, tot vergetelheid?
Fritzi Harmsen van Beek
Frederice Martine ten Harmsen van der Beek, [Blaricum, 28 juni 1927 – Groningen, 4 april 2009] was in de jaren zestig van de vorige eeuw bekend. Na het sensationele succes van haar eerste bundel, Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten, tienduizend exemplaren!, gleed zij midden de jaren zeventig echter weg in de anonimiteit. Zelfgezocht. In Garnwerd, het noordelijkste punt van Nederland. 
Hoogst uitzonderlijk kwam zij nog eens piepen. Zoals in 1981 met drie gedichten in de verzamelbundel, Aan het werk, uitgegeven n.a.v. de pensionering van haar uitgever, Geert Lubberhuizen, de stichter van uitgeverij De Bezige Bij.
Ik heb het geluk gehad een paar maal met haar samen te werken. In 1984 trad zij op op de 4de Nacht van de Poëzie. Zij kwam laat op de avond licht beschonken toe. Het eerste waar zij om vroeg was rode wijn. De voorraad was door de andere dichters al verzet. Mijn jongste broer Luc heeft in en rond Vorst-Brussel een odyssee ondernomen. Nachtwinkels bestonden toen nog niet, maar hij kwam met een zestal flessen opdagen. Lang voor het ochtendgloren moest hij weer de baan op.
De tweede maal was bij de uitgave van een poëziemap voor een tentoonstelling in het crematorium Westlede in 2001. In samenwerking met het Poëziecentrum heb ik toen een aantal dichters om een rouwgedicht gevraagd. Na heel wat aandringen heeft zij een onuitgegeven gedicht afgestaan, Goed Begrepen? De titel is ondanks het vraagteken een bevel. Gericht aan haar [overleden] hond. Te vergelijken met Zit! Lig! Niet bijten!
Alle gedichten van Fritzi ademen luciditeit. De wijn? Waarschijnlijk. Ongrijpbare versregels, maar wondermooi. En het geheel is altijd een verhaal met een begin, een midden en een slot. Zoals in dit gedicht. Een eenzame appel hangt aan de naakte takken. Maar al klampt hij zich vast aan zijn twijg, hij zal vallen door een stoute ‘windvlaag het verrukt’. Op de grond wacht hem ‘het tedere insect’ tussen de zwarte bladeren, zijn paradijs [= de herfst], die zich in de appel zal wurmen tot in het klokhuis, het zaadhuisje.
En nu het onderliggende verhaal: het gedicht gaat over de derde leeftijd. Het lichaam wordt strammer, de blik schemeriger, het haar dunner, schaarser. De mens kantelt voorgoed het bed in, waar hij sterft en na de dood de grond in gaat, waar hij prooi is voor de worm, en bovengronds vergeten wordt.
Ik kan moeilijk afscheid nemen van mijn meest geliefde dichteres. Toch moet het. Goed, maar dan met een terugkeer naar het gedicht. Een normaal mens zegt: ‘’t Wordt frisser, de herfst komt eraan. Ik word oud. De botten kraken. Vroeger kon ik lezen zonder bril.’
Fritzi zegt het veel sterker. Humor maar met een teder gevoel, uitdeinend zoals het heelal. Herlees het eerste vers met het voor- en achterliggende verhaal voor ogen en verwijl even bij haar.
gent, 2009-04-14
guido lauwaert
Add comment april 15, 2009
DE TERUGKEER VAN DE ‘HOOVERVILLES’

Een huurder wordt buiten gezet in Colorado
Door Tom Ronse
Tijdens de grote depressie waren de tentenkampen van verpauperde Amerikanen het symbool bij uitstek van de krisis. “Hoovervilles”, werden ze genoemd, naar de president wiens beleid de sociale miserie nog erger had gemaakt. Vandaag komen de Hoovervilles terug. Aan de rand van steden, als menselijk drijfhout dat samenklit en niet meer weg geraakt.
“Het is onaanvaardbaar dat er kinderen en families dakloos worden in een land dat zo rijk is als het onze”, zei president Obama op een persconferentie enkele weken geleden. Sindsdien hebben er nog vele duizenden gezinnen hun huis verloren. Elke 13 seconden wordt er nu iemand uit zijn huis gezet in de VS. In sommige scholen in steden als Cleveland en Detroit is al 10 % van de leerlingen dakloos.
In 2008 werden ruim 2,3 miljoen woningen in beslag genomen. Het ritme versnelt nog. De werkloosheid blijft fors stijgen en minder dan de helft van de werklozen krijgt een uitkering. Steeds meer mensen kunnen hun afbetalingen dus niet meer aan en verliezen hun huis dat per opbod wordt verpatst aan speculanten. De trend doet de waarde van soortgelijke woningen verder dalen, tot ver onder de som die de eigenaars ervan nog moeten afbetalen. Velen van hen besluiten dat het sop de kool niet meer waard is en stoppen met betalen, wachtend tot ze op hun beurt worden buiten gezet.
Obama heeft maatregelen beloofd om de marktwaarde van woningen te ondersteunen en hypotheek-kosten te verlagen maar het is nog onduidelijk welke fondsen daarvoor kunnen worden vrijgemaakt. Sommigen vrezen dat dit geld in een bodemloze put zou vallen. Voorlopig legt de regering meer nadruk op het ondersteunen van de banken. Begrijpelijk want de voortwoekerende vastgoedcrisis brengt mee dat steeds meer hypotheken in hun portefeuille onder de noemer ‘rommel’ vallen zodat hun verliezen blijven groeien en hun vermogen om te lenen navenant afneemt. Niet dat de vraag naar leningen zo hoog is. Bijna overal dalen de inkomsten en stijgt de schuldenlast dus in verhouding; wie niet bankroet gaat concentreert zich op het verlichten van die last in plaats van te investeren of te consumeren. Waardoor de werkloosheid blijft stijgen en de vastgoedcrisis verergert…de spiraal draait verder.

De andere kant van deze economische puzzel is een sociaal drama van groeiende omvang. Van de miljoenen die op straat gezet worden –waaronder 40 procent huurders- vinden de meesten voorlopig een andere oplossing. Maar vele anderen niet en worden dakloos. De vastgoedkrisis treft de armere wijken het hardst. De leegstaande huizen worden geplunderd en vaak gekraakt. De bewoners van de omliggende huizen, vooral deze die hetzelfde meemaakten in de jaren 1970, trekken weg voor het nog erger wordt. De pletwals van verval komt weer op gang in de zwaarst geteisterde steden. In wijken waar de leegstand snel groeit, zijn de huizen onverkoopbaar geworden. De banken willen ze niet. Ze weigeren de eigendomstitel om te ontsnappen aan de kosten van onderhoud en belasting. Vaak is het ook onduidelijk wie de nieuwe eigenaar is. De hypotheken zijn zo dikwijls doorverkocht, gebundeld en versnipperd in obligaties dat niemand er nog wijs uitraakt. Militante groepen zoals ‘Take Back the Land’ zetten mensen die zijn buitengezet dan ook aan om hun eigen huis te kraken.
Wat steeds meer gebeurt. In sommige steden zoals Los Angeles en Chicago is dat al overbodig want men heeft er een moratorium afgekondigd op huis-uitzettingen. De stap was logisch: de opbrengst van de onteigende huizen woog niet meer op tegen de kosten die de opvangst van dakloze gezinnen meebrengt. De banken protesteerden niet. Het is ook in hun voordeel dat de huizen bewoond en dus onderhouden blijven.
Toch stonden er op het einde van vorig jaar al meer dan 19 miljoen woningen leeg in de VS. Het aantal daklozen werd toen op 3,5 miljoen geschat. ‘Technisch’ is er dus geen woningnood-probleem. Het aantal daklozen zou haast van de ene op de andere dag tot nul kunnen herleid worden. Maar dat zou de banken natuurlijk niet helpen.
Het is wellicht niet toevallig dat de nieuwe Hoovervilles niet in of bij de grootste steden liggen. Hoe gebrekkig het volgens sommigen ook blijft, een stad als New York heeft een uitgebreid netwerk voor de opvang van daklozen. In vele kleinere steden is er niets, behalve kerken en andere filantropische instellingen. Het is aan hen te danken dat de ellende die de krisis meebrengt niet al veel zichtbaarder is. Maar ook zij raken in nood. Hun inkomsten dalen, vooral omdat bedrijven veel minder schenken, en de vraag naar hulp overstelpt hen. Volgens een onderzoek dat de Non-Profit Finance Fund eind maart verrichtte, heeft bijna een derde van de liefdadige instellingen te weinig cash voorhanden om nog langer dan één maand in werking te blijven. Een ander derde heeft nog slechts genoeg voor drie maanden.
De tentenkampen zijn in het laatste anderhalf jaar verrezen aan de rand van middelgrote steden waar de werkloosheid scherp steeg. Voorlopig nog maar een dozijn, de meeste in het zuiden. De mildheid van het weer heeft daar allicht iets mee te maken. In steden als Nashville, Tennessee. Saint Petersburg, Florida, Fresno en Sacramento in California. Vooral het kamp in die laatste stad, dat ‘the wastelands’ wordt genoemd, kreeg veel media-belangstelling, misschien omdat Sacramento de hoofdstad is van California. Nadat de Oprah Winfrey-show er aandacht aan besteedde, streken binnen- en buitenlandse tv-ploegen er neer om er allen min of meer dezelfde beelden van pittoreske ellende te filmen.

Hoog bezoek in het tentenkamp
Mijn vriend Gifford woont niet ver van Sacramento en ging er een kijkje nemen. Hij vertelde me wat hij er zag. Het kamp ligt op een braak terrein naast een spoorweg voorbij een buitenwijk waar voor bijna elk huis en bordje ‘te koop” of ‘te huur’ staat. Het is omringd door oude roestende voedingswaren-fabrieken en electriciteitstorens. Gifford was er nog maar pas toen er een karavaan van zwarte wagens toestuikte. Op de spoorwegdijk vatten politie-agenten post. Een tiental mensen stapte uit de dure auto’s. Ze leken gekleed voor een cocktail-party. Gifford vond het een surrealistisch zicht. Het contrast met hun omgeving – gehavende mensen en gehavende tenten, vaak niets meer dan een plastic zeil over enkele palen, vuil en lege bierblikjes overal rondgestrooid- kon nauwelijks groter zijn. Toch stroomden de bewoners uit hun tenten om hen te begroeten. Gifford zag snel waarom. De bezoekers waren niemand minder dan gouverneur Arnold Schwarzenegger, burgemeester Kevin Johnson (een ex-basketbal-star) en hun entourage van medewerkers en bodyguards. Arnie’s star power miste zijn effect niet. Heel wat kampbewoners wilden hem een hand geven en praatten over zijn films. Een vrouw vroeg hem of hij wat geld kon missen. Hij nam zijn portefeuille, grabbelde enkele briefjes en gaf ze haar. “Dat is alles wat ik bij heb”, zei hij preventief tegen de anderen. Een jongeman vroeg hem om te beloven het kamp niet te laten ontruimen en om toiletten en waterleiding te installeren. De burgemeester en gouverneur knikten maar beloofden niets. Gifford maakte van een stil moment gebruik om Schwarzenegger aan te spreken.
“Jij bent van Hollywood, dan ken je vast de klassieke John Ford-film “Grapes of Wrath”, gebaseerd op Steinbecks boek. Die gaat over een daklozenkamp zoals dit tijdens de depressiejaren. Maar in dat kamp zorgde de overheid voor lopend water, electriciteit, brandhout, medische zorgen. Waarom nu niet?”
Arnie had kunnen antwoorden dat kampen zoals ‘Weedpatch Camp’ in de film de uitzondering waren, dat er toen meer waren nog havelozer dan deze ‘wastelands’. In plaats daarvan schudde hij Giffords hand en vroeg hem zijn naam. “Waarom vaardig je geen moratorium uit op huisuitzettingen in California’, drong Gifford aan, “waarom laat je de daklozen niet in de leegstaande huizen wonen?”
Schwarzenegger zei dat er verschillende opties overwogen werden.
Welke die opties waren, kwam Gifford niet te weten. Een vrouw kwam op hen afgerend, roepend “I saw all your movies, I saw all your movies!”. Arnie gaf haar opgelucht een hand, babbelde wat met haar, wuifde nog eens en begaf zich naar zijn wagen. “I’ll be back!”, riep de vrouw hem na. Gebruikte ze die bekende lijn uit een van zijn films om te vragen: laat ons niet in de steek? Schwarzenegger draaide zich om en grijnsde. “Hasta la vista, baby!” riep hij en dan stapte hij in zijn limousine.
Gifford werd er mottig van. ‘Is dat het beste dat je hen kunt geven?’, dacht hij, ‘een afscheidswoordje van de Terminator?’

Arnie en zijn gevolg nemen een kijkje
Toen de politici vertrokken waren, gaf een bewoner Gifford een rondleiding. Qua voorzieningen kon hij enkel een drietal primitieve toiletten tonen die de bewoners zelf hadden aangelegd. Gifford schatte het aantal inwoners van the wastelands op ruim 300. Hij zag grote verschillen. Sommige woningen waren niet meer dan een zeil over een draad gespannen. Maar er waren ook betere stukken met nog nieuw ogende, ruime tenten. Sommigen hadden hun tenten samengezet en er een afsluiting rond gebouwd, met een versierde ingang en een brievenbus ervoor.
Tijdens zijn wandeling werd Gifford door verschillende jonge mensen aangeklampt die hem over het leven in het kamp vertelden. “We praten met jou omdat je geen journalist bent”, zei een van hen. “Van dat soort hebben we de buik vol. Ze komen ons fotograferen en filmen alsof het hier een dierentuin is. Een fotograaf heeft al op zijn muil gekregen toen hij een foto nam van iemand die pas uit zijn tent kwam”.
“Er zijn hier twee soorten bewoners”, vertelde Bob, een bouwvakker. “De eerste zijn de chronische daklozen. Die er al waren voor ons. Die zijn dakloos omdat ze dat willen of omdat ze junks zijn of mentaal ziek en niet opgevangen worden. De tweede soort zijn mensen als ik voor wie dit nieuw is. Die nog niet zo lang geleden werk hadden en hier zo gauw mogelijk weg willen.”
Volgens Bob zijn de meeste nieuwe bewoners net als hij bouwvakkers. De bouwsector die tot in 2007 een boom kende in California, is nu vrijwel stil gevallen. “Ironisch toch”, merkte Gifford op, “dat jullie die zoveel huizen voor anderen hebben gebouwd nu zelf dakloos zijn”.
Bob wou het kamp organiseren, iets doen om het leven er te verbeteren. Gifford stelde voor om bouwmateriaal te brengen. Met al de constructie-ervaring in het kamp zou het op zijn minst moeten lukken om degelijke latrines te bouwen. Iedereen vond het een goed idee. Met een goed gevoel reed Gifford naar huis, onderweg plannen smedend om het bouwmateriaal bijeen te krijgen.
Later vroeg hij zich af waar de media waren tijdens Schwarzeneggers bezoek. Normaal wordt die altijd omzwermd door camera’s als hij een uitje maakt. Dit keer wou hij blijkbaar geen pottenkijkers. Gifford vermoedde dat Arnie ‘het water kwam testen’, om te zien of er reactie zou zijn als het kamp zou gesloten worden. Hij leek snel gelijk te krijgen. Enkele dagen later kondigde burgemeester Johnson aan dat het kamp voor eind april zal ontruimd worden. De bewoners moeten verhuizen naar een terrein dat voor de jaarmarkt gebruikt wordt. Daar zouden ze onderdak krijgen, gezondheidszorg en bewaking. Er zouden 200 bedden beschikbaar zijn. Maar tegen eind juni moeten ze er weer weg. Naar waar, dat weet de burgemeester ook niet. Verdere plannen zijn er niet.
De bewoners van de wastelands voelen niets voor de evacuatie. “Ik heb gehoord dat ze je op die nieuwe plaats s’nachts opsluiten als in een gevangenis”, zei een van hen aan een reporter van National Public Radio. “Ik weiger er heen te gaan en ik ken niemand die er toe bereid is”. Maar of ze zich gaan verzetten tegen de ontruiming, valt nog te bezien.
Gifford beeindigde zijn verslag met een citaat uit “Grapes of Wrath”, waarin de (ook door Bruce Springsteen bezongen) rebel Tom Joad zegt:
“…I’ll be around in the dark. I’ll be ever’where. Wherever there’s a fight so hungry people can eat, I’ll be there. Wherever there’s a cop beatin’ up a guy, I’ll be there. I’ll be in the way guys yell when they’re mad…An’ when our folks eat the stuff they raise an’ live in the houses they build—why I’ll be there.”
In tijden als deze moeten we allen Tom Joads worden, vindt Gifford.
Op 5 april keerde Gifford terug naar the wastelands. Met vier vrienden en bouwmateriaal. Het kamp heeft nu tenminste een fatsoenlijke latrine, in afwachting van de ontruiming.
Intussen komt er op verschillende plaatsen in het land een krakersbeweging op gang. Volgens Michael Stoops, directeur van de National Coalition for the Homeless, zijn er al meer dan een dozijn organisaties die daklozen helpen om leegstaande huizen in gebruik te nemen.

Lege huizen in Cleveland
Maar daarnaast zijn er ook vele losse groepen aan het werk. Daklozen die de handen in elkaar slaan om hun lot in eigen handen te nemen. In Cleveland bijvoorbeeld, waar een op dertien huizen leegstaat en elke week 300 gezinnen uit hun huizen worden gezet. “Het gebeurt steeds vaker dat de daklozen zelf als vastgoedmakelaars optreden”, zegt Brian Davis, directeur van de Northeast Ohio Coalition for the Homeless. “Ze vinden geschikte huizen voor gezinnen en helpen hen verhuizen. Wanhoop maakt de mensen creatief”. De trend lijkt hem onvermijdelijk. De opvanstcentra voor daklozen kunnen de vraag niet meer aan. Op een gemiddelde nacht telt de stad zo’n 4000 daklozen. Intussen staan er 15 000 huizen leeg. “Sommige daklozen zien de vastgoedcrisis als een gelegenheid om eindelijk een eigen woonst te hebben met de privacy die ze in opvangcentra niet vinden”,zegt Davis. Vele nieuwe daklozen zijn vaklui die door de crisis werkloos werden. Sommige gebruiken hun vakkennis om leegstaande huizen op te knappen zodat dakloze gezinnen er in kunnen trekken.
De groepen die het kraken bevorderen zijn meestal niet politiek gekleurd. Ze hebben hun roots vooral in de sociale hulpverlening. Sommige, zoals de Poor People’s Economic Human Rights Campaign in Minnesota, Women in Transition in Kentucky en de Kensington Welfare Rights Union In Philadelphia bestaan al lang maar leggen zich pas sinds kort toe op de woningnood. Sommige negeren de autoriteiten. Andere, zoals de Metro Task Force for the Homeless in Atlanta, vragen aan de banken om zelf leegstaande woningen af te staan. Sommige werken in het geheim. Andere, zoals Take Back the Land in Miami schuwen de publiciteit niet.
Wat al die groepen gemeen hebben is dat ze de mensen die ze helpen zorgvuldig selecteren op basis van hun nood, hun aanpassingsvermogen (psychisch gestoorden en drugsverslaafden worden geweerd), hun bereidheid om ‘zweet te investeren’ in de gekraakte woning en om de rekeningen voor water, gas en electriciteit stipt te betalen. Volgens Max Rameau van Take Back the Land moet het kraken snel gaan. Huizen die leeg komen te staan worden vaak zo snel geplunderd (zelfs de buizen van de waterleiding worden uitgebroken) en uitgewoond door junkies, dat ze al gauw het kraken niet meer waard zijn. Alleen de meest marginalen zoeken er dan nog onderdak. In die huizen zonder gas of electriciteit is brandgevaar een groot probleem. Afgelopen winter kwamen verschillende daklozen om nadat het vuurtje dat ze stookten om zich te verwarmen een uitslaande brand werd.
In veel steden jaagt de politie de daklozen uit de gekraakte huizen. Soms worden er krakers gearresteerd. Maar tegen de georganiseerde krakers wordt voorlopig niet opgetreden. “Waarom zouden we?”, zegt John Timoney, de politiechef van Miami, “dat zou toch geen enkel nut hebben?”
De meeste omwonenden van de leegstaande huizen denken er net zo over. “Dat is voor mij het grootste verschil met de jaren 1980”, zegt Cheri Honkala, woordvoerdster van de Poor people’s Economic Rights Campaign en 30 jaar geleden zelf een kraakster. “Toen waren de buren vaak tegen. ‘Jullie breken de wet”, protesteerden ze. Nu zijn ze opgelucht als ze ons zien komen en brengen ze matrassen en eten om het krakersgezin te verwelkomen”.
4 comments april 16, 2009
Als atheisten de wereld zouden regeren
In deze video debiteren drie studenten tekst uit internet-forums van fundamentalistische christenen:
Scary, isn’t it.
1 comment april 18, 2009
“PALESTINA IS EUROPA’S LAATSTE KOLONIE”
Een gesprek met Midden-Oostenkenner Lucas Catherine 
“Hamas is natuurlijk wel veranderd. Veel mensen verwijzen nog altijd naar dat beruchte Hamas-charter, waar verschrikkelijke dingen in staan. Maar je moet naar hun verkiezingsprogramma kijken, want het is daarop dat ze hun macht gebouwd hebben. Daarin staat bijvoorbeeld het systeem van ‘hudna’, dat ze uit het Islamitisch recht hebben gehaald, wat eigenlijk de mogelijkheid op een bestand inhoudt als het in hun voordeel is. Die hudna heeft Hamas al een paar jaar geleden voorgesteld. Zelfs Rantissi en Sjeik Yassin (beide waren oprichters en leiders van Hamas, nvdr) hebben dat voorgesteld en de Israëli’s hebben daarop geantwoord door ze te liquideren.”
“Een staat moet zijn burgers beschermen, maar de kwestie is hoe je dat doet. Ik maak de vergelijking, en ook Robert Fisk heeft die vergelijking gemaakt, met de Britten en het IRA. Toen het IRA zeer bloedige aanslagen pleegde in het centrum van Londen, zijn de Britten nooit de burgerbevolking van Ierland gaan bombarderen. Israël zegt wel dat het een democratie is, maar ze reageren niet als een democratie, ze reageren als een koloniale mogendheid. De levens van de inboorlingen tellen hier niet en Israël bevestigt dat ook door te zeggen dat ze disproportioneel zullen reageren.”
“Europa betekent niet veel, nergens betekent Europa veel, zelfs binnen Europa betekent Europa niet veel. Politieke actie is een illusie, maar financieel zou de EU wel iets kunnen betekenen door druk uit te oefenen, maar dat willen ze niet. Integendeel, de opwaardering van de relaties met Israël gaat altijd maar verder. Dat is de reden waarom een boycot zo belangrijk is, omdat je daar tenminste inspeelt op die financiële relaties. Met een boycot kan je wel degelijk iets bereiken. Daar kunnen wij als Belgen of als Nederlanders zelfs écht iets betekenen.”
“Niemand lijkt eigenlijk de essentie van het probleem te willen zien. Het gaat erover dat Europa blijkbaar geen komaf wil maken met zijn laatste kolonie. Dat is de kern van mijn stelling. Kolonisatie is een zeer interessant gegeven binnen de Europese cultuurgeschiedenis en politieke geschiedenis. En blijkbaar wil men nog altijd niet inzien dat we met Israël met een koloniaal probleem zitten waar we echt moeten mee kappen. Met andere kolonies zijn we tot een vergelijk gekomen: de Fransen zijn zelfs met Algerije tot een vergelijk gekomen en dat was zowat de moeilijkste vorm van dekolonisatie die er al geweest is. Men ziet niet in dat het een koloniaal probleem is en dat Israël tot een akkoord moet komen met de autochtone bevolking. De redenen daarvoor zijn divers, maar heel snel komt de angst boven voor antisemitisme of juister: anti-judaïsme, een gevoel dat al eeuwen lang binnen het christelijke Europa heerst. Zo is er ook het schuldgevoel over de massamoord op 6 miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.”
“De Amerikanen zijn niet voor echte democratisering, kijk maar naar de verkozen generaal Mubarak in Egypte, de Amerikanen willen dat die aanblijft hoor. Ze hebben eigenlijk schrik van echte democratie, ze spreken er altijd over maar eigenlijk moet je permanent het omgekeerde denken van wat ze zeggen.”
Het volledige interview met Lucas Catherine vindt u hier:
1 comment april 20, 2009
HONDERD HETE DAGEN
Obama’s eerste honderd dagen als president van de USA zitten erop en dat willen vriend en vijand geweten hebben. Voor rechts is hij te links, voor de linksen niet links genoeg. Naomi Klein zeurt in The Nation een Lexicon van Ontgoocheling bijeen. Woordspelingen op Hoop en zo.
Het is waar, Barack & Co. hokken nu al volle drie maanden in het Witte Huis. En de bankencrisis raakt niet opgelost. De recessie is niet op haar retour. Dat blijft maar schieten in Irak en troepen sturen naar Afghanistan. Het Indische subcontinent staat op ontploffen. Israël gaat Iran bombarderen. Een Palestijnse staat is verder af dan ooit. Folteraars blijven ongestraft. Het aantal werklozen, hongerlijders, dompelaars, tbc-patiënten, milieuslachtoffers en ontevreden huisjesmelkers stijgt angstwekkend.
En de president? Die belooft vanalles, elke dag weer, al twee jaar lang. Komt daar ook wat van? De vraag stellen is ze beantwoorden, luidt het devies van Politifact, een nieuwssite van de St. Petersburg Times (Florida).
Daar hebben ze het exacte aantal Obama-beloften, grote en kleine, eens opgeteld. Het zijn er meer dan 500. De inlossing ervan wordt even nauwgezet bijgehouden. Op vandaag zijn 26 promises kept, 6 broken, 61 in the works en nog 411 te gaan. Updates van de ‘Obameter’ volgen met regelmaat en de gedetailleerde verklaring wordt ons niet onthouden, integendeel.
Ook vandaag raakte bekend dat een van de prestigieuze Pulitzer Prizes naar Politifact is gegaan, voor zijn verslaggeving over de voorbije verkiezingen. St. Petersburg zij geprezen. (jc)
maar checkt u vooral zelf:
http://www.politifact.com/truth-o-meter/promises/
Add comment april 22, 2009
GESTOLEN JEUGD

Om kinderarbeid te doen verdwijnen moet je hem eerst zichtbaar maken, zegt fotograaf GMB Akash.

Jainal is elf. Hij werkt al drie jaar in deze kookpottenfabriek. Zijn werkdag begint om 9 uur en eindigt om 18 uur. Hij verdient 7,6 euro per maand.

Een bloemenverkoopstertje in Dhaka

Voor elke duizend bakstenen die dit jongetje transporteert, verdient hij 0,7 euro.

Zevenjarige Jasmine is een van de meer dan duizend mensen die overleven door recycleerbaar materiaal te sprokkelen op de vuilnisbelt van Dhaka
Meer aangrijpende foto’s van Akash over de kinderarbeid in Bangla Desh zijn te zien op:
http://www.zoriah.net/blog/2009/04/guest-photographerphotojournalist-gmb-akash-child-labor.html
Neem ook een kijkje op de website van deze getalenteerde fotograaf:
Add comment april 23, 2009
HOLLAND BOVEN?
‘Debat is nodig over rol koning Willem’
Den Haag, april. Het is onverstandig dat de Tweede Kamer nog niet heeft gepraat over wat voor soort koning Nederland wil als Beatrix aftreedt: een koning met alleen ceremoniële taken, zoals in Zweden, of een koning met invloed.
Nu is het voor een fundamenteel debat over die cruciale vraag eigenlijk al te laat, vindt Peter Rehwinkel, PvdA-senator en staatsrechtdeskundige. Hij heeft “het gevoel” dat de abdicatie “op redelijk korte termijn” zal worden aangekondigd. Geruchten daarover doen regelmatig de ronde.
Zelf wil Willem-Alexander een koning met invloed zijn, net als zijn moeder, en geen ‘lintjesknipper’. Maar een meerderheid van de Tweede Kamer (PvdA, SP, PVV, GroenLinks en D66) wil geen koning die onderdeel is van de regering.
In de praktijk willen partijen echter niet hun vingers branden aan de monarchie, zegt Rehwinkel. “Agendering van een meer ceremonieel koningschap is lastig. “Publicitair slaat de vlam dan al snel in de pan.” Mogelijk zijn partijen ook bang kiezers kwijt te raken, denkt hij. “Het draagvlak voor de Oranjes bij de bevolking is onverminderd groot.”
Uit de laatste peiling van TNS Nipo bleek dat 85 procent van de bevolking de monarchie steunt. Volgens Alexander Pechtold, fractievoorzitter van D66, wil premier Balkenende zo’n debat niet. “Ik vraag me af wat hij erger vindt, een onderzoek naar Irak of een serieuze discussie over de modernisering van de monarchie.”
Pechtold en Rehwinkel vinden dat politici geen verantwoordelijkheid nemen voor de monarchie. Rehwinkel: “Bij een misstap van Willem-Alexander, zoals een onhandige uitspraak, staan ze wel klaar om commentaar te geven.” (NRC Handelsblad)
Vraag:
Hoe zat dat weer met de rol van het Belgisch staatshoofd in de voorgenomen ‘Grote Staatshervorming’? Vergeten, zeker? (jc)
Add comment april 29, 2009
Het Vlaams theater heeft gekwelde geesten nodig
Antonin Artaud
Nous ne sommes pas encore nés
Nous ne sommes pas encore au monde, Il n’y a pas encore de monde, Les choses ne sont pas encore faites. La raison d’être n’est pas encore trouvée…”
Antonin Artaud
Zelfs dood spreekt hij, maar er wordt te weinig naar hem geluisterd.
Bij ons, de vreemden, de verdwaalden,
de nooit gelanden, de ontwrichten
is een bleke kapitein gestorven.
In 1948 verscheen van Hugo Claus de dichtbundel Registreren. Het openingsgedicht van de gelijknamige cyclus heet Voor de dichter Antonin Artaud. Claus schreef het gedicht enkele dagen na Artauds dood in 1948. Hij had de man, die beschouwd wordt als de belangrijkste (theoretische) voorloper van de moderne stromingen in toneel en film, een jaar voordien zien zitten in een hoekje in het Parijse café Bar Vert. Het vuur in de blik kapot; Artaud was verdwaald in zichzelf.
Ik zie de aders in zijn slapen
niet meer kloppen.
Zijn gezicht, uitgekerfde straatsteen
is eindelijk stil.
Zijn toestand was het resultaat van een psychiatrische behandeling. Van de ene kliniek naar de andere, zou zijn afzondering negen jaar duren.
De opname in oktober 1937 kwam niet zozeer voort uit zijn filosofische visie over toneelvoorstellingen, maar enerzijds uit het gevolg van die visie die hijzelf wilde realiseren, en anderzijds uit de slechte ontvangst bij pers en publiek van de regie van zijn lievelingsstuk, Les Cenci, uit 1820, van Percy Byssche Shelly.
Hoewel The Literary Gazette het stuk, dat over incest en vadermoord handelde, kwalificeerde als ‘een schotel vunzigheid, gekruid met zwavel (…) erop berekend om duivels in de hel te amuseren’, waren de recensies over het algemeen zeer lovend. Desondanks heeft Shelley niet mogen beleven dat het stuk op de planken kwam. Wel werd het uitgegeven en dat het werd gelezen is te danken aan het feit dat indertijd tekstboeken, net als elk ander literair genre, werden besproken. De slechte recensies – gemaakt door prutsers en verschenen in pulpbladen – werden door theaterdirecteurs gebruikt als bewijs dat het stuk moreel als structureel slecht was. Terwijl het net dat doet wat van een toneelstuk verwacht wordt: een protestbrief op een sociaal fait divers in de maatschappij. De weigering tot opvoering is mede ingegeven omdat het gebeuren zich afspeelt in een bourgeoismilieu.
Dat wij zijn aangetast voor het leven
weten zij, de gelijke naturen,
de onverstoorde zielen
in elk van hun effe uren.
Een tweede toneelauteur waar Artaud zich verwant mee voelde was Alfred Jarry (1873-1907), de schepper van het personage Ubu, geïnspireerd op een leraar van zijn middelbare school te Rennes, een doorsnee burgerman, de donkere krochten van zijn geest doordrongen van hebzucht, lafheid, heerszucht en wreedheid. De opvoering van zijn eerste Ubu-stuk, (er zouden er nog twee volgen), Ubu Roi, ontketende een storm van protest bij de toeschouwers die het absurde, komische, oneerbiedige en anarchistische karakter ervan niet konden waarderen. Heibel à volonté, en toch vond Artaud dat Jarry niet voldoende spijkers op de kop sloeg. Hij zette zijn visie op papier, de essays verschenen, en via zijn regieconcept van Les Cenci wilde hij zijn gelijk aantonen. Met het gekende gevolg.
Zij braken zijn weke ruggegraat.
Zij sloten hem op met stoel en brood en stro.
Zij noemden hem ziek en gek.
Zij hadden medelijden.
De visie van Artaud, verwoord in diverse essays, zijn gebundeld en uitgegeven onder de titel Le théâtre et son double in 1938 bij Gallimard. Meermaals heeft Hugo Claus gezegd dat dit boek zijn belangrijkste inspiratie op het gebied van de techniek van het toneelschrijven is geweest. Diverse van zijn toneelstukken lopen in het spoor van Artaud. Niet alleen de experimentele stukken uit de vroege jaren zestig, maar ook de bourgeoisstukken, waarvan Vrijdag uit 1969 het eerste voorbeeld is.
Ik zal hem nog ontmoeten
onder de bruggen, in een leeg station.
Hij zal zijn arm om mijn schouder leggen.
Tegen de morgen zal hij aan mij komen boren,
aan mijn vezels schuren
zodat ik schreeuwen zal: Artaud, Artaud.
Artaud heeft niet alleen tegen de vezels van Claus geschuurd, maar ook tegen die van Simon Vinkenoog. In 1982 verscheen een vertaling van diens essaybundel. De oorspronkelijke titel had hij vervangen door Het theater van de wreedheid. Uit commerciële overweging, vermoedelijk. Samengevat verwijten de essays dat het theater van zijn tijd – het interbellum geen oog heeft voor de werkelijkheid. En in zoverre het bepaalde misstanden aanklaagt, is het zo braaf geschreven en geregisseerd dat het wel schaaft maar niet verwondt. Eenvoudig uitgedrukt: theatermakers verkwisten hun honger door direct te eten. ‘Het hedendaags theater, ‘ schrijft Artaud in zijn essay De regie en de metafysica, is decadent omdat het enerzijds het gevoel van ernst en anderzijds dat van lachen verloren heeft. (…) Omdat het gebroken heeft met het Gevaar.’
Hugo Claus heeft die theorie van Artaud in zijn oren geknoopt, maar hij heeft ‘het gevaar’ niet consequent gevolgd. Het voorlaatste vers van Claus’ Artaud-gedicht slaat – goed bekeken – niet alleen op de afgetakelde toestand van Artaud in 1947, maar is ook een voorafspiegeling van zijn eigen gemoedstoestand. Moe gestreden heeft hij in de jaren zeventig het geweer van schouder gewisseld en is enkel nog populaire stukken gaan schrijven.
Een auteur die de draad van Artaud wel consequent heeft gevolgd is de Engelse toneelschrijfster Sarah Kane. Genadeloos verscheurt zij alle onderdelen van het showkostuum van de bourgeois, toont aan dat de mei-revolutie van ‘68 een schijnrevolutie was – een machtsgreep van jonge ambitieuze intellectuelen, en wat het resultaat is: een extreme verrechtsing die leidt tot het terrorisme van malcontenten. Haar spiegels waren van zulke hoge kwaliteit dat zij er zelf aan ten onder is gegaan. Ze kreeg psychische problemen, kwam in een instelling terecht en stierf op 28-jarige leeftijd door zelfmoord. Verhanging in een toilet. De plek où même le roi va à pied. Haar dood is het einde van een eeuw. Dat de toneelauteur die het sterkst van al heeft getracht om via een shockeffect te waarschuwen voor de ondergang van de Westerse Cultuur, zulk triest einde moest kennen, is tekenend voor de versteende oogkleppen van die cultuur.
Gelukkig worden haar stukken nog gespeeld. Tien jaar na haar dood blijven ze shockeren. Eind vorig jaar werd in het theater Soho Rep van New York haar stuk Blasted uit 1995 opgevoerd. Elke voorstelling heeft voor ophef gezorgd. Bij de eerste try-out viel één toeschouwer flauw, tegenstanders scholden de acteurs uit, voorstanders scholden de tegenstanders uit. Resultaat: alle dagen uitverkocht. Het theater heeft de productie wegens aanhoudend succes tweemaal verlengd.
In The New York Times van 6 november verscheen een opmerkelijk artikel. De regisseur Sarah Benson gaf toe dat ook zij en de drie spelers moeite hebben gehad met het stuk. Kort samengevat. Een jong koppel wordt overvallen door een soldaat, die niet de vrouw maar de man martelt, verkracht, de ogen uitsteekt, doodt en tot slot zijn testikels afbijt. Het begin van kannibalisme.
Het repetitieproces is na veel vallen en opstaan toch goed afgelopen. Als behandeling werd gekozen voor een afgelijnde afstandelijkheid. ‘Eerder dan te zwelgen in het geweld of te graven in de psyche van de personages, hebben we gekozen voor een choreografie. Letterlijk: hoe moet een been liggen, hoe moet een knie bewegen, hoe komt de man weer recht.’ Samengevat: Je kunt de dingen niet “vals” spelen. Uiteindelijk zijn we er tegenaan gegaan zoals werklieden die een job doen. We spelen met ons lichaam, niet met onze geest.’
The method, de beroemde speltechniek waarmee zowel James Dean, Marlon Brando als sir John Gielgud triomfen behaalden, werd koudweg overboord gekiept. Een wijs besluit. Deze spelvorm heeft zijn tijd gekend. Haar nog te gebruiken werkt eerder in het na- dan in het voordeel van het hedendaags theater. Dat zij helaas nog altijd een dominante (spreekwoordelijke) rol speelt, is een reden dat het hedendaags theater geen theater van betekenis meer heeft. Er worden nog prachtige stukken opgezet, maar maatschappelijk zijn ze uitgeteld. Het theater is entertainment geworden. Van achteraf zaaltjes tot schouwburgen wordt amusement gebracht.
Vlaanderen blinkt uit in het brengen van spektakelstukken. Het bewijs is dat heel wat Vlaamse gezelschappen – ondanks de waardeloosheid van de Vlaamse overheid op de internationale culturele kaart – uitgenodigd worden op buitenlandse festivals en met hun voorstellingen bovendien nog prijzen halen ook. Maar wat is de meerwaarde van de lauwerkransen als de festivals artistieke pretparken zijn? Ze staan op gelijke hoogte met musea als MuHKA en S.M.A.K, waar enkel nog plaats is voor tentoonstellingen van speelgoedzaaiers. Leuk, lachen, applaus… et alors?
Hebben voorstellingen zoals Quills van De Roovers, Les in hysterie van TG Ceremonia en de producties van Abattoir Fermé dan niets te betekenen? Nee, niets! De genoemde voorstellingen zijn enkel gericht op sensatie. Het Vlaamse margetheater vertoont slijtage en is op weg naar de sloperij. En wat de drie schouwburgen betreft. Eén productie, stevig verankerd met het actuele maatschappelijk gebeuren, per seizoen is té weinig om de subsidie te verantwoorden. De KVS slaagt er zelfs in om slechts om de drie jaar een productie van enige betekenis te maken. Enkel Het Toneelhuis speelt kort op de bal. Onbegrijpelijk is het dus dat van de drie schouwburgen het Antwerps gezelschap haast 100.000 euro moet inleveren voor de werking van de komende drie jaar. Het toont nogmaals aan dat Bert Anciaux een grutter is. Hij weet geld te vinden, maar weet niet hoe er mee om te gaan. Gelukkig is zijn liedje zo goed als uitgezongen.
Ik pleit niet om het theater van de wreedheid te realiseren met een kookboek in de hand. Daar heeft Artaud in zijn essays ook niet voor gepleit. Waar hij wel heeft voor gepleit is de maatschappij weer te geven zoals zij is, zonder eerst te passeren langs Plastische Chirurgie. Als de realiteit het uitgangspunt is, is een productie vanzelfsprekend een wrede gebeurtenis. En daar loopt het precies mank. De realiteit is slechts een kapstok om de paradedrift van de regisseur aan op te hangen.
De enige Vlaamse theatermaker in wiens aders het bloed van Artaud stroomt is Jan Fabre. De erkenning van zijn werk in Vlaanderen is afgedwongen door buitenlands succes, dat werd gerealiseerd zonder vriendjespolitiek. Over Fabre’s werk zal ik mij later, als mijn duivel mij dwingt, dieper ingaan. Al bleef ik in mijn tweede huis, het theater, in teveel zijkamers ben ik blijven plakken. Dus gauw terug naar Artaud. En naar Claus.
Ik zie de aders in zijn slapen
niet meer kloppen.
De essays van Artaud in boekvorm waren al jaren niet meer te vinden. Het maakte dat jonge theatermakers tijdens hun opleiding van het werk al hadden gehoord. Nou, van horen zeggen is mooi, maar je wordt er niet wijzer van.
Gelukkig! Gelukkig is de vertaling van Simon Vinkenoog opnieuw verschenen. Wie het leest ziet ‘het Licht’. Kan niet anders dan een hersenspoeling ondergaan. Alle vuiligheid – bordkartonnen theorieën, geparfumeerde tendensen, ijdelheid als ijsbergen, ambitie tot ver voorbij de horizon, et cetera – zal door de lezing verdwijnen. Ten minste, voor wie zoekt naar ‘het Theater van het Omen’. Voor wie het vak van acteur, regisseur, dramaturg, recensent voortdurend bekijkt met een oog dat niet het beeld ziet dat de toeschouwer wil zien, maar de functionaliteit van het beeld voortdurend bijstuurt, aan de hand van actuele feiten. Want het is niet de artistieke ploeg die voor volle zalen zorgt en de kassa vult, maar de maatschappij zelf. Een goed voorbeeld daarvan zijn de films van de Marx Brothers. In wezen zijn het geen komedies. De gebroeders gebruikten een nevenvorm van de humor om de wandaden van de bourgeoisie aan te klagen. Dat het publiek lacht met hun films is niet dom, maar heeft wel een hoge graad van leedvermaak. Precies dat was aanleiding tot het grote succes van hun films.
Een dringend verzoek aan de minister van Cultuur: Koop Artauds boek aan! En doe elk gezelschap enkele exemplaren cadeau. Niet iedereen uit theaterland zal, zoals Artaud zegt aan het eind van zijn laatste essay ‘met de hiëroglief van een ademhaling een voorstelling van het gewijde theater’, ontdekken. Want niet de massa moet bekeerd worden maar het individu. Zodat de ene de andere bekeert en er gaandeweg een kettingreactie ontstaat. De bekeerlingen zullen het werk van Claus kunnen voltooien. Diens smeekgebed – samengebald in het laatste vers van het gedicht – zullen hem goddelijk meesterschap en eeuwige waardigheid bezorgen. Zoals dat bij Julien Schoenaerts het geval was. Hij was geen method man, maar een speler vertrekkend vanuit een gekwelde geest.
Dat is waar de Vlaamse theaters momenteel dringend nood aan hebben: gekwelde geesten.
Verbreek de gordel van onmacht.
Kraak de schelp van onvruchtbaarheid.
Mijn dode hazewind, mijn toren in puin,
mijn bloedende doodgeborene,
uitgebrande man, Antonin Artaud.
Het theater van de wreedheid – Antonin Artaud. Vertaling Simon Vinkenoog. Uitgeverij IJzer – Utrecht – ISBN 978 90 8684 021 2 – 172 pagina’s – 17,50 euro
guido lauwaert
gent, 2009-05-02
Add comment mei 2, 2009
WALEN BIJTEN IN HET ZAND
COLLABORATIE GEWONNEN DOOR VLAANDEREN
by Jef Coeck
Onlangs met enkele vrienden een discussie gevoerd over de vraag of de anti-Vlaamse gevoelens in Wallonië – voor zover aanwezig – te maken kunnen hebben met oorlog, collaboratie en repressie. Jazeker, was mijn inschatting, die niet door alle discussianten gedeeld werd.
Ik krijg nu een zetje uit een onverdachte hoek, de RTBf-journalist Christophe Deborsu, ook bij ons bekend van de televisie en van zijn columns in De Standaard. Daarin heeft hij het over Léon Degrelle, de meest perfide Waalse collaborateur en destijd Führer van de fascistische partij Rex.
Deborsu schrijft terugblikkend: ‘De steun van de Waalse bevolking aan Rex is nihil: er waren ongeveer 10.000 overtuigde rexisten of 0,3 procent van de Franstalige Belgen. Het verzet tegen de collaborateurs is trouwens groter in Wallonië dan in Vlaanderen. Volgens Flore Plisnier (Waalse historica, auteur van Te wapen voor Hitler, 2008) is het te danken aan de sterke verankering van de communistische partij in Waalse industriële bekkens. Die communisten ontwikkelden de efficiëntste partizanennetwerken. Agrarisch Vlaanderen bezat geen extreemlinkse traditie.’
De Vlaamse historici Mark Van Den Wijgaert en Nico Jacquemin schrijven over dit onderwerp wat volgt: ‘De collaboratie was in het zuiden van het land veel brutaler geweest en ook meer apolitiek dan in Vlaanderen. Er konden veel minder verzachtende omstandigheden worden ingeroepen. De meeste Walen vereenzelvigden daarom collaboratie met zware excessen, zoals executies van verzetslui, vervolging en verklikking van nazi-slachtoffers. Daarom was de houding van de Franstaligen haast onverzoenlijk: voor hen was amnestie nauwelijks bespreekbaar. In het noorden van het land daarentegen aanvaardde een deel van de publieke opinie wel verzachtende omstandigheden, omdat de Vlaamse collaboratie deels op het verwerven van zelfbestuur was gericht. Men was bereid daarvoor begrip op te brengen, temeer omdat men ervan uitging dat repressie en epuratie vooral de Vlamingen geviseerd hadden. Beide gemeenschappen waren en blijven verdeeld over dat thema.’ (In ‘O Dierbaar België’, Ontstaan en structuur van de Federale Staat, 1996)
Een derde feit pik ik uit de Canvas-serie Het Onvoltooide Land, eerste aflevering. Daarin verklaarde socio-politicoloog Luc Huyse: ‘In Vlaanderen bestond de indruk dat hier de repressie harder had toegeslagen…’
Wat Huyse zei klopt strikt genomen wel: ‘de indruk bestond’. Maar het was een kleine moeite geweest om eraan toe te voegen dat die indruk fout was en thuishoort in de serie Urban Legends, die wij hier de Vlaamse Grieventrommel plegen te noemen.
Immers, laten we een blik werpen op de officiële cijfers van de repressie. De krijgsgerechten hebben na de bevrijding 33.030 Vlamingen gevonnist wegens collaboratie, 105 van hen werden geëxecuteerd. In Wallonië en de Oostkantons vielen 17.703 vonnissen en grepen 122 executies plaats. (Luykx/Platel, Politieke Geschiedenis van België, 1985). In percentages: 0,32 procent van de veroordeelde Vlamingen is terechtgesteld, 0,69 procent van de veroordeelde Walen – dat is meer dan het dubbel.
Nog wat vergeten cijfermateriaal. Rex was voor de oorlog ook in Vlaanderen behoorlijk populair. In 1936 stemde meer dan 7 procent van de Vlaamse kiesgerechtigden voor de lijst Degrelle, ondanks de concurrentie van het georganiseerde flamingantisme. De door Degrelle uitgelokte krachtmeting in Brussel leidde tot zijn electorale afgang in 1937. Bij de vervroegde verkiezingen van 1939 behaalde Rex in Vlaanderen toch nog 2,17 procent. (Witte/Craeybeckx, Politieke geschiedenis van België, 1981).
Overigens is het mijn stellige indruk dat de anti-Vlaamse gevoelens in Wallonië een stuk minder zijn dan de anti-Waalse in Vlaanderen. De jongste jaren blijken meer Waalse politici en journalisten behoorlijk Nederlands te hebben geleerd dan Vlaamse Frans.
———————
C. Deborsu
http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=6T29NCP9
Add comment mei 7, 2009
SAMSON VERBOUWD IN BELGIË

De Vlaamse Opera heeft gestunt met ‘Samson et Delila’, een tweederangsopera van Saint-Saëns die met de nodige hype werd omgeturnd tot een politiek pamflet. Het bijbels getinte libretto gaat over Hebreeërs en Filistijnen, twee volken uit de oudheid die niet alleen taalmatig doen denken aan Israëli’s en Palestijnen. De setting is Gaza. De reus Samson een zelfmoordterrorist. De regisseurs een Israëli en een Palestijn. Met een opgeklopt debat vooraf.
Het grootste succes van het hele gebeuren lijkt wel een artikel in The New York Times. Wat heet succes.
‘De slecht gezongen uitvoering had enkele keren warm applaus gekregen. Maar de slotscène was zelfs het beleefde Belgische premièrepubliek teveel. Een salvo van boegeroep daalde neer op de dansers. (…) Maar tenslotte is alle kunst politiek. In Europa wordt algemeen aanvaard dat kunst en politiek niet kunnen worden gescheiden. Daar is op zich niets mis mee. (…) De genoegens van de staatsfinanciering, het cultureel erfgoedgevoel, een muziekpers die van noviteiten houdt, dat alles maakt de opera hier tot een must, ook als de resultaten soms schabouwelijk zijn.’
En de recensent voegt er duidelijkheidshalve aan toe dat ‘een soortgelijke productie in New York of Washington ondenkbaar is’.(jc)
http://www.nytimes.com/2009/05/07/arts/music/07abroad.html?_r=1&th&emc=th
Add comment mei 8, 2009
Guido Lauwaert is een gekwelde kunstenaar
door
Guido Lauwaert heeft op 2 mei voor het Salon van Sisyphus een mooi stuk geschreven. Gekwelde geesten kunnen dat. Hij wijst er ons eerst op dat Hugo Claus zich gelaafd heeft aan Antonin Artaud en het siert Guido Lauwaert dat hij zijn klassiekers kent. Hij brengt ons het verhaal van drie personen. Antonin Artaud heeft op het einde van zijn leven negen jaar in psychiatrische klinieken gezeten omdat zijn visie op het brengen van toneelvoorstellingen geen succes kende. Hugo Claus heeft het geweer van schouder veranderd. Eerst schreef hij experimentele stukken maar hij heeft ‘het gevaar’ van Artaud niet consequent gevolgd en is enkel nog populaire stukken gaan schrijven. Hij heeft wel succes gehad tot een andere kwaal hem heeft geveld. Sarah Kane heeft ‘het gevaar’ wel consequent opgezocht. Niet alleen in haar vijf theaterstukken maar ook in haar korte leven zit en consequente lijn : steeds meer uitgepuurd en steeds minder. Haar laatste stuk ‘4.48 Psychosis’ heeft geen plot en er is geen aanduiding voor het aantal acteurs of hun setting.
Zou het kunnen dat Guido Lauwaert nog steeds gekweld is ? Dat hij de consequente lijn van Sarah Kane niet wil volgen maar ook het geweer niet van schouder wil veranderen ? Dat hij geen vrede heeft met wat het leven hem gebracht heeft of wat hij ervan gemaakt heeft ? Voelt hij zich zoals Antonin Artaud in de ‘Bar Vert’ en wacht hij op een Hugo Claus die er een gedicht aan wijdt ?
Wat Guido Lauwaert duidelijk dwars zit, en dit al jaren (wat moge blijken uit zijn stukken voor de toenmalige witte Financieel Economische Tijd), is het theaterlandschap in Vlaanderen en daar kan ik hem niet volgen. Ofwel is hij blind ofwel is hij van kwade wil. Hij zegt dat het theater in Vlaanderen entertainment is geworden, dat er amusement en spektakelstukken gebracht worden. Dit is een grove veralgemening want hij heeft het duidelijk niet over het Publiekstheater van Geert Allaert. Natuurlijk zit er kaf tussen het koren van het gesubsidieerd theater maar wie geduldig zoekt vindt pareltjes, die aan de criteria van Guido Lauwaert voldoen : maatschappelijk relevante stukken die de onverbloemde realiteit weergeven. Heeft hij dan dit voorbije seizoen ‘Kamp Jezus’ van Wunderbaum niet gezien of ‘Nush’ en ‘Blijf/Weg’ van TG Stan of ‘Thierry’ en ‘Cement’ van Jan of, recent nog in Campo, ‘BVBA Borderline’ van Union Suspecte ? Toegegeven, het waren eerder laboratoriumproducten en geen voorstellingen van de drie grote theaterhuizen, die trouwens een andere ‘missie’ hebben opgelegd gekregen, maar drie van deze zes voorstellingen stonden toch op het programma van NTGent.
De kers op de taart van Guido Lauwaert is zijn bewering dat Jan Fabre de enige Vlaamse theatermaker is in wiens aders het bloed van Artaud stroomt (sic, tegenwoordige tijd !). Jan Fabre heeft baanbrekend werk geleverd in de jaren tachtig maar hij is het typevoorbeeld geworden van een kunstenaar die weet hoe successen te boeken. Hij is theaterpaus geworden in Avignon, werd gekroond in het ‘Louvre’, is geconsacreerd tot Doctor Honoris Causa in Antwerpen en is gerecupereerd door de rijke bourgeoisie, die zich graag laat uitschelden in ‘The Orgy of Tolerance’.
Guido Lauwaert zou zich gelukkig moeten prijzen dat hij in het Vlaamse theaterlandschap mag vertoeven. Het theater is hier betaalbaar en zeer verscheiden, zowel in aanbod als expressievorm. Er worden kansen geboden aan jonge mensen en gevestigde kunstenaars. Misschien is het de gekwelde kunstenaar in Guido Lauwaert die we te lezen krijgen en niet de onbevangen toeschouwer. Misschien moet hij weer leren genieten van het jonge groen in het landschap.
3 comments mei 11, 2009
PROLETEN EN PROFETEN (3)
Een miniserie over Socialisme
door Jef Coeck
Van de wereldrevolutie valt voorlopig niets te merken, tenzij we de aan gang zijnde crash-met-crisis als dusdanig bestempelen. Socialistische landenrevoluties waren ook al geen onverdeeld succes. De Sovjet-Unie, geïmplodeerd. Cambodja, een knekelhuis. China? Een socio-militair kapitalistisch experiment, naar men vermoedt. Het enige landje waar de socialistische staat nog enigszins overeind blijft, na een halve eeuw van stormen, is Cuba – wellicht meer dankzij dan ondanks het wereldwijd embargo.
Altijd was er wel iets in de geschiedenis dat een marxistisch scenario in de weg stond. De proletariërs wilden niet mee. De bourgeoisie sloeg te hard terug. De kapitalisten speelden vals. Of er stond een psychotische leider op die om zich heen begon te roven en te moorden.
‘Socialism has failed. Now capitalism is bankrupt. So what comes next?’, vraagt de 90-jarige Britse historicus Eric Hobsbawm zich af. (1) En hij levert meteen het antwoord: ‘De toekomst behoort, net als het heden en het verleden, aan de gemengde economieën waarin openbaar en privé op een of andere wijze verstrengeld zijn. But how? Op welke wijze?’
NOUVEAU POOR
Het is merkwaardige taal uit de mond van een belegen marxist. Want ‘gemengde economie’, dat is toch sociaaldemocratie, een compromis dat door de ware socialisten wordt verfoeid? Ook door Hobasbawm, trouwens. Hij is niet mals voor New Labour in Engeland, met zijn Third Way (2) en aanverwante partijen en praktijken in de rijke wereld van Europa, Amerika en Australasia. ‘Thatchers in trousers’, noemt hij ze, de neosocialisten à la Blair en Gordon, inclusief de Democratische Partij in de VS.
In het post-Bush tijdperk wordt er uitgerekend in de States harder dan ooit nagedacht over socialisme. In een even merkwaardige als boeiende serie artikelen geeft de linkse Amerikaanse krant The Nation een forum aan een twintigtal bekende en minder bekende denkers, met als ambitieuze opdracht ‘Reimagining Socialism’ (3), het socialisme her-uitvinden.
De reeks werd op gang geschreven door Barbara Ehrenreich en Bill Fletcher (E&F), twee bekende activisten/publicisten. Ze wilden in eerste instantie reageren tegen de infantiele gedachte dat de Amerikaanse economie met deze crisismaatregelen de linkse kant opgaat, een gedachte die ook aan de basis lag van het intussen roemruchte Newsweek-artikel ‘We Are All Socialists Now’. (4) Volgens Newsweek loert het Europese model om de hoek, de Franse variant nog wel. Het begint met de nationalisering van banken en industrieën en voor we het weten, suggereert het gezaghebbende weekblad, zijn baseballpetten en donuts op straffe van waterboarding vervangen door alpenmutsen en croissants. No kidding!
De aan gang zijnde golf van ‘nationalisaties’ socialisme noemen, is een lachertje. Het lijkt er zelfs niet op, daar zijn alle columnisten het zowat over eens. Hoe kan zo’n waanidee dan postvatten? ‘Niet vergeten dat ook een stilstaande klok twee keer per etmaal het juiste uur aanwijst.’
Verwacht mag worden dat socialisten op zijn minst een mobilisatie voor revolutionaire verandering op gang brengen, die volgens E&F “would create an infrastructure for governance, built out of – among other puzzle pieces – unions, community organisations, advocacy groups and new organisations of the unemployed and nouveau poor”.
De Nouveau Poor dus als moderne versie van de Proletariërs en als zelforganiserend tegenwicht voor de Nouveau Rich van Wall Street & Co. De productiemiddelen moeten door de opstandige samenleving gewoon in bezit worden genomen. Voilà.
Het blijft een mooie gedachte. Maar hoe onteigen je de industriële infrastructuur van het globale kapitalisme? In Marx’ tijd was het al niet simpel. Vandaag lijkt het niet meer dan een droom, of nachtmerrie, naargelang. De deelnemers aan het Forum slingeren tussen ongelovig schuddebollen en high-five, tussen noodgedwongen afkeuring en onstuitbaar enthousiasme.
NO WE DON’T
Veel valt te herleiden tot de vraag of en in hoever kapitalisme en socialisme verzoenbaar zijn. Voor Marx was dat absoluut niet het geval. Maar sedertdien lijken we er toch enigszins op vooruit te zijn gegaan? Kapitalisme en socialisme zijn allebei failliet verklaard en hebben nu tenminste een gemeenschappelijk doel: weg met het oude systeem, leve de nieuwe economie. Daardoor ontstaat de heilsverwachting van een nieuwe maatschappij. De vraag stellen is ze verleggen. Welke economie en welke maatschappij?
Gaan we voor de geest van Davos, het Wereld Economisch Forum (5), met een hiërarchisch georganiseerde uitbuiting en blijvende tegenstellingen? Of verkiezen we de spirit van Porto Alegre, het Wereld Sociaal Forum (6), met een redelijk democratische en zo rechtvaardig mogelijke verdeling? Het is een principiële en radicale keuze, zeggen de nieuwe marxen.
Of/of. Niet en/en. Nietwaar, beweren neosocialisten, er is een middenweg mogelijk al of niet bij wijze van overgang.

A better world is possible. Ongetwijfeld waar. Alleen, hoeveel slechter zal het eerst nog worden? Dat gaat vanzelf en snel, voorspellen E&F: ‘Het industriële kapitalisme heeft, met hulp van het industriële communisme, een zodanige milieuvernietiging teweeg gebracht dat onze soort samen met vele andere soorten dreigt te verdwijnen. Het klimaat verhit, olievoorraden slinken, woestijnen rukken op, zeeën rijzen, vissen sterven uit. Je hoeft geen doemdenker te zijn om te beseffen dat het volgende punt op de agenda ons eigen uitsterven is. ‘And do we have a plan, people? Let’s put it right out on the table: we don’t.’
Als we al geen plan of model voor een socialistische economie annex maatschappij hebben, een aantal principes bestaan al wel: gelijke inkomensverdeling, grotere economische zekerheid, meer respect voor de aarde, openbare controle over investeringen en technologie, en controle van de arbeiders over hun werk. Een handvol en een mondvol.
Een betere, een socialistische wereld komt er alleen door de invoering en de consequente doorzetting van een aantal keiharde economische principes, vindt Parecon (7). De beginselen en de beweging van Participatory Economics, participatieve economie, zijn nu ongeveer twintig jaar oud.
RECHT&VAARDIG
Een klassenloze en daardoor rechtvaardige economie is het streefdoel. Iedereen moet in gelijke mate participeren, zijn mogelijkheden gebruiken, zijn inkomen verhogen. Er moet gesleuteld worden aan zowel de productie als de arbeidsverdeling.
In de huidige economie bestaat er een ‘coördinerende klasse’ (advocaten, dokters, ingenieurs, managers e.d.). Zij is ondergeschikt aan het kapitaal maar staat boven de werkers. Moderne bewegingen moeten het monopolie uitschakelen van kapitalisten over de productiemiddelen, maar ook het monopolie van de coördinators over de verdeling van de arbeid.
Michael Albert, oprichter van zowel Parecon als de alternatieve mediagroep ZCom (8), streeft behalve de klassenloosheid nog na: gelijkheid, solidariteit, verscheidenheid, zelfbestuur, ecologisch evenwicht en economische efficiëntie. Plus volwaardige informatie.
Deze aspiraties worden gedwarsboomd door privatisering, corporatieve arbeidsverdeling, beslissingsmacht van de top, markten en centrale planning. Het pad naar een betere toekomst gaat gepaard met een lange mars door de bestaande kapitalistische instellingen. Er zal nog hard geknokt moeten worden over inkomen, werkvoorwaarden, beslissingsbevoegdheid, toewijzing van verantwoordelijkheden, regeringsuitgaven.
Dit is één vorm van ‘reimagining socialism’: van onderuit, lange termijn, veel sisyphusarbeid en een belangrijke rol voor de vakbonden. Een directe oplossing voor de crisis biedt Parecon niet. Sommigen noemen dat ronduit Utopisme. De eerste vereiste is nu een snelle en ingrijpende staatsinterventie, vinden nogal wat forumleden. Anders belanden we voorgoed in het ‘lemon socialism’, privatisering van de lusten, socialisering van de lasten.

Het alledaagse kapitalisme heeft, ook in zijn economische vermomming, alles te maken met culturele gewoonten, levenswijze, gender, ras en sexualiteit. Daarom wordt niet flauw gedaan over groepen die vanuit hun niche meehelpen de socialistische maatschappij dichterbij te brengen. Homo’s bijvoorbeeld krijgen meer negatieve belangstelling van de rechtse kerken dan positieve van de linkse beweging. Groepen als Queers for Economic Justice (9) dienen serieus te worden genomen.
GLOBAL GOVERNANCE
Enkele uitgangspunten blijven onwrikbaar. Hoe realistisch is het bijvoorbeeld om de globale economie te willen reguleren zonder enige centrale planning? Maar enkel met planning en afspraken op hoge c.q. internationale niveaus, dreigen we er ook niet te komen. Weinigen weten nog dat er al decennia zoiets bestaat als een Socialistische Internationale (10). Naar eigen zeggen, of althans dat van haar President, heeft de SI een heus plan bij de hand. Het heet Global Governance, globaal bestuur. Het betreft hier eigenlijk minder een stevig plan dan een zwak voornemen.
Een Commissie, voorgezeten door Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en met als lid onder vele anderen Elio Di Rupo, heeft opgeroepen tot de vorming van een nieuwe internationale financiële organisatie. De World Finance Organisation moet er komen naar analogie met de World Trade Organisation, maar mag de bestaande financiële instellingen als IMF en Wereldbank niet vervangen.
Bij monde van SI-President George Papandreou vernemen we de uitgangspunten. ‘De G20 is een stap in de goede richting maar ontoereikend. Grotere transparantie is gewenst. Strengere regulering. Sluiting van belastingparadijzen. Algemene globale normen.’
Vrome wensen dus waar zinnige mensen, zelfs de haaien van corporaties en banken, niet principieel op tegen kunnen zijn. Echte controle houdt de Global Governance niet in petto. Ze is ook allerminst bedoeld als aanzet tot een wereldregering. Maar bij mislukking heeft de SI-voorzitter wel een dreigscenario klaar. Papandreou: ‘Als we er niet in slagen de globalisatie te democratiseren, zullen fundamentalisme en populisme de overhand nemen. Als we ons niet bezig gaan houden met de sociale problemen en de mensen weten te beroeren in hun machteloze onrecht, zal er gewelddadig protest uitbreken zoals afgelopen december in Griekenland.’

Daar werd de woede geloosd met straatguerilla en gedoofd met inzet van het leger. Het staat wel vast dat de Grieks-Amerikaanse voorzitter van de SI, die ook voorzitter is van de Griekse socialistische partij Pasok, zich beter thuis voelt in Davos dan in Porto Alegre. En met hem veruit de meeste van de 170 aangesloten leden/partijen. Van sommige kan men zich zelfs afvragen of ze überhaupt in een Internationale thuishoren. De Israëlische ‘socialist’ en SI-ondervoorzitter Ehud Barak, de held van Gaza, bijvoorbeeld.
RIJKELUISSOCIALISME
Regeringen praten en handelen alsof de recessie een soort natuurramp is, die te lijf kan worden gegaan met symptoombestrijding en liefdadigheid. Dat verwijt duikt meermaals op. E&F waarschuwen: ‘Niet de markt, niet de kapitalisten, niet een elitair groepje van Überplanners laten we onze toekomst bepalen. Die moeten we voortaan zelf in handen nemen. Met drie principes voor ogen: planning, controle en solidariteit.’
Ook de uitdagingen zijn in een drievoud te vatten: Economy, Ecology, Empire. Met dat laatste worden de machtsverhoudingen in de wereld bedoeld, met of zonder behoud van het totnutoe heersende Amerikaanse overwicht. Maar de economie is veruit het meest dwingende issue.
Dat erkent ook de ervaren journalist (Los Angeles Times), professor en activist Robert Scheer, hoofdredacteur van de infowebsite Truthdig (11). Corporate Socialism, dat is wat ze ons in de maag willen splitsen, vindt hij. Dit ‘Socialism for the Rich’ is in volle opgang en niet sinds vandaag. Het presidentiële trio dat daarvoor verantwoordelijk is, bestaat uit de beide Bush-en met als trait-d’union Bill Clinton. De democraten zijn dus op zijn minst historisch medeplichtig. Een goed systeem van regelgeving, door Roosevelt ingevoerd na de Grote Depressie, is systematisch ontmanteld, afgebroken en verguisd.
En het gaat maar door. Redding van de auto-industrie? Waarom laten we ze niet rustig overgaan in handen van Japanners en Zuid-Koreanen? De regering moet er maar op toezien dat de nieuwe eigenaren zorgen voor opvang en herscholing van werklozen, hun gezondheidszorg en gewaarborgde pensioenen. Wees mild voor de werkers en haal het geld waar het zit: bij de moguls, de hoge pieten die de Amerikaanse droom aan diggelen hebben geslagen. ‘De enige reden waarom ze nog niet in de gevangenis zitten voor hun verlakkerij is, dat ze hun pleitbezorgers hebben in het Congress. Die herschrijven de wetten zodanig dat de misdaad wettelijke regel wordt.’
KLEIN IS FIJN

Als het vroeger regende in Parijs, drupte het in Brussel. Als er nu gesjoemeld wordt in Wall Street, slaat de hele wereld tilt. Amerika is onze voor- en achtertuin, onze koepel en ons fundament. Maar er is nog leven buiten States, zo vernemen we in het The Nation-forum. Veel deelnemers verwijzen naar min of meer kleinschalige experimenten of evoluties die aan de ogen van het grote publiek onttrokken blijven.
Latijns-Amerika is een broeihaard van neosocialistische ijver. De stelregel luidt: zonder actie van onderuit zal er geen verandering bovenaan komen. Met gewapende revolutie zijn de ervaringen niet bemoedigend, zie de Sandinistas in Nicaragua. De sociale bewegingen in het continent heten nu een grotere uitdaging te zijn voor dereguleerders en privatiseerders, dan de georganiseerde arbeidersbewegingen in West-Europa en Noord-Amerika. In Venezuela, Bolivia, Ecuador en Paraguay hebben die bewegingen nieuwe regeringen aan de macht gebracht met een nieuwe radicale vorm van democratie. Hier wordt geprobeerd een mix te vinden van etatistische, sociale, coöperatieve, kleine privé- en individuele ondernemingen. Van Cuba krijgen ze steun voor de installatie van gezondheidszorg en onderwijs. Als Cuba nu op zijn beurt van zijn bondgenoten leert wat politiek pluralisme is, kan het resultaat niet stuk. De instorting van de Argentijnse economie heeft geleid tot experimenten met arbeiderszelfbestuur, fabrieksbezettingen en districtsraden in Buenos Aires, waar de gezamenlijke toekomst wordt bediscussieerd. De Beweging van Landloze Arbeiders in Brazilië heeft de linkse president Lula aan de macht gebracht en weten te herverkiezen. De Zapatistas in Mexico? Je hoort er weinig van maar ze zijn er nog, nu al vijftien jaar lang (12).

Volgens activiste Rebecca Solnit moeten we niet zitten wachten op de revolutie, ze heeft al plaatsgehad. Niet het grijpen van de staatsmacht is het doel, wel het omzeilen en uiteindelijk elimineren van die macht. Het is geen wereldrevolutie maar een vorm van directe democratie. Er wordt aan gurrillalandbouw gedaan, in Detroit, in San Francisco en op andere plaatsen in de States. Coöperatieven verzorgen de basisbehoeften, voedsel om te beginnen. De revolutie slaagt bij stukken en beetjes. Nu is het zaak die beetjes te verbinden. ‘Klein is misschien niet altijd fijn, maar groot is in elk geval stom en lelijk.’ Solnits visie blijft niet onbetwist door andere Forumleden.
ENERGIEREVOLUTIE
Terug naar Europa, met Hobsbawm. Hoe komt deze oude marxist tot de verrassende conclusie dat in de gemengde economie onze enige redding ligt? Zijn dialectische redenering is helder in haar eenvoud.
De oude arbeiderspartijen, hun regeringen en beslissers, zijn verslaafd geraakt aan de vrije-marktfaveurtjes die ze jarenlang gretig hebben opgesnoven. Ze gingen echt geloven dat de kloof tussen super-rijken en de rest er niet al te zeer toe deed, omdat ‘iedereen’ er toch beter van werd? Ze geloofden dat een land kon floreren met maximale economische groei onder alle omstandigheden, plus wat commerciële gehaaidheid. Ze gingen voetstoots aannemen dat de vrije ondernemingsgewijze aanpak in alles de beste was, het model der modellen ook voor openbare diensten, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Als de zich socialistisch noemende partijen dat alvast begrijpen is de crisis niet voor niets: economische groei is geen doel maar een middel. Economische groei mag gerust een middel zijn om de inkomens en consumptiemogelijkheden van het induvidu te vermeerderen. Maar het is vooral een middel om de hoop en levenskansen van mensen en gemeenschappen te verhogen.
Hobsbawm: ‘De proef op de som van een progressieve politiek is niet privé maar publiek. Amartya Sen noemt het ‘capabilities’ (13), toename van de mogelijkheden voor alle mensen om het soort leven te leiden dat ze willen. Het betekent noodzakelijk dat de overheid beslissingen neemt die ook de privé-vermogens betreffen. De non-profitsector moet in elk geval een openbare aangelegenheid zijn, geen privé-zaak. Nergens zal dit beter te merken zijn dan in de aanpak van het grootste probleem van de eeuw, de milieucrisis. Welke naam je daar ook op plakt, het zal altijd neerkomen op meer verwijdering van de vrijemarkt in de richting van overheidsingrijpen. En de tijd speelt niet in ons voordeel.’
Zo belanden we bij de vaststelling die we, lezend over socialisme, al eerder maakten: vanaf heden gaat de toekomst – voor zover voorradig – via de weg van de energietransitie (Rik Coolsaet). En wat Karl Marx betreft? Veel van zijn analyses en voorspellingen houden stand. Maar ook Marx was een kind van zijn tijd. Medio 19de eeuw was het ondenkbaar dat er een eind zou komen aan de industriële ontwikkeling, de economische groei en de toename van het welvaartsvolume. Een eind in de zin van OP=OP, een maatschappij waarin niets meer te verdelen alleen nog te redden valt, dat ging zelfs het begripsvermogen van de oercommunist te boven.
Peter Mertens, auteur en boegbeeld van de voorheen marxistisch-leninistische Partij van de Arbeid, citeert nu met instemming de anarcho-communisten van Greenpeace in hun pleidooi voor een ‘energierevolutie in Europa’. Weinigen die aanspraak maken op het label ‘socialistisch’ zullen dat tegenspreken.
Ook veel gehoord in deze kontekst: Geen Roden zo rood als de Groenen. En over liedjes gesproken, laten we hierbij een krachtig pleidooi houden voor de wederinvoering van de Protestsong (14).
(wordt vervolgd?)
———–
SHOPPING
————-
1 Eric Hobsbawm & reacties
http://www.guardian.co.uk/commentisfree/2009/apr/10/financial-crisis-capitalism-socialism-alternatives
2 The Third Way
http://news.bbc.co.uk/1/hi/uk_politics/458626.stm
3 Reimagining socialism
http://www.thenation.com/doc/20090323/ehrenreich_fletcher?rel=hp_picks
4 Newsweek
http://www.newsweek.com/id/183663
5 World Economic Forum
http://www.weforum.org/en/index.htm
6 World Social Forum
http://www.forumsocialmundial.org.br/index.php?cd_language=2
7 Parecon/Participatory Economics
http://www.zcommunications.org/zparecon/zpareconfaq.htm
8 Z Communications
http://www.zmag.org/
9 Queers for Economic Justice
http://q4ej.org/about
10 Socialistische Internationale
http://www.socialistinternational.org/about.cfm
11 Robert Scheer
http://www.truthdig.com/
12 Zapatistas
http://www.zapatistarevolution.com/
13 Amartya Sen
http://en.wikipedia.org/wiki/Capabilities_approach
14 Woody Guthrie
http://www.woodyguthrie.org/Lyrics/Better_World.htm
Add comment mei 12, 2009
VRT VERLIEST GREEP OP DE GRIEP
SCOOPS BETAALD UIT PARTIJKAS PS?
Eigen correspondentie SvS (jc) – De niet eens zo aandachtige tv-kijker zal het zijn opgevallen dat de VRT-nieuwsdienst ongemeen sterke berichtgeving met duiding bracht over de ontwikkelingen van de Mexicaanse griep. Maar Vlaanderen lijkt het initiatief nu te zijn kwijtgespeeld.
Al kort na de aanvang, twee weken geleden toen de ziekte nog nauwelijks bekend was, werden op bevel van onze Griepcommissaris – ja, die hàdden wij – alle hotels, disco’s en kerken gesloten. In Mexico. Idem dito voor enkele scholen in New York waar loslopende Latino’s waren gesignaleerd.
Het kon niet beletten dat het H1N1-virus zich wereldwijd verspreidde. Minder snel, minder massaal, minder gevaarlijk, minder spectaculair dan de Griepcommissaris had gepland en de VRT-nieuwsdienst gehoopt. Maar toch goed voor dagenlang vele minuten zendtijd in het Journaal, in Terzake en bij Phara. Alsmede goed voor talloze interviews met de Griepcommissaris zelf. Hij voorspelde een pandemie, met miljoenen slachtoffers, zoals ten tijde van de Spaanse griep na WO I.
De naam ‘pandemie’ is niet zo slecht gekozen. Een pandemie gaat namelijk sneller als er veel gevallen zijn en anderzijds neemt het aantal gevallen snel toe omdat er een pandemie heerst. De Mexicaanse pandemie werd ook bestempeld tot ‘varkensgriep’, wat correcter is want Mexicanen zijn niet zo wereldwijd en minder pandemisch dan varkens.
Het leidde helaas tot nieuwe misverstanden. Paus Benedictus, op rondreis in het Midden-Oosten, liet zich ontvallen: ‘Them Jews and Muslims are right when it comes to pigs!’ De uitspraak was verzoenend bedoeld maar werd andermaal fout begrepen. In Egypte werden alle varkens afgeslacht, zogenaamd op bevel van het Vaticaan. In Israël bleven de varkens zitten en wel in de regering.
In elk geval was bewezen dat de hoofdredactie van de VRT volop gelijk kreeg met haar sinds lang gehuldigde stelling ‘Wij hollen niet achter het nieuws aan, wij maken het nieuws’. Het blijft een open vraag waarom het dan toch nog zolang duurde voor er een eerste Belgisch geval opdook. Aan commissaris Van Ranst zal het niet hebben gelegen, aan hoofdredacteur Bracke zo mogelijk nog minder.
MYSTERIEUS
Een gelukkig toeval had beslist dat het eerste ‘Belgische’ geval een Vlaming was, ‘een 28-jarige man woonachtig in het Antwerpse’. Of het Gentse, daarover bestaat betwisting. Hij keerde gezond en wel terug van een bezoek aan New York. Bij zijn terugkeer in Zaventem kreeg hij een folder in de hand gedrukt met informatie over wat te doen bij griepsymptomen. Reeds de volgende dag vertoonde hij ze. De folder was verspreid door het Interministerieel Commissariaat Influenza, geleid door commissaris Van Ranst.
De gebeurtenissen volgen elkaar nu snel op. Op een inderhaast bijeengeroepen persconferentie zou normaliter het woord worden gevoerd door de Vlaamse minister van Volksgezondheid, mevrouw Veerle Heeren, daar het immers een Vlaams geval van infectie betrof. Wie verscheen echter voor de camera’s, microfoons en digitale flitsers? Mevrouw Laurette Onkelinx, Federaal minister van Volksgezondheid – terwijl het slachtoffer niet eens een federalist was.
‘Gezondheidsinspecteurs van de Vlaamse Gemeenschap sporen nu personen op met wie hij in kontakt kwam’, zei de minister nog. Dat is bijkomende federale inmenging in Vlaamse aangelegenheiden. Het item werd in onverkorte vorm (7’35”) uitgezonden in het VRT-journaal, de RTBF had slechts 45 seconden ter beschikking van Laurette O.
De volgende dag, zelfde scenario bij het tweede slachtoffer, deze keer een 23-jarige man uit het Gentse. Of het Mechelse. Dezelfde persconferentie werd, met dezelfde technische storingen, uitgezonden. Logisch, want het ging om dezelfde feiten. Alleen was, geheel volgens de regels van de goede journalistiek, de toevoeging ‘eerste’ nu vervangen door ‘tweede’.
TRANSFERS
Luidens betrouwbare geruchten heeft de VRT-hoofdredactie in volle verkiezingsperiode de aan minister Heerlen (CD&V) toevallende zendtijd verkocht aan de meest biedende, in dit geval minister Onkelinx (PS). Volgens doorgaans goed ingelichte zegslieden was de vraagprijs, die ook betaald werd, 13.000 euro per maand.
Hoe komt de PS plotsklaps aan zoveel geld, terwijl Wallonië zogenaamd armtierig is? Het gaat in dit geval zeker niet om Vlaamse transfers.
Men zal zich herinneren dat de Waalse minister Donfut (PS) aangetroffen werd met zijn hand in de kassa. Hetzelfde geldt voor de Waalse excellentie Van Cauwenbergh (PS). Ook ging er geld over de toonbank voor een collectief snoepreisje naar de VS, geleid door de Waalse eminentie Happart (PS). Omdat al deze dieven op heterdaad betrapt werden, moeten zij de gestolen sommen terugbetalen. Ter herinnering, sedert het Agustaschandaal is het verboden partijgeld te verbranden.

Om commentaar gevraagd verklaarde Siegfried Bracke, het rolmodel onder de hoofdredacteuren van de VRT-nieuwsdienst: ‘Mijn naam is haas.’
Het illustreert ’s mans eruditie, deze keer op het stuk van de biologie. Hij zinspeelde ongetwijfeld op de weinig bekende soort van de Grootoorfluithaas. (zie foto)
Add comment mei 16, 2009
OUT OF AFRICA? JAMAAR…
ALLEEN DE AFRIKANEN KUNNEN AFRIKA REDDEN
door Walter Zinzen
Velen gaan ervan uit dat ontwikkelingsshulp het antwoord is op de vele Afrikaanse problemen. In hemelsnaam in deze crisistijden niet beknibbelen op ontwikkelingshulp en integendeel inspanningen leveren om eindelijk die 0,7 % van het BNP te bereiken. Het is als een dogma, waaraan niet mag worden getwijfeld: hulp helpt.

Nee dus, ontwikkelingshulp staat juist eerlijke handel, of zelfs handel tout court, in de weg. Dat is althans de uitdagende stelling van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo die, onder het motto ‘Red Afrika, schaf de ontwikkelingshulp af’, een meer dan controversieel boek heeft geschreven, dat in de internationale media heftige discussies heeft los gemaakt maar bij ons merkwaardig genoeg nog géén aandacht heeft gekregen. Dambisa Moyo heeft economie gestudeerd in Harvard en Oxford en 8 jaar gewerkt bij de prestigieuze zakenbank Goldman Sachs. Ze is al vergeleken met Naomi Klein en Noreena Hertz, de ongekroonde koninginnen van de andersglobalisten.
Moyo verwoordt naar eigen zeggen wat veel Afrikanen denken en ik citeer: ‘Waarom steunen jullie onze corrupte leiders? Zij geven ons niets, en jullie geven hen alles.’ En verder: ‘Ontwikkelingshulp is een vergif. Het wakkert corruptie aan en het smoort democratie. Afrika is niet rijker, maar armer geworden van de duizend miljard dollar die het de afgelopen zestig jaar als hulp heeft ontvangen. Dit is een humanitaire tragedie en een morele schande.’ Einde citaat. Het kan niet de bedoeling zijn om de stellingen van deze Afrikaanse passionaria hier aan een grondig onderzoek te onderwerpen maar dat ze af en toe spijkers met koppen slaat kan niet worden ontkend.
Zelf geeft ze het voorbeeld van een hulporganisatie die honderdduizenden muskietennetten uitdeelt in de strijd tegen malaria. Maar de lokale fabrikant die vijfhonderd muskietennetten per week produceert en tien gezinnen van inkomen voorziet, kan zijn tent sluiten. De gratis muskietennetten worden betaald met werkloosheid en armoede. Over enkele jaren zijn ze versleten en hebben mensen nieuwe muskietennetten nodig. Dan moeten ze weer hun hand ophouden, want in eigen land worden ze niet meer gemaakt. Wie, die ooit wel eens een voet in Afrika heeft gezet, zal beweren dat dit een uitzondering is?
Het zal vrienden van de eerlijke handel verheugen dat Moyo alternatieven heeft. Eén ervan is handel. Maar niet met Amerika of Europa: laat die met hun protectionisme maar lekker gaar stoven, zegt ze op haar eigen puntige wijze. Afrika moet zich op India en China richten. In China bijvoorbeeld is maar zeven procent van de grond geschikt voor landbouw en Chinezen hebben groeiende honger. Daar liggen volgens haar gouden exportkansen voor Afrika, kansen op eerlijke handel, als het ware. Inderdaad, een alternatief soort globalisme.
Waar mevrouw Moyo ongetwijfeld een punt heeft, is haar stelling dat ontwikkelingshulp de lokale bewindvoerders uit de wind zet en ze toelaat telkens weer opnieuw hun verantwoordelijkheid te ontvluchten. En dit ondanks de vele voorwaarden die tegenwoordig aan het verlenen van kredieten worden verbonden. De verharde weg, die de boer nodig heeft om zijn producten naar de markt te brengen, moet door de overheid, niet door donoren, worden gelegd. En als die overheid het niet doet dan moet de bevolking eisen dat ze het doet. En dat zal pas gebeuren als de gulle oompjes uit het Westen de kraan dichtdraaien, zo vindt Dambisa Moyo.
Ach, er zal op haar radicale standpunten wel een en ander aan te merken vallen. Maar één ding zouden we er toch moeten uit leren: dat de redding van Afrika alleen van de Afrikanen zelf kan komen. Dat veronderstelt onzerzijds respect voor de producent, die we een faire prijs voor zijn waar willen aanbieden, anderzijds vertrouwen in de Afrikanen dat ze ooit hun leiders tot, excusez le mot, goed bestuur dwingen. Is hier geen rol weg gelegd voor de vakbonden om ze daarbij te… juist ja, te helpen? Misschien iets om bij het genot van een glaasje Fair Trade-wijn of bij een geurig kopje Max Havelaarkoffie een gedachte aan te wijden? (WZ)
FOREIGN AID IS PART OF THE PROBLEM BUT SO IS CORRUPT POLITICS
by Francis Fukuyama
Between 2002 and 2008, sub-Saharan Africa started growing again, buoyed like much of the rest of the world by the global commodity boom and Chinese investment. Thus ended one of the most dismaying periods in the continent’s recent history, a generationlong stretch during which most countries in the region saw per capita incomes fall, sometimes to levels not experienced since the end of colonialism.
The turnaround signals the possibility of new opportunities for Africans, yet the past year’s astonishing drop in commodity prices as a result of the global recession suggests how fragile that upswing is. Nor is it clear that a political corner has been turned. The growth years have seen the outbreak of a horrific war in the Democratic Republic of Congo that has claimed more than 5 million lives, another smaller but equally devastating conflict in northern Uganda, a humanitarian catastrophe in Darfur, and the continuing tragedy of Robert Mugabe’s Zimbabwe.
In the West, the causes of and remedies for Africa’s development failure have mostly been debated by white men like Jeffrey Sachs and William Easterly, who have argued for and against massive outside assistance, respectively. Sachs has gotten help from celebrity advocates like Bob Geldorf, Bono, and Angelina Jolie. So it is refreshing to have some fresh analysis from two African women, Kenyan Wangari Maathai and Zambian Dambisa Moyo.
They are not cut from similar cloth at all. Maathai, a legislator who lost her seat in the 2007 parliamentary election, was awarded the Nobel Peace Prize in 2004 for her opposition to the regime of former Kenyan President Daniel arap Moi, and for her environmental advocacy in founding the grassroots Greenbelt Movement. She is obviously courageous: Though of Kikuyu descent herself, she called for a vote recount when fellow Kikuyu Mwai Kibaki attempted to steal the 2007 presidential election and triggered a deadly escalation of ethnic violence. Moyo, by contrast, left Zambia to attend college in the United States, and after receiving degrees from Oxford and Harvard, went on to work at the World Bank and Goldman Sachs.

Their books would seem to bear little resemblance as well. In The Challenge for Africa, Maathai offers a diffuse array of conclusions. She argues that there is no inherent trade-off between economic growth and environmental protection and that African governments should pursue both. She blames Western colonialism for devaluing African identity and culture but blames Africans as well for their bloody attachment to fractured “micro-nations.” She criticizes aid dependency and yet has no strong objections to the Sachs-Bono agenda of ramping up Western development assistance. She believes that change will have to come through grassroots activism and that Africans must embrace their own traditions.
(…/…)
Full text: http://www.slate.com/id/2217394/pagenum/all/
*Dambisa Moyo, ‘Dead Aid: Why Aid is Not Working and How There is a Better Way for Africa’, foreword by Niall Ferguson, Ed. Farrar, Strauss and Giroux, New York, 2009
(Nederlandse vertaling in voorbereiding bij Contact)
*Wangari Maathai, ‘The Challenge for Africa’, Ed. Random House Inc. New York, 2009
Add comment mei 18, 2009
BERLINER LUFT

AMERIKAANSE LOL EN TREURNIS OM BERLIJN
door Jef Coeck
Kunnen Duitsers lachen met Hitler? Ja, althans met de vettige musicalparodie van Mel Brooks’ oude cultfilm The Producers. Voor de première ervan in Berlijn had The New York Times een lang sfeerverslag over. Duitsers blijken te kunnen grinniken om joden, homo’s en nep-nazivlaggen waarop pretzels (joodse krakelingen) in plaats van swastika’s prijken. Travestieten in Dirndl-outfit wekken de vrolijkheid van Berlijners, onder wie de burgemeester. Maar als het podium bestormd wordt door stampvoetende en hitlergroetende pseudo-SS’ers valt er een merkbare kilte in de zaal.
Misschien was die scéne niet echt om te lachen, wellicht was het Mel Brooks-gehalte te hoog voor een Europees publiek? In elk geval, Berlin is now the European capital of cool net als in de Golden Twenties, besluit de NYT.
Over die roemruchte jaren twintig en dertig van de vorige eeuw heeft een ander Amerikaans talent, Jason Lutes, een prangende graphic novel vervaardigd. Het eerste deel, City of Stones, verraste enkele jaren geleden Amerika en via de vertaling nu ook ons, vanwege zijn algehele on-Amerikaansheid – als we tenminste meten met de bekende clichés.
De tekenstijl is helemaal in de traditie van Hergé’s ‘klare lijn’, hoewel Tintin nooit echt populair was in de States. Lutes is geen epigoon maar een re-inventor, zonder die zweem van gemakzucht in de late werken van de Meester. De Kuifje-lezer apprecieert een volgehouden zorg voor het detail, beheerste overdrijvingen, zorgvuldig afgewogen kadertjes, doordachte paginering, veel close-ups, geïntegreerde tekstballons, filmische zoomeffecten. En volledig zwart-wit.
Hier is een hoop research aan vooraf gegaan. De majestueuze architectuur van de Prachtstrasse wordt afgewisseld met sloppenbuurten en armoekamertjes à la Döblin (Berlin Alexanderplatz). Maar ook het keukengerei en de deurknoppen kloppen.
De cabarets, de opkomende film, het muziektheater van Weil en Brecht, ze zijn er allemaal, Mackie Messer-achtige figuren incluis. Treinen spelen een belangrijke rol in deze roman, zoals ze dat ook deden in de Weimar-republiek. Hebben we niet onthouden van onze grootooms dat Hitler ze weer op tijd liet rijden?
De overeenkomst tussen Kuifje en Kurt Severing, de hoofdfiguur in ‘Berlijn’, is vooral schijn. Allebei zijn ze journalist, leiden een wat onwezenlijk bestaan en gaan tegen de maalstroom in. Daar beginnen de verschillen. Kuifje loopt altijd goed af, van dit verhaal kunnen we het tegendeel vermoeden.
De hoofdfiguren zijn echte mensen, geen iconen. Kurt observeert, denkt en schrijft. Marthe, zijn jongere vriendin, observeert, piekert en tekent. Niet toevallig gaan tekst en tekening hier op alle niveaus hand in hand, Lutes is ook een schrijftalent. Zijn teksten zijn beheerst, welgemikt. Drammerig, soms. Poëtisch, bij wijlen. Politiek-filosofisch, de hele tijd.
De Zeitgeist is een mix van vrolijk, om het einde van de oorlog, angstig, voor het onbekende, hoopvol, voor de nieuwe toekomst, woedend, om wat verloren is, verwarrend, vanwege nieuwe technologieën, Neue Sachlichkeit en Dada, gewelddadig, door de botsende ideologieën en stuitende armoede.
Vanaf de zijlijn maar wel op een goede uitkijkplaats, beleven we mee de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de ongeïnteresseerdheid van de bijna seniele president von Hindenburg en de verbanning van Trotski uit de jonge Sovjet-Unie. De burgerij is zelfgenoegzaam, de fascistische bruinhemden fanatiek, de rode ronselaars oplettend en geduldig. Straatgevechten zijn legio.
Het is een tijd van toenemend antisemitisme, van journalistieke zelfcensuur, van stiekeme herbewapening tegen de akkoorden van Versailles in. Al die politieke gegevens zijn organisch verwerkt in een vloeiend verhaal. Romantiek en menselijk drama gaan hun natuurlijke gang. Van de bar, strompelend over bedelaars, naar bed.
Severing, de journalist die pendelt tussen participatie en observatie, wordt droef en boos over wat er in zijn stad gebeurt. Boos, als hij hoort hoe de communist Thälmann in een hitsige toespraak de sociaal-democraten tot ‘sociaal-fascisten’ uitroept. Droef, als hij ziet hoe de internationale en permanenente revolutie het af moet leggen tegen grauwe machtswellust.
Deze tekenroman is in vele opzichten, onder meer literair, een hoogstandje. Het tweede deel ‘Berlin, City of Smoke’ verschijnt eerstdaags in vertaling. Het derde deel is in voorbereiding en zal wellicht ‘City of Light’ heten. Hitler zelf zal er zijn optreden in maken, als ‘toevallige’ figurant van de geschiedenis. Zo verklaarde de auteur in een interview, begin dit jaar.
http://www.bookslut.com/features/2009_01_013875.php
*Jason Lutes, Berlijn 1. Stenen, Atlas, 2009, 24,90 euro, vertaling Toon Dohmen
Noot. Het formaat mag best iets groter, ruimer en met harde kaft. De liefhebber, voor wie het bedoeld is, wil voor wat meer luxe net zo lief 40 ipv 25 euro neertellen.
Add comment mei 23, 2009
‘EN JE WEET ALLES’ INC.
ADVISEURS EN HUN SIMPLISMEN IN MEDIA- EN POLITICOLAND
door Jef Coeck
‘Het probleem is dat sinds de oprichting van VTM al onze media vanwege de commercialisering lokale media zijn geworden, waardoor de belangrijkste ontwikkelingen van vandaag aan de mensen voorbijgaan. Niet omdat die informatie niet beschikbaar is, maar omdat voor de meerderheid tv-journaals de belangrijkste informatiebron zijn.’
De auteur van deze rake maatschappelijke analyse is geen geflipte socioloog of een van de lijst gevallen would-be politicus. Het is de door velen gewaardeerde christen-democratische ex-premier van het federale België, Jean-Luc Dehaene. En hij is nog niet klaar met zijn kritiek, in het maandblad MO*.
‘Als burgers, bij gebrek aan informatie, te zeer openstaan voor simplismen en oneliners, bedreigt dat het democratisch bestel, zoals we in de jaren dertig hebben gezien.’

We begrijpen het goed: de pers verwaarloost haar echte taken, net als in de jaren dertig, toen ze door haar lamlendigheid mee gezorgd heeft voor de steile opgang van het Derde Rijk. Zoiets dreigt nu weer te gebeuren. De reden?
‘Een pure marktbenadering in medialand is uit den boze.’
Dehaene heeft gelijk, de vermarkting IS een grote bron van kwaad in onder meer Medialand. Maar hoe zit dat met Politicoland? Heeft ze daar dan niet toegeslagen, de doorgedreven marktbenadering? Waren en zijn de spindoctors, die zich soms ook consultants of marketeers noemen, achter de schermen niet opgeklommen tot de top van partijen, kabinetten, regeringen en bestuurinstanties?
It’s a small country. De consultants van Media en Politico blijken niet zelden dezelfden te zijn. Was het niet de Spin der Spinnen, Jan Callebaut, die er in 2007 voor zorgde dat de verkeerde politicus met een totaal fout programma, dat door de CD&V van Dehaene was goedgekeurd, 800.000 ‘blancostemmen’ (Luc Huyse) achter zijn naam wist te krijgen? En belandde zo het land niet in een van zijn diepste crises sedert de jaren dertig?
Verklaarde niet een cynische adviseur Callebaut, in Humo: ‘We hadden berekend dat 40 à 50 procent van de kiezers zich kon voorstellen dat ze voor ons zouden stemmen. We hebben ons op dat deel van de bevolking geconcentreerd en we wisten perfect welke standpunten we daarvoor moesten innemen. Heel concreet: als iemand van de partij aan een debat moest deelnemen, wist die exact welk standpunt hij of zij moest vertolken. Door ons onderzoek. Want meten is weten.’
Wat zou de Opper-Adviseur der Adviseurs, Niccolo Machiavelli zelf daar zoal van gevonden hebben? Dit: ‘Iedere adviseur zal zijn eigenbelang voorop stellen, en de vorst zal niet bij machte blijken ze bij te sturen en hun bedoelingen te doorgronden. En dat kan ook niet anders, want mensen zullen altijd slecht zijn, tenzij de omstandigheden hen dwingen om goed te zijn. Mijn conclusie is daarom dat adviezen, ongeacht door wie ze worden verstrekt, deugdelijk worden als de vorst bekwaam is, niet de vorst bekwaam als de adviezen deugdelijk zijn.’ (Il Principe, hfst. XXIII, Hoe zich hoeden voor hielenlikkers).
Was het niet dezelfde Jan Callebaut, toen nog hoofd van het ‘studiebureau’ Censydiam, die in de jaren negentig de mat uitrolde voor de vermarkting van de openbare omroep, naar het voorbeeld van de nu door Dehaene gewraakte VTM?
Is het niet de VTM-isering die ervoor zorgt dat de VRT-kijker om 19 uur steevast een Journaal krijgt aangeboden dat begint met volle tien tot vijftien minuten ‘gebroken armen en benen’, of andere totaal irrelevante verhalen ‘voor de mensen’, gebracht door zelfingenomen blondines in stand-up format voor de trappen van een gerechtsgebouw, tenzij het een kale stotteraar is die bij de ingang van Wetstraat 16 de onbekende besluiten van een spoedberaad samenvat alsof het zijn eerste schoolopstel was. Informatie? My ass. En dat van Jean-Luc.
Is het niet dezelfde VRT die in haar programma’s nu Callebaut opvoert als ‘ervaringsdeskundige’ inzake verkiezingen, politieke programma’s, deugdelijkheid van kandidaten, best wetend dat de Onafhankelijke Adviseur niet langer rijdt voor loser Leterme maar voor aanstaande winner Kris Peeters?
Is het niet dezelfde nieuwsdienst die godnogtoe de gore lef heeft om bij zijn aftiteling in grote letters te blokken: ‘De redactie.be. En je weet alles’. Over vermarkting, dus.
‘Waardoor de belangrijkste ontwikkelingen van vandaag aan de mensen voorbijgaan.’
Dehaene e.a. in MO*
http://www.mo.be/index.php?id=348&tx_uwnews_pi2[art_id]=25148&cHash=26dc7fc23a
Add comment mei 28, 2009
Hoeveel is dat waard?
Een groepsshow met als thema “Value”. Spring eens binnen, mocht u in de buurt zijn. (TR)
THE VALUE-SHOW
Because in these times,
-trillions worth of value in stocks, real estate and other possessions have disappeared like smoke into thin air;
-the value of human life in many parts of the world seems to be next to nothing;
-many see a crisis of values in our society;
- questions are raised about the true value of art …
value is a concept which is especially appropriate for artistic exploration today.
That is what the artist group consisting of Debby Davis, Steve Foust, Tomas Ronse and Tattfoo Tan decided to do in their exhibition as part of this year’s Art by the Ferry- Festival (the same group exhibited in last year’s ‘festival without Tattfoo but with Tom Bogaert). The location, a closed pizza-parlor on 70 Bay Street, Staten Island is quite consistent with the theme of the show.
The four artists approach this theme in different ways:
Debby Davis, an artist who processes things that make her uncomfortable –death, decay, violence, mortality- into palatable visuals, explores the value of home. Her work in this show draws on images from towns ravaged by the economic crisis.
Tomas Ronse is a recycling artist who finds beauty in what is thrown away.His collages and assemblages are quirky and whimsical yet raise serious questions about the values of society.
Steve Foust’s work in this show is about receiving, holding and giving. Foust, who “draws with a saw”, sculpting sheets of wood, represents his sense of value by vessels with connecting channels.
Tattfoo Tan is a conceptual artist who seeks to engage his public in a collaborative practice so that art becomes a shared, ritualized experience. On each of the four days of the show, Tattfoo will create a different participatory event around a value-related theme.
2 comments mei 31, 2009
ALS MEER NIET GENOEG IS
Een interview uit mijn schuif dat nog nergens integraal gepubliceerd werd. Hoewel het al enkele jaren oud is, lijkt het me nog wel relevant. Al slaat de psychiater de bal ook wel eens mis.
Tom Ronse
DE PARADOX VAN DE OVERVLOED
U vermoedde het al: de wereld, met Amerika op kop, wordt stilaan gek. De psychiater geeft u gelijk. In zijn nieuw boek “American Mania, when more is not enough” ziet psychiater Peter Whybrow opvallende gelijkenissen tussen de hedendaagse samenleving en de symptomen van manische depressie. De vraag is: kan de patient nog genezen?
Dat Amerika soms ten prooi valt aan extreme gemoedsschommelingen, was ook deze correspondent al opgevallen. Economische booms wekken er meer euforie, recessies meer wanhoop en doemdenken dan in Europa. Na de ‘malaise’ van Carter volgde de ‘new morning’ van Reagan. Tijdens de diepe recessie die de nineties inluidde, vergeleek de Wall Street Journal Amerika met een dronkaard die snotterend aan de toog zijn zelfbeklag deed. Maar de tranen waren snel gedroogd. In de periode die daarop volgde, doorliep Amerika volgens Whybrow de vier fasen van de manisch-depressieve cyclus.
WHYBROW: Een manie begint onschuldig genoeg. In de eerste fase is er optimisme, een gevoel van verwachting en opwinding. De tweede fase –‘hypomania’- is expansief, gekenmerkt door een besmettelijke uitbundigheid en zelf-promotie. Men vindt zichzelf geweldig, gelooft dat men een unieke toekomstvisie heeft, dat men is uitverkoren voor een speciale missie. Die megalomanie voedt zichzelf en leidt tot overmoed en riskant gedrag. Dat escaleert in de derde fase waarin het vermogen tot objectief denken wegvalt. De euforie maakt plaats voor hebzucht, lichtgeraaktheid, bedrog. In de vierde fase raakt de manische vlucht uitgeput. De golf breekt, de zeepbel spat uiteen en daarna volgt een periode van kwaadheid, beschuldigingen en verwijten, depressieve zelftwijfel. In mijn boek beschrijf ik hoe Amerika in de jaren ’90 dat patroon heeft gevolgd, beginnend met het enthousiasme over de internet-boom, de verwachting van een nieuwe gold rush. De helden van de tweede fase waren ondernemers zoals Stephen Case van America Online, een internet-bedrijf wiens aandelenkoers steeg met 59 000 procent. “Het gaat niet om het geld”, zei Case, “ik wil de wereld veranderen.” Case en zijn collega’s waren de pushers maar al de anderen –de media, het publiek, de investeerders, de politici- maakten de manie mogelijk door, in hun verslaafde drang naar meer, hun oordeelsvermogen opzij te zetten en de messiaanse visie van de “new economy’ te aanvaarden. Amerika leefde in een droomwereld, in de magische verwachting dat het internet iedereen steeds rijker zou maken. Maniakale hebzucht verblindde het publiek voor het bedrog van Enron en andere ‘new economy’-reuzen op lemen voeten, dat typisch was voor de derde fase. En dan barstte de internet-zeepbel en Amerika zat met een gemene kater. De aanslag van 11 september en de oorlogen die er op volgden brachten het groeiend onbehagen in focus maar die gebeurtenissen zelf verklaren dat onbehagen niet. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat Amerika ook daarvoor al steeds depressiever, overspannen en angstiger werd. 
Wat veroorzaakt die manie?
Whybrow: De ultieme oorzaak is het feit dat wij, door wie we zijn als producten van genetische evolutie, steeds minder passen in de wereld die we onszelf gemaakt hebben. We zijn geëvolueerd in een heel andere wereld. De mens bestaat zo’n 200 000 jaar en bijna al die tijd waren we hunter-gatherers, levend van wat we konden vinden of doden. Pas in de laatste 10 000 jaar leerden we grond verbouwen en sindsdien zijn we genetisch nog nauwelijks geëvolueerd. We zijn dus genetisch gevormd in een periode waarin het onvoorspelbaar was wanneer we ons volgende maal zouden eten, waarin er bijna voortdurend tekort was. Ons lichaam is dan ook subliem uitgerust om om te gaan met tekorten maar niet met overvloed. Het heeft allerlei controlesystemen om ons te beschermen tegen te weinig maar haast geen tegen te veel, want dat hadden we niet nodig Als je bijvoorbeeld te weinig suiker in je bloed hebt, val je in zwijm en het bloed blijft naar je hersens stromen. Maar je suikergehalte kan extreem hoog worden zonder dat je wat merkt. Het grootste gevaar voor ons als jagers was gewond worden en bloed verliezen. Dus hebben we allerlei sytemen om bloedverlies te beperken maar niets tegen te hoge bloeddruk. Onze voorouders hadden te kort aan zout en vet en liepen de hele tijd rond; gevaar voor hart- en vaatziekten was er niet. Maar wij leiden een zittend leven en onze smaak is nog steeds bepaald door ons vroeger tekort aan en dus verlangen naar vet, suiker en zout. Hoe weten we dat we genoeg hebben? Ons lichaam zegt het ons niet. De instructies van onze genen zijn integendeel om naar steeds meer te streven. Als ze een groot dier konden doden, aten onze voorouders zich te pletter want vlees bewaren konden ze niet en wie weet hoe lang het nog zou duren eer ze nog eens konden eten.
Neurobiologisch zijn we egoistische genotszoekers, schrijft u. Maar verdwijnt het genot van consumeren niet als we genoeg hebben?
Whybrow: We hebben een samengesteld brein. Een deel ervan is uniek menselijk, andere hebben we gemeen met andere diersoorten. Het genetisch oudste deel, ons reptielenbrein in de hersenstam, controleert onze overlevingsmechanismen. De hersendelen communiceren met elkaar met chemische boodschappers, de neurotransmitters. Een daarvan, dopamine is genotsopwekkend en beloont het reptielenbrein voor het opmerken van nieuwe, ongewone prikkels. Dat was absoluut noodzakelijk: in onze wereld van schaarste betekenden die een kans om te eten of mogelijk gevaar. Het reptielenbrein geeft die informatie door maar interpreteert ze niet; het vertelt ons niet wat we nodig hebben en wat niet. Dat doet de frontale cortex, ons ‘mensenbrein’ waar de intelligentie zetelt. Het probleem is dat ons beloningssyteem gekaapt kan worden door een overbelasting van prikkels. Dat is wat drugs zoals cocaine doen, door serotonine, de neurotransmitter die de dopamine compenseert, te blokkeren. Hetzelfde gebeurt in de manische cyclus. We hebben een wereld gecreeerd van overvloed die ons bombardeert met prikkels, met consumptiewaren, met informatie. Ons aan stimulansen verslaafd brein kan niet nee zeggen. We kunnen niet stoppen. We blijven meer zoeken, ook als dat tegen ons belang ingaat. Het is niet omdat we meer nodig hebben maar omdat we meer verlangen dat we blijven kopen, ook al zinken we steeds dieper in de schulden. We werken steeds meer, ook al gaan we gebukt onder steeds meer stress. We eten steeds meer, ook al worden we steeds vetter en zieker…
Vooral de Amerikanen dan toch. Dat is wat vele Europeanen hier het eerst opvalt: hoeveel dikker de mensen zijn.
Whybrow: Dat klopt. In al deze aspecten gaat het met Amerika slechter dan met Europa. Het verschil werd vooral in de laatste decennia uitgesproken. Ook wat de vervetting betreft. Het percentage Amerikanen dat aan obesitas lijdt, ziekelijke zwaarlijvigheid, bleef in de naoorlogse periode ongeveer constant –zo’n 13 procent van de bevolking- tot het in de jaren tachtig begon te stijgen. Nu lijdt al 27 procent eraan en dat gaat steeds meer gepaard met diabetes. Bijna twee derden van de Amerikanen zijn te dik. Ook de scherpe toename van stress is relatief recent. Volgens officiele cijfers is het percentage Amerikanen dat aan ‘anxiety disorders’ lijdt in de jaren negentig bijna verdubbeld tot 33 procent van de bevolking. Amerikanen werken steeds meer; zes tot acht weken meer per jaar dan Europeanen. De Amerikaanse werknemer heeft een slaaptekort van 200 tot 500 uren per jaar. Zelfs de kinderen lijden steeds meer aan stress en oververmoeidheid. In 1980 was Amerika nog de grootste schuldeiser aller landen, nu de grootste schuldenaar. Er staat geen rem op; de schuld van Amerikaanse consumenten is groter dan de BNP’s van Rusland en Groot-Brittannie samen en toch blijft de consumptie stijgen en staat de spaarvoet op nul…Al die fenomenen tonen dat het overaanbod dat ons dopamine-beloningsysteem kaapt hier nog groter is dan in Europa maar ook dat Amerikanen minder in staat zijn om er aan te weerstaan.
Vanwaar dat verschil?
Whybrow: De oorzaken zijn divers maar volgens mij is er ook een genetische verklaring. Amerika is anders omdat het een migrantenland is. Migratie is een Darwiniaans selectieproces, een zelf-selectie eigenlijk, want slechts een kleine minderheid kiest om te emigreren. Je zal zeggen dat mensen er door omstandigheden toe gedwongen worden maar zelfs tijdens oorlogen en hongersnood had je maar twee procent emigranten. De rest, 98 procent, bleef liever thuis en accepteerde wat het lot hen bracht. Die minderheid die wel migreert is nieuwsgieriger, avontuurlijker, optimistischer, meer bereid om risico’s te nemen, rustelozer en meer gedreven om zich materieel te verbeteren. Dat is typisch voor mensen met een genetische variatie, de D4-7 allele, in hun neurotransmitter-receptoren. Zij hebben een overontwikkeld dopaminesysteem wat hen enerzijds beter in staat stelt om in een nieuwe, gevaarlijke omgeving te overleven maar anderzijds gevoeliger maakt voor manie. Het is mijn hypothese dat die genetische variatie typisch is voor migranten en er is research, zij het voorlopig op nog te kleine schaal, die dat bevestigt. Maar dat legt enkel uit waarom Amerika als eerste heeft ontdekt wat andere ontwikkelde landen nu ook ervaren: dat wij mensen in staat zijn om onszelf een omgeving te bouwen die zo verslavend is voor ons oeroud instinct van zelfbeloning dat we er letterlijk ziek van worden.
Europa gaat dus dezelfde weg op?
Whybrow: De manische levensstijl is in opmars in Europa. Langer werken, meer stress, meer fast food, meer pillen slikken, vervetting…vooral in Groot-Brittannie is de trend duidelijk. De modale Brit werkt een uur per dag langer en spaart drie keer minder dan een Duitser of Fransman. Hij eet meer fast food en wordt vetter; obesitas is in Engeland verviervoudigd sinds 1980. Het gaat dezelfde slechte kant op. We kunnen het overaanbod niet aan en dat maakt ons ziek en ongelukkig. De overvloed aan keuze – van voedsel, informatie, bezittingen- verwart ons. De reactie van ons natuurlijk instinct is bang zijn om een gelegenheid te missen, vechten voor ons part. Mijn boek is een waarschuwing voor Europeanen om zich niet nog meer te laten meeslepen.
Vanwaar de versnelling van het fenomeen in de jaren 1990?
Whybrow: Door de stijging van de productiviteit, het internet en de globalisering steeg het overaanbod, terwijl de sociale rem op zelfzuchtig, manisch gedrag verminderde. Egoistisch gedrag is ons aangeboren en wordt aangedreven door ons dopamine-beloningssysteem. Als ons reptiliaans brein voortdurend gestimuleerd wordt, sleept het ons mee in hebzucht, obsessief verlangen naar geld, consumptie of macht. Maar empathie en zelfbeheersing zijn niet aangeboren maar aangeleerd, zoals taal. Dat zijn functies van het nieuwere deel van ons brein, de frontale cortex. Ze zijn cultureel bepaald en dus fragieler. Zij vormen het psychisch immuunsysteem van de samenleving. De negentiende-eeuwse economist Adam Smith, de patroonheilige van het kapitalisme, begreep dat intuitief. Hij zag de markteconomie als het natuurlijk product van het aangeboren egoisme van de mens, getemperd door de moraliteit die voortvloeit uit ons gemeenschapsgevoel. Een dynamisch evenwicht dus tussen commerciele vrijheid en sociale structuren. Maar deze laatste staan onder zware druk in de geglobaliseerde economie. De banden van familie en locale gemeenschap verliezen hun vermogen om de zelfzucht in te tomen. In Amerika nog meer omdat het migrantentemperament die banden zoal verzwakt heeft. Elk jaar verhuist een vijfde van de bevolking in dit rusteloze land.
Volgens uw analyse is Amerika’s manie gecrasht en zit het land in een depressieve fase. Het zoeken naar een zondebok is daar typisch voor. Past de oorlog in Irak in die analyse?
Whybrow: Het ongeduld van de Bush-regering met de diplomatie, het bedrog dat zij gebruikte om de zaak te forceren en haar optimistische verwachting dat de klus snel geklaard zou worden zijn eerder typisch voor de manische fase. Ik vermoed dat de regering nog achter hinkt op de bevolking.
Staan we nu aan het begin van een nieuwe manische cyclus?
Whybrow: Mijn hoop is dat mensen stilaan wijzer worden en zich beginnen realizeren dat de manische manier van leven hen ongelukkig maakt. Dat ze de kloof tussen rijk en arm onaanvaardbaar breed maakt en dat zich dit vroeg of laat zal wreken tegen Amerika. Dat het ook anders kan…Dat is een mogelijkheid. Maar de kans lijkt groter dat we ons verder laten meeslepen tot een economische depressie ons doet crashen.
In de San Francisco Chronicle had Michael Roth lof voor uw inzichten maar hij vond ook dat u geen strategie aangeeft een niet-manische maatschappij op te bouwen. Ik kan hem geen ongelijk geven. Het laatste deel van uw boek, waarin u uitlegt wat we kunnen doen, leest als een anti-climax. Terwijl de problemen die u aanwijst sociaal zijn, geeft u enkel recepten voor wat mensen in hun eigen leven kunnen doen en ze klinken bovendien wat afgezaagd: onthaasten, onze appetijt intomen, meer bewegen…
Whybrow: Natuurlijk moet de maatschappij veranderen maar dat kan toch maar als de mensen begrijpen wat er misgaat. Als ze zich realiseren wat het probleem is, zullen ze wel weten wat er sociaal moet veranderen, daarvoor zijn ze intelligent genoeg. Maar mensen moeten daarop niet wachten om uit de tredmolen te stappen en hun eigen leven te veranderen. Dat lost niets op, zal u zeggen. Dat was wat een vriend van me zei tegen een man op het strand. Het was na springtij en er waren massa’s kleine visjes aangespoeld; de man schepte ze op en gooide ze terug in de zee. ‘Dat maakt toch geen enkel verschil’, zei mijn vriend. De man pakte een vis en gooide hem in het water. ‘Voor deze vis wel’, zei hij.
Maar die vissen spoelden aan door een natuurkracht waaraan we niets kunnen doen. In uw boek benadrukt u dat we de omgeving die ons ziek maakt, zelf gemaakt hebben…
Whybrow: Dat is waar, we doen het ons zelf aan en zijn dus ook zelf in staat om ons probleem op te lossen. Sommige mensen denken dat ik het enkel over de genen heb en concluderen dat dat we dus machteloos zijn tot we genetisch evolueren. Dat is onzin natuurlijk. Wij zijn meer dan onze genen.
Dank zij onze frontale cortex hebben wij het uniek vermogen om uit onze ervaring te leren en die kennis aan elkaar over te dragen. We kunnen niet wachten op mutaties, we moeten ons leren aanpassen aan onze nieuwe omgeving voor het te laat is.
Is uw stelling, dat er een conflict is ontstaan tussen de wereld van schaarste die ons gemaakt heeft en de wereld van overvloed die wij gemaakt hebben, niet ook van toepassing op onze economische en politieke instellingen? Zoals eten overeten wordt en tot ziekte leidt, wordt produceren overproduceren wat tot crisis leidt. Vereist het tijdperk van de overvloed niet een economie op andere grondslagen?
Whybrow: Het is precies dit soort vragen dat we ons moeten stellen. Mijn hoop is dat steeds meer mensen zich dergelijke vragen gaan beginnen stellen, over alle aspecten van de samenleving. Dat we meer en meer tot het collectieve inzicht komen dat onze nieuwe omgeving van ons een nieuw manier van leven vereist, omdat instant-genot en geluk niet hetzelfde zijn.
—————————
Peter Whybrow: American Mania: When more is not enough, Uitgeverij W.W. Norton, New York 2005, 338 pagina’s, 25 dollar.
Whybrow is professor in psychiatrie en ‘bio-behavioral science’ aan de UCLA (universiteit van Californie, Los Angeles) en directeur van het Semel Institute of Neuroscience and Human Behavior. Hij is een expert in manische depressie en de endocrinologie van het centrale zenuwstelsel.
Zijn bekendste boeken zijn ‘A Mood Apart: A Thinker’s Guide to Emotion and its Disorder’ over manische depressie en ‘The Hibernation Response’ over de ‘winter-blues’.
Add comment juni 5, 2009
75 KAARSJES VOOR ALBERT II
HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
Het bezwaar tegen een erfelijk koningschap is heel simpel. Het betekent dat ieder Nederlands kind vanaf zijn geboorte weet dat zij of hij alles kan bereiken, behalve de hoogste functie.
Het betekent dat men in de hele wereld ons als een middeleeuwse staat ziet.
Het betekent dat we altijd afhankelijk zijn van een toevallige troonopvolger.
Als dat een verkrachter, leugenaar, dief of machtswellusteling blijkt te zijn, moeten wij dat met veel moeite weer rechtstrijken. Maar vooral: het erfelijk koningschap is strijdig met de Rechten van de Mens, met het Europese Handvest en met onze grondwet.
Al die plechtige verklaringen zeggen dat geen mens enig privilege kan ontlenen aan zijn geboorte.
Laten we ons daaraan houden, dan is de koningin morgen verdwenen.
De miljarden die haar familie, sinds ze in 1813 onder de schulden in Scheveningen aan land spoelden, heeft bijeengesprokkeld, mag ze meenemen.
Piet Grijs, Vrij Nederland, 14 september 1996
3 comments juni 6, 2009
BERLINER LUFT REVISITED
HITLERMUSICAL TUSSEN MELIG EN PLAT
door Walter Zinzen
Het satirisch meesterwerk van Mel Brooks, een geschenk van de showbusiness-goden, anarchistisch, respectloos, geen taboe uit de weg gaand : dat zijn een paar van de slogans die de musical “The Producers” bij zijn doortocht in Berlijn begeleiden. Ik heb er een voorstelling van bijgewoond in de naïeve gedachte dat in die musical Hitler en het nazisme over de hekel zouden worden gehaald.
Toen anderhalf uur na het begin het doek viel voor de pauze was er nog in geen velden of wegen een Hitler te bekennen geweest. Van enig bedrog kan Mel Brooks niet worden beschuldigd. Hij heeft zijn musical zeer terecht “The Producers” genoemd. Daar gaat ie inderdaad over : twee aan lager wal geraakte Broadway-producers hebben , denken ze, een patent middel bedacht om de fiscus op te lichten en zelf bakken poen te scheppen .
Geen hit hebben ze nodig maar een flop. (Voelt u de humor komen?) Dus gaan ze op zoek naar het slechtste scenario ter wereld. Dat blijkt “Frühling für Hitler” (Lente voor Hitler) te zijn, geschreven door een verknipte Beier (München! Berchtesgaden!). Volgt een parodie op alle clichés over Beieren, compleet met Lederhosen en jagershoed.
De Berlijners, toch al nooit grote minnaars van de Vrijstaat geweest, lachen zich te pletter. Maar de Beier vertrouwt de producers niet. Ze willen zijn held toch niet belachelijk maken? Nee, zeker niet, zo verzekeren de producers hem : “We willen de wereld de ware Hitler tonen, de Hitler van wie de mensen houden”. Humor!
Inderdaad, er wordt wat af gelachen in deze musical. Zo lopen de producers constant met zijn tweeën tegelijk door een te smalle deur, zodat er één, altijd dezelfde, tegen de stijl aanbotst. Laurel en Hardy draaien zich om in hun graf. Maar dan meldt zich een Zweedse lellebel , die als secretaresse alle problemen voor de producers zal oplossen. Waarom een Zweedse? Voor de humor natuurlijk! Een geniale vondst , zo blijkt. Als haar naam gevraagd wordt komen een halve minuut lang Zweedse klanken uit haar bevallige mond. Dat is zo geestig dat ze de hele musical door voortdurend haar naam moet zeggen. Het Berlijnse publiek vindt het geweldig.

Na de pauze blijkt de lellebel het bureau van de producers een nieuw verfje te hebben gegeven. Op de vraag wanneer ze dat gedaan heeft, antwoordt ze met haar leuk Zweeds accentje : “Tijdens de pauze”. De zaal komt niet meer bij. En dan, eindelijk, is het moment suprême aangebroken : der Führer kommt ! De producers hebben er de “slechtste acteur” aller tijden voor gevonden : een homo.
Met een knipoog naar Leni Riefenstahl ontplooit zich nu een inderdaad magistrale scène. Vooreerst worden we vergast op wulpse danspasjes, uitgevoerd door sexy meisjes gehuld in laarsjes en ultra korte broekjes met koppelriem en armband –annex- muts met hakenkruis. Waarschijnlijk is dit het ogenblik dat tijdens de première de vaandels werden uitgerold waarop het hakenkruis vervangen was door een bretzel. Wij hebben die vaandels niet gezien. Censuur?
Veel tijd om er over na te denken hadden we niet, want we hadden al onze aandacht nodig voor de adembenemende vrouwen die uit de hemel neerdaalden, slechts gehuld in twee ridderkruisen op de borsten en een adelaar op de plaats waar dames gewoonlijk een slipje dragen. De zaal lacht, klapt en stampt.
Vervolgens wordt de Bühne gevuld met tientallen in SS-uniform gestoken mannen en vrouwen, die als marionetten in het gelid over het toneel evolueren. En dan volgt de apotheose : de homo die krampachtig Hitler parodieert . Waarna het afgelopen is. Het publiek is uitzinnig . Goed gemutst volgt het de rest van de musical die opnieuw de wederwaardigheden van de producers vertelt : een flinterdun verhaal met een mooi evenwicht tussen melige en platte grappen .
Op een voorstelling die om en rond de twee uur en half duurt, hebben we hooguit twintig minuten Hitler-“satire” gezien. Maar over die 20 minuten was er veel opwinding in de internationale pers, rond die 20 minuten is de hele reclamecampagne gebouwd, met die 20 minuten is Mel Brooks naar eigen zeggen de enige Jood geworden die aan Hitler veel poen heeft verdiend. Maar waren die 20 minuten ook een “satirisch meesterwerk”?

Tegelijk met de musical loopt in het Joods Museum in Berlijn een tentoonstelling over de moord op 700.000 mentaal en fysiek gehandicapten in de eerste jaren van het nazi-regime, een vingeroefening voor de uitroeiing van Joden, zigeuners, homo’s en politieke tegenstanders. De blikvanger is een door Hitler eigenhandig ondertekende brief waarin hij “toestemming” geeft om zieke of gehandicapte mensen de “Gnadentot” te verlenen.
Kun je over zo’n obsessionele massamoordenaar eigenlijk wel “satire” maken? Charlie Chaplin, misschien. Maar Mel Brooks? No way. Keineswegs, zou Adolf gezegd hebben.
Nog tot 19 juli in Admiralspalast, Unter den Linden, Berlijn.
Add comment juni 8, 2009
LEDEBERG EN ERGER
Wie hoopte dat we de hoogste graad van desinformatie hadden bereikt in de afgelopen campagneweken, is met een smak weer op de grond beland. Het kan altijd erger.
‘Dader straatmoord in Ledeberg was geseind en van Turkse afkomst.’ Hij had ook nog een car gejackt. Dat ‘nieuws’ heerste de hele vrijdag, op de radio, in het tv-journaal, als opening van de Knack-nieuwsbrief . Het vond ook gretig aftrek in de zaterdagse kranten, de kwaliteits- incluis. Maatschappelijke relevantie: nul.
De openbare omroep had er zowaar nog een sexueel delict, sorry mogelijk sexueel delict, onder de leerlingen van een Evergems internaat tegenaan gekwakt. Een woordvoerster liet weten dat jongeren onder elkaar feiten hadden gepleegd, maar welke, ho maar, dat is aan het gerecht om uit te maken. Het Gerecht? Even leek het erop dat de Roze Balletten hun come-back hadden gemaakt. De minister van onderwijs beloofde een audit, althans overleg naar het onderzoek over de wenselijkheid van een mogelijke audit. Nieuwswaarde: zero.
Was er die dag dan geen topoverleg geweest bij Opel Antwerpen, met overnemer Magna? Hadden de vakbonden niet openlijk hun afkeer van de N-VA als regeringspartij te kennen gegeven? Waren in Iran geen belangwekkende verkiezingen gehouden? Stonden Afghanistan en Pakistan niet langer op ontploffen? Ja, dat was allemaal wel het geval, maar het kon moeiteloos tien minuten of langer wachten tot ‘de mensen’ hun portie sex en geweld hadden verorberd, om dan opgelucht terug te keren naar hun trog met avondchips.
Toen het zover was en iedereen de knop had omgedraaid kwam eindelijk Iran aan de beurt. De opkomst van de kiezers was massaal, de stembussen werden met uren vertraging gesloten, het was de belangrijkste gebeurtenis sedert Khomeini, president Ahmedinajad kon zich vermoedelijk alleen met fraude nog handhaven, de sfeer onder ‘de mensen’ was gespannen – dat alles vernamen wij van een blakende reporter Rudi Vranckx, ontspannen in de camera blikkend vanuit de studio. Te Brussel. Hij was weliswaar persoonlijk aanwezig geweest te Teheran maar, om een reden die de kijker niet werd onthuld, voortijdig teruggekeerd.
Bij dit itempje ontbrak het niet aan nieuwswaarde noch maatschappelijke relevantie maar nu bleef de verslaggeving weer haperen. Het is ook nooit goed. Gelukkig had de radio Jef Lambrecht uitgestuurd, die ook de volgende dag live kon berichten over de ware Iraanse gebeurtenissen.
Terloops, Lambrecht is niet te beroerd om het goede ouderwetse klankbeeld-plus-duiding in een overwogen en evenwichtige vorm te verkiezen, boven het fluttige stuidiogesprekje waarbij vanuit Brussel de verkeerde vragen worden gesteld zodat er geen tijd overblijft voor goede antwoorden. No kidding.
Laat ons a.u.b. weer snel nieuwe verkiezingen hebben, zodat er tenminste een schijn van rechtvaardiging bestaat voor het permanente falen van de vrt-nieuwsdiensten. Verkiezingsnood breekt nu eenmaal wet. Nog liever de informatievis verdrinken, dan helemaal geen vis.
De verkiezingsshows mochten dan veelvuldig, saai en weinig relevant zijn, ze leverden tenminste een revival van de Muppets op. Vooral het duo Brackler & Waltorfs – from the balcony overlooking the show – werd zeer gesmaakt. Met name door de hh. Bracke en Torfs.
3 comments juni 13, 2009
HOEVEEL IS DAT WAARD? (2)
Hier enkele van mijn bijdragen aan de recente ‘Value-show’ (zie: <a href=") met uitleg, in het Engels. (Tom)
Lost Souls

Ingredients: found trunk, shoes and soles found on Staten Island beaches, Laotian paper lampshade made of the bark of the mulberry tree.
Lost souls is a meditation on the cheapness of life. It is a monument to the thousands of immigrants who die each year, asphyxiating in trucks, drowning in the mediterranean sea, the Atlantic ocean or the gulf of Mexico, dying of thirst in the deserts of North-Africa, of Texas and Arizona. These men, women and children were big and small, young and old. All unique, like the soles in this work. Like these soles, these souls are lost; nobody remembers them.
Shoes are used, in art as well as in political events, to represent missing persons. In demonstrations against the war in Iraq for instance, empty boots were used to represent soldiers who died in the war. In this work, most shoes are so worn out that only the soles remain, as is often the case in the long hardeous trek of undocumented immigrants. The battered trunk symbolizes their voyage, the light the escape they desperately seek from darkness and misery.
Like these soles, the people they symbolize have become worthless. Because they cannot sell their labor power, they have no value. We have to rediscover the true value of people and things, by stopping to see them as money.
The adoration of value

Ingredients: Altar (made in 1992, consisting of wood, neon, found objects, iron dust, acrylic mdium, oxidants) and bread and excrement, dehydrated, on Laotian money and covered with shredded 20 dollar-bills, courtesy of the Federal Reserve Bank of New York.
Whatever things are circulating in the cycle of value, what we really see and worship is the money that sticks to them.
A collection of cans

Ingredients: found Ikea-shelf, cans found on Staten Island beaches, found pillows.
Everything is collected in this world. In his book ‘Descent of Man’ (Penguin Books, 1978), T. Coraghessan Boyle tells a story about a man who collects cans and roams the earth in search of the rarest specimen. His “trophy room boasted an unblemished copy of every american can produced in the past four decades”.
The cans in my collection are anything but unblemished. His cans were worth a fortune, mine have no value. But which are more beautiful, more interesting? My cans have gone through a lot, they have a story to tell. I keep picking them up, wiping the sand from them, polishing them with my sleeve. I will need to find another shelf soon.
Why do we have the urge to collect? According to psychiatrist and neuroscientist Peter Whybrow, author of “American Mania: When more is not enough” (Norton, 2005), the reason is that our brain was formed during times of almost constant scarcity. The permanent threat of having too little, lead to a genetic encouragement of eating too much, of collecting possessions. But while we are made by a world of scarcity, we have created a world of potential abundance. We need to change. Guided by instincts, we become fatter and sicker, we stupidly continue to collect more money and things, even if we have more than we could possibly could spend or use.
1 comment juni 17, 2009
DE RECHTVAARDIGE WREVEL VAN LAMBRECHT
“Zoiets ja.”
Gebeurt dat met slaande deuren?
”In ieder geval met wrevel. Op de VRT-nieuwsdienst hebben ze zich de afgelopen jaren vooral met de vorm beziggehouden. Dat gebeurde trouwens niet alleen bij de audiovisuele media, maar ook bij de geschreven pers. Er is een afglijding naar de vorm ten koste van de inhoud. Ik kan mij de tijd niet meer herinneren dat er op onze redactie nog een ernstig debat was over de vraag: waar zijn wij mee bezig, hoe zijn we daarmee bezig, houden we echt nog wel de vinger aan de pols, waarom berichten we zo weinig over de wereld? Tot nader order lijkt mij dat de wereld voor een petieterig land als België, laat staan Vlaanderen, overweldigend is. Toch zie je dat het aandeel van die buitenlandverslaggeving wegsmelt.”
Was het vroeger dan zoveel beter?
”Ik heb het anders geweten. Ik denk dat het veel te maken heeft met de opkomst van kabeltelevisie en van wereldoverspannende netwerken die hun formats hebben opgelegd: snelle babbels, zo weinig mogelijk analyse. Bij ons heeft een van de hoofdredacteurs die aanpak zelfs bij decreet opgelegd. Een item van drie minuten waarin je uitlegt wat er in de Swatvallei in Pakistan gebeurt: ‘Neen, mag niet, dat is ouderwetse radio en daar doen we niet meer aan mee.’ Wat hoor je vandaag in onze zogenaamde duidingsprogramma’s? Luchtige, snelle babbels. Met als gevolg dat toen de Amerikaanse hypotheekverleners Freddy Mac en Fannie Mae in september vorig jaar plots staatssteun vroegen, dat nieuws gewoon niet in het ochtendjournaal werd opgenomen. Terwijl dat moment het startpunt was van de huidige financieel-economische crisis. Met het argument dat dit verhaal te ingewikkeld was, liet de VRT het economische nieuws van de eeuw schieten. In de plaats werd het ochtendnieuws geopend met een item over een bus met kinderen waarvan de chauffeur onwel was geworden, waarna een oplettende leidster de bus veilig aan de kant van de weg had gezet. Tja. Wat moet je daarop zeggen? De verhoudingen zijn zoek.
”Tot op zekere hoogte begrijp ik mijn hoofdredacteurs wel. Zij hebben nog maar één imperatief en dat is een commercieel imperatief: hoe vangen we de concurrentie een vlieg af, hoe kunnen we onze luister- en kijkcijfers verhogen? Je ziet het ook telkens weer na grote gebeurtenissen. Na de Europese en regionale verkiezingen krijg je op de Reyerslaan enkel felicitaties wegens de hoge kijkcijfers. Alsof dat het enige is wat telt. Ik vind dat een medium, en zeker een medium dat door de gemeenschap wordt gefinancierd, bereid moet zijn om desnoods een deel van zijn publiek te verliezen ter wille van de journalistieke standaard. Je moet kunnen zeggen: ‘Wij blijven staan voor kwaliteit, whatever happens.’ Als er andere zenders zijn die iets anders willen doen, dan is dat hun goed recht. Maar wij blijven staan voor datgene waarvoor we uiteindelijk worden betaald: een zo goed mogelijk journalistiek product leveren. Uiteraard moet je je boodschap op zo’n manier brengen dat het publiek blijft luisteren en kijken.”
Ging u over deze kwestie het debat aan met uw voormalige grote baas Siegfried Bracke?
”Wel, er zijn sommige mensen met wie ik een open conflict heb en daardoor kreeg ik voor sommige programma’s de facto een beroepsverbod.”
Een beroepsverbod?
”Ja, dat is zo. Je zal mij bijvoorbeeld nooit op Terzake zien verschijnen. Omdat ik daar niet mag verschijnen. Maar natuurlijk, mijn tijd zit er ongeveer op en ik ben niet zo gek om een strijd te voeren waarvan ik toch het gevoel heb dat het een verloren strijd is. De gedachte dat alleen de kijk- en luistercijfers van tel zijn én de opvatting dat die cijfers afhankelijk zijn van de graad van trivialiteit zijn ondertussen gemeengoed geworden. Je hebt intussen een jonge generatie journalisten die opgefokt is met het geloof dat het nieuws bestaat uit plotse sneeuwval, ramkraken, familiedrama’s en botsingen in de mist. Zulke items zijn voor hen belangrijker dan wat dan ook.
”Maandag heb ik tot mijn verbijstering gemerkt dat het tv-journaal met Teheran begon. Het was eeuwen geleden dat er nog eens een buitenlands onderwerp vooraan in het nieuws zat. Hetzelfde geldt voor de radiojournaals. Wat was gisteren nummer één bij het radio- en tv-journaal? Juist, het feit dat het programma FC De Kampioenen in 2011 ophoudt. Ik geef het je op een briefje dat hetzelfde item in 2011 opnieuw nummer één zal zijn in de journaals. Het is bijna komisch. Maar je kunt toch niet om de vraag heen: wie bedriegt nu wie? Wie houdt wie voor de gek?”
Wie houdt wie voor de gek? Kunt u die vraag beantwoorden?
”Kijk, ik ben ervan overtuigd dat ook het Belgische publiek meeleeft met de gebeurtenissen in Teheran. Dat betekent dat er echt wel een publiek is voor ernstig nieuws. Wat je nu merkt, is dat men uitgaat van de veronderstelling dat het publiek alleen maar aan te spreken is in de onderbuik. Dat het publiek een amorfe, hersenloze massa is die je vooral niet op een verstandige manier mag benaderen. Ik vind dat een beschimping van het publiek. Als je de kwestie vanuit democratisch oogpunt bekijkt, vraag ik me af wie er garen spint bij het dom houden van de mensen? Dit is natuurlijk een gedroomd scenario voor populisten en extremisten.”
Ziet u in de uitslag van de recente Vlaamse verkiezingen een bewijs van uw stelling?
”Zonder meer. Hoeveel weken zijn er niet geweest dat Jean-Marie Dedecker drie à vier keer op televisie te zien was? Over Bart De Wever zullen we maar zwijgen. Die dankt zijn overwinning aan De slimste mens. De VRT heeft die mensen groot gemaakt. Toen Philip Dewinter onlangs tegen De Wever zei dat die zijn succes te danken heeft aan het ‘Huis van Vertrouwen’ had hij voor één keer gelijk.”
Moeten de programmamakers van De slimste mens meer rekening houden met hun politieke impact?
”Dat lijkt me vanzelfsprekend. Maar mij gaat het niet zozeer over de programmamakers. Het is de hele VRT die zich over deze evolutie moet bezinnen. Maar ik denk niet dat dat zal gebeuren. De top zal het pad van het populisme verder bewandelen, ook in de politieke berichtgeving.”
Vreest u niet dat u met uw kritiek in het hoekje van de zeurende maar voorts ongevaarlijke bromberen zult worden gezet?
”Ik sta niet alleen. Ik heb gemerkt dat veel collega’s mijn mening delen. Wat ik ook heb gemerkt, is dat nogal wat collega’s bij een intern onderzoek hun teleurstelling hebben geuit over het feit ze op de redactie niet meer vrijuit kunnen discussiëren. Dwarse meningen worden afgestraft. Dat vind ik een zorgwekkende ontwikkeling. Een redactie waar het vrije debat over de journalistieke kerntaak niet meer mogelijk is, daarvan moet je je afvragen of ze niet beter de boeken zou sluiten. Als er nu één werkplek is waar er voortdurend discussie zou moeten zijn, is het toch wel een nieuwsredactie. Als men dat opgeeft, als men enkel champagne drinkt als er weer eens een kijkcijferrecord gebroken is, dan zitten we goed fout. Er wordt op de VRT nooit champagne gedronken als het inhoudelijk eens echt goed is geweest. Neen, er moeten cijfers worden voorgelegd.”
Denkt u niet dat die slinger opnieuw de andere kant aan het uitgaan is?
”Sommigen zeggen dat. Ik heb daar ooit een discussie over gevoerd met Hugo Claus. Ik was ook van die mening. Ik dacht: ‘Het komt wel weer goed.’ Maar Claus zei: ‘Geloof het niet, het zal nog veel erger worden.’ Hij was ervan overtuigd dat de trivialisering een onomkeerbare ontwikkeling was. Ik heb daar lang over moeten nadenken maar uiteindelijk heb ik Claus gelijk moeten geven.”
Terugblikkend op uw carrière: hoe zou u zichzelf als journalist omschrijven? Het woord oorlogsjournalist doet u steeds gruwelen.
”Maak van mij alsjeblieft geen oorlogsjournalist. Dat zou ik gênant vinden. Iemand die zichzelf als oorlogsjournalist omschrijft, meet zich een aura aan dat nergens op slaat. Om te beginnen sta je als journalist zelden of nooit in de voorste linies. Ik heb in Bagdad weleens een vuurgevecht gezien, ik ben ook weleens overvallen geweest door kerels van Al Qaida. Dat maakt van mij nog geen oorlogsjournalist.
”Fotograaf Robert Capa, dát was een oorlogsjournalist. Hij nam samen met de soldaten deel aan de landing in Normandië. De correspondenten ten tijde van de oorlog in Vietnam, dát waren oorlogsjournalisten. Maar als oorlogsjournalisten de figuren zijn die ik onmiddellijk na de val van Saddam Hoessein in Bagdad heb gezien, dan haak ik af. Die mensen droegen een helm en een kogelvrije vest, in hun ene hand hadden ze een laptop en in hun andere hand een vuurwapen. Dan denk ik: ‘Neen, met die mensen wil ik niets te maken hebben, dat is een andere gilde.’ Ook omdat ze zichzelf steeds in het midden van het beeld plaatsen. Het gaat niet over de gebeurtenissen die ze verslaan, maar over hun eigen persoon. De personalisering van het nieuws, de journalist die belangrijker wordt dan het nieuwsfeit, je ziet het steeds meer.”
U vertrekt weldra bij de VRT, maar u blijft journalist. Wordt het boek uw journalistieke asiel?
”Goh, ik ben 32 jaar lang zeer graag journalist geweest. Ik vind dit een van de mooiste beroepen ter wereld, misschien wel het mooiste. Je komt overal, je zit op de eerste rij, je hebt een vrijkaartje voor de wereld. Voor iemand die gepassioneerd is door de wereld is dat fantastisch. Maar het is natuurlijk wel zo dat er naast de journalistiek ook nog een wereld bestaat. Ik heb in mijn jonge jaren lang geaarzeld tussen dit beroep en het kunstenaarschap. Ik heb een heel oude hang naar schilderen. Schrijven is voor mij een latere ontdekking geweest. Hugo Claus, hij alweer, heeft me er altijd toe aangezet om ook fictie te schrijven. Ik heb hem weleens beloofd dat ik dat zou proberen, maar tegelijk wist ik dat romans mij niet echt liggen. Ik wilde altijd over de werkelijkheid schrijven. Maar in de toekomst wil ik het weleens proberen, fictie schrijven. Niet dat ik de ambitie heb om de wereld te verrijken met onwaarschijnlijke meesterwerken, maar ik wil toch eens zien wat het oplevert. Voor de rest blijf ik geweldig geïnteresseerd in de wereld en zal ik die blijven volgen. Daarom blijft journalistiek mijn grote roeping. Maar een van de mooiste dingen waar ik naar uitkijk, is dat ik me weldra opnieuw zal kunnen storten op mijn grote oude passie: de beeldende kunsten. Als beoefenaar en als waarnemer. Ik ga schilderen.”

NASCHRIFT:
De ironie van het lot heeft bepaald dat al deze behartenswaardige dingen over inhoud en vorm te lezen staan in een krant die zelf geen onbesproken blad is in termen van popularisering, commercialisering, inspraak en personeelsbeleid. Dat is de zegen van een vrije pers: de eigen fouten kunnen niet (helemaal) verborgen blijven zolang er nog andere waakse media bestaan.
Eerder werden onfraaie praktijken bij De Morgen blootgelegd in vrt-programma’s, met name bij Phara. En als dat niet helpt, is er altijd nog de blogging community. Maar we zouden het hier even niet over Iran hebben. (JC)
4 comments juni 21, 2009
60 JAAR VROUWENKIESRECHT? NONSENS
Het is een mooie maar in nagenoeg alle opzichten foute kop. Het algemeen enkelvoudig stemrecht voor vrouwen werd in België ruim 61 jaar geleden ingevoerd, bij wet van 27 maart 1948.
Al in 1919 werd een beperkt stemrecht voor vrouwen van kracht, namelijk voor oorlogsweduwen en moeders van gesneuvelde soldaten. De Grote Oorlog had zijn spoor getrokken en het stemrecht voor de zwaarst getroffen vrouwen gold als een soort verdrietscompensatie van staatswege. Het maakte meteen de mentaliteit van bestuurders en wetgevers duidelijk: in hun ogen waren verkiezingen geen democratisch recht – ook niet voor mannen – maar een voorrecht, verleend door de elite.
In 1920 werd de wet uitgebreid tot vrouwenstemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen. Een jaar later mochten vrouwen gaan kiezen voor zowel gemeente- en provincieraden als voor het parlement. Zich kandidaat stellen mochten ze voorlopig alleen voor gemeenteraden en schepenambten.
Er was kennelijk een Tweede Wereldoorlog nodig om alle vrouwen volwaardig stemrecht te geven. In 1948, dus.
Vanwaar dan dat ronde getal 60? Op 26 juni 1949 werden de eerste verkiezingen gehouden na de invoering van de kieswet van 1948. Zestig jaar geleden konden Belgische vrouwen dus voor het eerst hun volle stemrecht uitoefenen. De socialisten wonnen er meer bij dan de katholieken en dat was voor beide partijen een verrassing.
Overigens is het stemrecht in België sedert 1893 (algemeen en meervoudig) onlosmakelijk verbonden aan de kiesplicht. Dat is ook weer het foute woord. In feite gaat om een opkomstplicht: de stemmers moeten zich melden bij hun kiesbureau, maar behouden het recht om blanco of ongeldig te stemmen. Immers, de stemming is geheim. (jc/mcp)
Add comment juni 27, 2009
ZWANENZANG IN –MEER
In de Metropolitan heeft afgelopen weekend de bedaagde diva Nina Ananiashvili afscheid van haar publiek genomen. Zij deed dat op de meest klassieke wijze, met een volledige uitvoering van de hoofdrol in Tsjaikovsky’s Zwanenmeer. Voor een ballerina is 46 bedaagd.
De recensie van The New York Times is weer een pareltje van zalven en slaan. De productie was ‘foolish’. Het American Ballet Theater van Kevin McKenzie bakte er niets van. Maar de danseres wordt uitvoerig geprezen om haar laatste prestatie, waarin ze ‘de zool van haar voet tot een verrukkelijk onderdeel van het schouwspel maakte’. Bovenal, ‘her emotion demonstrated the humility of the true artist’.
Nina Ananiashvili is een Georgische die in het Westen haar carrière kon uitbouwen dank zij de glasnost van de jaren tachtig. Zij is nu bevriend met de Georgische presidentiële familie Saakashvili. (jc)
Add comment juni 30, 2009
Lessen uit de Financiële Crisis
door Marc Coucke
Wanneer je een zware crisis meemaakt wil je die doorgronden en ga je op zoek naar antwoorden op vragen over de oorzaken en de gevolgen en wat er moet gebeuren om dergelijke crisissen te voorkomen.
Bij mijn zoektocht naar inzicht ben ik eerst terecht gekomen bij een goede oude bekende : John Kenneth Galbraith (1908-2006). Galbraith schreef in 1954 al het bekende boek ‘The great crash 1929’, een goede beschrijving van de omstandigheden die leidden tot de Wall Street crash van 1929 en de daarop volgende depressie.
Vele zaken zijn vandaag zo herkenbaar : speculatie met geleend geld, luchtbellen (toen heette het nog ‘froth’ of bierschuim), het geloof dat er een nieuw tijdperk was aangebroken en dat de bomen nu tot in de hemel gingen groeien, de daarop volgende daling van het consumentenvertrouwen en het gebrek aan orders in productiebedrijven.
Minder bekend maar nog meer toepasselijk op de huidige crisis is een klein boekje dat hij schreef in 1990 : ‘A short history of Financial Euphoria’. Hierin betoogt hij dat speculatie en financiële euforie van alle tijden zijn : van de tulpen-manie in Holland in 1630 tot de moderne financiële wereld. Wat steeds terugkeert is de mentaliteit van de kudde : ‘mass insanity’ en ‘mass escape from reality’. Men is ervan overtuigd dat ‘de markt’ dank zij de financiële innovatie naar een steeds hoger niveau kan klimmen. De mensen die in de markt opereren hebben er belang bij om die illusie hoog te houden en op de duur geloven ze er zelf in en de anderen zijn ervan overtuigd dat die financiële whizz kids toch over een buitengewone intelligentie moeten beschikken. Zij hebben er geld voor over om in hun gezelschap te mogen vertoeven, zoals in het recente geval Madoff.
Galbraith is pessimist en reikt geen oplossingen aan. Het financiële geheugen van de mensen is zeer kort en na één generatie staan nieuwe jonge mensen op met frisse ideeën die het wiel opnieuw gaan uitvinden. Hij predikt in de woestijn : financiële innovatie bestaat niet. Het gaat steeds om het creëren van een schuld die in mindere of meerdere mate gedekt is door een ‘bezit’.
Wie wel oplossingen aanreikt en de huidige crisis zag aankomen als een structurele crisis van het monetaire systeem is Prof. Bernard Lietaer. Hij denkt al meer dan 40 jaar na over geld en als academicus (vooral in de USA) durft hij dieper graven (zoals die andere professor Thomas Greco in ‘Money’). Hij doet heel pertinente vaststellingen, die het algemeen aanvaard systeem in vraag stellen en reikt haalbare oplossingen aan, die hij nu helpt te implementeren, want hij is van mening dat de huidige crisis ook een unieke kans biedt om grondige hervormingen door te voeren.
In oktober 2008 heeft hij een ‘white paper’ gepubliceerd over de ‘Systemic Bank Crisis’ (zie www.lietaer.com). Hij legt uit dat het monetair systeem kan beschouwd worden als een organisch netwerk. De duurzaamheid (sustainability) van elk organisch systeem hangt af van de efficiëntie en de weerbaarheid of veerkracht (resilience) van het netwerk. Efficiëntie wordt gedefinieerd als de capaciteit van het netwerk om de taak uit te voeren op een georganiseerde en efficiënte manier zonder de integriteit van het systeem aan te tasten. De veerkracht is de capaciteit van het systeem om externe schokken op te vangen en gepast te reageren. Beide zijn noodzakelijk opdat het systeem op lange termijn zou overleven maar niet in dezelfde mate.
Het opmerkelijke in zijn betoog is dat uit waarnemingen van natuurlijke systemen blijkt dat het optimale punt van duurzaamheid dichter aanleunt bij de veerkracht dan bij de efficiëntie (zie figuur), m.a.w. dat de weerbaarheid van het systeem belangrijker is voor de duurzaamheid dan de efficiëntie. Op zijn website staat ook een artikel dat deze stelling wetenschappelijk en mathematisch onderbouwt. Zowel de efficiëntie als de veerkracht zijn afhankelijk van de diversiteit (verschillende soorten knopen in het netwerk) en de interconnectiviteit (het aantal onderlinge verbindingen tussen de knopen) maar op een andere manier. Het is duidelijk dat de efficiëntie het grootst is (en het systeem ook het meest kwetsbaar) als het netwerk gestroomlijnd is en er maar één kanaal is tussen twee knopen waarlangs slechts één soort flow moet passeren. De veerkracht daarentegen is des te groter naarmate de diversiteit en het aantal verbindingen toeneemt. Het netwerk is niet duurzaam en zal ten onder gaan indien het systeem overhelt naar ofwel enkel weerbaarheid ofwel enkel efficiëntie.

Toegepast op het monetaire systeem stelt Prof. Lietaer dat alles gericht is op efficiëntie ten nadele van de veerkracht. Er is slechts één echte wereldmunt, de US Dollar (USD), en twee andere munten die nog meetellen, de Euro en het Britse Pond. Alle transacties gebeuren hoofdzakelijk in die munten en het financiële netwerk is ook zeer efficiënt.
Het grote nadeel van die alles overheersende efficiëntie is dat het systeem zeer broos is, zoals deze crisis aantoont. De hele wereld is afhankelijk van wat gebeurt met de USD. China zit op een berg spaargeld (2.000 miljard USD), hoofdzakelijk belegd in Amerikaanse staatsobligaties. Indien zij hun spaargeld omzetten in een andere munt zakt de koers van de USD wegens de verkoopsdruk. Indien de USA de inflatie laten oplopen tot bij voorbeeld 10% per jaar om sneller hun schulden te kunnen afbetalen is de USD en dus ook het spaargeld van China elk jaar 10% minder waard.
De financiële crisis heeft ook aangetoond dat het efficiënte financiële netwerk dat exclusief loopt via de banken kan stilvallen wanneer de banken geen vertrouwen meer hebben in elkaar. Prof. Lietaer stelt daarom dat, om het monetair systeem duurzaam te maken, het noodzakelijk is om meer weerbaarheid/veerkracht in te bouwen door te diversifiëren. Hij pleit al jaren voor ‘complementaire munten’ die er niet op uit zijn de bestaande efficiënte munten te vervangen maar die een complementair bestaansrecht hebben. Het aantrekkelijke in zijn betoog is dat het niet wereldvreemd of revolutionair is.
Het is niet wereldvreemd omdat die complementaire munten al op 4000 plaatsen bestaan (www.transaction.net). Het volstaat te denken aan de ‘air miles’ die ‘Frequent Flyers’ krijgen en waarmee ze vliegtuigtickets of andere goederen kunnen kopen. In Zwitserland bestaat de alternatieve munt WIR al sinds 1934 (www.wir-bank.ch) en ze wordt door een zeer groot aantal Zwitserse bedrijven onder elkaar gebruikt. Dit Zwitserse systeem is uitvoerig bestudeerd en het is gebleken dat het anticyclisch is. Wanneer het slecht gaat in het normale financiële circuit wint het aan belang en omgekeerd.
Het voorstel van Prof. Lietaer is ook niet revolutionair omdat het op een eenvoudige manier kan geïmplementeerd worden. Een munt is tenslotte niets anders dan een akkoord in een gemeenschap van mensen om ‘iets’ als ‘wisseleenheid’ te gebruiken. We gaan er allemaal vanuit dat we niet anders kunnen dan de Euro te gebruiken in België maar dat is niet zo. We kunnen met een groep mensen besluiten om onder elkaar voor een aantal zaken een andere wisseleenheid te gebruiken. De Stad Gent steunt een project, waaraan Prof. Lietaer meewerkt, om de haalbaarheid van de introductie van een lokale munt te onderzoeken (www.gent.transitie.be)
Het voorstel van Prof. Lietaer heeft veel andere implicaties en is gebed in een bredere context. Het geld dat wij gebruiken is schaars en wordt gebruikt in een competitieve economie. Wanneer wij geld lenen van de bank moeten wij dat op termijn terugbetalen met interest. Om dat te kunnen terugbetalen moeten wij in competitie gaan met anderen om werk te vinden of moeten wij als bedrijf de concurrentie aangaan met andere bedrijven om de producten aan de man te brengen.
Het volstaat niet dat wij in onze moestuin groenten kweken om in ons onderhoud te voorzien. Wij moeten die ‘algemeen aanvaarde munt’ in handen zien te krijgen om te kunnen deelnemen aan de competitieve economie.
Sommige mensen, zoals de werklozen of de gepensioneerden, krijgen dat ‘algemeen aanvaard geld’ moeilijk in handen alhoewel ze over tijd en talenten beschikken.
De complementaire munten laten toe in een gemeenschap van mensen een systeem op te zetten dat niet op competitie is gebaseerd : een coöperatieve economie, waar aan de werkelijke noden van de mensen kan voldaan worden door ongebruikte talenten in te zetten. Deze complementaire munten zijn per definitie niet schaars : we creëren er zelf zoveel als we willen bijdragen tot de coöperatieve economie.
Een voorbeeld van een efficiënt systeem dat aangevuld wordt met een complementair systeem is onze gezondheidszorg. Het systeem van de gezondheidszorg is goed georganiseerd in België. Het gaat van de eerstelijnshulp (huisartsen, CAW’s, 101, enz.) tot specialisten en klinieken en RVT’s, enz. Het wordt gecomplementeerd door een diversiteit aan officiële en vrijwillige initiatieven zoals zelfhulpgroepen, mantelzorg, zelfmoordlijn, enz. Dit zorgt ervoor dat de gezondheidszorg als systeem meer weerbaarheid heeft. Het is in dat complementaire systeem dat complementaire munten zouden kunnen ingevoerd worden.
Dit sluit aan bij de belangrijke vraag hoe lang wij kunnen doorgaan op de ingeslagen weg. Onze economie en onze hele levenswijze (de ‘manische levensstijl’ van psychiater Whybrow) is doordrenkt van het motief ‘groei’. De mythe van de vooruitgang is dat alles moet groeien : ons inkomen, onze welstand, onze bedrijven, het Bruto Binnenlands Product, enz. Deze groei wordt bewerkstelligd en in stand gehouden door het creëren van nieuwe (soms onnatuurlijke) behoeften. Zonder groei zitten we in een crisis.
Een recent rapport ‘Prosperity without growth’ van de door de Britse regering gesponsorde Sustainable Development Commission en dat kan geplukt worden van hun website (www.sd-commission.org.uk) durft deze groei in vraag stellen en toont aan dat er alternatieven bestaan. Het rapport stelt eerst dat we op deze manier niet verder kunnen gaan. Indien we verder blijven groeien zoals in de laatste 50 jaar zijn alle grondstoffen uitgeput tegen 2100 en is het leven onmogelijk gemaakt door de uitstoot van CO² gassen. Nieuwe technologie of massaal gebruik van zonne-energie alleen zullen niet volstaan om het tij te keren. De groei intomen hoeft niet te betekenen dat we er slechter aan toe zullen zijn.
Het is bewezen dat vanaf een bepaald punt verhoogde welstand geen bijkomend geluk of welzijn betekent en in het Westen zijn wij op dat punt gekomen. We kunnen nu zelfs spreken van een ‘sociale recessie’ : groeiend onveiligheidsgevoel, vertrouwensbreuk politieke apathie, enz.
We moeten daarom afstappen van de obsessie naar groei en ‘welstand’ en ons richten naar wat ons welzijn werkelijk verhoogt. Alles wijst erop dat we gelukkiger zouden zijn en een duurzamer leven leiden wanneer we streven naar intrinsieke waarden zoals zelfaanvaarding en het zoeken naar een gemeenschapsgevoel eerder dan de extrinsieke waarden zoals populariteit, imago en financieel succes.
Openbloeien als persoon of als gemeenschap kan op een duurzame wijze zonder economische groei. Het houdt wel in dat de overheden een ander beleid zullen moeten gaan voeren en dat alle burgers hun levensstijl aanpassen.
1 comment juli 3, 2009
GEWAPEND NAAR DE KERK

door Tom Ronse
Om de ‘Fourth of July’ (de nationale feestdag) te vieren, had Ken Pagano, de dominee van de New Bethel Church in de Amerikaanse staat Kentucky, dit jaar iets bijzonders bedacht: een religieuze dienst waarop de gelovigen uitgenodigd werden om gewapend naar de kerk te komen. Om het nog leuker te maken werd er een geweer verloot onder de kerkgangers. “Zonder een diep-geworteld geloof in God en in vuurwapens, zou dit land vandaag niet bestaan”, verkondigde Pagano vanop de preekstoel.
Wapens in de kerk? Wringt dat niet een beetje? “Absoluut niet”, zegt dominee Pagano, “pacifisme is optioneel voor christenen. Het is geen vereiste.” Natuurlijk kreeg hij veel kritiek van christenen die daar anders over dachten en kwamen aandraven met citaten uit de bergrede en andere uitspraken van Jezus die lijken te bewijzen dat de stichter van het christendom echt wel elke vorm van geweld verafschuwde. Anderzijds, wie Jezus’ advies volgt en de boom naar zijn vruchten beoordeelt, kan niet anders dan dominee Pagano gelijk geven: pacifisme is blijkbaar optioneel voor christenen.
Er zijn nog veel andere zaken die optioneel zijn voor Amerikaanse christenen. Zoals alles is religie een markt in dit land en geen gat in die markt blijft lang ongevuld. Amerikanen zijn geloviger dan Europeanen maar ze veranderen ook veel gemakkelijker van kerkgemeenschap. De concurrentie tussen de kerken is dan ook veel scherper. Dominees en andere pastoors sturen hun boodschap voortdurend bij om klanten te lokken en hun niche in de markt te vinden.
Als reclamestunt van een klein bedrijfje met weinig middelen was de gewapende eredienst in de New Bethel Church bijzonder geslaagd. Het initiatief kreeg nationale en zelfs internationale weerklank. Wapenfanaten uit heel het land kwamen dominee Pagano hun solidariteit betuigen. Pagano heeft het niet slecht bekeken. De combinatie God en vuurwapens zit in de lift. De economische crisis heeft het hier zo al prominente gevoel dat de Apocalyps niet ver af meer is, nog aangewakkerd. De verkiezing van Barack Hussein Obama is het zoveelste teken aan de wand dat er turbulente tijden op komst zijn. De National Rifle Association (NRA) heeft vorig jaar vele miljoenen besteed in een poging om die verkiezing te beletten. Dat lukte dus niet maar haar angstcampagne -“Obama wilt uw wapens confisqueren”- had wel degelijk een impact. Een maand na Obama’s verkiezing was de wapenverkoop al met 40% gestegen. De vraag naar munitie werd zo groot dat vele winkels ze moesten rantsoeneren. De NRA zegt dat haar ledenaantal met 30% gegroeid is sedert Obama president werd. Dominee Pagano, zelf ook een NRA-lid, kan dus hopen op een groeiende kudde.
Ondanks recente incidenten zoals de moord op een abortus-dokter door een religieuze fanaat (in een kerk) en de moord op een wachter van het Museum of the Holocaust in Washington door een racist, wordt de controle op het wapenbezit in de VS steeds slapper. In veel staten mag je nu bijna overal wapens dragen, zelfs in bars, restaurants en kerken. Groepen die ijveren voor wapencontrole klagen steen en been dat de politici hen geen gehoor meer geven. Obama inbegrepen. Want hij mag dan nog steeds de boeman zijn voor de wapenbezitters, hij heeft hen nog geen strobreed in de weg gelegd. Integendeel: vorige maand plaatste hij zijn handtekening onder een wet die wapendracht in de nationale parken toelaat. Obama heeft andere prioriteiten . Voorlopig is hij wars van alles wat de steun aan zijn anti-crisisplan zou kunnen ondermijnen.
Add comment juli 7, 2009
ROYALE REKENKUNDE
door Jef Coeck
Als het goed is wordt nog voor de vakantie in de Senaat gedebatteerd over ‘Dotaties aan leden van de Koninklijke Familie’. De kans bestaat dat het voorstel-Van Den Driessche met grote instemming wordt begroet door de senatoren – onder wie van rechtswege de koningskinderen Filip, Astrid en Laurent.
Het voorstel is een fel ingekrompen versie van wat ooit een republikeinse reflex moet zijn geweest. Van die reflex valt geen spoor meer te bekennen. Van enige kritiek op de spilzucht van het Vorstenhuis evenmin. Het nieuwe voorstel heeft alle kenmerken van een magistrale zet door opperdiplomaat Albert II. En wel hierom.
De voorgestelde veranderingen zullen pas ingaan bij het aantreden van de volgende koning. Alle partijen die deze regeling goedkeuren stemmen dus uitdrukkelijk in met het ongehinderd voortzetten van de erfelijke monarchie. Tot in de derde generatie, zo blijkt bovendien. De royalty-watchers gaan er immers onbeschroomd van uit dat prinses Elisabeth, oudste dochter van kroonprins Filip, ook de facto bestempeld wordt tot eerste opvolger van het nog te introniseren eerstvolgende staatshoofd. Alsof dat niet betwist noch betwistbaar was.
De wet-of-wat-het-ook-wordt raakt op geen enkele wijze aan de macht van de koning als staatshoofd. Ook de ceremoniële functie blijft onveranderd.
Die zogenaamde wijzigingen dan. Brengen ze meer democratie aan de top van het landsbestuur? Maken ze een einde aan biologische en andere voorrechten die in wezen ongrondwettelijk en anti-humanitair zijn? Integendeel, ze behouden de oude voorrechten en voeren er nieuwe in.
Geen enkele dotatie van enig koninklijk familielid wordt afgeschaft of verminderd. Albert en Paola behouden hun ruim 10 miljoen euro per jaar. Fabiola haar 1,6 miljoen. Filip en Mathilde hun 1 miljoen. Prinsis Astrid en Prins Laurent worden doorbetaald à rato van 350.000 elk. Dit alles dubbel geïndexeerd.
De toestand van de prinsen en prinsesjes die geen officiële uitkering krijgen, blijft ongewijzigd op één belangrijke vernieuwing na: Gabriël, Emmanuel, Eléonore, Amadeo, Maria Laura, Joachim, Lusia Maria, Laetitia Maria, Louise, Nicolas, Aymeric en wie er dankzij een gezegende procreatiedrift nog zoal bij mochten komen in de clan der Saxen-Coburgs, zullen voortaan kunnen schnabbelen op staatskosten.
Het aanbod van ‘opdrachten in ’s lands belang’ is groot: lintjes, kransen, scholen en tehuizen, in loco. Staats- of sportlieden, personaliter. Vlaamse kermissen, Waalse stoeten, Brusselse Ommegancks et omnia vanitas. Elk dorp heeft wel zijn festival of bedevaart en ze willen allemaal op tv. Het entertaingehalte van prinselijk bloed wordt voortaan in harde munt betaald. De tarieven zijn nog niet bekend.
Wat vinden onze kwaliteitskranten? ‘Een ingrijpend en verheugend compromis’ (De Morgen). ‘Aanvaardbare oplossing’ (De Standaard). ‘Revolutionair’ (Het Laatste Nieuws). Kennelijk komen een paar collega’s in lijn voor een lintje. Oud-collega, thans senator Paul Van Den Driessche, ooit nog republikein, krijgt een mini-troontje in het park van Laken.
Je hoort weleens beweren dat een president duurder zou uitvallen dan een monarchie. Weet iemand wat Obama verdient? Het is common knowledge in Amerika: 400.000 dollar. Per Annum. Omgerekend 287.880 euro, dat is een fractie van Fabi.
Add comment juli 8, 2009
MORISCO & FLAMENCO

Andalousië en Vlaanderen vroeger en nu
door Jef Coeck
Wanneer wordt een migrant een ingezetene? Hoeveel tijd gaat erover heen om van een allochtoon een autochtoon te maken? Eén jaar, vijf jaar, vijf generaties, duizend jaar? Het enig juiste antwoord luidt: ‘nooit’. Er is altijd wel een meetlat te vinden om de uitkomst te vervalsen, om de verschillen in vetjes te zetten op de papieren van voormalige sans-papiers.
In de 17de eeuw bestond een groot deel van de plattelandsbevolking in Spanje uit Morisco’s. Dat zijn Spanjaarden van Arabische afkomst, die een variant van de islam beleden. Negenhonderd jaar lang leek de integratie van de Moorse afstammelingen min of meer behoorlijk te zijn geslaagd. Tot de zeer katholieke vorst Filips II de troon besteeg. Hij ontwaarde een ‘Moriscoprobleem’, uiteraard in de naam van God.
Met de hulp van de ook bij ons gerenommeerde Hertog van Alva werden plannen tot ‘eindoplossing’ gesmeed. Een van die plannen ging aldus. Alle moslims zouden op schepen worden gezet, richting Noord-Afrika. Maar, omdat daar al zoveel ‘ongelovigen’ woonden werd er een fase-2 aan toegevoegd. Eens in volle zee zou men gaten in de kielen slaan, zodat de opvarenden naar de kelder gingen. Dit voornemen van uitdrijving bleek onuitvoerbaar vanwege ambitieuze militaire plannen: de hele vloot moest worden ingezet om de opstand in de Nederlanden te bedwingen. Schepen waren zelfs voor de rijke Spaanse koning te kostbaar om mee te morsen.
Uitstel is geen afstel. Zoon Filips III pikte het plannetje weer op en voerde het uit, zonder fase-2 maar wel met een precisie die vergeleken is met de jodenjacht onder de nazi’s. Morisco’s kregen een overall verbod, op hun godsdienst, op taalgebruik, muziek, klederdracht – de hoofddoek incluis. ‘Aanpassen of opkrassen’, was de kreet van de Vorst – een man die kennelijk voor was op zijn tijd.
Over heel Spanje ging het om 908 dorpen. In sommige van die dorpen waren maar drie cristianos viejos (niet-verplicht bekeerde christenen): de pastoor, de notaris en de kroegbaas-herbergier. De rest moest grotendeels verwijderd worden, op wat werkkrachten na. Voor het Vaderland. En ook kinderen onder de vier mochten blijven. Die waren nog bekeerbaar. Voor de Heer.
Mythes
De etnische zuivering duurde zo’n drie maanden. Het landleger verzamelde de Morisco’s in de dorpen en groepeerde ze in colonnes. De slachtoffers moesten een uitvoerbelasting op hun goederen betalen en zelf opdraaien voor kost en logies onderweg. Ook de lonen van de troepen waren voor hun rekening. Ze moesten bovendien betalen ‘voor het water dat ze drinken uit de beken en de schaduw die ze genieten onder de bomen’.
Alle pittige details zijn bekend uit de geschriften van Ahmad al Hajari, een van de laatst overgebleven Morisco’s van de zuivering in 1609. Hij schreef een soort autobiografie.
Die heeft Lucas Catherine als uitgangspunt genomen voor zijn jongste boek, een historische tocht door al Andalus, met veel en interessante cultureel-politieke zijpaden.
Terloops worden onze vooroordelen bijgevijld. De onzin van een term als ‘joods-christelijk’ in verband met onze cultuur, bijvoorbeeld. ‘Een mythe’, noemt de Amerikaans-joodse Talmoedspecialst Jacob Neusner dat.

En is het niet de huidskleur die de wet bepaalt, dan wel de godsdienst, of een grote neus of scheve ogen. Als het tenminste niet gewoon om de spelling van een naam gaat of om – godbetert – de uitspraak van een gutturale medeklinker. Het verschil tussen ‘sch’ en ‘sk’ kan levensbepalend zijn.
Daar maken ze dan later een nationale feestdag van. Prettige 11 juli.
*Lucas Catherine , ‘Morisco’s/ Een vergeten etnische zuivering in Andalousië’, EPO, Berchem, 2009
Add comment juli 11, 2009
KARNAVAL IN HET MOMA
Het volgende stuk verscheen eerder, in een licht gewijzigde versie, in De Morgen. De krant had wel de mooiste zin uit het artikel geschrapt. Kan u hem vinden? (TR)
Door Tom Ronse
“Een kaskraker”. “Een artistieke mijlpaal”. “Een tentoonstelling die de bakens zal verzetten.” “Een show die hem eindelijk de faam zal geven die hij verdient.” “Een evenement dat Vlaanderen internationale weerklank zal geven.” Te oordelen aan deze citaten, bijeengesprokkeld op de persopening, zijn de verwachtingen van de organisatoren en sponsors van de James Ensor-retrospectieve in het Museum of Modern Art in New York hoog-gespannen.

De tentoonstelling omvat 127 werken die vijf zalen vullen op het hoogste verdiep van het Moma. De rode draad is chronologisch maar binnen dat tijdskader zijn de werken thematisch gegroepeerd. Zo zien we in de eerste zaal de jonge Ensor zoeken naar een eigen stijl, naar een nieuwe manier om het licht weer te geven. Verder zien we hoe zijn tekentechniek, met vibrerende lijnen die de contouren vervagen, zijn schilderstijl helpt losmaken van de invloed van zijn realistische voorgangers en tijdgenoten. Zijn palet explodeert, gedempte tonen maken plaats voor felle, heldere kleuren; zijn verbeelding grijpt de macht en verbijstert de toeschouwer. Op een muur zijn Ensors zelfportretten samengebracht, andere zijn bevolkt met zijn wereld van maskers en geraamten. 
Tenslotte wordt er aandacht besteed aan Ensor de satirist, de sociaal-anarchistisch geinspireerde criticus van de Belgische samenleving op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, waar stakingen bloedig worden onderdrukt en de machthebbers (letterlijk, in een van Ensors prenten) op de koppen van het gewone volk kakken.
“Het verhaal van Ensor wordt hier op een schitterende manier verteld”, vindt Paul Huyvenne, de directeur van het Antwerpse museum van Schone Kunsten KMSKA. “Deze tentoonstelling zal de bakens verplaatsen en de internationale belangstelling voor Ensor ongetwijfeld vergroten. Dat is goed voor ons museum, want wij hebben de grootste Ensor-collectie ter wereld. Wij zijn ook de grootste uitlener aan deze tentoonstelling.”
Naast werken uit het KMSKA hangen er vele andere die de bezoeker van de grootste Belgische musea bekend zijn. Ze hebben het gezelschap van Ensors uit musea en private collecties uit heel de wereld. Maar zijn grootste en bekendste schilderij –‘de intrede van Kristus in Brussel’, geborsteld in 1889- is er niet bij. Ensors meesterwerk hing meer dan 30 jaar in het KMSKA toen het in 1986 werd het gekocht door het Getty-museum in Los Angeles, een met oliedollars vetgemeste prive-instelling. Die weigert het werk uit te lenen. Niet helemaal ten onrechte, volgens Herwig Todts, de Ensor-specialist van het KMSA. Het enorme doek is fragiel en bekleedt een centrale plaats in de Getty-collectie. Het vertrek van dit werk was voor de Vlaamse overheid de aanleiding om het ‘top-stukkendecreet’ in te voeren om te verhinderen dat nog meer cruciale werken in prive-bezit het land zou verlaten. Toch had de verkoop volgens Huyvenne ook een positieve kant omdat Ensors bekendheid in Amerika erdoor groeide.
James Who?
Toch is die nog altijd niet bijster groot. “Als ik vertelde waar ik mee bezig was, werd ik vaak aangestaard met lege blikken”, vertelt Anna Swinbourne, de curator van de tentoonstelling. “Mensen vroegen: ‘James Who?’ Voor vele Amerikaanse kunstminnaars is hij nog onbekend en onbemind.”
Het valt te betwijfelen of deze tentoonstelling er zonder Swinbourne gekomen zou zijn. Zij werd door het Ensor-virus gebeten toen ze, terwijl ze studeerde aan de ‘Ecole du Louvre’, Belgische musea bezocht. “Hoe meer ik zag, hoe meer ik me afvroeg waarom hij niet bij de allergrootsten werd gerekend”, zegt ze. Toen ze later curator werd bij het Moma stond een Ensor-show bovenaan haar verlanglijstje. En Moma-directeur Glenn Lowry luistert naar zijn curatoren.
Waarom was Ensor zo belangrijk? “Hij was iedereens voorloper”, zegt Swinbourne. “Ik zeg altijd: kijk naar de datum.” Ze wijst op een schilderij uit 1886 van kinderen die zich aankleden, dat normaal in het museum voor Schone Kunsten in Gent hangt. “Mensen zeggen: dit lijkt een Bonnard en dat klopt maar het is wel 10 jaar eerder geschilderd dan Bonnards gelijkaardig werk. Zo kun je doorgaan. Er zijn werken die door een Duitse expressionist zouden gemaakt kunnen zijn en andere die dada of surrealistisch lijken maar ze zijn allemaal aanzienlijk vroeger ontstaan dan die stromingen. Ook op technisch vlak was Ensor een vernieuwer. 
Hij was bijvoorbeeld een pionier in het gebruik van collage en in het aanwenden van fotografie als bron voor zijn composities. Hij experimenteerde voortdurend.” Ze glimlacht. “Ik hou ook veel van zijn anarchistische humor”, zegt ze, “ van zijn zelfspot. Dat kunnen jullie Belgen toch goed nietwaar, met jezelf lachen?” “Niet genoeg, Anna”, zeg ik, “we hebben meer Ensors nodig”.
Maar hoe beantwoordt ze de vraag die ze zich als studente stelde: waarom is Ensor niet bekender? “Juist omdat zijn werk zo origineel en divers was dat hij niet te klasseren valt”, zegt Swinbourne. “Hij past niet in het klassieke verhaal waarin de artistieke stromingen elkaar netjes opvolgen en dus wordt hij eruit gesloten. Maar dat onvatbare vind ik juist deel van zijn appeal”.
Huyvette heeft gelijk: Swinbourne heeft Ensor op schitterende wijze gepresenteerd. De tentoonstelling kan de internationale belangstelling voor de Oostendse kunstenaar behoorlijk opkrikken, te meer omdat ze na drie maanden in New York verhuist naar het musee d’Orsay in Parijs waar ze blijft tot februari 2010. Later dat jaar, het 150ste sinds Ensors geboorte, zullen de Vlaamse musea klaar staan om van de verhoopte verhoogde belangstelling voor Ensor een graantje mee te pikken. Het KMSKA zal in de zomer van 2010 in samenwerking met BOZAR in Brussel haar volledige Ensor-collectie tonen en in het najaar plant het MSK Gent een Ensor-show.
Vlaming?
“Flanders House”, de in februari geopende pied-a-terre van de Vlaamse overheid in New York, is de voornaamste sponsor van de Ensor-tentoonstelling. Moma vroeg om een bijdrage van 200 000 euro, uiteindelijk werd het 150.000. De federale overheid deed een meer bescheiden duit in het zakje. “Deze tentoonstelling is een aanzienlijke investering, ook voor de Belgische belastingsbetaler”, merkte Herman Portocarrero, de Belgische consul in New York op.
In ruil hiervoor oogt het logo van Flanders House prominent in de cataloog en de reclame. Verder krijgt Flanders House het privilege van prive-begeleidingen te houden voor potentiele investeerders, Vlaamse economische delegaties en andere bezoekers. De hoop is dat tentoonstelling zal helpen om Vlaanderen ‘op de kaart te zetten’. Volgens Frank Verpoorten, de culturele woordvoerder van Flanders House, zou het sponsorschap ook helpen om toekomstige uitwisselingen tussen Amerikaanse en Vlaamse musea gemakkelijker te maken. Flanders House is ook van plan om een retrospectieve van de schilder Luc Tuymans te sponsoren die in september begint in Columbus en in 2010 verhuist naar San Francisco en later naar Dallas (in 2011 komt die show naar de Bozar in Brussel) alsook een tentoonstelling gewijd aan de Vlaamse renaissance-schilder Jan Gossaert, eind 2010 in het Metropolitan Museum in New York.
Maar was Ensor, wiens vader een Engelsman was en wiens voertaal Frans was, wel een Vlaming? “Ensor woonde tenslotte bijna heel zijn levengrootste deel in Oostende”, zegt Philip Fontaine, de directeur van Flanders House. “Hij was een Vlaming. Hij zette die typisch Vlaamse kunsttraditie voort van opstandige spot, donkere humor en sociale kritiek van Breughel en Bosch.”
Maar Ensor zelf schreef: “Vlaamse kunst bestaat niet meer: ze is dood, echt dood.” Hij had gelijk”, zegt Herwig Todts, “na Breughel is er geen typisch Vlaamse kunst meer. Rubens was een volgeling van de Italiaan Titiaan, Ensor zelf was meer geinspireerd door de Spanjaard Goya dan door Breughel of Bosch. Ensor was geen Vlaamse kunstenaar maar niet omdat hij geen Nederlands kende –dat was niet zo ongewoon in de Vlaamse kleinburgerij in die tijd. Hij verstond wel dialect; in het VRT-archief is er nog een filmpje waarin hij een liedje zingt in plat Oostends. Maar hij was een Europese kunstenaar, zijn werk is te situeren op een kruispunt van Europese stromingen”.
En toch. Er zijn elementen in zijn werk –de combinatie van mystiek en platvloerse pret, van grotesk en ingetogen, van navelstaren en sociale bewogenheid, van bijtende spot en hallucinatie- die de herkenbaarheidsfactor extra-groot maken voor wie net als hij uit dat absurde landje bij de noordzee komt. Nu nog zien of de Amerikanen er wild van worden.
JAMES ENSOR. Museum of Modern Art, 11 West Street in Manhattan. Van 28 juni tot 21 september. Openingsuren: van woensdag tot maandag, 10.30 u tot 17.30 u, vrijdag tot 20u, dinsdag gesloten. Website: www.moma.org. Van 19 oktober tot 4 februari is de tentoonstelling in het Musee d’Orsay in Parijs.


Add comment juli 15, 2009
LEONARDO
ALLE KRANTEN:
Leonardo Notarbartolo, beter bekend als het brein achter de Antwerpse diamantkraak van de eeuw, is drie maanden na zijn vrijlating opnieuw opgepakt. De 57-jarige Italiaan werd in Milaan in de boeien geslagen met een kilo diamanten in zijn wagen. Mogelijk zou het een deel van de buit zijn, die nooit werd gevonden.
De arrestatie van Notarbartolo kwam er na een gewone routinecontrole. De politie ontdekte op de achterbank 21 verzegelde zakjes met diamanten. De vondst zou een waarde van 10 miljoen euro hebben.
Het is de eerste keer dat er sprake is van een ‘mogelijk’ spoor naar de reusachtige buit van de roof van februari 2003, die binnenkort verfilmd zal worden. Notarbartolo gingen namelijk te werk in ware Oceans Eleven-stijl.
(Gazet van Antwerpen, 17 juli)
HET SALON VAN 15 MAART
http://salonvansisyphus.wordpress.com/?s=notarbartolo&searchbutton=Go%21
SEQUEL OCEAN’S ELEVEN IS OCEAN’S TWELVE
http://www.imdb.com/title/tt0349903/synopsis
Add comment juli 17, 2009
“Joods Actueel. Een getto van joods gelijk”
‘Joods Actueel’ wil het zionistisch verhaal in de geschiedenisleerboeken
door Gie van den Berghe
In het recent verschenen nummer 6 van Historia, een gerenommeerde reeks geschiedenisleerboeken voor het algemeen secundair onderwijs (uitgeverij Pelckmans), wordt uitvoerig en evenwichtig aandacht besteed aan het Midden-Oostenconflict en aan de beeldvorming over de jodenuitroeiing.
Joods Actueel zag hier meteen graten in en schopte kabaal in zijn mei-nummer. Aan wat voordien in Historia 5 verscheen over antisemitisme en jodenuitroeiing hadden ze niet getild. Die bijdrage was ook bijzonder joodvriendelijk, geschiedkundig minder evenwichtig, ja op enkele punten tendentieus tot fout.
Maar nu het om Israël en beeldvorming over de jodenuitroeiing gaat, trekt Joods Actueel alle registers open. Al wat niet in hun zionistische visie past wordt veroordeeld als misleiding, verdraaiing en onkunde. Historici die niet in hun pas lopen, heten onveranderlijk “gecontesteerd”, zijn minderwaardig, zouden feiten achterhouden of verdraaien en zich aan stalinistische geschiedschrijving bezondigen.
De auteurs van Historia 6 (die ik niet ken) citeren uit verscheidene historische publicaties, ook uit mijn werk. Eén van de citaten uit mijn werk plaatsten ze in een foute context. Daardoor lijkt het dat beweerd wordt dat joodse overlevenden de sterftecijfers onder joden overdrijven, terwijl het in mijn artikel overduidelijk gaat om enkele niet-joodse overlevenden die het niet-joodse sterftecijfer overdreven om te kunnen optornen tegen het zo vreselijke joodse sterftecijfer.
Interessant aan deze fout is dat de Historia-auteurs, zoals de meesten onder ons, bij nazi-kampen vrijwel automatisch alleen aan ‘joden’ en ‘Holocaust’ denken. De andere slachtoffers van de nazi’s, vooral de politieke gevangenen, zijn verdwenen in het decor van die Holocaust.
Joods Actueel nam niet de moeite even na te denken of mijn artikel te raadplegen, maar verweet me dat ik geen sterftecijfers geef, om ze dan zelf zwaar te overdrijven.
Historia beloofde me de ongelukkige fout recht te zetten bij alle leerkrachten die het leerboek hebben aangeschaft. Joods Actueel zou mijn rechtzetting van de door de Historia-auteurs gemaakte fout publiceren, maar vertelde er niet bij in welke context dat zou gebeuren.
Die context is demagogisch. De eens te meer anonieme auteurs besteden in het julinummer van Joods Actueel een hele bladzijde aan de door hen opgeklopte affaire (niet één Vlaamse leerkracht uitte ook maar enige kritiek op beide Historia).
De bladzijde begint met een brief van de minister van onderwijs. Frank Vandenbroucke schrijft in antwoord op een klacht van Joods Actueel dat hij rekening moet houden met de beperktheden van zijn bevoegdheid. Onderwijsmethodes en didactiek vallen daar niet onder, maar behoren tot het terrein van de onderwijsvrijheid. Desondanks vervolgt Vandenbroucke dat hij “de betrokken uitgeverij Pelckmans op de hoogte heeft laten brengen van [het] artikel in Joods Actueel en hen gevraagd heeft binnen hun organisatie hierover na te denken”. De uitgeverij, vervolgt de minister, mag dan zelf beslissen of ze hierover met Joods Actueel in contact treedt of niet. En hij besluit met de “hoop op een constructieve houding van alle partijen in de discussie over dit uiterst belangrijk en tegelijk zeer gevoelig onderwerp”.
Hierop laat Joods Actueel een brief volgen van dhr. Karl Drabbe, woordvoerder van uitgeverij Pelckmans. Daaruit moet blijken dat die uitgeverij naar aanleiding van het schrijven van de minister een “extra werkvorm” zal aanbieden over het Midden-Oostenconflict. Verderop verheugt Joods Actueel er zich ook nog over “dat de bevoegde minister onze opmerkingen ter harte neemt en het belangrijk genoeg acht de uitgever hierover een brief te schrijven. We zijn ook blij dat uitgeverij Pelckmans onze redenering (zij het deels) kan volgen en daarom een extra werkvorm zal aanbieden aan de leraars waarbij de ‘verschillende’ visies zullen worden getoetst”.
Na de brief van dhr. Drabbe drukt Joods Actueel mijn rechtzetting af, om die meteen om te buigen als een ‘klacht’ tegen de Historia-auteurs, en me vervolgens nog maar eens met pek en veren te overladen op basis van compleet verzonnen en schandelijke aantijgingen.
Dit is geen fait divers, maar een volgehouden poging uit bepaalde joodse hoek om de collectieve herinnering over de jodenuitroeiing en het Midden-Oostenconflict te sturen door druk te zetten op de minister van onderwijs en uitgevers van leerboeken. Of die poging ook, zoals Joods Actueel triomfantelijk stelt, aarde aan de dijk heeft gezet, is een ander paar mouwen.
Ministerie van Onderwijs
Bij navraag bleek dat men bij Pelckmans over deze zaak nooit een brief van de minister ontvangen had. Het kabinet van de minister deelde me telefonisch mee dat wat de minister aan de uitgever wou schrijven uiteindelijk mondeling werd meegedeeld, in de marge van een vergadering over een andere kwestie op het kabinet. Toen ik het over ‘druk’ had, verzekerde de kabinetsmedewerker me dat dit soort demarches verre van ongebruikelijk is en dat de omschrijving ‘druk’ voor mijn rekening was
Bij Pelckmans verzekert men me dat die “extra vorm” over het Midden-Oostenconflict er niet komt omdat Joods Actueel druk heeft uitgeoefend, maar dat zo’n “extra vorm” deel uitmaakt van het standaardpakket bij elke Historia.
Toch helemaal iets anders dan wat Joods Actueel laat uitschijnen. Maar helaas hebben die brief van de minister en die van de uitgeverij die demagogische voorstelling wel mee mogelijk gemaakt. De anonieme auteurs van Joods Actueel triomferen, zij kunnen het geschiedenisonderwijs en de collectieve herinnering over de jodenuitroeiing en het Midden-Oostenconflict naar wens bijsturen.
Vraag is ook of de minister en uitgevers van leerboeken op dezelfde wijze zouden reageren als andere dan joodse belangengroepen, ja zelfs historici, hen op tekortkomingen of onjuistheden zouden wijzen. Bijvoorbeeld dat Historia geen woorden vuil maakt aan de genocide op de Armeniërs. En heel wat minder aandacht besteedt aan de slachtoffers van de Goelag dan aan die van de nazi-kampen. Of dat er bitter weinig aandacht gaat naar andere dan joodse slachtoffers van die nazi-kampen.
Ministers laten zelden in hun kaarten kijken. Maar we weten bijvoorbeeld met quasi zekerheid dat het rapport van een door de Vlaamse overheid aangestelde wetenschappelijke commissie over het op te richten Vlaams holocaustmuseum, onder joodse druk vertikaal geklasseerd werd. Het door die commissie (waarin ik zetelde) geconcipieerde museum zag er inderdaad heel anders uit dan wat joodse drukkingsgroepen vroeger en nu in gedachten hebben, maar anders dan Joods Actueel ook nu weer beweert, betekent dat geenszins dat zij of ik geen museum willen.
Interessant is nog dat op 21 juli a.s. op de Gentse feesten een debat komt over het aanslepend Midden-Oostenconflict. Vorig jaar werd een gelijkaardig debat compleet ontsierd door georkestreerde zionistische scheldpartijen. Dit jaar is er nu al ophef. Onder meer omdat de organisator van het debat, Eric Goeman, de hoofdredacteur van Joods Actueel, Michael Freilich, niet als debater heeft gevraagd. Goeman heeft daar goede redenen voor. Freilich werd vorig jaar wel uitgenodigd maar hij vroeg geld voor zijn optreden en zwengelde, toen hij dat niet kreeg, de hele heisa sterk aan in Joods Actueel. Toen Goeman me onlangs contacteerde voor het nieuwe debat, zei ik niet bepaald happig te zijn en ook dat ik, als Freilich kwam, liever thuisbleef. Hij is na alle loze beschuldigingen en smaad in zijn blaadje ook voor mij geen gesprekspartner meer. Dat hij zich verder opsluit in het getto van zijn joods gelijk.
Persvrijheid
Dit begin juli 2009 geschreven opiniestuk werd geweigerd door De Standaard, De Morgen (na drie dagen geaarzel) en Knack. Dit laatste medium had het over een afgezaagde polemiek zonder nieuwswaarde. Toen ik zei te betreuren dat Knack mijn stuk niet publiceerde, terwijl de hoofdredacteur wel een interview afdrukte waarin hij André Gantman de kans gaf me zonder enige aanleiding te besmeuren (zie
www.serendib.be/gievandenberghe/artikels/joodseangstjoodsehaat.htm), schreef Rik Van Cauwelaert me belerend dat ik moest ophouden me verongelijkt te voelen. Ik had toch al voor Knack mogen schrijven en het blad had toch een lang interview over mijn boek De mens voorbij gepubliceerd; wel dan? Toen ik zie dat het verband met mijn stuk over Joods Actueel en mijn boek me compleet ontging, en dat ik en anderen de indruk hadden dat Knack zich nogal voorzichtig opstelt wanneer het om joodse kwesties gaat, ontbonden Van Cauwelaert en Karl Van den Broeck al hun duivels en beslisten in het kader van hun macht dat ik niet meer in Knack mocht publiceren (wat me toch al een hele tijd ontzegd werd). Of wat moest bewezen worden?
Mogelijk vergis ik me, maar het lijkt me een zeer ernstige zaak dat de pers, ooit vierde macht genoemd, het niet meer aandurft joods wangedrag aan de kaak te stellen. Op die manier krijgen Joods Actueel en demagogie vrij spel. De geschiedenis mag herschreven worden.
*Gie van den Berghe (1945) is historicus en ethicus. Zijn voorlopig laatste boek is ‘De mens voorbij. Vooruitgang en maakbaarheid 1650-2050′, Meulenhoff/Manteau, 350 blz., 29,95 euro
Add comment juli 21, 2009
BREKEND NIEUWS
HOE REDDEN WE DE KRANTEN?
door Henk Blanken
Schrijf je een boek over ethiek in de journalistiek en wat internet met die normen doet, krijg je louter vragen over geld. In tijden van crisis willen we weinig weten van journalistieke mores, zo blijkt. Hoe betalen we de journalistiek als geen hond meer voor nieuws wil betalen, was in elk gesprek over Mediamores en in recensies de terugkerende vraag.
Gaat mijn volgende boek over, was telkens mijn antwoord. Het zou Brekend Nieuws kunnen gaan heten. Om drie redenen. Breaking news is het meest prominente nieuws, het echte nieuws, geen achtergrondreportage of human interest interview, maar nieuws dat er nog niet was voordat het “brak”.
Keerzijde van dat brekende nieuws is dat het, in bedrijfseconomische termen, al stuk is voordat het goed en wel naar buiten komt. Via internet gaat het zo snel rond dat massamedia als kranten en televisie er steeds minder mee kunnen verdienen. Het maken van breaking news is duur – er is vaak onderzoek voor nodig – maar de beloning steeds kleiner.
Een derde reden waarom Breaking News een aardige werktitel is: het is natuurlijk ook een ironische of zelfs wat cynische metafoor voor wat er met de nieuwsindustrie aan de hand. De laatsten die beseften dat er iets mis is met hun wereld, waren de journalisten zelf. Voor hen is het nog steeds breaking news.
Henk Blanken (1959) is adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden en auteur van o.m. ‘Mediamores. Over digitale cultuur, bloggende burgers en journalistieke ethiek’ – Atlas, 2009, 19,95 euro, ISBN 978 90 450 1172
De kranten komen in de verdrukking door het internet. Maar wat echt verloren dreigt te gaan is de professionele journalistiek. De journalistieke ethiek verandert. Of verdwijnt? Wie hanteert welke criteria? De Google-generatie denkt zonder de journalistieke media te kunnen. Dat wordt door Blanken betwist. Voor de waarheid over de kredietcrisis, politieke schandalen en verre, soms vergeten oorlogen zijn professionele journalisten nodig.
Gemakkelijk is het allemaal niet. ‘Journalisten zijn een ander soort mensen dan bloggers. Vinden ze zelf. Op hun beurt zijn bloggers tot op het bot beledigd als je het waagt ze te vergelijken met journalisten. De een is een getrainde professional, de ander een vigilante. De eerste heeft collega’s, de tweede een linklist. Nooit zijn journalisten en bloggers het eens…’
Of nog: ‘Bloggers wantrouwen journalisten omdat die deel uitmaken van het establishment en omdat zij hun bevoorrechte positie als waakhonden in het publieke debat niet zouden willen prijsgeven. En journalisten moeten meestal weinig hebben van bloggers omdat die geen respect hebben voor de mores van de journalistiek. In die clash van culturen worden beiden met kritiek overladen door de buitenwacht.’
Het boek bulkt van de casuïstiek, voorbeelden uit de Nederlandse praktijk, die niet altijd even relevant zijn. Henk Blanken bereikt niet het universele essay-gehalte van Nick Davies (‘Flat Earth News’, Vintage Books, London, 2009).
Toch blijft Mediamores interessant en lezenswaardig, zeker voor bezoekers van het Salon van Sisyphus, deze nog jonge poging om bloggen en journalistiek te verzoenen. (jc)
Add comment juli 24, 2009
KAREL VAN MIERT ZEI:
‘Er moet een vertegenwoordiger komen van de overheid in de vier grootste banken. De ervaring heeft uitgewezen dat bij banken heel wat rare dingen gebeurden waar geen kat weet van had. De Bank van Brussel is, tegen alle wetten in, gaan speculeren!
Wij wilden een Zweeds systeem invoeren: twee mensen van de overheid die van binnenuit toezicht kunnen uitoefenen. Maar dat hebben we dus niet gehaald. De revisoren, die de rekeningen moeten nakijken, werden betaald door de banken zelf. Dat is toch te gek.
Aan het oprichten van een openbare Bank, met dezelfde mogelijkheden als de privé-banken, wordt gewerkt. Vermoedelijk wordt het de ASLK.
België is een van de landen waar de afgelopen jaren de minste verstaatsing heeft plaatsgegrepen. Dat moeten we rechttrekken.‘
Deze uitspraak dateert van juni 1977 en werd gedaan in een opgenomen maar niet-gepubliceerd interview. Van Miert was pas co-voorzitter geworden van de unitaire socialistische partij BSP-PSB. Hij had mee de onderhandelingen gevoerd die leidden tot de regering-Tindemans waarin Willy Claes minister van Ekonomische Zaken werd. Het is naar dit regeerprogramma, onderdeel socialistische inbreng, dat de nieuwe voorzitter verwijst. (jc)
2 comments juli 29, 2009
Wij surfen voor u

Trek in wat lichtere kost? Het is tenslotte zomer en je hebt vacantie, of je zou vacantie moeten hebben. Zelf durf ik me wel eens, om me te verstrooien, blindweg in het www gooien en van hier naar daar springen. Surfen, heet dat. Al vind ik het meer op vissen lijken. Ik heb al veel moois opgevist.Een van de dingen die ik leuk vind aan het internet: soms heeft iemand een idee en lanceert het, niet om geld te verdienen maar puur voor zijn of haar plezier. En kijk: andere surfers nemen het idee over en voor je het weet is het een internationale mode.
Een voorbeeld daarvan zijn de zgn. (de-)motivational posters. Het principe is eenvoudig: je neemt een beeld en bedenkt er een trefwoord en een slogan bij. De geijkte reclamemethode.
Ik weet niet wie ermee begonnen is maar momenteel circuleren er al duizenden van die posters op het web. Zelf heb ik er ook al een paar gemaakt en gepost en tot mijn genoegen zien opduiken op diverse sites. Het is een eindeloos gesprek met anonieme onbekenden. Natuurlijk is er veel flauwe kul bij. Maar af en toe ook iets heel smakelijk. Hieronder enkele voorbeelden. (TR)


















2 comments juli 31, 2009
URANIUM & CHAOS IN CONGO
‘People are warm, friendly, their faces overflow with smiles; seeing a foreigner, everyone wants to stop, say ” Bonjour!” and shake hands, whether on a small town’s main street or on a forest path. I’ve never seen more enthusiastic hand-shakers. At night, when the electricity works, the warm air echoes with some of Africa’s best music. There is no shortage of ordinary acts of human kindness.’
Deze hartverwarmende zinnen vormen het slot van een gruwelijk verhaal in het nieuwe nummer van The New York Review of Books. Docent journalistiek (Berkeley), publicist en polemist Adam Hochschild is onlangs twee weken door Oost-Congo gereisd. Zijn verslag is tegelijk observerend en participerend, informatief en emotioneel, onthullend zonder sensatiezucht. Aanbevolen lectuur voor Belgische ministers van Buitenlandse Zaken.
Het land Congo is voor Hochschild niet nieuw. Zijn bekendste boek gaat er grotendeels over (King Leopold’s Ghost: A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa – 1998). Het zorgde voor controverse en ongeloof, onder meer in België, omdat de auteur een gewaagde maar plausibele schatting levert van Leopold II’s koloniale strapatsen: 10 miljoen doden. Ook in Hochschilds nieuwe rapportage is het Belgische koloniale verleden niet ver, in afstand noch in tijd.
Bonne Qualité
Struinend door de straten van Goma wordt de reporter aangesproken door een onopvallende man, die zaken wil doen: ‘Would you like to buy uranium?’
Even schokkend als de vraag is de kennelijke alledaagsheid van het gebeuren. De verkoper beroept er zich op dat hij klanten heeft in Zuid-Afrika, Europa en Saudi-Arabië. Zijn koopwaar is ‘getest met Geigertellers’ en ‘de bonne qualité’. Ze wordt aangeleverd in klompen van 2 kilo, veilig verpakt in een stralingsvrije container van 17 kilo. Vraagprijs: 1,5 miljoen dollar. But this is negotiable…
Wat Hochschild niet meldt en wellicht ook niet wist is, dat er momenteel een verhoogde zenuwachtigheid heerst om en rond het Congolees uranium. Wij vernemen uit goede bron, in Congo zelf, dat op 24 juli in Lubumbashi (Katanga) twee mensenrechtenactivisten zijn opgepakt en ondervraagd door het ANR, Agence Nationale de Renseignements. Zeker een van hen zal terecht moeten staan wegens ‘ondermijning van de veiligheid en belediging van de staat’.
De misdaad van het tweetal bestaat erin dat ze Congolese autoriteiten hebben beschuldigd van steun aan ‘illegale en gevaarlijke verrichtingen in de uraniummijn van Shinkolobwe’. Ook zou de Congolese staat ‘onder obscure omstandigheden’ een contract hebben gesloten met de Franse nucleaire groep AREVA.
Manhattanproject
Het lijkt banaler dan het is. Sjoemelen met het uranium van Shinkolobwe is een oude, voornamelijk Belgische traditie. We hoeven niet eens terug te gaan tot Leopold II, zijn nazaat Leopold III heeft er veel zoniet alles mee te maken. Na het uitbreken van de oorlog in 1940 wilde de koning neutraal blijven. De regering Pierlot was het daarmee oneens en emigreerde naar Londen. Daar werden de Belgische bewindvoerders met distantie en achterdocht bejegend door de Geallieerden.
Gelukkig voor hen bezaten de Belgen iets wat met name de Amerikanen heel graag wilden hebben: een Congolese kolonie, rijk aan ertsen met zowaar een schat van een uraniummijn. Dankzij dat uranium van Shinkolobwe kon het Manhattanproject, de aanmaak van de eerste Amerikaanse atoombom, in het geheim worden opgestart en uitgevoerd. Na de oorlog, in 1952, werd ter compensatie en/of beloning het door de VS gesponsorde en dito gestuurde SCK, Studiecentrum voor kernenergie in Mol opgericht, sommigen zeggen opgedrongen.
De bewogen geschiedenis van het Katangese plaatsje Shinkolobwe is daarmee niet ten einde. De ontginning van uranium bleef doorgaan zolang de Belgische bezetting duurde. Bij de Congolese onafhankelijkheid in 1960 werd de mijn gesloten en verzegeld. Maar Mobutu Sese Seko zou niet Mobutu Sese Seko zijn geweest, als hij niet onbeschaamd was doorgegaan met de lucratieve ertswinning – tot eigen baat wel te verstaan. Onder zijn bewind werd naar schatting ministens 25.000 ton uranium gedolven. Niemand weet waar ze terecht zijn gekomen, veel ongetwijfeld in de States, veel ook niet. De controleurs van het IAEA, het internationale atoomagentschap, hebben tot op vandaag nooit toegang tot de mijn gekregen.
SARKO-tested
Het is een publiek geheim dat in de chaos die volgde op de genocide in Rwanda (1994) en Mobutu’s dood (1997) zowat iedereen zich te goed deed aan de Congolese mineralenrijkdom. Alles, inclusief het gevaarlijke uranium, kon worden gesmokkeld, gestolen, illegaal verworven en versjacherd. In 2006 is, met verkiezingen en al, de toestand in Congo ‘gepacificeerd’ en ‘gedemocratiseerd’. Van danaf kon dus weer de officiële ertsenhandel met bonafide ondernemingen op gang worden getrokken.
De Britse firma Brinkley sloot in 2007 een akkoord met de Congolese regering voor uraniumontginning, in Shinkolobwe en vier andere mijnen. Nauwelijks een jaar later lieten de Britten het afweten, ongetwijfeld vanwege de onzekerheid die het gevolg was van gevechten, moordpartijen, vluchtelingengolven, politieke chaos – deels veroorzaakt door de nieuwe warlord Laurent Nkunda. Die is intussen ook buiten spel gezet. En hier komen de Fransen in zicht.

AREVA noemt zich wereldleider in kernenergie. Het heeft vestigingen of vertegenwoordigers in 43 landen. In België telt het 400 werknemers in Dessel, Olen en het Waalse Dison. Afgelopen maart heeft AREVA een overeenkomst gesloten met de Democratische Republiek Congo, voor ontginning van het uranium. De termen van die overeenkomst zijn vaag. Ze werd gesloten ‘in a spirit of sustainable development that they wish to turn into a win-win partnership to develop the country’s mining resources’. De overeenkomst was voor Frankrijk zo belangrijk dat Sarkozy er de tijd voor nam ze te bezegelen met zijn aanwezigheid in Kinsjasa.
Hall of Shame
Het was vanwege hun verzet tegen de vaagheid van de Frans-Congolese overeenkomst, dat de twee Katangese activisten zijn opgepakt. Zij hadden alle reden om AREVA te wantrouwen. Vorig jaar is immers gebleken dat de Franse firma zich weinig gelegen laat aan het heil van haar werknemers en anderen die noodgedwongen in contact komen met de uraniumontginning. AREVA kreeg, in de rand van het Wereld Economisch Forum in Davos, de ‘Public Eye Award’ voor ‘Onverantwoord Ondernemen’. We knippen een bericht uit het Magazine MO*, van januari 2008.
“Areva belandt daarmee in de “Hall of Shame” van bedrijven die de liberalisering en de zwakke regelgeving in ontwikkelingslanden schaamteloos in hun eigen voordeel uitbuiten. De firma, die wordt gecontroleerd door de Franse overheid, baat in het West-Afrikaanse Niger al veertig jaar twee uraniummijnen uit.
Volgens de organiserende ngo-koepel “Erklärung von Bern” (EvB) en de milieuorganisatie “Pro Natura” springt Areva bijzonder slordig om met radioactief afval en doet het onvoldoende om zijn werknemers te waarschuwen voor de gevolgen van radioactieve straling. Tonnen afvalmateriaal liggen in open lucht opgeslagen en bestraald oud ijzer wordt ter recyclage te koop aangeboden. De arbeiders moeten hun beschermingskledij zelf thuis laten wassen.
Areva heeft in de buurt van de mijnen twee hospitalen laten bouwen en biedt de mijnwerkers en hun familie gratis gezondheidszorg. Volgens de mensenrechtenorganisatie SHERPA krijgen werknemers met kanker er vaak te horen dat ze aids, malaria of een andere zware ziekte hebben. Op die manier wil het concern voorkomen dat het de behandelingskosten voor de gevolgen van radioactieve straling moet overnemen.
Lokale en internationale hulporganisaties dringen volgens de EvB al tien jaar vruchteloos aan op onafhankelijke metingen van de radioactiviteit op de mijnterreinen. Ze vrezen ook dat wanneer de uraniumvoorraden binnen tien jaar uitgeput zijn, Areva zijn koffers zal pakken en de bevolking met een nucleaire kater zal laten zitten. Dat gebeurde eerder al met een mijn in Gabon die Areva in 1999 heeft gesloten.”
De sluiting van de Nigerse mijnen kan moeiteloos door de Congolees-Franse deal worden opgevangen. AREVA weet haar productie verzekerd.
Failed State
Van Niger weer naar Congo, bij Adam Hochschild, juni 2009. We zullen ervan uitgaan dat hij geen uranium heeft gekocht van de onbekende smokkelaar in de straten van Goma. Maar is het mogelijk? Is er zwart uranium op de markt?
Dat is op zijn zachtst gezegd een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Al in maart 2007 meldden Britse bronnen, waaronder de BBC en Reuters, dat ‘een grote hoeveelheid uranium’ in de loop van de jongste jaren verdwenen was uit de daartoe bestemde centrale opslagplaats in de hoofdstad Kinshasa. Er was sprake van een 100-tal staven. Vast staat dat de directeur van de Congolese Commissie voor Atoomenergie, professor Fortunat Lumu, samen met een medewerker gearresteerd zijn op beschuldiging van uraniumsmokkel.
Sedertdien is van hen niets meer vernomen. Evenmin van het verdwenen uranium. Noch van de twee Katangese activisten. Des te meer van de weer oplaaiende oorlogschaos in onder meer de Kivu-provincies, aan de grens met Rwanda.
Hochschilds bericht over het uraniumaanbod is maar een klein intermezzo in het grote verhaal over toenemend geweld – ja, het kon dus nog toenemen – waarvoor de wereld en de Amerikanen van langsom minder de ogen kunnen sluiten. Een paar getuigenissen over verkrachting en moord doen zelfs gestaalde Congo-kenners het gebeente verkillen.
Ook na de uitschakeling van hier en daar een militie of een warlord blijken er meer dan voldoende vechtende partijen over te blijven, die in wisselende coalities en in snel tempo de bevolking van ‘the world’s largest failed state’ even deskundig als wreed decimeren.
Massamoord
Niet dat het aan buitenlandse hulporganisaties ontbreekt. In een stad als Goma struikel je over de SUV’s met de meest uiteenlopende logo’s plus sticker ‘NO ARMS/PAS D’ARMES’. Ook aan gewapende intervenianten is ogenschijnlijk geen gebrek. De Verenigde Naties hebben in Congo 17.000 blauwhelmen, –mutsen, -petten en –tulbanden. Ze zijn aanzienlijk beter uitgerust dan het Congolese leger maar feitelijk machteloos in de immense chaos.
Het vereiste aantal om enigszins efficiënt te kunnen optreden? ‘250.000’, schat een UN-official. ‘Het grootste probleem-op-zich is het Congolese leger zelf, dat bestaat uit 125.000 slecht opgeleide manschappen.’ Ze terroriseren, plunderen en verkrachten, worden onderbetaald, deserteren, of lopen over naar een van de etnische legers.
De FARDC, het officiële leger, is op dit moment vooral in Zuid-Kivu in zware gevechten gewikkeld met rivaliserende, voornamelijk Rwandese milities, die geacht worden hun wapens in te leveren. Deze Operatie Kimya II treft zoals gewoonlijk vooral de burgerbevolking. De schaarse berichten uit de streek zijn verontrustend – what’s in a word. Een Congolese waarnemer in Bukavu rapporteerde recentelijk ten behoeve van een buitenlandse artsenorganisatie:
‘A l’horizon se profile le danger d’un éclatement de l’armée nationale en plusieurs factions, car une partie de l’armée mal supporte la présence d’éléments étrangers, rwandais et ougandais, dans ses rangs. C’est ainsi qu’elle pourrait se désolidariser et se rattacher même aux FDLR et aux autres groupes armés. Ce serait alors une guerre totale. La paix n’est pas pour bientôt au Kivu.’
Zoals gezegd, in Congo lijkt het altijd nog erger te kunnen. Ook de onthullingen. Een overlevende van een massamoord in 2002 beschrijft de bloedige details aan Hochschild. Een etnische militie vermoordde uit pure balorigheid in één nacht de patiënten en omwonenden van een ziekenhuis. Drieduizend doden. ‘So many people were killed at Nyankunde hospital alone that there was no time to dig graves; the bodies had to be thrown in pit latrines.’
Wel zo verontrustend is de volgende zin. ‘The commander of the allied militia force involved in the attack was not on the scene, but in close communication by radio, well aware of what his troops were doing. Following one of the incorporate-the-warlords peace agreements, he became Congo’s foreign minister. He is still in the cabinet today, in another position.’
NOTE (jc):
According to reliable Congo-watchers in Brussels the person meant by AH is most likely to be Antipas Mbusa Nyamwisi, foreign minister in the Congolese Government led by Antoine Gizenga (December 2006 till October 2008) and nowadays minister of the infrastructure (“la décentralisation et l’aménagement du territoire”).
*de reportage ‘Rape of the Congo’ van Adam Hochschild in NYRB leest u hier:
http://www.nybooks.com/articles/22956
*het Mondiale Magazine MO* over Congo:
http://www.mo.be/index.php?id=183
2 comments augustus 2, 2009
SOME BIRTHDAY, LITTLE BOY
do we still need him, do we still feed him
now that he’s sixty-four?
(JC after The Beatles)
READ:
http://www.nytimes.com/learning/general/onthisday/big/0806.html
LEES:
http://www.refdag.nl/artikel/1223979/Eerste+atoombom+ontploft.html
Add comment augustus 5, 2009
Wij surfen voor u (2)
De tweede aflevering in onze serie over internet-posters. De thema’s vandaag zijn religie, sex en leeftijd. (TR)









1 comment augustus 8, 2009
DETROIT IS DOOD, LEVE DETROIT

Zicht van op het dak van een vervallen autofabriek; downtown Detroit in de verte
Op zoek naar een post-industriele toekomst
(De volledige versie. Tekst en foto’s: Tom Ronse)
Haar naam mag dan in heel de wereld nog synoniem zijn voor de Amerikaanse auto-industrie, in Detroit zal weldra geen enkele auto meer gemaakt worden. De reorganisatie, volgend op het bankroet van GM en Chrysler, luidt de doodsklok voor het weinige dat nog overschiet van het gigantische industriele complex dat Detroit was. De stad is nu post-industrieel en oogt post-apocalyptisch. De bodem is bereikt. Nu wordt het boeiend.
Van op het dak van het Michigan Central Station kunnen we heel Detroit zien en dat is veel: dit is de vierde grootste stad van de VS. In oppervlakte toch. Qua bevolking was ze dat een halve eeuw geleden ook maar nu staat ze zelfs niet meer in de top tien. Ze is onherkenbaar veranderd. Het landschap dat voor ons in de ochtendzon baadt lijkt haast bucolisch. Kerktorens alom. Uitgestrekte grasvelden. Hier en daar bosjes. Meer dan een derde van de stad –honderd vierkante kilometers- is door de natuur heroverd. De pastorale illusie werkt natuurlijk enkel als je wegkijkt van de wolkenkrabbers en fabrieken. Zoals het enorme complex links van ons, Fords River Rouge-fabriek, net buiten de stadsgrens. Ze is meer dan twee keer zo groot als New Yorks Central Park maar slechts een fractie ervan wordt nog gebruikt. Hetzelfde is waar voor de wolkenkrabbers. Vannacht zal in vele van hen geen licht branden. Er is een stuk van downtown Detroit dat ‘skyscraper’s graveyard’ wordt genoemd.

Michigan Central Train Station
Het gebouw waarop we staan werd ooit beschouwd als een van de mooiste stations ter wereld. Het werd in 1913 gebouwd door dezelfde architecten die New Yorks Grand Central Station ontwierpen. In 1988 werd het gesloten wegens niet meer rendabel. Detroit moet het sindsdien zonder passagierstreinen stellen. We drongen er binnen via een gat in de afsluiting. Na een trek door de pikduistere kelderverdiepingen stonden we onder de marmeren bogen van de op Romeinse baden geinspireerde inkomhal. Vroeger passeerden hier jaarlijks miljoenen reizigers. Vandaag rest er slechts een ruine, overwoekerd met graffiti. De hartbrekende schoonheid van ruines is wat een van ons, de kunstfotograaf Andrew Moore, naar plaatsen als deze lokt. Hij werkt aan een boek over Detroit. Onze gidsen zijn twee Europese inwijkelingen, hij Servier en zij Duits. Ze hebben elk een baan maar besteden al hun vrije tijd aan het exploreren en fotograferen van Detroits ruines. Ze zijn niet de enigen met die obsessie. Google “Detroit ruins” en je krijgt een idee hoe populair ‘urban exploring’ hier wordt. Maar al groeit hun aantal, de urban explorers en sociale toeristen lopen elkaar niet in de weg. Detroit heeft ruim 60.000 leegstaande vervallen gebouwen, plaats genoeg dus voor iedereen. Natuurlijk kom je in de ‘greatest hits’ zoals dit station soms andere bezoekers tegen. “Je kan er ook minder leuk volk tegen het lijf lopen”, vertelt Dan, onze gids. De thuislozen die in lege gebouwen een onderkomen zoeken storen hem niet. De occasionele junkie of prostituée evenmin. Maar hij is beducht voor de ‘scrappers’ –de plunderaars die alles wat verkocht kan worden naar buiten sleuren en geen pottenkijkers willen en voor gangs zoals de Survival Crackers die in lege gebouwen samenkomen om dronken en high te worden en dan zo veel mogelijk te vernielen. En voor wilde honden. Dan wijst op zijn halve meter-lange zaklamp. “Die heb ik al als knuppel moeten gebruiken”, zegt hij.

De inkomhal van het station
In het station is er niets meer te vernielen. Op weg naar boven zagen we op elke van de 20 verdiepingen een complete puinhoop. Alsof er in elk lokaal op leven en dood werd gevochten. Geen wonder dat het uitzicht van op het dak zo vredig lijkt.
Stel je Rome voor, na de val. De bewoners die nog konden, zijn met hun hebben en houden weg gevlucht. Hun opulente villa’s staan leeg. Vele huizen zijn afgebrand. De eens zo rijke stad is kaal geplunderd. Tussen de ruines van de paleizen en openbare gebouwen groeit het onkruid manshoog. Te midden van al die ellende trachten de overlevenden te overleven. Zich een nieuw Rome in te beelden. Verplaats dit beeld naar de vroege 21ste eeuw en je hebt, mutatis mutandis, Detroit.
Drie eeuwen geleden was er hier enkel woudland en prairie en een houten fort –‘Fort Pontchartrain du Détroit- waar Franse kolonisten een winstgevende handel voerden met indianen in beverpelsen. Als je die drie eeuwen zou kunnen samenballen in een time lapse-film dan zou je eerst de mensen zien toestromen –aanvankelijk traag, dan steeds sneller- en de natuur zien terugtrekken, plaats maken voor beton en cement. Maar in het laatste stuk zou het lijken alsof de film versneld wordt terug gedraaid: de mensen vluchten weg, gebouwen verdwijnen, de prairies keren terug. Sedert de ondergang van de Maya-steden in centraal-Amerika heeft dit continent geen transformatie gekend als Detroit.
Wat je in die film regelmatig zou zien, zijn rassenrellen. Al van in het prille begin was Detroit een ruige plaats, waar hard gebakkeleid werd tussen blanken en indianen. Zwarten werden er het mikpunt van zodra ze er toekwamen (the Detroit Race Riot van 1863). Vandaag zijn de kaarten herschud maar het raciaal conflict is nooit verdwenen. Het uit zich nu vooral in een koude oorlog tussen een zwarte stad en de voornamelijk blanke voorsteden die haar omringen.
Branden zouden een andere constante zijn in onze film. Al in 1805 brandde de hele stad plat. Ook vandaag kom je in Detroit om de haverklap een zwartgeblakerde ruine tegen. Een Detroitse brandweerman moet twee keer zo vaak blussen als zijn collega in New York. Zelfs de stadsspreuk, gebeiteld in een bombastisch monument in het hart van downtown, verwijst naar Detroits ontvlambaarheid: Speramus meliora; resurget cineribus, of: ‘we hopen op beter, het zal verrijzen uit de asse”.

Uitgebrand flatgebouw met in voorgrond community garden Birdland
Detroit was een middelgrote stad met een kwart miljoen inwoners toen de twintigste eeuw aanbrak en de auto-industrie uit de startblokken schoot. In het volgende kwart-eeuw groeide de stad aan een razend tempo. In een mum van tijd waren er meer dan 200 auto-fabrieken en -fabriekjes. Eerst Ford, dan alle andere groten (GM, Chrysler, American Motors) vestigden er hun hoofdkwartier. Ford was de uitvinder van de lopende band. De fabriek waarin die voor het eerst werd gebruikt, staat er nog steeds. Het gebouw zou een museum moeten zijn maar het staat er maar te vervallen. Een deel wordt nog gebruikt als pakhuis. Voor de fabriek staat een bord dat vertelt: “Hier in de Highland Park-fabriek lanceerde Ford in 1913 de massa-productie van auto’s op een bewegende assemblageband. Tegen 1915 waren er een miljoen Model-T’s geproduceerd.In 1925 werden er 9000 Model-T’s per dag gemaakt. Van hier uit verspreidde de massa-productie zich naar alle fasen van de Amerikaanse industrie en zette het patroon van overvloed van het leven in de twintigste eeuw.” Als ik een filmcamera bijhad dan zou ik na een close-up van dit bord uitzoomen zodat je de omgeving zou zien: de morsige straat, de eenzame voetganger, de dakloze in een portiek, de lege huizen…Highland Park is een van de meest vervallen stukken van Detroit.

Highland Park Police Headquarters
Theoretisch is ze er geen deel van want de enclave werd in 1918 een afzonderlijke gemeente, zodat Ford op zijn fabriek geen belasting hoefde te betalen aan de stad. In 2001 ging Highland Park bankroet en kwam het onder voogdij van de staat Michigan. Gemeentelijke diensten bestaan er niet meer. Scholen, bibliotheken, zelfs het politiekantoor en de brandweerkazerne zijn er gesloten en gevandaliseerd. In het grondig geplunderde politiegebouw kon ik zo binnen wandelen. De dossiers, waaronder een over een seriemoordenaar, waren uitgestrooid over de beslijkte vloer.
In het tweede kwartaal van de twintigste eeuw werd de Highland Park-fabriek Ford te klein en hij bouwde zich een nieuwe, net buiten de stadsgrens in Dearborn. De River Rouge-fabriek was de grootste ter wereld. Er werkten meer dan 100.000 arbeiders. Het complex belichaamde Fords visie van verticale integratie. IJzererts en andere grondstoffen kwamen er toe, afgewerkte wagens kwamen er uit. Het was een model voor heel de wereld. In opdracht van Fords zoon Edsel vereeuwigde Diego Rivera in 1932 het productieproces van River Rouge in een serie muurschilderingen die nog steeds te bewonderen zijn in Detroits Institute of Arts, een mooi museum in een van de zeldzame wijken waar Detroit nog min of meer een normale stad lijkt.

Rivera River Rouge fresco detail
Rivera vond de frescos het beste wat hij ooit geschilderd had. Het is een merkwaardig meesterwerk, voor verschillende interpretaties vatbaar. Je kunt er een loflied op de massa-productie in zien maar ook een kritiek op de robotisering van de arbeider. Rivera schilderde een industriele spijsvertering, waarin de machine centraal staat en de mens herleid is tot subsidiair orgaan, die een eindeloze stroom zwarte Fords uitschijt.
Intussen was de depressie begonnen. Terwijl Rivera schilderde, hielden werklozen een ‘hongermars’ naar River Rouge die door de politie werd uiteengeschoten. Maar met repressie alleen lukte het niet. Ford en de andere autobazen leerden samenwerken met de vakbond. De tweede wereldoorlog haalde Detroit uit het slop. ‘Motor City’ kreeg een nieuwe bijnaam: ‘the arsenal of democracy’. De autoproductie werd volledig stopgezet en de fabrieken produceerden tanks, jeeps en bommenwerpers aan een razend tempo (ook dat had Rivera profetisch in zijn fresco verwerkt). De River Rouge-fabriek produceerde 600 B-42 bommenwerpers per maand. Zo snel konden de Duitsers ze niet neerschieten. Er waren handen tekort zodat vrouwen en zwarten massaal aan de slag konden. De zwarte bevolking van Detroit was gestadig gegroeid sinds in 1910 ‘the great migration’ begon, de trek naar het noorden van zwarten die door de mechanisering van de landbouw in het zuiden ontworteld werden. Maar in 1940-1950 verdubbelde ze. De expansie van hun ghetto’s ging natuurlijk gepaard met raciale conflicten.
Halverwege de 20ste eeuw was Detroit een welvarende metropool met bijna 2 miljoen inwoners. Een editoriaal in de Detroit Free Press stelde: “Heel de wereld praat over Detroit..uit alle landen komen mensen naar hier op zoek naar kennis en inspiratie. Detroit wordt geprezen als “de dynamische stad”, “de wonderstad”. En inderdaad, de vele luxe-hotels downtown deden gouden zaken. Toch was het zaad van het verval al geworpen. De oorzaak van Detroits sukses en ondergang was dezelfde: de auto. De oorlog was nog niet afgelopen toen de stad, op aandringen van de auto-industrie, werd uiteengereten door nieuwe autowegen. De auto-arbeiders verdienden nu genoeg om zelf een wagen te bezitten en met de nieuwe wegen konden ze in een mum van tijd na hun werk de vuile, overbevolkte stad uit. Naar een nieuw huis in een groene omgeving, gesubsidieerd door de federale regering. Ruim 98% van die subsidies ging naar blanken. Het platteland rond Detroit veranderde in een kring van blanke voorsteden. Dat was goed voor de auto-industrie, het was goed voor de vastgoedsector, het was goed voor de bouwnijverheid. Zoals Charles Wilson, de ceo van GM, het befaamd verwoordde: “What’s good for the country is good for GM and vice versa”. Tussen haakjes: (hij zei dit in de senaat, tijdens zijn confirmatie als minister van Defensie. Zijn opvolger in die functie was Robert MacNamara, de ceo van Ford en de architect van de Vietnam-escalatie die goed bleek voor de auto-industrie maar niet zo goed voor Amerika).
Tussen 1950 en 1960 verliet een half miljoen blanke Detroiters de stad. De uittocht werd een paniekvlucht na de rellen van 1967 waarin 43 mensen omkwamen en meer dan 2000 gebouwen afbrandden. Het geweld was, eens te meer, uitgelokt door politiebrutaliteit in een armenbuurt. Hoewel het niet tegen blanken gericht was, werd het wel zo voorgesteld in de media. In 1960 was nog 70% van de stad blank. Vijf jaar na de rellen was er een zwarte meerderheid die voor het eerst een zwarte burgemeester aan het bewind bracht. Coleman Young bleef aan de macht tot in 1993. De raciale discriminatie in de stadsdiensten verdween. Detroit werd de zwartste stad van het land, met een brede zwarte middenklasse. Een zwart cultuurcentrum met de Motown sound als bekendste export-product. Maar de stad werd steeds armer. Steeds meer bedrijven verhuisden op hun beurt naar de voorsteden. De winkels volgden. Geen enkele grootwarenhuisketen wou nog in Detroit blijven. Reagans sociale bezuinigingen en de invasie van crack-cocaine versnelden de afgang. Gangs namen bezit van de straten. De misdaad steeg pijlsnel. Detroit werd de “Murder Capital”, de gevaarlijkste stad van het land. Ze heeft nog steeds het landelijk record van onopgeloste moorden (meer dan 10.000). De politie, onderbemand en onderbetaald, werd steeds corrupter. Ze ontpopte zich als een van de grootste wapenhandelaars van het land. Op ‘Devil’s Night’, de nacht voor Halloween, vierden jongeren uit de armenbuurten hun onmacht met een orgie van brandstichting. De traditie begon in 1983, toen meer dan 800 gebouwen in de fik werden gezet. In latere jaren kwamen er toeristen op af met camera’s en walkie-talkies.

Tegenwoordig is Devil’s Night de veiligste nacht van heel het jaar”, zei een brandweerman me. In de laatste werden er slechts 65 gebouwen in brand gestoken. Alleen in Detroit wordt zo’n cijfer als een succes beschouwd. Maar ook in de rest van het jaar is het aantal moedwillige brandstichtingen gedaald. Hetzelfde geld voor moord en ander geweld. Inbraken zijn nog steeds een plaag maar de spanning lijkt weggeebd. De recente inwijkelingen die ik ontmoet, waaronder verschillende jonge Europeanen, zeggen me allen dat ze zich veilig voelen in de stad, dag en nacht. De recente uitwijkelingen vertellen een ander verhaal. Voor hen die de helse jaren ’80 en ’90 hebben meegemaakt blijft de stad afschuw en angst inboezemen. Tijdens die decennia vluchtten niet alleen blanken, ook vele zwarten weken uit naar de voorsteden. Vandaag heeft Detroit nog 820.000 inwoners. Elke maand verhuizen gemiddeld 1000 mensen de stad uit.
Je voelt hun afwezigheid. Kuierend door de straten, met hun brede lege voetpaden en hun zes baanvakken zonder auto’s, denk je voortdurend: waar is iedereen? Het is een vreemd gevoel, vooral in het centrum na de kantooruren. De stad is er nog maar de mensen zijn weg. Als na een oorlog. Misschien is het daarom dat diegenen die je er toch ontmoet zo vriendelijk zijn. Zelfs de bedelaar aan wie ik zeg dat ik geen geld op zak heb, geeft me een brede glimlach. “That’s allright, I don’t have any either!”

Woodward Avenue, de hoofdstraat van Detroit, tijdens de spits
De spanning heeft plaats gemaakt voor gelatenheid. Niemand verwacht nog een ommekeer.
Het blijft slecht nieuws regenen. De stadsbegroting heeft een tekort van 200 miljoen dollar, die van de staat Michigan 1,8 miljard dollar. Dat noopt tot harde bezuinigingen. Net als in pakweg Californie met het verschil dat er in Detroit geen vet meer weg te snijden is. Het mes gaat tot in het been. Sinds 2005 zijn al 67 scholen gesloten. Het stadsonderwijs heeft geen lesmateriaal meer gekocht sinds 17 jaar. Minder dan een kwart van de leerlingen voltooit het middelbaar onderwijs. Bijna de helft van de bevolking is functioneel analfabeet. De brandweer werkt met verouderd materiaal. De pompiers moeten hun eigen WC-papier en zeep kopen. Al zijn de brandstichtingen gedaald, toch moeten ze nog vaak uitrukken. Tienduizenden thuislozen zoeken onderdak in de leegstaande gebouwen en stoken er vuurtjes om te koken en zich te verwarmen. Dat loopt wel eens uit de hand. Vaak branden dezelfde gebouwen opnieuw en opnieuw omdat de stad geen geld heeft om ze af te breken. Dus blijven de ruines staan. Detroit oogt meer en meer als een modern Pompei.

Sommige steden zoals New York die in de jaren ’70 en ’80 ook snel verarmden hebben zich herpakt door zich om te toveren in post-industriele steden, met een economie gebaseerd op financien, software, media, toerisme en andere diensten. Maar voor Detroit lijkt zo’n transformatie onmogelijk. Daarvoor was haar economie te veel een monocultuur en is er te veel kapitaal weg gevlucht. Iedereen die ik in Detroit ontmoet verwacht dat de uittocht en het stedelijk verval zullen verder gaan. Als Detroit zal heropleven, dan zal dat op een andere manier moeten gebeuren dan in New York. Er zijn veel plannen en dromen. Er zijn sprankeltjes hoop.
Sommigen dromen zich een nieuw Hollywood. En waarom niet? Wandelend door de stad heb je vaak het gevoel op een filmset te zijn die wacht op acteurs en camera’s. “Hier vind je alles, zegt Tena Constas, een location scout voor film- en tv-producties, “stad, platteland en met de grote meren vlakbij kun je zelfs zeescenes filmen.” Er zijn buurten die kunnen doorgaan voor New York of Chicago maar dan zonder de mensen, wat ideaal is voor filmopnames. Alles is goedkoper in Detroit. Vooral arbeid. De werkloosheid bedraagt er officieel 22% maar het reele cijfer zou meer dan 30% bedragen. Michigan geeft 42% belastingsvermindering aan producties die locaal aanwerven en organiseert training in decorbouwen en verlichting voor werkloze bouwvakkers en electriekers. In 2007 gaf de film-industrie 4 miljoen dollar uit in Michigan. Verwacht wordt dat ze er dit jaar 400 miljoen zal uitgeven, vooral in Detroit. Dat is aardig. Een welkome druppel maar niet genoeg om de plaat af te koelen.
Maar wat is er nog, nu zelfs de casino’s waarvan burgemeester Young hoopte dat ze Detroits melkkoeien zouden worden verliezen maken? In New York waren de pioniers van de heropleving van vervallen buurten vaak kunstenaars. “Hun rol bestaat er in”, zei de toenmalige burgemeester Ed Koch, “om buurten zo aantrekkelijk te maken dat ze er zelf niet kunnen blijven”. Dat is wat er gebeurde in Soho en Chelsea maar in Detroit is de ineenstorting van de huizenmarkt zo totaal dat de kunstenaars geen risico lopen van door prijsstijgingen te worden verdreven. Goedkope ruimte heeft Detroit zat. De modale prijs waaraan huizen er tegenwoordig verkocht worden is 7500 dollar maar je vindt er ook voor veel minder. Deze lente werd er zelfs een voor 1 dollar verkocht. De belangstelling groeit. De aanwezigheid van de eerste pioniers trekt andere kunstenaars aan. Hier en daar onstaat een sneeuwbaleffect en wordt hun impact voelbaar. “Het is niet alleen de goedkope ruimte die hen aantrekt”, zegt Corinne Vermeulen, een Nederlandse kunstfotografe die sinds 2001 in Detroit woont en werkt, “de stad is ook een geweldige inspiratiebron.” Sommigen gebruiken de stad zelf als hun canvas. In Heidelberg Street hebben de werken van twee kunstenaars, Tyree Guyton en Tim Burke, de hele straat ingepalmd, leegstaande huizen inbegrepen. Scott Hocking gebruikt vervallen fabriekshallen als decor voor zijn installaties. “Er heerst hier een soort anarchie”, zegt Vermeulen, “dit is het wilde westen, je kan ongeveer alles doen. Daar staat tegenover dat je op geen hulp kunt rekenen. Net het omgekeerde van Nederland.” Misschien omdat het zo anders dan thuis is, zijn er opvallend veel Nederlanders betrokken in de nieuwe kunstscene in Detroit. Zoals Joost Janmaat en Christian Ernsten van de groep ‘Partizan Publik’ en Femke Lutgerink die medestichters zijn van het internationaal collectief “Detroit Unreal Estate Agency” (een woordspeling op ‘real estate’, vastgoed). Deze groep, waarvan naast kunstenaars ook architecten en stadsplanners deel uitmaken, is geinteresseerd in de nieuwe samenlevingsvormen die in de ‘post-apocalyptische’ stad ontstaan. Ze documenteert het proces en participeert erin met kunstprojecten.

Een leegstaand huis bewerkt door kunstenaar Tyree Guyton
Tom Parish, een kunstschilder die lang woonde en werkte in de Book Tower, een prachtige art deco-wolkenkrabber downtown die nu ook leegstaat, is sceptisch over de groeikansen van Detroit als kunstcentrum. “Er is geen locale markt die het kan ondersteunen”, zegt hij. “Elke kunstenaar die ik ken heeft een tweede baan, tenzij ze hun werk elders kunnen verkopen.” Monkelend voegt hij er aan toe: “Dat houdt hen eerlijk. Ze maken geen kunst om hun publiek te bevallen want er is geen publiek”. Corinne Vermeulen beaamt dat het niet makkelijk is om in Detroit aan de kost te komen. “Zeker in het huidige economisch klimaat. Ik heb me het laatste jaar vaak afgevraagd: hoe lang zal het me nog lukken? Maar nu heb ik een beurs gekregen waarmee ik weer een jaar verder kan.”
Fietsen is een genot in Detroit omdat er zo weinig auto’s zijn en het stadslandschap zo gevarieerd is. “In de zomer is het hier een echte jungle”, zegt Corinne die in haar eerste jaren in de stad geen auto had en dus heel wat afgepeddeld heeft. Ze heeft nooit schrik gehad, behalve enkele keren van wilde honden. De rit is nooit eentonig. Stadsbuurten wisselen af met prairie; tussen de ruines staan tuintjes en hier en daar een boerderijtje. Zoals dat van 31-jarige Greg Willerer die net zijn groenten aan het begieten is als we passeren. Trots leidt hij ons rond in zijn piepkleine ‘urban farm’. Voor een rij mesclun-sla krijg ik 100 dollar”, zegt hij, “ik verkoop ze aan de beste restaurants van Detroit.” We zetten ons in de zon voor een van de serres die Greg heeft gemaakt met plastic en metalen buizen. Links van ons torent het MotorCity Casino boven de boomtoppen.

Stadsboer Greg
“Met mijn rug naar het casino beeld ik me in dat ik op het platteland ben”, zegt Greg. Dat is niet moeilijk. Vogels kwetteren, bijen zoemen, een kip kakelt. Bloeiende rozen en diep groen alom. De geur van vers gespitte aarde. “De grond is hier heel vruchtbaar”, zegt Greg, “Dat wisten de Fransen al.” We kijken uit op grasland dat hele straatblokken in beslag neemt. “Vijftien jaar geleden stonden de huizen hier nog zij aan zij”, vertelt Greg. In een van de houten huisjes die nog overschieten, gaat de voordeur open. Een klein meisje komt naar buiten en huppelt door een wei. Het gras is zo hoog dat enkel haar blonde krulletjes er boven uit dansen.
Maar de verdwenen huizen hebben een onzichtbaar spoor achtergelaten. Er zit gif in de grond, vooral lood. Greg moest nieuwe grond aanvoeren, die hij mengde met plantaardige afval van een brouwerij. Ook kweekte hij zonnebloemen en mais die het gif uit de grond zuigen. Zo daalde het loodgehalte van zijn grond tot ver onder de milieuwet-norm. Maar vervuiling blijft een groot probleem voor de urban farmers. Ze is het ergst rond de oude fabrieken. Daar zijn de ‘brownfields’, waar zelfs geen onkruid groeit. Greg kweekt alles biologisch, zonder pesticiden. De meeste stadsboeren in Detroit doen dat volgens hem. Hij participeert enthousiast in het “Garden Resources Program” dat in 2003 werd opgestart door een coalitie van locale groepen en de landbouwfaculteit van de universiteit van Michigan. “We betalen 10 dollar lidgeld per jaar maar we krijgen er veel voor in ruil: gratis zaad, gebruik van gereedschap en lessen.” Het programma heeft acht steunpunten, verspreid over de stad, waar de stadsboeren samenkomen en met raad en daad worden bijgestaan. De leden zijn van alle klassen en rassen. Er zijn ruim 800 deelnemers aan het programma, waaronder 170 collectieve community gardens en 40 scholen.Vorig jaar produceerden ze samen 164 ton voedsel. Er zijn nog vele andere organisaties van stadsboeren in Detroit. Zoals ‘Urban Farming’, in 2005 gesticht door soulzangeres Taja Sevelle. De cooperatieve groep bebouwt nu al 500 terreinen van gemiddeld 100 vierkante meter groot. De partners nemen wat ze nodig hebben en de rest van de oogst gaat naar de armen. Financier John Hantz ruikt winst in het stadsboeren. Zijn bedrijf heeft ruim 28 hectaren lege terreinen aan de oostkant van Detroit opgekocht. Als het stadsbestuur zoals verwacht zijn zegen zal geven, wil hij vanaf volgend jaar de grootste stadsboerderij ter wereld opstarten. Hij belooft wind- en zonne-energie te gebruiken, honderden arbeidsplaatsen te creeren en de locale boeren en tuinders te helpen.

Kinderen spelen voor hun uitgebrand huis
De groei van urban farming in Detroit is spectaculair maar volgens Greg nog niet genoeg. “Te veel mensen hier blijven passief wachten op hulp van buitenaf”, klaagt hij, “maar niemand zal Detroit ter hulp komen. Detroit na de auto-industrie is zoals Cuba na het vertrek van de Russen. We kunnen alleen op onszelf rekenen.” Hij hoopt dat Detroit een experiment wordt waar de hele wereld van zal leren. “Vroeg of laat is de olie op en zullen de steden moeten leren om zichzelf te bedruipen”, meent hij. Ik ontmoet nog verschillende inwijkelingen die er net zo over denken. Zoals Jody, een jonge lerares uit Colorado. “Er is geen stad ter wereld waar urban farming zo snel groeit als in Detroit”, zegt ze. “Uit heel het land komen mensen zoals ik naar hier om er aan deel te nemen. Detroit is de stad van de toekomst.”
Greg is alvast optimistisch wat zijn eigen toekomst betreft. Hij heeft zijn baan –leraar Engels- opgegeven om zich voltijds op het boeren te storten. Hij droomt van een modelboerderij, waar andere Detroiters de stiel komen leren. Volgend jaar wilt hij een leegstaand terrein aan de overkant van de straat in gebruik nemen (de stad die alle lege terreinen erft, laat dat toe maar behoudt zich het recht voor om het weer af te pakken mocht er een koper opdagen) en twee mensen in dienst nemen. Al is zijn boerderij dan nog maar een halve hectare groot, Greg twijfelt niet aan zijn succes. Ik specialiseer me in exotische sla”, zegt hij. “Mizuna, rode zuring, dat soort dingen. Daar is een groeiende vraag naar.”
We nemen afscheid van Greg en fietsen verder. We passeren langs een boerderij die wordt uitgebaat door een school voor meisjes die zwanger zijn of al een kind hebben. Het doel is om de jonge moeders via de boerenstiel te leren op eigen benen te staan. Een paard en enkele geitjes komen nieuwsgierig op ons af. Hun weide ligt tussen een appelboomgaard en een groentetuin. Een rode houten stal die de leerlingen zelf bouwden, lijkt zo verhuisd van de Amerikaanse buiten. Later rijden we in de late-namiddagzon door een lege straat. Er staan enkele prachtige villa’s, al even doods als hun buren. Enkele huizen hebben geen daken meer en roet-omrande ramen. Er passeren geen auto’s. Er is niemand te zien. Of toch, daar is een man die in een tuintje naast een flatgebouw aan het spitten is. Het gebouw staat leeg, slechts in één flat zijn de ramen nog intact. Er hangen gordijnen voor. De voordeur staat open. In de hal staan een fiets en een paar schoenen. Woont de tuinier hier? En zo ja, hoe overleeft hij de bitterkoude winter? We willen het hem vragen maar hij is zo opgeslorpt door zijn werk dat we hem liever niet storen. We kijken naar hem terwijl hij de zwarte aarde omwoelt en vragen ons af of we naar de stad van de toekomst staren.



Een school in Highland Park


1 comment augustus 12, 2009
KAREL VAN MIERT ZEI (2):
“Alle lidstaten van de Europese Unie hebben het principe van de vrije markt aanvaard. Dat is de context. Niemand kan daar nog omheen. Ik stel vast dat lieden die er vroeger tegen waren, er nu voor zijn. Het is geen ideaal systeem maar wel het minst slechte – zoals Churchill al zei over de parlementaire democratie. Het principe van de markteconomie kan niet meer op de helling worden gezet. Dan moet je, in mijn geval, ervoor zorgen dat die markteconomie zo goed mogelijk werkt.
Concurrentiebeleid is daar een wezenlijk onderdeel van. Vergeet niet dat dit onderwerp in de VS is ontstaan, als anti-trustbeleid om te voorkomen dat de groten de kleintjes met huid en haar zouden verslinden. “ (eigen archief JC)
1 comment augustus 16, 2009
ADAM HOCHSCHILD on Congo, Rwanda and the US

The American author, journalist and lecturer (Harvard, Berkeley) Adam Hochschild (1942) wrote six books so far, two of them dealing with Africa. His King Leopold’s Ghost: A Story of Greed, Terror and Heroism in Colonial Africa (1998) was an incisive history of the conquest and colonization of the Congo by Belgium’s King Leopold II. His books have been translated into twelve languages.
Hochschild recently traveled in East-Congo,and wrote about this shocking trip for The New York Review of Books (http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/08/02/uranium-chaos-in-congo/). Since then Secretary of State Hillary Clinton visited Kinshasa and Goma, spoke with the Congolese president Kabila and other Cabinet members. Clinton did not meet or contact the Rwandese chief of State Kagame – although contacts between the two countries on a military level took place during the same period.
Many observers believe that the key to peace is in the hands of the US. At the request of Salon van Sisyphus, Adam Hochschild commented on some of the latest events. And of course, on the ‘eternal triangle’ Congo-US-Rwanda.
Q: From a political and humanitarian point of view, was it wise and responsible what Secretary of State Hillary Clinton said (not) and did (not) during her visit of DR Congo?
- I’m glad Mrs. Clinton talked about mass rape when she visited Goma, for Congolese women have suffered in a horrendous way, on a massive scale, and the world pays too little attention. But condemning rape is politically cost-free. I wish she had also said something strong about the long, well-documented string of atrocities committed by the DRC army–a force which, after all, the U.S. and its European allies are helping to pay for.
Q: Does the US have a foreign policy on Africa – mainly speaking about Congo and Rwanda now – other than Africom? What is it, or should it be or based upon?
- I don’t have the Washington insider knowledge to say much about this. But my impression is that with Africom, as with so much else in the realm of military policy, Obama’s actions and policies differ from Bush’s far less than his rhetoric would make you think.
Q:The US are backing the Rwanda regime militarily and otherwise ever since Kagame came to power. According to African and European observers this American attitude is actually promoting violence and chaos in the region. Should/could the US put more pressure on Kagame?
- Kagame has been brilliant at making use of American guilt over not having done anything to prevent the 1994 genocide. But his regime has some blood on its hands from what has happened since then, and has profited mightily from gold and other minerals its troops have removed from Congo. Yes, I would like to see the US put more pressure on Kagame.
Q :In African matters President Obama seems to be squeezed between immobilism and rightwing racist uprising in his own country. (‘Black president helps black continent at the cost of white America’). How do you think/hope it will turn out?
- Sadly, I don’t expect the Obama Administration to have a huge effect on Africa, despite the novelty and inspiration of his being the first black American president, and his own first-hand knowledge of the continent. The economic crisis will prevent much more money going in aid–and aid, even when given in an enlightened manner, which it seldom is, has severe limitations when it comes to really changing the society involved. And the US thirst for oil, at least in the short term, is going to drive policy towards the oil-producing African states, no matter what noble words are said about democracy.
——–
Interview by Jef Coeck for Salon van Sisyphus
——–
VERTALING interview HOCHSCHILD
- Was het vanuit politiek en humanitair standpunt verantwoord(elijk) wat minister van Buitenlandse Zaken Clinton bij haar recent bezoek aan Congo wel en niet heeft gezegd?
AH: ‘Goed dat mevrouw Clinton in Goma de massale verkrachting van Congolese vrouwen heeft aangeklaagd. Dat is een afschuwelijk gebeuren, waar de wereld nog veel te weinig aandacht voor heeft. Maar het veroordelen van verkrachting is politiek gratuit. Ik had graag gezien dat ze ook een sterke verklaring had afgelegd over de lange en goed gedocumenteerde lijst van wreedheden begaan door het Congolese leger. Dat leger wordt, zoals bekend, in stand gehouden met financiële steun van de VS en zijn Europese bondgenoten.’
- Hebben de VS eigenlijk een Afrika-politiek, behalve in het militaire verband van Africom? Is dat een goede basis voor zo’n politiek?
AH: ‘Ik ben niet ingewijd in de geheimen van Washington. Wat Africom betreft is mijn indruk dat Obama’s houding en daden, voor zover ze de militaire sfeer betreffen, minder verschillen van die van zijn voorganger Bush dan Obama zelf graag wil doen uitschijnen.’
- De VS steunen de Rwandese president Kagame, militair en anderszins, van bij zijn aantreden in de jaren negentig. Volgens nogal wat Amerikaanse en Europese waarnemers werkt die Amerikaanse steun het geweld en de chaos in de regio in de hand. Kan en moet Kagame niet eens streng tot de orde worden geroepen door de VS?
AH: ‘Kagame is een genie in het uitbuiten van de Amerikaanse schuldgevoelens over het niet-verhinderen van de genocide in 1994. Maar Kagame’s regime heeft zelf bloed aan de handen voor wat sedertdien is gebeurd. Het profiteert ook schandelijk van het goud en andere mineralen die zijn troepen in Congo hebben weggeroofd. Ja, wat mij betreft moeten de VS Kagame flink onder handen nemen.’
- Als het over Afrika gaat lijkt Obama geprangd te zitten tussen immobilisme en racistisch-rechts in eigen land (Zwarte president helpt zwart continent ten koste van blank Amerika). Hoe moet dat aflopen?
AH: ‘Slecht. Ik verwacht niet dat de Obama-administratie veel zal veranderen in Afrika. Daarmee doe ik geen afbreuk aan de vernieuwing en inspiratie van de eerste zwarte Amerikaanse president, noch aan zijn uitstekende kennis over het continent. De economische crisis zal verhinderen dat er aanzienlijk meer geld naar hulp gaat. En zelfs als hulp op een verstandige manier verstrekt wordt, wat zelden het geval is, is ze niet in staat om een samenleving ingrijpend te veranderen. De Amerikaanse dorst naar olie zal, zeker op de korte termijn, de politieke daadkracht richten op de olieproducerende Afrikaanse landen, hoe nobel de verklaringen over democratie ook mogen klinken.’
(background article coming up/ duiding volgt)
1 comment augustus 17, 2009
DOODSPANELEN
door Tom Ronse
In rijen van vele straatblokken lang stonden ze vorige week aan te schuiven voor het LA Forum, een sportstadion aan de zuidkant van Los Angeles waar Madonna nog heeft gezongen. Nochtans traden er geen sterren op. De arena was, voor acht dagen, veranderd in een gratis veldhospitaal. 
Het initiatief kwam van Remote Area Medical, een groep die zich tot nu toe richtte op afgelegen streken en derde wereldlanden. De vraag overstelpte de dokters. Ze konden niet iedereen helpen. Mensen die niet aan de beurt kwamen sliepen in hun auto’s in de hoop om de volgende dag binnen te geraken. Toen de dokters dinsdag hun veldhospitaal opbraken, hadden ze ruim 10.000 patienten geholpen. Onverzekerden en slecht-verzekerden. Hun aantal groeit vierklauwens.
Een verslag over dit veldhospitaal vind u hier:
Een betere achtergrond voor het debat over de gezondheidszorg in de VS was haast niet denkbaar. Dat debat woedde hevig in de voorbije week maar wat de gemoederen verhitte was niet de noodkreet uit Los Angeles maar angst voor ‘doodspanelen’. Een van de charmes van het volgen van de Amerikaanse politiek is dat er met grote regelmaat dingen gebeuren waarbij je je ogen uitwrijft en je je afvraagt of dit wel echt is. Zoals nu met de doodspanelen. Het verhaal begint met een conservatieve Republikein die een voorstel doet dat zonder oppositie in het wetsontwerp over gezondheidszorg-hervorming wordt geschoven. Het lijkt dan ook niet controversieel: verzekeraars moeten de tijd die dokters besteden om aan hun patienten uit te leggen wat hun opties zijn inzake ‘end of life’ –verzorging als werktijd vergoeden. Het verzet daartegen kwam niet uit het Congres. Sommigen zeggen dat het aangestookt werd door de verzekeringssector maar harde bewijzen zijn daar nog niet van geleverd. Feit is dat dit verzet zich als een lopend vuurtje verspreidde in dat deel van de Republikeinse basis dat zich, sedert Obama president werd, bedreigd, angstig en verweesd voelt. Obama benadrukt dat de kostenstijging van de gezondheidszorg in de VS onhoudbaar is en dat is ook zo. Het land geeft meer uit aan gezondheidszorg dan enig ander -bijna dubbel zoveel per capita als Nederland en Belgie- maar is beduidend ongezonder (slechts 37ste op de VN-ranglijst van gezondheidszorg). De link was snel gelegd: De president wil kosten uitsparen + hij wil dat dokters met hun patienten over end of life-opties spreken = euthanasie. De paranoia werd aangewakkerd door schaamteloze politieke hoeren zoals Sarah Palin en Newt Gingrich die bereid zijn om alles te zeggen om de lege Republikeinse troon te veroveren. Anderen volgden. Zo kregen we het potsierlijk spektakel te zien van Republikeinse Congresleden die protesteerden tegen een maatregel die ze zelf hadden voorgesteld, alleen maar vanwege de vrees dat die tot “doodspanelen” zou leiden die mindervaliden en bejaarden verzorging zouden ontzeggen en hen zo de dood zouden injagen.
Het gekke is dat die ‘doodspanelen’ al bestaan. Ze worden niet bemand door dokters of ambtenaren maar door personeel van de verzekeringsfirma’s gespecialiseerd in het vinden van redenen om niet te betalen. En dat zijn er veel. Zo hoeft een firma niets te vergoeden als ze kan aantonen dat de patient de kwaal al had voor hij verzekerd was. Het Institute of Medicine schat dat er elk jaar meer dan 20.000 Amerikanen sterven omdat ze onverzekerd zijn of omdat hun verzekering weigert om voor hun behandeling te betalen.
De modale Amerikaan heeft dus alle belang bij dat de gezondheidszorghervorming er komt. Maar op veel van de meetings die Amerikaanse verkozenen traditioneel in augustus in hun kieskring houden, ging alle passie naar de doodspanelen. Er zijn al vele verklaringen voor dit merkwaardig fenomeen opgedist. De formidabele propagandastructuur van rechts Amerika, de medeplichtigheid van de media, Fox-News in het bijzonder, de goedgelovigheid van de Amerikanen (die tenslotte ook bereid waren om te slikken dat Saddam achter 9/11 zat en Amerika met massale vernietigingswapens bedreigde), de onrust die de economische crisis meebrengt, de ‘crazy trait’ in de Amerikaanse politiek, het verlangen van sommige Republikeinen om Obama te destabiliseren met om het even welke middelen…
Er staan natuurlijk machtige belangen op het spel bij de gezondheidszorg-hervorming. De verzekeringen en farmaceutische sectoren hebben er baat bij dat alles zoveel mogelijk blijft zoals het was. Maar ogenschijnlijk hebben ze er weinig aan om een storm op gang te brengen over de ‘doodspanelen’. Want aangezien de omstreden maatregel slechts een detail is in het volumineuze wetsontwerp, kan die makkelijk geschrapt worden zonder het geheel in gevaar te brengen. Wat levert de heisa dan op? In het Congres was er al een akkoord bereikt over 85% van de hervorming. De rest, waaronder de instelling van een publieke ziekteverzekering, staat nog in vraag. Maar de agressieve doodspanelen-campagne heeft twijfels gezaaid en Obama voelt zich in het defensief gedrongen. Hij is bereid om steeds meer water in zijn wijn te doen. In die mate dat er ter linkerzijde steeds meer wordt gevreesd dat een echte hervorming opnieuw zal afgesteld worden.
1 comment augustus 19, 2009
De zotte Morgen

Van de kranten van baas Van Thillo is geweten dat ze een fijne neus hebben voor belangrijk nieuws. Een recente kop in De Morgen (31 juli) deed echter meer dan een wenkbrauw fronsen in het salon. Een nauwgezette reconstructie was noodzakelijk om ons de beschreven situatie te kunnen voorstellen. (TR)

1 comment augustus 28, 2009
Een ‘heropleving’ zonder jobs

Door Tom Ronse
Wie zou het geloofd hebben: nog geen twee maanden nadat ze bankroet werd verklaard, werft GM weer aan. Ook de andere Amerikaanse auto-bedrijven hebben hun productie verhoogd. De industriele activiteit neemt toe, de verkoop van huizen begint weer te stijgen, het werkloosheidspercentage is gedaald. De meeste economen geloven dat de recessie in de VS achter de rug ligt. Is de Amerikaanse job-machine weer in gang geschoten? Het lijkt te mooi om waar te zijn. Helaas is het dat ook.
Het valt op, na de grimmige sfeer van de voorbije maanden, dat er een hoopvolle wind waait door de Amerikaanse economie. De beurzen zitten opnieuw in de lift, aangemoedigd door de optimistische uitlatingen van economische guru’s als Fed-voorzitter Ben Bernanke en zijn voorganger Alan Greenspan die voorspelden dat de Amerikaanse economie in de tweede helft van dit jaar substantieel zal groeien. Volgens de meeste Amerikaanse economen die onlangs gepeild werden door de Wall Street Journal, eindigde de recessie in juni. Maar een meerderheid van hen denkt ook dat de werkloosheid voorlopig zal blijven stijgen. Dat de recessie eindigt, betekent dat de economie weer groeit maar niet noodzakelijk dat er meer werk is. Na de laatste twee recessies in de VS duurde het respectievelijk 15 en 19 maanden voor de werkloosheid begon te dalen. Deze keer zou het nog veel langer kunnen duren. Een recent rapport van de Federal Reserve Bank van Kansas City stelt dat de werkloosheid zal blijven stijgen tot in 2011, om daarna traag te zakken. Binnen 10 jaar zal de werkloosheid nog steeds hoger zijn dan voor de huidige recessie begon, aldus het rapport.
Anderen vinden die voorspelling te pessimistisch. Het hangt er van af, zeggen de economen, op welke letter de economie het meest zal lijken: V, U, W of L. De optimisten verwachten dat de heropleving even snel zal gaan als de inzinking: een V-herstel. Maar zij zijn in de minderheid. De meesten verwachten dat het langer zal duren om uit het dal te klimmen en voorspellen een U-heropleving. Maar de vrees groeit dat een heropleving van korte duur zal zijn en gevolgd zal worden door een nieuwe inzinking: het W-scenario. Ook daarin gaat het uiteindelijk de goede kant uit. Maar volgens de aanhangers van het L-scenario blijft de economie jarenlang op de bodem stagneren. De groei blijft te zwak om de werkloosheid af te remmen.
“The jobless recovery”. Het is een term die steeds vaker opduikt in economische prognoses. Patrick Taylor werkt zich uit de naad sedert hij in maart ontslagen werd bij de drukkerij waar hij 17 jaar werkte als machinist. Zo gaat hij naar alle ‘job fairs’ (werkbeurzen), niet alleen hier in New York maar ook in omliggende staten. Hij is zichtbaar teleurgesteld als hij me zijn laatste ervaring vertelt. Het aanbod was mager op de job fair, een eendagsevenement in een locaal hotel. “Behalve van het leger en de National Guard kwam het enige aanbod van Verizon (een communicatiebedrijf) en zij werden overstelpt. Voor de rest waren er onderwijsinstellingen die herscholingscursussen aanboden.” Het aanbod op de job fairs is volgens Pat in de afgelopen maanden steeds magerder geworden. Voor de jongeren is dat het ergst. Morgan Williams behaalde vorig jaar haar diploma in ‘Media Management’ aan de prestigieuze Columbia-universiteit maar is er sindsdien nog niet in geslaagd om een baan te vinden. “Ik heb meer dan 500 aanvragen verstuurd maar werd nog niet één keer uitgenodigd voor een interview”, vertelt ze me een beetje wanhopig, “de meesten nemen niet eens de moeite om een ‘het spijt me’-email te sturen.” Ze vond zelfs geen baan als dienster want de restaurants doen het ook slecht. “Ik schaam me dat ik nog steeds op de kosten van mijn ouders leef”, bekent de 23-jarige vrouw. Voor jonge mannen is de situatie nog erger. In de leeftijdsgroep van 20 tot 24 jaar heeft nog 65% een baan en in de groep van 16 tot 19 jaar slechts 28%.
Maar het werkloosheidspercentage is toch gedaald? Inderdaad, in juli zakte het van 9,5 naar 9,4%. Je zou denken dat dit betekent dat de tewerkstelling is gestegen maar het tegendeel is waar. In juli verminderde het aantal banen met 247 000. Tegelijk daalde het aantal werkzoekenden volgens het ministerie van Arbeid met 450.000. Werklozen die niet actief naar werk zoeken worden beschouwd als ‘discouraged workers’ (‘ontmoedigde werkers’), niet langer deel uitmakend van de arbeidsmarkt. Als deze categorie en andere die niet meegeteld worden zouden worden meegerekend, zouden de VS 30 miljoen werklozen tellen -18% in plaats van 9,4%.
Rachel Carson valt in de categorie van de discouraged workers, al zegt ze me dat ze de moed nog lang niet heeft verloren. “Maar de enige aanbiedingen die ik de laatste maanden vond, waren minimumloon-jobs”, vertelt ze, “voorlopig bedank ik daarvoor.” Met haar ervaring in Wall Street, waar ze werkte bij het intussen overstag gegane Merril Lynch, hoopt ze iets beters te vinden. Lukt het niet dan wil ze terug naar school om verpleegster te worden. “Dat is een beroep dat geen last heeft van recessies”, zegt ze, “er zijn altijd verpleegsters te kort.”
Zeg dat niet tegen Sylvia Baez. Zij haalde maanden geleden haar verpleegster-diploma maar vindt geen werk. De reden: ervaren verpleegsters die niet langer werkten, keren massaal terug naar de arbeidsmarkt. “Ruim 70% van de verpleegsters is getrouwd”, legt arbeidsmarkt-expert Peter Buerhaus uit. “Velen die gestopt waren keren nu terug omdat hun echtgenoten hun werk verloren of schrik hebben dat dit kan gebeuren. Anderen die deeltijds werkten, werken nu om dezelfde reden voltijds.” Tegenslag voor de nieuwkomers dus. Toch blijft de gezondheidszorg een van de weinige sectoren waar de tewerkstelling stabiel bleef en nog groeit. Al kunnen de bezuigingsmaatregelen die de deelstaten moeten nemen omdat hun fiscale inkomsten fel zijn gedaald, die groei hinderen. Zo heeft Californie besloten niet langer te betalen voor oog- en tandverzorging van onbemiddelden. Ook de privé-bedrijven bezuinigen massaal op gezondheidszorg.
Een zeldzaam lichtpunt is de auto-industrie. GM werfde onlangs 1000 ontslagen werknemers opnieuw aan en ook bij Ford en Toyota werden overuren geklopt. Transportminister Ray LaHood noemde dit “het beste economisch nieuws van Amerika”. Maar het mooie liedje is al uitgezongen. De gestegen autoverkoop was het gevolg van het “Cash for Clunkers’-programma, waarbij de federale overheid tot 4500 dollar subsidie gaf aan mensen die hun benzineslokop inruilden voor een zuiniger model. Dat programma, dat 700.000 nieuwe wagens hielp verkopen, liep vorige maandag af. “Dat was mooi maar het heeft geen blijvend impact”, zei Rebecca Lindland van het auto-researchbedrijf IHS Global Insight. “Wat dit vooral deed, was de verkoop van wagens die anders in 2010 of 2011 zou gebeuren, naar voor trekken. Nu komt de onvermijdelijke terugval.”
Maar wat betreffende de nieuwe groene technologie die volgens president Obama massaal veel jobs zal creeren? Sam, een kleine bouwondernemer uit mijn buurt, had er zijn hoop op gesteld en specialiseerde zich in het energie-efficient maken van oudere gebouwen. Maar de vraag stijgt niet en Sam balanceert op de rand van het bankroet. “Er wordt veel over gepraat”, zegt Bob Bruno, professor aan de School of Labor and Employment van de universiteit van Illinois, “maar in praktijk gebeurt er weinig. Er is niet veel in het federale stimulus-programma die het mogelijk maakt.”
Behalve in onderwijsinstellingen en in overheidsdiensten waarop nu meer beroep wordt gedaan, ziet Bruno geen tewerkstellingsgroei. “We zitten in een vicieuze cirkel”, zegt hij, “de werkloosheid kan niet dalen als de consumptie niet stijgt maar de consumptie blijft dalen omdat de werkloosheid stijgt.” Ook de economen gepeild door de Wall Street Journal menen dat een gevoelige stijging van de consumptie nodig is voor een volgehouden herstel. “Je moet een onderscheid maken tussen het beter doen en het goed doen”, zegt econoom Neal Soss, “de economie zal het beter doen omdat de crisis zo diep was. Maar de consumentenvraag, normaal goed voor 70% van de totale vraag in de VS, is zo laag dat het nog lang zal duren eer de tewerkstelling groeit.”
Hoezeer wordt hij gemist, de Amerikaanse consument. De hele wereld hoopt dat hij spoedig in zijn oude slechte gewoonten zal hervallen. Want de groei van de Amerikaanse consumptie was de krachtigste motor van de wereldeconomie, ook al kloegen economen dat ze onhoudbaar was, dat Amerika’s handelsdeficit te groot werd. Die consumptiegroei was een bubbel die gevoed werd door een andere zeepbel, de speculatieve waardestijging van de vastgoedmarkt. Die had voor het gevolg dat huiseigenaars zich rijk voelden en het geld lieten stromen. De ineenstorting van de vastgoedmarkt had het omgekeerde effect: mensen voelen zich steeds armer, steeds minder bereid om uit te geven. Dus blijft de consumptie dalen. De kleinhandel had in juli haar slechtste maand sinds januari. Gevreesd wordt dat de ‘back to school sale’, traditioneel de sterkste verkoopsperiode na het kerstseizoen, een flop zal worden.
“Zonder het stimulus-programma van Obama zouden we er nog veel slechter voorstaan”, meent econoom Dean Baker. Obama nam in grote lijnen dezelfde stimulerende maatregelen als de Europese landen maar gooide er wel veel meer geld tegenaan. Toch lijken die stimuli, niet alleen in Europa maar ook in China en Japan, meer impact te hebben. Volgens Bruno komt dat omdat die landen geen vastgoedcrisis hebben gekend zoals de VS. “Het eerste teken dat er een echt herstel is begonnen, zou de stabilisering van de vastgoedmarkt zijn”, meent hij. Voorlopig is dat niet het geval. Het aantal inbeslagnames van huizen blijft groeien. In juli kregen 360.000 huiseigenaars bericht dat ze hun woonst verliezen. Meer dan 13% van de huis-eigenaars staat achter met betalingen of is zijn huis al kwijt. Het aanbod op de huizenmarkt blijft dus groeien, de modale huizenprijs blijft zakken, meer eigenaars zien de waarde van hun woonst dalen onder het bedrag dat ze er nog voor verschuldigd zijn en stoppen met afbetalen. De huizencrisis is nog niet uitgewoed en dreigt zich nu uit te breiden naar de commerciele vastgoedsector. Duizenden koopcentra staan al leeg.
Een ander teken van herstel volgens Bruno zou de stijging van de gemiddelde werkweek zijn. Nu bedraagt die slecht 33 uren. Vele werknemers, zoals mijn buur Rob die eindredacteur is bij een NewYorkse krant, worden gedwongen om onbetaald verlof te nemen. “Zolang ze hun personeel niet ten volle benutten, zullen bedrijven niet aanwerven”, zegt Bruno. Hij hoopt dat sommige maatregelen in het stimulus-programma die nog in de pijplijn zijn, openbare werken zoals een supersnelle treinverbinding tussen Chicago en St. Louis, een gunstig effect zullen hebben. Baker meent dat de voortgaande stijging van de werkloosheid grote druk zal doen ontstaan voor een tweede stimulus-programma. Maar de oppositie daartegen zal, gezien het duizelingwekkend begrotingstekort, ook niet mals zijn. Bruno ziet alvast een lichtpunt in de door Obama gesteunde uitbreiding van het netwerk van community colleges, gesubsidieerde hoger-onderwijsinstellingen die zich richten op de noden van de locale bedrijven. “Dat zijn kweekvijvers voor de gespecialiseerde werkkrachten van morgen”, zegt hij, “op termijn moet daar iets goeds van komen.”
Add comment augustus 30, 2009
BLOOD ON THE TRACKS – AND OIL
AFRICOM, MILITARISERING
VAN CONGO TOT CONTINENT
door Jef Coeck
Hillary in Afrika, 11 dagen lang, 7 landen. In de Westerse pers is er zuinig over bericht, behalve die keer dat ze uithaalde naar echtgenoot Bill. ‘Ik ben de minister van Buitenlandse Zaken, niet hij.’ Goed geklauwd, katje, luidden de meeste commentaren. Maar over de Amerikaanse Afrikapolitiek werd doorgaans met geen woord gerept. In dezelfde periode vonden toch enkele gebeurtenissen plaats die betekenisvol waren en die de mainstream press negeerde. De voorlopige conclusie moet luiden dat president Obama noodgedwongen de Afrikapolitiek van Bush voortzet, zoals waarnemer Adam Hochschild hier onlangs al betoogde (http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/08/17/adam-hochschild-on-congo-rwanda-and-the-us/). Er is een militarisering van het Afrikaanse continent aan de gang, om de economische, militaire en strategische belangen van de VS veilig te stellen. Met een cynische boutade zou men kunnen zeggen: hoera, eindelijk wordt er omgekeken naar Afrika.
BUSHISM
De geschiedenis begint natuurlijk waar je hem laat aanvangen. Laten we dit verhaal maar beginnen op datum van 1 october 2008, nog net voor de presidentsverkiezingen die door Obama zijn gewonnen. Toen werd in Washington met enige fanfare de officiële installatie aangekondigd van AFRICOM, Unted States African Command. Het initiatief was enkele jaren voordien genomen door minister van Defensie Donald Rumsfeld, als onderdeel van de strategie om de Amerikaanse buitenlandse politiek meer en meer naar het Pentagon toe te trekken.
AFRICOM is het Amerikaans Eenheidscommando voor alle Afrikaanse landen, uitgezonderd Egypte dat onder het Midden-Oosten blijft ressorteren. Het gaat om 53 staten, inclusief de eilandengroepen – belangrijk voor vlootoperaties - van Kaapverdië, Sao Tome en Principe, Equitoriaal Guinea, de Comoren, Madagascar, Mauritius en de Seychellen.
Het hoofdkwartier, met 1300 personeelsleden, is voorlopig gevestigd in Stuttgart, Duitsland. Het lag in de Amerikaanse bedoeling om AFRICOM meteen in een Afrikaanse hoofdstad te droppen, maar geen enkel Afrikaans land wilde het odium van onverknipte yankeevriend op zich laden. Zelfs het Bush-gezinde Liberia vond het idee te link, ondanks de riante financiële voordelen die er zouden aan vasthangen. Met zijn bekende affirmatiedrang (‘Africa is a nation that suffers from incredible disease’) ontkende de president in zijn nadagen dat een nieuwe grote militaire basis – naar het evenbeeld van Camp Lemonier in Djibouti – op het Afrikaanse continent overwogen werd. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen we dus zeggen dat er nu volop naar zo een nieuwe locatie wordt uitgekeken.
De navy- en landmacht van AFRICOM zijn, eveneens ‘voorlopig’, in Italië ondergebracht (Vicenza en Napels). De Air Force component huist in Sembach, Duitsland. Eventuele nieuwe vestigingsplaatsen kunnen er komen na “full diplomatic consultation and agreement with potential host nations”. Dat is nog welsprekender dan de Bush-verklaring zelf.
THE MISSION
Het formele Mission Statement van U.S. Africa Command werd in mei 2008 goedgekeurd. AFRICOM: “…zal, in overleg met andere U.S. regeringsdiensten en internationale partners, een volgehouden inspanning voor de veiligheid leveren, met militaire uitwisselingsprogramma’s, met door het leger ingerichte activiteiten en andere militaire operaties, voor zover ze tot doel hebben een stabiele en veilige Afrikaanse omgeving te scheppen die de buitenlandse politiek van de U.S. in de hand werkt.”
De Amerikaanse Afrikapolitiek wordt op de middenlange termijn grotendeels bepaald door het toenemend belang van de Afrikaanse olie. De olieprijzen stijgen, de behoeften ook. Ongeveer 80 procent van de Amerikaanse handel met Afrika bestaat uit olie-import.
Dat is een verdubbeling sedert 2002. In 2006 hebben de VS meer olie ingevoerd uit Afrika dan uit het hele Midden-Oosten.
Zowel de Obama-administratie als vertegenwoordigers van AFRICOM ontkennen in alle toonaarden dat de Afrikapolitiek wordt gemilitarizeerd. Maar bijna alles wijst op het tegendeel, zo zal blijken.
Wanneer is eigenlijk een buitenlandse politiek gemilitariseerd? Een algemeen aanvaarde definitie is: als militaire machtsontplooiing beschouwd wordt als het enige effectieve middel om de agenda te realiseren. En met AFRICOM wordt nu het bijna-laatste werdelddeel (op Australië en Antarctica na) van een eigen Amerikaans militair oppercommando voorzien. Machtsontplooiing lijkt een understatement.
THE FUNDING
Het Amerikaanse Defensie Budget voor FY 2010 voorziet zo’n 300 miljoen dollar voor werking en onderhoud van AFRICOM operaties. Daarbij komt 263 miljoen voor extra personeel, luchttransport en communicatie. De begroting vermeldt nog een globale som van 451 miljoen dollar voor het vervangen en verbeteren van ‘facilities’ in de vestigingen van CENTCOM en AFRICOM, maar er wordt geen apart bedrag opgegeven voor AFRICOM.
Die ondoorzichtigheid is geheel volgens de militaire logica. CENTCOM is namelijk het centrale commando, geleid door de bekende generaal Petraeus, wiens enorme bevoegdheid zich uitstrekt over niet enkel Afghanistan en Irak maar ook over de Hoorn van Afrika. Daar, meer bepaald in Djibouti, ligt Camp Lemonier, een voormalige basis van het Franse Vreemdelingenlegioen die in 2001 aan de Amerikanen is overgedragen. AFRICOM zal dus in elk geval met CENTCOM moeten samenwerken, het is er deels uit ontstaan.
De bevelhebber van AFRICOM is Generaal William E. “Kip” Ward, de enige zwarte viersterrengeneraal in actieve dienst. Hij heeft Somalië en Bosnië erop zitten als infanterieofficier. Na een bezoek aan Kinshasa dit voorjaar liet hij een klein beetje in zijn kaarten kijken over AFRICOM.
De VS zullen doorgaan met het trainen en adviseren van het Congolese leger ‘om zijn militaire operaties efficiënter te kunnen uitvoeren en het land veiliger te maken’. Op dit moment, liet Ward zich nog ontvallen, hebben wij hier een zevenkoppig trainingsteam voor de opleiding van Congolese officieren. ‘Dit moet de professionalisering van de Congolese strijdmacht verhogen.’
Een aparte post van het State Department vormen de overeenkomsten met ‘private military contractors’, zeg maar huurlingenorganisaties. In februari vorig jaar, nog onder Bush, kregen vier privé-firma’s samen meer dan 1 miljard dollar toegezegd voor opdrachten in Afrika tijdens de periode 2009-2013.
President Obama, die in zijn toespraken zeer gedreven een multilaterale en ‘zachte’ aanpak verdedigt, blijft dus voorlopig trouw aan de unilaterale militaire aanpak van de VS, zoals gehuldigd door zijn voorgangers. De gevolgen daarvan zijn te zien in Irak. En voorheen in Vietnam – waar het voor de Amerikanen trouwens ook allemaal begonnen is met het sturen van ‘experts’.
Al dit AFRICOM-gedoe werd deskundig ontweken door minister Clinton, die er tijdens haar bezoek in ongeveer alle talen over zweeg. AFRICOM zelf liet zich in die periode ook niet onbetuigd in de rest van het continent. Het met raketten uitgeruste slagschip USS Arleigh Burke deed de haven van Dar Es Salaam in Tanzania aan. En in de Zambiase hoofdstad Lusaka hield het African Command een seminarie over ‘veiligheid en gezondheid’.
RAPID REACTION FORCE
Kort nadat Clinton haar Afrikaanse toernee in Goma had besloten met een roerend afscheid van de Congolese president Kabila, kwam er een los bericht uit Nairobi. Het Amerikaanse leger zal een ‘kleine groep’ experts – alweer – naar Congo sturen. Deze keer is het een burgerlijke delegatie, ‘die moet onderzoeken in welke mate de VS een grotere rol kunnen spelen in het land’. Aldus de Keniase krant Daily Nation.
Nog volgens deze bron stuurt AFRICOM onder meer een pr-specialist die het Congolese leger moet helpen zijn reputatie op te vijzelen. Die reputatie is zoals bekend belabberd, met soldaten die slecht uitgerust zijn en ondermaats betaald worden, die gijzelen en verkrachten. Ook daarover heeft Adam Hochschild al bericht.
In de nieuwe Amerikaanse begroting voor Defensie wordt de Democratische Republiek Congo aardig verwend. Voor wapenaankopen is 2,5 miljoen dollar uitgetrokken, 500.000 dollar gaat naar militaire opleiding en training. Maar de grote hap van liefst 21 miljoen dollar is voorbestemd ‘to reform the military, including the creation of a rapid reaction force for the eastern Congo’. Over deze ‘snelle interventiemacht’ – de term roept bewust of onbewust herinneringen op aan het NAVO-ingrijpen in voormalig Joegoslavië – is vooralsnog weinig tot niets bekend.
Voeg bij dit alles de 17 miljoen dollar die minister Clinton beloofd heeft om het sexueel geweld en zijn gevolgen o.m. militair te bestrijden, dan levert dat een aardige hap op uit de officiële 300 tot officieuze 1000 miljoen dollar waarop AFRICOM aanspraak zal kunnen maken. Maar niets is doorzichtig. Het militair geheim dient bewaard want Feind hört mit, de vijand luistert mee.
CAPSTONE
Wie vriend en vijand zijn valt in deze felbetwiste streek, Centraal-Afrika rond de grote meren, niet altijd uit te maken en het wil ook nog weleens wisselen. Simultaan met Hillary’s bezoek aan Congo landde in het nabijgelegen Kigali (Rwanda) een 21-koppige delegatie van de Amerikaanse legertop. Weer andere experts.
Het waren uitsluitend generaals en admiraals die drie dagen lang werden rondgeleid door hun gastheer, de Rwandese opperbevelhebber generaal James Kabarebe. Bezocht werd onder meer het Genocidemonument van Gisoze, waar de delegatie gebriefd werd over ‘the realities of the 1994 Genocide against the Tutsi’, luidens een verslag in de Rwandese regeringskrant The New Times.

De Amerikaanse delegatieleider was luchtmachtgeneraal b.d. Joseph W. Ashy. Hij verklaarde dat Rwanda een belangrijke bondgenoot van de VS op het Afrikaanse continent is. ‘De geschiedenis van de Genocide en de wijze waarop het land erin geslaagd is uit zijn as te verrijzen als een stabiele staat met een sterk leger, maken het tot een aan te raden studieobject voor Amerikaanse officieren’, aldus Ashy.
CAPSTONE is een bijschoolcursus voor eliteofficieren. Niet enkel zij maar ook de landen, staatshoofden, ambassadeurs waar ze mee omgaan, zijn het puikje. De cursisten worden gecoached door ervaren en streng geselecteerde admiraals en generaals als Ashy zelf. Hij was voorheen gevechtspiloot in Vietnam (Bien-Hoa) en verdiende zijn belangrijkste decoraties als hoofd van de Amerikaanse luchtoperaties in Bosnië, begin jaren negentig.
De opleiding van CAPSTONE Fellows is grotendeels doctrinair en betreft vaak politiek gevoelige onderwerpen die verband houden met defensie maar ook met andere regeringsaangelegenheden, de diplomatie, het parlement, de media en het grote publiek. De deelnemers aan deze elitecursus zijn gebonden door een morele zwijgplicht. Anders gezegd: tegenover buitenstaanders mogen/moeten ze liegen over wat ze binnenkamers hebben vernomen. Het is dus onwaarschijnlijk dat we nog veel zullen horen over de Ashy-missie in Rwanda, zelfs niet als er vragen over zouden worden gesteld in het Congress of de Senaat.
PACIFICATIE
Aan gewapende c.q. vechtende partijen ontbreekt het niet in dit deel van de wereld. De staatshoofden van Congo en Rwanda zijn frères-ennemis, de volken die er wonen vaak rivalen en de meeste buitenlanders tuk op gewin. In goed tien jaar tijd zijn een genocide en twee oorlogen door een streek van zo groot als pakweg het Iberisch schiereiland geraasd. Resultaat: meer dan 5 miljoen doden, plus een veelvoud aan displaced persons en fysiek en psychisch verminkte mensen. De plegers van geweld zijn vaak ook slachtoffers. En omgekeerd.
Het opsommen van groepen, partijen, warlords en coalities is onbegonnen werk. Het gebied van in hoofdzaak Noord- en Zuid-Kivu heet nu gepacificeerd te zijn, sinds het (wankele) akkoord tussen Congo en Rwanda van begin dit jaar. De ‘rebellen’ (het FDLR) worden nagezeten door de strijdkrachten van Congo en Rwanda, vereend in de operatie Kimia II en kennelijk actief gesteund door AFRICOM-personeel. Maar de meeste van de losgeslagen milities en legertjes bestaan nog. Meer zelfs, ze vechten door, met nieuwe wapens, onder andere vlaggen, om dezelfde redenen. Namelijk, omdat er niets fundamenteel veranderd is.
Enkele beruchte klassiekers onder de moordenaarsbenden zijn FDLR, CNDP, PARECO en de Mai Mai. De laatste twee groeperingen werden, luidens een verslaggever van CongoForum, door de Congolese overheid gecreëerd om chaos te zaaien.’ Duizenden werkloze, gefrustreeerde, ongeschoolde jonge mannen van alle etnieën werden opgetrommeld en bewapend. Zij stelen, plunderen, verkrachten en terroriseren de bevolking.’
Maar ook tienduizenden leden van de FARDC (Forces Armées de la République Démocratique du Congo), het officiële leger van Congo, zaaien dood en chaos. Wie denkt dat dit een overdrijving is, leze de rapporten van onder meer Human Rights Watch. Gewoonweg verbijsterend zijn de exploten van de elitetroep ‘14th Brigade’, opgericht en getraind onder internationaal toezicht van o.a. de VS en België.
14th BRIGADE
Human Rights Watch recently reported:
“The 14th brigade was created in 2006. The majority of its soldiers were former combatants of the Congolese Rally for Democracy-Goma (RCD-Goma), one of the main, Rwandan-supported rebel groups that fought the national government during Congo’s second war. In addition, the brigade also included former Mai Mai combatants andmembers of the former government army, the Forces Armées Congolaises.
Since 2006, the 14th brigade has moved around an area straddling the border between North and South Kivu. In late 2007, the 14th brigade was sent to the frontline to fight the National Congress for the Defense of the People (CNDP), a rebel group led by Laurent Nkunda, a Congolese Tutsi who had refused army integration. In December 2007, in a tense battle at Mushake, the CNDP defeated a vastly superior number of Congolese army soldiers, including those of the 14th brigade.
From January to August 2008, the brigade was reconstituted in the town of Kabare. This period was characterized by widespread looting and abuses against civilians, as well as internal conflict within the brigade. When the approximately 4,500 troops and their families arrived in Kabare, the army provided them with no provisions, food, or shelter. The soldiers were left to their own devices and as a result preyed on the local population for their basic needs. They destroyed fields, cut down a large number of trees and dismantled local wooden homes for firewood or their own shelter. Soldiers also erected barricades, extorted money from civilians, arbitrarily detained, tortured, and killed civilians, and committed acts of sexual violence against women and girls. One officer of the 14th brigade described the situation as “anarchy.”

Officially, the 14th brigade no longer exists. It is not the only brigade that has undergone serious internal conflict and escapes full control by the military hierarchy. Brigade commanders often have a considerable degree of autonomy and have sometimes used this to further their control over local populations and mineral wealth. Some other brigades, particularly in North Kivu, have refused to join brassage and joined the CNDP. Tensions over pay have often resulted in violence within the army as well as against civilians.
Throughout its existence, soldiers from the 14th brigade have been involved in many acts of sexual violence. They were often carried out at the same time as looting activities, a trend seen in many other parts of eastern Congo where Congolese army soldiers are based. In many of the cases, women and girls were gang raped. Those who tried to resist were frequently beaten, shot, or otherwise injured.
In the first half of 2009, Human Rights Watch received testimony of sexual crimes committed by soldiers in newly integrated brigades made up of former 14th brigade soldiers, as well former combatants from the CNDP and another armed group, the Coalition of Congolese Patriotic Resistance (PARECO).
Civil society and local residents have frequently and loudly complained to local, provincial and national authorities about the human rights violations committed by 14th brigade soldiers, including cases of rape. Despite the abundance of these complaints and the information to back them up, military and civilian authorities have not taken the complaints seriously and have done little to stop the abuses.
Protests about the abuses by the 14th brigade were particularly numerous when the soldiers were based in Kabare. Several Congolese human rights organizations, the Catholic church, a traditional leader (Mwami), and local residents addressed letters and reports to the military authorities, the governor of South Kivu and President Joseph Kabila.
Soldiers in the 14th brigade were able to commit abuses without consequence partly because of confusion over chain of command and because commanders made aware of the problems did not take action against those responsible. The brigade lacked a clear chain of command both within the field, where Colonel Tshibangu’s leadership was not accepted, and at senior levels in the military hierarchy. Military authorities who should have been in a position to give orders were either unwilling or unable to control the troops. The confusion over chain of command became particularly evident during the 14th brigade’s stay in Kabare.
After the departure of the brigade, in October 2008, the UN assessed the extensive damage done by the 14th brigade and organized humanitarian aid to assist the population.”
PARTNERSHIP
Het is duidelijk dat de ongeveer 17.000 manschappen van MONUC (Mission de l’Organisation des Nations Unies au DR Congo), vooral blauwhelmen en -mutsen uit verre landen als India, hun taak van vrede- en ordehandhaving in Oost-Congo niet aankunnen.

Ook niet als ze er deze dagen 3000 man bijkrijgen. Volgens een VN-deskundige, geïnterviewd door Hochschild, zijn er zeker 250.000 peacekeepers nodig, alleen voor Oost-Congo. ( http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/08/02/uranium-chaos-in-congo/).
Waarom zou dan niet AFRICOM die even belangrijke als ondankbare taak op zich nemen? Misschien omdat de VS wel de lusten maar niet de lasten wil dragen? Of omdat ook de Obama-administratie gekneld zit tussen wereldpolitiek en winstbejag, tussen de UN-Veiligheidsraad en de Top van de G-8.
In elk geval gaat de Amerikaanse diplomatie heel omzichtig te werk terwijl de militairen hun hand niet omdraaien voor een expertise hier en een mistige verklaring daar, vooral als het over Congo en Rwanda gaat. Des te merkwaardiger dus dat minister Clinton in Goma, op niet meer dan een boogscheut afstand van Rwanda, geen oog had voor het land dat een sleutelrol speelde en speelt in de regio. Een diplomatiek gesprek met president Kagame – laat staan een reprimande – was blijkbaar onmogelijk.
Dan waren de militairen weer een stuk minder terughoudend. Eind april was de grote baas zelf er nog geweest en had na afloop een uitvoerige persconferentie gegeven op de luchthaven van Kigali. Generaal “Kip” Ward, Commander of AFRICOM, stak vele minuten lang op het gênante af de loftrompet van het Rwandese leger en zijn leiders:
‘…een uiterst professionele strijdmacht, goed getraind, gedisciplineerd, met een sterke leiding, zorgvuldig, voldoend aan alle normen. Ik moet zeggen, de RDF, Rwandan Defense Force is iets om trots op te zijn. Dat zijn we ook, als partners die uitkijken naar meer partnership.’
DARFUR
Het leek wel of het Rwandese leger nooit hulp had geboden aan diverse warlords en hun benden, nooit Congo was binnengevallen, nooit het Congolese leger en vooral de bevolking had dwarsgezeten, nooit bescherming had verleend aan dieven en smokkelaars die de rijke Congolese bodem plunderen, nooit geheuld had met de outlaw Nkunda die de wettelijke Congolese regering bestreed en bijna ten val had gebracht.
De samenwerking tussen de strijdmachten van de US en Rwanda richt zich op dit moment grotendeels op peacekeeping in Darfur. De Amerikanen zijn wat blij dat ze in deze woelige streek zwarte Rwandese soldaten kunnen inzetten. Maar toch moet volgens generaal Kip de samenwerking aanzienlijk worden opgevoerd.
‘Als hoofdbetrokkene zijn we verheugd dat de RDF van plan is zijn militaire capaciteit te verbeteren om diverse vredesmissies te vervullen en op andere wijzen bij te dragen aan de vrede in dit gebied. Dat komt de wereldwijde stabiliteit ten goede.’
Goed om weten dat het dubieuze regime van Kagame nu voor Washington, althans het Pentagon, een leidende wereldmacht is. Inderdaad, waarom zou in dit ordelijke, nette, overzichtelijke dictatuurtje geen grote Amerikaanse basis worden gevestigd van AFRICOM? Voor heel Centraal-Afrika, naar het voorbeeld van Djibouti voor de Hoorn? Dat zou voor vele mensen en dingen goed kunnen zijn. De olie- en gasvoorraden zijn door eigen troepen beschermd, de mineralenhandel binnen handbereik, de in Afrika oprukkende Chinezen gecounterd. En het is nog goed voor de War on Terror ook, voor wie gelooft dat die gewonnen kan worden. We moeten ervan uit gaan dat Obama alsnog het beste wil zien te maken van het giftig geschenk dat hem door Bush is nagelaten.
BEWILDERED
Geen wonder dat men zich ook in Amerikaanse regeringskringen zorgen maakt over de snelle vaart die AFRICOM neemt. Die bezorgdheid waait op uit een pas vrijgegeven Report of Inspection van The Bureau of African Affairs. De Inspecteur-Generaal in Washington stelt vast dat Amerikaanse ambassades in Afrika ‘bewildered’ (ontredderd) waren door de plotse inspanning van AFRICOM om zich een rol te verwerven op de Afrikaanse scene.
Ook op het State Department zelf, het Ministerie van Buitenlandse Zaken geleid door Hillary Clinton, is de chaos groot. Carrièrediplomaten en anderen maken zich zorgen ‘over de mogelijke militarisering van de diplomatie’. Het is nu tot een de facto regeling gekomen, waarbij de ambassadeurs ter plekke de overhand behouden. Zij kunnen AFRICOM-personeel weer naar huis sturen ‘if they did not perform or behave as required’. Bij ambassades wordt een speciale Defense Attaché geïnstalleerd om de coördinatie te verzekeren tussen militairen en diplomaten.
Ook de publieke opinie in en buiten de VS is er niet gerust op. Letterlijk: ‘There continues to be some public and considerable internal debate about the wisdom of military funding of U.S. developmental and public diplomacy activities in Africa’.
Met name de ngo’s zijn ongerust. ‘Vele niet-gouvernementele organisaties blijven terughoudend om hun activiteiten gelieerd te zien met het Amerikaanse leger. Zij zijn van oordeel dat deze vermenging wantrouwen kan wekken bij de bevolking die ze trachten te helpen’. Om het publiek beter voor te lichten heeft AFRICOM ‘military information support teams’ opgericht. Afgekort: MIST. Het Pentagon beschikt over werknemers met zin voor ironie.
Maar misschien brengt AFRICOM, bij wijze van spin-off, als een soort Serendipity Song, als een gelukkig neveneffect, ook nog vrede in de regio? Zo kunnen dan miljoenen mensen die nu al vijftien jaar lang letterlijk geen leven hebben, ervaren dat er toch zoiets als de Rechten van de Mens bestaan. Of althans een Verklaring daarover. Meteen kan niet enkel de reputatie maar ook de praktijk van het Congolese leger FARDC worden hersteld.
Pas dan zal een Belgische minister van Buitenlandse Zaken met recht in Kinshasa kunnen verklaren ‘ik hou van dit land, zijn leiders en zijn volk’.
SHOPPING ON LINE:
Human Rights Watch
http://www.hrw.org/en/search/apachesolr_search/Report+Congo
http://www.hrw.org/en/node/12310/section/
Official Africom Website
http://www.africom.mil/
Organisations
http://salsa.democracyinaction.org/o/1552/t/5734/content.jsp?content_KEY=3861
Information sites
http://www.globalresearch.ca/index.php?context=va&aid=14815
http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=4763
http://www.congoforum.be/fr/nieuwsdetail.asp?subitem=1&newsid=160536&Actualiteit=selected
MONUC
http://monuc.unmissions.org/Default.aspx?alias=monuc.unmissions.org/monuc-french&language=fr-FR
Add comment september 1, 2009
INTROSPECTOR CLOUSEAU
‘LEVE BELGIË’
Vandaag, als het even mag, neem ik een besluit over noord en zuid
Vandaag hijs ik snel de vlag want de trein ontspoort tussen zuid en noord
Wij delen het mooiste land en in ons hart klinkt er één verhaal
On est tous les mêmes want we zijn allemaal Belgen
Oui, je vous aime, ons geheim zijn Vlamingen en Walen in hetzelfde land
In dit kleine land, ons Belgenland, staan Vlamingen en Walen aan dezelfde kant
Dat mag toch niet verdwijnen want ik hou van België
Vandaag is de eendracht groot, zijn we eensgezind, da’s niet idioot
Ik denk dat de Vlaamse leeuw en de Waalse haan samen sterker staan
On est tous les mêmes want we zijn allemaal Belgen
Oui, je vous aime, ons geheim zijn Vlamingen en Walen in hetzelfde land
In dit kleine land, ons Belgenland, staan Vlamingen en Walen aan dezelfde kant
Dat mag toch nooit verdwijnen want ik hou van België
Leve België!
Ja, leve België!
Oh, oh, owowowo
On est tous les mêmes want we zijn allemaal Belgen
Oui, je vous aime, ons geheim zijn Vlamingen en Walen in hetzelfde land
In dit kleine land, ons Belgenland, staan Vlamingen en Walen aan dezelfde kant
Dat mag toch nooit verdwijnen want
Ik hou zo van ons kleine landje
Geef mij dus maar ons kleine landje : België!
===
Nee, de Nobelprijs Letterkunde zit er niet in. Een Grote Prijs Koningin Elisabeth al evenmin. Het Songfestival daarentegen, waarom niet?
Het lied ‘Leve België’ van de gebroeders Kris en Koen Wauters -samen Clouseau- heeft kort na lancering al volop de hoofdprijs gewonnen: de gram van Geert Bourgeois. Hij vindt het wansmakelijke politieke progpaganda voor een land waarvan hij ooit zei ‘een modern België is een contradictio in terminis’. Zelf is de minister en vice-premier voorstander van een separaat Vlaanderen.
Bourgeois is een kenner van het levenslied. Hij verkiest zijn schlagers doorgaans in een vertolking door jong en vrouwelijk blond. Zijn onversneden voorkeur gaat naar de Westvlaamse Laura Lynn, bijgenaamd de Bauerin van Ardooie. Zij schittert met gênant dubbelzinnige teksten als ‘Je hebt me 1000 maal belogen’ en ‘Vlinders in je buik’.
Daarbij vergeleken is ‘Leve België’ een staaltje van introspectie, noem het bezonken doordachtheid. ‘On est tous les mêmes want we zijn allemaal Belgen.’ Zo’n afgewogen politiek statement is niet meer gehoord sinds het verdwijnen van de echte staatslieden, te weten Gaston Eyskens, Paul Vanden Boeynants en Leo Delcroix.
Goedkope effecten (toespelingen op het Koningshuis, mosselen-friet en Magritte) zijn door de gebroeders Wauters deskundig gemeden. De verleiding moet groot zijn geweest om er ook snel even Eddy Merckx en Justine Henin bij te betrekken. Of Yves Desmet. Maar in die vallen trapt het Mechels duo niet.
Clouseau kan er gerust op zijn: alles wat Bourgeois aanpakt, gaat fout. Als voogdijminister van de VRT wilde hij op alle zenders het Vlaamse lied pluggen. Mislukt. Professor Rik Torfs kreeg van hem verbod om op te treden in verkiezingsprogramma’s. Haha. Een pro-België concert onder het Atomium mocht niet gesponsored worden door de openbare omroep. Ga weg, Bougeois.
Nu is ook ’s mans natste droom, een Vlaams Huis te Manhattan-New York City, in nachtmerrie veranderd.
‘Vandaag is de eendracht groot, zijn we eensgezind,
da’s niet idioot.
Vandaag neemt hij, als het even mag, een besluit.’
Ontslag? (jc)
2 comments september 4, 2009
SISYPHUS IN AFGHANISTAN
HET GEDULD RAAKT OP
door Henk Hofland
Weer twee Nederlandse soldaten gesneuveld in Afghanistan. En dan de gebruikelijke reacties van respect en medeleven, de verzekering dat hun inzet niet vergeefs is geweest en dat het volk achter de troepen blijft staan. Het hoort zo, het zal allemaal gemeend zijn. Maar er ontbreekt iets. We zijn in Afghanistan als lid van de NAVO, hebben in Uruzgan zelfs een ‘leidende rol’, maar toch is de regering erin geslaagd te doen alsof het eigenlijk om een bilaterale verhouding tussen Uruzgan en Nederland gaat. Wij hadden daar een opbouwmissie, we sloegen waterputten en bouwden scholen, we volgden de inktvlekstrategie waardoor onze heilzame invloed langzaam maar zeker werd uitgebreid. De Afghanen waren er ontvankelijk voor en onze bondgenoten een beetje jaloers. Toen bleek dat de Talibaan zich hadden gereorganiseerd. De opbouwmissie veranderde in een vechtmissie. Er sneuvelden meer Nederlanders, maar dat bracht geen verandering in de visie van de regering. Nog altijd denken we dat we daar bilateraal bezig zijn en al doende onze bondgenoten een voorbeeld geven.
In werkelijkheid is onze missie niet meer dan een onderdeeltje in een complex dat met de dag ingewikkelder wordt zonder dat Den Haag en de soldaten overzee daarop enige invloed hebben. Een van de laatste bewijzen daarvan is het verloop van de Afghaanse presidentsverkiezingen.
Er was rekening gehouden met enig bedrog, maar een oplichterij van deze omvang heeft zelfs de deskundigen verrast. Kiezers troffen tot de nok toe voorgevulde stembussen aan. In achthonderd stemlokalen die alleen op papier bestonden, zijn honderdduizenden stemmen op president Karzai uitgebracht. Tegen de 15 procent van de stemlokalen bleef op de dag van de verkiezingen gesloten en meldde daarna een overweldigende meerderheden voor Karzai. Als de op deze manier bereikte zege wordt erkend, zullen we de komende jaren te maken hebben met een president aan wie het de democratische legitimering ontbreekt, in een land waar we de democratie willen brengen.
In zijn campagne had Karzai, beschermeling van de Amerikanen, zich erop laten voorstaan dat hij degene was die zich tegen Amerika verzette. Dat bracht columnist Thomas Friedman tot een uitbarsting van woede: hoe je door je beschermeling geëxploiteerd wordt! Zijn collega Nicholas D. Kristof legt uit dat president Obama met zijn plannen om na de 21.000 man extra nog meer troepen te sturen, bezig is een historische fout te maken. Daardoor zullen de Afghanen nog meer geneigd zijn hun bevrijders als bezetters te zien. Escalatie van Amerikaanse kant zal geen vrede brengen, maar de tegenstand doen toenemen, met onvoorspelbare gevolgen, niet alleen voor Afghanistan, ook voor de wankele bondgenoot Pakistan. Deze columns zijn symptomen van de kentering in de Amerikaanse publieke opinie.
Zo gaat het ook in Duitsland. Op 27 september worden daar algemene verkiezingen gehouden. Na een recente, op Duits initiatief door de Amerikanen uitgevoerde luchtaanval, waarbij behalve een aantal Talibaanstrijders ook ongeveer twintig burgers het leven lieten, wordt de Duitse militaire aanwezigheid tot inzet in de verkiezingsstrijd. Ook in Duitsland heerst onduidelijkheid over de bedoelingen en de strategie. Die Linke, de oppositiepartij van Oskar Lafontaine, wil de soldaten terugtrekken. Bij de andere partijen neemt de verwarring toe, en bij de kiezers de achterdocht. Ongeveer hetzelfde beeld zien we in Engeland en Frankrijk. We weten niet of het tot Afghanistan is doorgedrongen, maar de Talibaan is er in ieder geval in geslaagd de publieke opinie van het Westen te bereiken en verwarring te stichten.
Intussen is de Europese Unie bereid de economische hulp – nu een miljard euro per jaar – te verhogen onder voorwaarde dat de volgende president de corruptie beter zal bestrijden. Gegeven de Afghaanse verhoudingen moeten we er dus rekening mee houden dat de eer van de corruptiebestrijding zal toevallen aan Karzai, de president van de voorgevulde stembussen. Op de conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken in Stockholm, waar deze voorwaardelijke bereidheid tot uitbreiding van de hulp werd geformuleerd, zei minister Verhagen te verwachten dat „de EU nog jaren in Afghanistan zal blijven”.
Daar hebben we het weer. Met alle respect, het is een gratuite verklaring. Binnenkort is het acht jaar geleden dat de Amerikaanse luchtmacht de grotten van Tora Bora bombardeerde omdat Osama bin Laden zich daar zou schuilhouden. Daarna werd Kabul bevrijd en begon de grote democratisering, die weer half werd uitgesteld omdat het Irak van Saddam Hoessein van zijn massavernietigingswapens moest worden ontdaan. Voorzover we weten woont Bin Laden nog steeds in een onbekende grot, de mvw’s bleken niet te bestaan en de herbouw van Afghanistan werd uitgesteld.
Al deze experimenten in buitenlandse politiek hebben in acht jaar honderdduizenden het leven gekost en miljarden verslonden. En nu opnieuw, terwijl Irak langzaam naar de status van een georganiseerde staat lijkt te wankelen, wordt de publieke opinie van het Westen gevraagd zich aan het hernieuwde Afghaanse experiment te wagen. Het publiek heeft al ongelofelijk veel geduld gehad. De vraag wat dit nieuwe macroprobeersel zal gaan kosten, in levens en geld, wordt steeds dringender. En is er nu enige kans van slagen? Kan die kans in een percentage worden uitgedrukt? Ook het geduld van het publiek behoort tot het politieke kapitaal; en het geduld raakt op.
—
Deze column verscheen in NRC Handelsblad van 9 september. Een vorig commentaar van Hofland over hetzelfde onderwerp vindt u hier:
http://weblogs.nrc.nl/hofland/2009/07/15/sisyphus-in-afghanistan/
lees ook Anne Applebaum in Slate:
http://www.slate.com/id/2227232/
reacties op Friedman en Kristof in The New York Times:
http://www.nytimes.com/2009/09/10/opinion/l10afghan.html?_r=1
Add comment september 10, 2009
Als g’er een kent, kende z’allemaal?
HET VERSCHIL TUSSEN Taouil EN Belliraj
door Georges Timmerman
‘Communicatie is altijd een beetje zoeken’: je hoort het excuus wel vaker wanneer een manager een communicatieblunder maakt. Ook de Staatsveiligheid, de veelgeplaagde inlichtingendienst die zich sinds kort heeft voorgenomen om een volwaardig communicatiebeleid uit te bouwen, zoekt tastend en struikelend een weg in dit voor haar onbekende terrein. Op Youtube bijvoorbeeld circuleert momenteel een filmpje waarmee de Staatsveiligheid op uiterst knullige wijze probeert kandidaten te ronselen voor een job als geheimagent. Volkomen terecht werd deze stuntelige poging om gebruik te maken van de nieuwe media gisterenavond vakkundig door de mangel gehaald in het VRT-programma Volt.
Van veel zwaarder allooi was het optreden van Alain Winants, administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, in Terzake van vorige maandag. Winants bestond het om Nordine Taouil, de Antwerpse imam en voorvechter van de hoofddoek, met naam en toenaam voor de tv-camera aan de schandpaal te nagelen als ‘een extremistische moslim van salafistisch-wahabistische strekking’. Het is zeer ongebruikelijk dat de chef van de Staatsveiligheid dergelijke uitspraken doet over een individueel dossier van zijn dienst.
Moslimexecutieve
De Staatsveiligheid volgt Taouil al geruime tijd. Enkele jaren geleden verhinderde een negatief advies van de geheime dienst dat Taouil zich kandidaat kon stellen voor de Moslimexecutieve. Taouil werd nu voor de tweede keer veroordeeld, zonder vorm van proces en zonder enig recht op verdediging. De kans dat hij zijn dossier bij de Staatsveiligheid kan inzien, kennis kan nemen van de elementen die tegen hem worden aangevoerd en eventueel foutieve informatie kan rechtzetten, is nihil. Zelfs een klacht bij het Comité I, dat de inlichtingendiensten moet controleren, kan weinig opleveren. Na een onderzoek zal het controlecomité een brief sturen naar Taouil, met de mededeling dat er (geen) fouten zijn vastgesteld. Zelfs de parlementaire begeleidingscommissie, aan wie het Comité I rapporteert, krijgt geen inzage in het individueel dossier.
Of men het al dan niet eens is met de stellingen van Taouil doet er niet toe. Morgen kan de baas van de Staatsveiligheid op tv komen verklaren dat gelijk welke burger weliswaar een gematigde taal hanteert en zich in het openbaar voordoet als democraat, maar dat hij volgens de geheime inlichtingen waarover de dienst beschikt in feite een gevaarlijke terrorist is die het regime gewapenderhand wil omverwerpen.
Overdreven? De recente geschiedenis van de Staatsveiligheid leert dat het niet de eerste keer zou zijn dat de dienst functioneert als politieke inlichtingendienst. Meer dan eens bleek de dienst in staat om gefabriceerde desinformatie te verspreiden om publieke figuren met politieke bedoelingen te criminaliseren, te destabiliseren of politiek te elimineren. Enkele jaren geleden werd Dyab Abou Jahjah, toenmalig leider van de Arabisch-Europese Liga (AEL), op basis van onjuiste informatie van de Staatsveiligheid het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek. Pas veel later bleek er van het hele verhaal geen jota te kloppen. In de jaren tachtig werd baron Benoît de Bonvoisin in een uitgelekte nota van de Staatsveiligheid afgeschilderd als de occulte financier van gewelddadige extreemrechtse groepen. Ook die informatie bleek achteraf fout, maar via de beschadigingsoperatie werd PSC-kopstuk Paul Vanden Boeynants wel politiek uitgeschakeld.
Als ambtenaar moet Winants voor uitspraken zoals die over Taouil een voorafgaande toelating en dus politieke dekking gekregen hebben van zijn voogdijminister, in dit geval minister van Justitie Stefaan De Clerck (CD&V). Wist de minister op voorhand dat Winants deze verklaring zou afleggen? Zo niet, dan brengt Winants zijn minister in een moeilijke situatie. Want de uitval van Winants krijgt ongetwijfeld nog een politiek staartje. Op parlementaire vragen zal De Clerck straks niet anders kunnen dan te antwoorden dat hij het volmondig eens is met de zienswijze van de administrateur-generaal. In alle andere scenario’s moet De Clerck de chef van de Staatsveiligheid desavoueren en eventueel sanctioneren.
Wat heeft Winants bezield om Taouil in het openbaar te brandmerken als ‘gevaarlijke extremist’? Zou het kunnen dat Winants met zijn wilde communicatie de aandacht wil afleiden van een ander heikel dossier? Binnenkort moet de begeleidingscommissie in de Senaat het langverwachte, definitieve rapport ontvangen over Abdelkader Belliraj, de Belgisch-Marokkaanse terrorist die tegelijk informant was van de Staatsveiligheid en die inmiddels in Marokko tot levenslang werd veroordeeld, onder meer voor het plegen van zes politieke moorden in België in de jaren tachtig. Bijna twee jaar na de arrestatie van Belliraj in Marokko en het losbarsten van het schandaal moet het Comité I met dit rapport eindelijk antwoorden geven op de vele vragen die de zaak oproept. Die antwoorden kunnen bijzonder pijnlijk zijn voor de dienst van Winants. Het contrast in het communicatiebeleid van de Staatsveiligheid tussen de dossiers van Belliraj en Taouil is frappant. Over Belliraj rept de dienst met geen woord. Over Taouil daarentegen mag het publiek blijkbaar alles weten.
GEORGES TIMMERMAN is journalist, gespecialiseerd in inlichtingendiensten en onlangs ontslagen bij De Morgen om redenen van ‘reorganisatie’. Dit stuk verscheen in De Standaard van donderdag 17 september.
Add comment september 18, 2009
IMMIGRANTEN HOEVEN GEEN GELD
door Heleen Mees
Minister Van der Laan weigerde twee weken geleden de ‘politiek gevoelige’ vragen van de PVV over de kosten van migranten te beantwoorden. Volgens de minister was het een principekwestie: „We berekenen ook niet de kosten van Friezen.” Een gemiste kans voor onze principiënrijder. Hoewel ik er niet aan twijfel dat de PVV abjecte bedoelingen met de vraagstelling heeft, is het toch nuttig om de kosten van migratie in kaart te brengen.
Het is een weinig elegante vergelijking, maar een belangrijke reden waarom de criminaliteit in New York zo spectaculair is gedaald, is dat de New York Police Department (NYPD) eind jaren tachtig gedetailleerde statistieken is begonnen te verzamelen over de criminaliteit per week per wijk. Door de ontwikkeling van de criminaliteit in kaart te brengen kon de politie beslissen hoe, wanneer en waar manschappen in te zetten.
Met een goed inzicht in de kosten en baten van migratie hoeft het integratiedebat niet langer over de religieuze en culturele verschillen te gaan, maar zou over de echte problemen kunnen worden gesproken, namelijk de geringe participatiemogelijkheden voor migranten en de segregatie in het Nederlandse onderwijs.
Zo’n kostenplaatje zou bovendien duidelijkheid verschaffen over de vraag wat kiezers in witte enclaves als Volendam ertoe beweegt om massaal op Geert Wilders te stemmen. Is het racisme, zoals Ian Buruma onlangs schreef (Opiniepagina, 22 augustus), of heeft het ressentiment van de witte middenklasse mogelijk ook iets van doen met het feit dat zij verhoudingsgewijs veel belasting en premie afdraagt en daar weinig overheidsdiensten voor terugkrijgt?
Verschillende onderzoeken wijzen uit dat van migratie netto geen positieve effecten mogen worden verwacht voor de arbeidsmarkt (zie ‘Immigratie heeft zijn prijs’, Opiniepagina, 12 september). Toch is burgemeester Bloomberg van New York een verklaard voorstander van migratie. De man die een media-imperium van 25 miljard dollar opbouwde door te klokken hoeveel tijd zijn werknemers op de wc doorbrachten, is ervan overtuigd dat migranten van „onschatbare waarde” zijn voor New York.
Nederland is New York niet, hoor ik een aantal onder u al sputteren. Dat kan ik als geen ander beamen. Niettemin is een vergelijking tussen Nederland en grootstedelijk New York op haar plaats. Beide hebben ongeveer hetzelfde aantal inwoners, beide zijn sterk verstedelijkt en hebben een goed ontwikkelde postindustriële economie (met een grote financiële sector). Beide hebben een democratische bestuursvorm, een grote publieke sector, hoge belastingen, en veel regelgeving.
Nederland en grootstedelijk New York zijn daarnaast qua ligging goed vergelijkbaar. Beide grenzen aan het water en hebben een grote binnenmarkt (voor Nederland is dat de EU en voor New York de VS) en bijgevolg een belangrijke haven- en transportfunctie. Wie Paul Colliers boek The Bottom Billion – over de miljard mensen die in de armste regio’s van de wereld leven – heeft gelezen, weet hoe cruciaal de geografische ligging is voor economisch succes.
Volgens John Mollenkopf, hoogleraar politieke wetenschap en sociologie aan de City University of New York, is het evident dat als het Nederland lukt om de arbeidsparticipatie van migranten te verhogen, de (eventuele) kostenpost van migratie zal omslaan in een bate. Terwijl in New York de werkloosheid (en criminaliteit) onder migranten laag is, geldt in Nederland precies het omgekeerde.
Dat verschil valt makkelijk te verklaren. In de eerste plaats zijn er in New York meer banen in de persoonlijke dienstverlening omdat de arbeidskosten lager zijn en de arbeidsmarktregulering minder restrictief is. Dat soort banen waarin migranten goed gedijen, bestaat in Nederland niet of nauwelijks. In de tweede plaats geldt dat veel van het werk dat in New York door migranten wordt gedaan, in Nederland voornamelijk door scholieren en studenten wordt gedaan. Die zijn weinig tijd kwijt met school en studie (gemiddeld 32 uur per week) en het minimumjeugdloon bedraagt in Nederland slechts de helft van het wettelijk minimumloon voor volwassenen. Terwijl het minimumloon voor volwassenen in Nederland het hoogste van heel Europa is, is het minimumjeugdloon juist het laagste van Europa.
De suggestie dat het integratievraagstuk kan worden opgelost door voortaan alleen nog maar kennismigranten toe te laten (het zogenoemde Canadese model), zoals Paul Scheffer suggereerde in Opinie & Debat van 12 september, is flauwekul. Feitelijk hebben we dat systeem al. Nederland legt voor kennismigranten de rode loper uit met eenvoudig verkrijgbare visa en gunstige fiscale regelingen. Maar op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft iedereen recht op een gezinsleven, zodat Nederland een zekere mate van gezinshereniging en gezinsvorming zal moeten toestaan, ook als het laagopgeleiden betreft. Het is de vraag in hoeverre Nederland de eisen ter zake nog verder kan aanscherpen zonder in strijd met het EVRM te komen.
Zolang nieuwkomers in Nederland niet de kans krijgen om door middel van werk volwaardig deel te nemen aan de samenleving en aangewezen blijven op een uitkering, zal culturele diversiteit niet als een verrijking worden gezien, maar slechts als een kostenpost. Volgens Mike Bloomberg moet je roeren en nieuwe ingrediënten toevoegen om als stad concurrerend te blijven. Het toevoegen van nieuwe ingrediënten is in Nederland wel gelukt, maar het roeren blijft in dit herverkavelde land een probleem.
http://weblogs.nrc.nl/mees/2009/09/18/immigranten-hoeven-geen-geld-te-kosten/#more-106
Add comment september 23, 2009
STIJLVOL STERVEN OP DE SCENE
door Jef Coeck
Het gebeurt in elk operahuis dat een productie bij de première op gemengde gevoelens inclusief boe-geroep wordt onthaald. Laatst nog in de Vlaamse Opera, voor de politiek dubbelzinnige ‘Samson et Delila’.
In de New Yorkse Metropolitan komt ‘booing’ kennelijk harder aan dan op andere plaatsen ter wereld, te oordelen naar de vloed aan commentaren en verslagen.
De enigszins afwijkende Tosca-productie van de Zwitser Luc Bondy werd door een deel van het premièrepubliek al tijdens de voorstelling met afkeuring bemompeld. Het betrof een regievondst die voor Amerikanen inderdaad nogal ‘shocking’ moest overkomen: corrupte politiechef suggereert blow-job van een madonnabeeld. Dat was er duidelijk over: violent cop & religion & sex. No kidding.
Bij de eindafgroeting was het ongenoegen nog aangewassen tot bijna algehele verontwaardiging, mede omdat Tosca (Karita Mattila) voor haar langverwachte zelfmoord een electronische stand-in had gekregen. Ze klom naar het laatste torendeurtje, waar haar beeld ‘bevroren’ werd en haar silhouette gedropt tot halverwege deur en grond. Voor de enen een geniale, voor anderen een platte vondst.
Nu, de slotscène is inderdaad niet zonder fysiek gevaar. Ik heb Puccini’s meesterwerk in diverse ensceneringen mogen meemaken. Begin jaren 90 Unter den Linden in het net ont-muurde Berlijn werd een uiterst klassieke en risicoloze opvoering gebracht. Tosca gooit zich, zoals voorgeschreven wanhopig maar elegant over de transen van de Engelenburcht – buiten beeld belandend op een matras of aanverwante zachte substantie. Het publiek was laaiend, ondanks de lange duur van het stuk. Vier volle uren. Wat ik me ook nog herinner is de prijs van het toegangsticket: omgerekend 10 euro voor de allerbeste plaatsen.
In 1996 was er de felgesmaakte versie van Robert Carsen in de Vlaamse Opera. Tosca komt professioneel aan haar einde met een riskante zwaartekrachtoefening en een harde suggestieve bonk, ergens op de planken vloer. Iedereen tevreden.
Dat was minder het geval in De Munt, vier jaar later. Boe-geroep was ook toen niet van de lucht. Regisseur Laufenberg had er een potje van gemaakt: allerlei stijlen door elkaar geklutst en ook nog op een totaal fout moment Tosca een strip-tease laten uitvoeren. De slotscène verzonk erdoor in het niet, wat toch niet de bedoeling kon zijn?
De even beroemde als indrukwekkende filmversie van Gianfranco De Bosio uit de jaren zeventig, is gedraaid op de exacte locaties in Rome. Bij het slot bevinden we ons dus echt op het dak van de Engelenburcht, alwaar de mannelijke held (de jonge Placido Domingo) sneuvelt voor het vuurpeloton en zijn geliefde zich metterdaad van de muur gooit… Natuurlijk geënsceneerd, maar Tosca-Kabaivanski hield er niettemin een whiplash aan over.
Kortom, New York had in wezen weinig om zich over op te winden, vooral ook omdat het orkest o.l.v. James Levine schitterde, daar zijn alle bronnen het over eens. Wat jammer voor de Met en haar publiek dat onze oude rat Gerard Mortier forfait moest geven als impresario van de nabijgelegen New York City Opera.
Hij had al een uitdagend lijstje met producties en opdrachten klaar. Philip Glass werkt op Mortiers verzoek aan ‘The Perfect American’, het levensverhaal van Walt Disney. Charles Wuorinen is aangezocht om de film Brokeback Mountain, bijgenaamd The Kissing Cowboys, om te smelten tot een opera. En natuurlijk zou een lievelingsstuk van Mortier niet ontbreken: het vermakelijke, ontroerende en bijwijlen geniale Le Grand Macabre van Ligeti – naar een tekst van onze eigenste Michel de Ghelderode.
Nee, de New Yorkse culturele jetset zal haar verontwaardiging en centen moeten verspillen aan mineure of althans mindere zaken. Een ticket voor de première van Tosca kostte 1250 dollar. Dat had in Mortier zijn winkel ook goedkoper gekund.
http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/05/08/
http://www.nytimes.com/2009/09/27/opinion/27affron.html?th&emc=th
http://www.nytimes.com/2009/09/27/arts/music/27mcgr.html?_r=1&th&emc=th
Add comment september 28, 2009
THE RUST BELT CITIES
TRAVELING THE CRISIS WITH
JEROME DE PERLINGHI
Dear Friends,
after Cleveland, Erie and Youngstown, I am in Buffalo to continue my project on the Rust Belt Cities. I believe that the country is suffering more than most people will admit. Whenever you walk through the neighborhoods of Youngstown, you start to wonder if there will ever be a new future. The task seems to be beyond what it is possible to achieve. This is not the European in me speaking but the American. The more I travel, the more I realize that we are in a real bad shape. I will soon go to Toledo, Detroit and Duluth. I am afraid that I will find very similar stories all around. I can send you all the other portfolios.
I wish you a nice day.
kind regards,
Jerome
www.jeromedeperlinghi.net
708-271.3042 cell
Add comment september 29, 2009
EEN GEVAARLIJK BOEKJE?
Strijders met de pen, put moed uit de waarschuwingen van Glenn Beck: woorden kunnen nog steeds gevaarlijk zijn. Beck, tegenwoordig de meest populaire commentator in de Amerikaanse media (zijn show op Fox News-tv trekt 3 miljoen kijkers en zijn radiopraatje wordt uitgezonden door 400 radiostations) is bang. Er hangt revolutie in de lucht, zo beweert hij. “Europa staat aan de rand van de verwoesting” en het kwaad verspreidt zich naar Amerika. In een recente show trok hij van leer tegen een boekje dat volgens hem als geen ander het gevaar symboliseert. Zie hem fulmineren op: http://www.youtube.com/watch?v=ZKyi2qNskJc
Het boekje heet: The Coming Insurrection” (uitgegeven door Semiotext(e), www.semiotexte.com ) en is vertaald uit het frans en geschreven door “Le comité invisible’. Wie deel uitmaakt van dit collectief is me niet geheel duidelijk maar het boekje werd gebruikt als bewijsmateriaal in een aanklacht tegen negen jonge Fransen die in november 2008 werden aangehouden op beschuldiging van ‘terrorisme’. Ze zouden zich schuldig hebben gemaakt aan sabotage van de electrische verbindingen van de NSCF. Harde bewijzen waren er niet maar volgens de aanklacht, in de verf gezet door de minister van Binnenlandse Zaken lui-même, bewijst het boekje hun slechte bedoelingen. In het hierboven vermelde segment van zijn show geeft Beck toe dat hij “The coming Insurrection” nog niet gelezen heeft. Toch is hij er zeker van dat het “een gevaarlijk boek” is. Ik heb het ook nog niet gelezen maar op Becks aanraden alvast gekocht. De tekst op de achterflap is veelbelovend:
“Het is nutteloos om te wachten –op een doorbraak, op de revolutie, de nucleaire apocalyps of een sociale beweging. Blijven wachten is waanzin. The katastrofe is niet op komst, ze is hier. We bevinden ons reeds in de ineenstorting van een beschaving. Het is in deze realiteit dat we partij moeten kiezen.”
Beck en konsoorten zien in president Obama de wegbereider van die revolutie. Newsmax, een reactionaire website waarvan Beck een der prominentste medewerkers is, is een van de media waarin de anti-Obama-hetze hysterische proporties neemt. Onlangs was er een column te lezen waarin bijna openlijk gepleit werd voor een militaire staatsgreep tegen Obama:
www.newsmax.com/john_perry/obama_military…/266012.html
“There is a remote, although gaining, possibility America’s military will intervene as a last resort to resolve the Obama problem. Don’t dismiss it as unrealistic”, schrijft columnist John Perry. “America isn’t the Third World. If a military coup does occur here it will be civilized. That it has never happened doesn’t mean it wont.”
(Zie ook: http://crooksandliars.com/logan-murphy/newsmax-military-coup-would-take-care )
(TR)
1 comment september 30, 2009
EN OOK NOG EEN VUILBECKJE!
(dit stukje sluit aan bij ‘Een gevaarlijk boekje?’ http://salonvansisyphus.wordpress.com/2009/09/30/een-gevaarlijk-boekje/)
David Brooks, geen linkse jongen, wijdt vandaag in The New York Times een commentaar aan het verschijnsel Beck c.s. De zogenaamde shock-jocks zijn volgens hem even hinderlijk als onuitroeibaar. Een kat-kom-weer-verhaal. De bralberen van Fox barsten van de zelfoverschatting, ze geloven in de mythe van hun eigen macht. Ze verwarren luisteraars en kijkers met kiezers.
Maar, ze zijn alleen mogelijk door de lijdzaamheid van hun tegenstanders. Dat zijn de cynische democraten, die ons willen doen geloven dat de Republikeinse Partij gestuurd wordt door mediajockeys. Het zijn de luie analisten, die liever discussiëren met populaire schertsfiguren dan met goed geïnformeerde gesprekspartners. Het zijn de snobistische half-intellectuelen, die geloven dat Glenn Beck echt de stem van de Amerikaanse meerderheid is.
“[…] by cynical Democrats, who love to claim that Rush Limbaugh controls the G.O.P. They are enabled by lazy pundits who find it easier to argue with showmen than with people whose opinions are based on knowledge. They are enabled by the slightly educated snobs who believe that Glenn Beck really is the voice of Middle America.”
http://www.nytimes.com/2009/10/02/opinion/02brooks.html?_r=1&th&emc=th
Het neemt niet weg dat Beck, Limbaugh en hun soortgenoten zo ongeveer letterlijk de regels volgen van nazi-opperpropagandist Joseph Goebbels, zonder wie Hitler wellicht nooit aan de macht had kunnen komen. Het medium radio speelde daarbij een doorslaggevende rol.
De regels van Goebbels zijn die van de massapsychologie. Begin met zwaar geschut (Wollt Ihr den totalen Krieg?) Herhaal voortdurend de boodschap. Creëer angst. Biedt niettemin uitzicht op een concrete oplossing en/of actie. Doe opmerken dat je zelf verdraagzaam bent (geweest) maar dat aan alle geduld een einde komt. Laat geen onduidelijkheid bestaan over de identiteit van de vijand.
Herr Beck hanteert met grote kundigheid deze vuistregels. Donder en bliksem komen eerst in beeld. Ze komen vanuit Europa, meer bepaald uit Frankrijk ‘of all places’. Dat zegt genoeg, nietwaar. Maar de echte vijand is natuurlijk Obama, zelf een mannetje met Franse manieren die in zijn vakantie op Martha’s Vineyard stiekem een alpinomuts draagt in plaats van een baseballpet. Hij is zelfs betrapt op het eten van kikkerbillen, maar dit terzijde.
Veel erger dan het gezwam van Beck und Gesellschaft lijkt mij de tekst van John Perry. Kennelijk sta ik met die mening niet alleen, want de link naar zijn tekst op Newsmax is intussen verwijderd. Gelukkig heeft waakhond MediaMatters het schotschrift weer opgepikt ter inzage van historici, journalisten en – naar ik mag hopen – de rechtbankmagistraten. http://mediamatters.org/blog/200909290042
Dit is een onverkapte oproep aan das Militär om in opstand te komen, gewapend en wel, tegen de wettelijk verkozen president tevens opperbevelhebber van de strijdmacht. Geen enkele democratie kan dat soort ideeën straffeloos laten verspreiden. Het zal me dus benieuwen wie in de VS welke wetsmiddelen zal aanwenden om Perry te counteren.
John L. Perry is niet niemand. Hij zat in de staf van het Witte Huis onder twee presidenten, Johnson en Carter. Voor de eerste schreef hij de vlammende speeches bij o.m. de rassenrellen van de jaren zestig. Perry is voor en achter de schermen een steunpilaar van mediagigant Newsmax. Een merkwaardige club, zo te zien.
http://en.wikipedia.org/wiki/Newsmax_Media
Dit alles gezegd en geacteerd zijnde, ik heb ook grote twijfels over de zin van het anonieme Franse boekje met zijn anarchistische trash. Maar, zoals de meesten onder ons: ook ik heb het niet gelezen. Het lijkt me tijdverspilling om dat wel te doen. Laat Le Comité Invisible een besogne zijn voor de Franse veiligheidsdiensten. En voor Amerikaanse rechtse rakkers.
(JC)
5 comments oktober 2, 2009
“Iedereen wil jonge meisjes neuken”
Tom Ronse
Deze week sneuvelden mensen massaal in het verre Oosten maar hier in Amerika vroegen de media mijn aandacht eerst en vooral voor de zaak- Roman Polanski.

Polanski's prooi, toen en nu
Alleen al het feit dat de vurigste pleidooien voor de vrijheid van de filmmaker uit Frankrijk kwamen, het land waarmee Amerika sinds lang een liefde-haatrelatie koestert, prikkelde de belangstelling. Uitspraken van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Bernard Koechner die de zaak “sinister” noemde en van zijn collega van Cultuur, Frédéric Mitterrand, die zei dat de vervolging van Polanski “de angstaanjagende kant van Amerika” toonde, deden de tv- talk show hosts schuimbekken. Natuurlijk kon je de procureur van Los Angeles Steve Cooley geen ongelijk geven toen hij stelde, in reactie op een uitspraak van filmstudio-baas Harvey Weinstein die het had over Polanski’s “zogezegde misdaad”, dat de filmmaker wel degelijk een misdaad had gepleegd. “Hij heeft zelf schuldig gepleit”, merkte Cooley op, “dus gelooft hij zelf dat er een misdaad is gebeurd”. En nog geen kleintje. Polanski drogeerde een dertienjarig meisje met qualude, een krachtige spier-ontspanner, en verkrachtte haar daarna anaal, want zo berekenend was hij wel, dat hij haar niet zwanger wou maken. Zijn felste supporter Bernard-Henri Levy noemt dat een “jeugdige vergissing” maar de man was 43, 30 jaar ouder dan zijn prooi. Washington Post-columniste Anne Applebaum, een van de weinigen in de Amerikaanse pers die het voor Polanski opnam, schreef dat Polanski niet wist dat het meisje zo jong was maar hijzelf maakte er geen geheim van dat hij op jonge meisjes lustte. Een jaar nadat hij uit de VS was gevlucht om zijn straf voor de verkrachting te ontlopen, zei hij in een interview met de schrijver Martin Amis:
“Als ik iemand vermoord zou hebben, dat zou niet zoveel aandacht krijgen in de pers, zie je? Maar neuken, zie je, en jonge meisjes. Rechters willen jonge meisjes neuken. Jury’s willen jonge meisjes neuken. Iedereen wil jonge meisjes neuken!”
Je kunt hem niet helemaal ongelijk geven. Het sex-aspect is ongetwijfeld de reden waarom de zaak zoveel aandacht krijgt. Toen muzieklegende Phil Sector iemand vermoordde, was de media-interesse inderdaad veel kleiner. Maar voor Polanski lijkt de aantrekkingskracht van jonge meisjes zijn daad te vergoelijken en zijn diegenen die hem willen straffen, hypocrieten. ‘Laat hen die nooit een jong meisje begeerd hebben, de eerste steen werpen’, lijkt hij te zeggen. Alsof begeren en verkrachten hetzelfde zijn. Zelfs dertig jaar geleden, toen de publieke opinie over sex met kinderen minder hard was dan vandaag, moet zijn uitspraak arrogant hebben geklonken. In het Amerika van vandaag zou hij, als in de Monty Python-film “The Life of Brian”, meteen onder stenen bedolven worden. Als hij wordt uitgeleverd, zal de publieke opinie een harde straf eisen. Polanski zal achter tralies belanden en de talk show hosts zullen tevreden vaststellen dat gerechtigheid is geschied. Of ze daarna van jonge meisjes zullen dromen, dat kunnen we natuurlijk niet weten.
Polanski was beter in Parijs gebleven, een stad die hij in datzelfde interview prees “omdat ze zo volwassen is”. Dit in tegenstelling tot het meisje van dertien dat hij verkrachtte. Dat meisje is inmiddels een 45-jarige vrouw die geen enkele lust voelt om de nachtmerrie die Polanski haar liet ondergaan te herkauwen. Ze wil geen wraak, geen gerechtigheid, ze wil het verleden achter zich laten en heeft de procureur van Los Angeles gevraagd om de zaak te laten vallen. Dat is zeer volwassen van haar. Gerechtigheid is niet altijd de beste oplossing. De wereld barst van de misdaden, veel erger dan die van Polanski, die nooit zullen bestraft worden. Veroveringen, genocides. Soms is het beter om geen boetedoening te eisen, om te beseffen dat geen straf kan herstellen wat gebeurd is, om te denken aan het welzijn van de overlevenden. Om de inmiddels 73-jarige Polanski, die voor zover men weet geen recidivist is, nog enkele jaren zijn kunst te laten bedrijven in plaats van hem te laten wegrotten in een gevangenis, en om zijn slachtoffer van toen de rust te gunnen die ze verlangt.
Add comment oktober 5, 2009
Strandscene
Een voordeel van het bloggen is dat je af en toe zonder schaamte wat reclame kunt maken voor jezelf. Zo kan ik hier uw aandacht vragen voor een tentoonstelling waarvoor een werkje van mij werd geselecteerd.
Mijn bijdrage is een digitaal gemanupileerde foto van het strand van Block Island, afgewerkt met potlood. De titel: Block Island Suite, number 1.

Met dank voor uw aandacht,
Tom Ronse
Add comment oktober 7, 2009
HET ISLAMDEBAT continued

Islamofobie
door Sami Zemni
Islamofobie is een term die amper een tweetal decennia oud is. Hij werd voor het eerst gebruikt door moslims in verschillende internationale organisaties die een groeiend racisme (vermeend of niet) ten aanzien van moslims aan de kaak wilden stellen. In 1997 sijpelde de term stilaan het Europese publieke debat binnen door de publicatie van het gezaghebbende rapport van de Britse Runnymede Trust Islamophobia: A Challenge for Us All. De term werd pas echt bekend in het kielzog van de in 2001 in Durban georganiseerde wereldconferentie over racisme. De discussies en resoluties van deze conferentie werden op voorhand gediscrediteerd door Israël en de VS omdat de conferentie een anti-Israëlfestival zou zijn (terwijl het vooral het zionisme was dat ter discussie stond). Volgens hen had de conferentie geen morele legitimiteit aangezien die ‘gekaapt’ werd door Palestijnen, Arabieren of moslims. Nog voordat de discussie goed en wel gevoerd kon worden, verdwenen de resoluties onder het oorverdovend geluid van de ineenstortende WTC-torens in New-York. In plaats ervan kwam een ongeëvenaarde aanval op het islamisme en de islam en begon de islamofobie aan haar opmars.
Vijandschap tegen de islam is uiteraard geen nieuw gegeven. Net zoals Jodenhaat veel ouder is dan de uitvinding van de term antisemitisme door de Duitse journalist Wilhelm Marr in 1879, is de islamofobie al eeuwen in het Europese geheugen ingebakken. De Jodenhaat en de islamofobie werden eeuwenlang religieus gelegitimeerd. De joden waren slecht omdat ze Christus hadden vermoord; de moslims waren slecht omdat ze in de ketterij van een valse profeet geloofden. Zoals we reeds in het vorige hoofdstuk zagen, kreeg deze anti-joodse en anti-moslimhouding pas vanaf de Verlichting een duidelijk racistische inslag. De slechtheid van joden en moslims was niet zozeer ingegeven door de slechtheid van hun leer, maar door hun bloed. Ze werden als het ware voorgeprogrammeerd om het kwade en het slechte in zich mee te dragen. Betrekkelijk nieuw voor onze moderne tijden is het feit dat de islamofobie een trendbreuk vormt met een lange politieke traditie van de Verenigde Staten, maar ook van de Europese mogendheden om – wat de Arabische wereld betreft – elke vorm van progressief nationalisme en secularisme de das om te doen. Nog voor de grootste delen van wat vandaag het versnipperde Midden-Oosten vormt onafhankelijk werden, gingen de tanende Europese grootmachten en de groeiende Amerikaanse macht allianties aan met lokale conservatieve leiders, traditionele clerici en andere religieuze groepen. De Koude Oorlog versterkte deze alliantie met de religieuze sectoren van de Arabische wereld nog verder, om elke vorm van seculiere en moderne bevrijding de kop in te drukken. Dat Arabische democraten en andere progressieve krachten verkeerde tactische inschattingen deden, staat buiten kijf, maar de massale steun van het Westen aan de meest reactionaire groepen en leiders is de hoofdoorzaak van het failliet van het seculiere en democratische denken in de regio vandaag. De Koude Oorlog was de gouden tijd van de alliantie tussen de VS en Saudi-Arabië waarbij beide landen strategische en oliebelangen deelden. Door de Yom-Kippouroorlog en de daarop volgende oliecrisis maakte de westerse publieke opinie kennis met de Arabier op het politieke toneel. Tot dan toe was de Arabier nog grotendeels een romantische weerspiegeling van de gesluierde witte prins die prachtige paleizen en dito harems optrok in de woestijn. Vanaf 1973 daarentegen werd hij iemand die onze rijkdommen, onze welvaart en ons welzijn kon aantasten door de belangrijke oliekraan dicht te draaien. In de daaropvolgende jaren verschoof trouwens de identificatie van ‘de Arabier’ naar ‘de moslim’. Het onverholen racisme ten aanzien van de Arabieren (voor het gemak werden daarbij Turken en Iraniërs meegerekend) dat erop volgde, was slechts een voorbode van de bredere islamofobie die na de Iraanse revolutie van 1979 de kop opstak, maar die vooral na het verdwijnen van de Sovjet- Unie de islam tot nieuwe vijand maakte.

Khomeiny’s revolutie vond plaats in hetzelfde jaar waarin de Sovjet-Unie Afghanistan binnenviel. Hoewel niet direct met elkaar verbonden, vormen de twee gebeurtenissen het trage begin van een omkering van allianties en een verandering van de wereldpolitiek. Eerst steunden de VS nog massaal de mujahidin, de religieus geïnspireerde guerrilla tegen de Sovjetaanwezigheid in Afghanistan, en steunden ze daarna de Taliban tegen de groeiende regionale invloed van Iran. Ongeveer een decennium later verdreven ze diezelfde Taliban van de macht in Kaboel. Het is pas nadat de Sovjet-Unie definitief van het politieke wereldtoneel was verdwenen dat the empire of evil geleidelijk aan werd vervangen door een axis of evil.
Het antwoord op the axis of evil kwam er in de vorm van een vage oorlog tegen het terrorisme. In zo’n oorlog is het allesbehalve duidelijk wie de vijand is. Gaat het om staten en regeringen? Mensen of groepen van mensen? Beschavingen? Culturen? Is het een oorlog tegen het islamisme? Tegen het jihadisme? Of een regelrechte oorlog met de islam? En wat betekent een concept zoals ‘radicale islam’?
De officiële retoriek van de ‘Oorlog tegen het terrorisme’ richt zich niet tegen de islam als dusdanig, maar wel tegen een resem van nauwelijks omlijnde en slecht gedefinieerde concepten zoals ‘politieke islam’, ‘islamisme’, ‘jihadisme’, ’salafisme’, ‘radicale islam’, enz. De voor de hand liggende reden is uiteraard dat zo’n oorlog pas kan slagen als staten en regimes met moslimbevolkingen mee aan boord kunnen worden genomen. Het openlijke racisme van Amerikaanse evangelisten en sommige neoconservatieven wordt althans officieel niet gewaardeerd, maar toch stellen we vast dat de architecten van de War on Terror geen kans onbenut hebben gelaten om de banden met die specifieke groep politiek aan te halen. Een typevoorbeeld van zo’n organisatie is het extreme Christians for Zionism, een organisatie van christenen die ervan uitgaat dat alle joden zo snel mogelijk naar Eretz Israël moeten migreren omdat dit de komst van de Messias zou bespoedigen. Dan zouden de joden zich uiteraard kunnen (moeten?) bekeren tot het ware christelijke geloof.
Wat is islamofobie?
‘Islamofobie’ is niet de best gekozen term voor wat steeds meer een wezenlijk probleem wordt, namelijk de constante beschimping van de islam om de moslims te raken en te discrimineren. De term ‘antimoslimisme’, zoals de Ierse auteur Fred Halliday bepleitte, lijkt beter gepast, maar heeft het pleit verloren. Halliday noemt het antimoslimisme een halve ideologie omdat het niet zozeer de islam als theologisch systeem aanvalt, maar vijandschap zaait jegens de moslims, namelijk de gemeenschap van mensen die de islam aanhangen en wier islamitische karakter reëel of uitgevonden is.
Hoewel er dus geen eenduidige definitie is van islamofobie, wordt de definitie van de Runnymede Trust meestal aangehaald, namelijk de niet-gefundeerde vijandschap tegenover de moslims, die leidt tot een concrete discriminatie van moslimindividuen en -groepen en de uitsluiting van moslims op politiek en sociaal vlak. Niet de kritiek op de islam is dus het probleem, wel het gebruik van deze kritiek om discriminatie, geweld of agressie goed te praten. Verder worden er ook enkele kenmerken gegeven van het fenomeen islamofobie. In het vorige hoofdstuk konden we al duidelijk vaststellen welke ingrediënten telkens opnieuw terugkeren, namelijk (1) het idee dat de islam geen gemeenschappelijke waarden en kenmerken heeft met andere (monotheïstische) religies, (2) dat de islam als religie inferieur is aan het Westen en dat hij archaïsch, barbaars en irrationeel is en (3) dat de islam de religie van het geweld is die het terrorisme steunt.
In het huidige discours wordt de term islamofobie dus gebruikt om alle vormen van uitsluiting te duiden die betrekking hebben op moslims. En daar schuilt precies de zwakheid van het concept. Zowel vooroordelen tegenover de islam, als het discours van inferiorisering van moslims, als de houdingen gebaseerd op haat, discriminatie of sociale ongelijkheid vallen allemaal onder de term islamofobie. Bovendien verwijst het concept naar verschillende vormen van ongelijkheid waarvan deze groepen het slachtoffer zijn. Niet alleen als een religieuze groep, maar ook als vreemdeling, migrant, minderheid of benadeelde klasse. In die zin lijkt islamofobie meer een doeltreffend wapen tot intellectueel verzet voor moslims en de antiracistische beweging dan een coherente analytische categorie voor de sociale wetenschappen. Toch heeft de term ontegensprekelijk voordelen aangezien hij ons in staat stelt de werking van cultureel racisme beter te begrijpen.

De tegenstanders van het concept zijn ervan overtuigd dat kritiek op de islam geen vorm van racisme is. Er kan geen sprake zijn van racisme, want moslims zijn geen ras. Dat is wel juist, maar het is niet zo moeilijk vast te stellen dat het allergrootste deel van de moslims in Europa duidelijk herkenbaar is aan fysieke trekken of religieuze symbolen. Religie gaat niet alleen over geloof, maar ook over identiteit, achtergrond en cultuur, en moslims zijn overwegend niet-blank. Of hij als ‘vuile Arabier’ of als ’stinkende moslim’ door een bende skinheads wordt achternagelopen, zal Mohammed of Ali wel worst wezen. Niet de kritiek op zich vormt de kern van het probleem, maar wel het gebruik ervan om agressie, discriminatie of oorlog goed te praten. Op die manier bekeken, is de islamofobie wel degelijk een vorm van cultureel racisme.
In de jaren zeventig werd het klassieke racistische gedachtegoed, gebaseerd op de notie van (nationale) rassen, verlaten en vervangen door een discours over culturen. Superioriteit op basis van biologische kenmerken werd vervangen door een vagere notie van verdediging/bescherming van de identiteit. Op die manier werd het nieuwe racisme minder duidelijk geformuleerd. Het berust op een dubbelzinnige houding ten aanzien van de Andere. Zolang de Andere ver weg is, als het ware opgesloten zit in zijn eigen cultuur, is het een goede Andere of iemand die – net zoals wij – zich probeert te wapenen tegen de dreiging van het verlies van zijn identiteit. Wanneer echter de Andere dichtbij komt, wordt hij resoluut een gevaar voor de eigen puurheid, voor het nationaal karakter van het volk. Ook al verbergt het zich, ook al is het meer ambigu dan voordien, het idee van zuiverheid is nog steeds de hoeksteen van dit soort discours.
De nabije Andere vormt steeds opnieuw het symbool van een dreiging voor onszelf. Maar wat is het Zelf? Waar het klassieke racisme ontegensprekelijk de natie als richtpunt van de zelfdefinitie nam, is dat vandaag dubbelzinniger geworden. De eigen natie wordt nog steeds als concept gebruikt, maar alleen als onderdeel van een grotere Europese cultuur. Vlaanderen voor het Vlaams Belang of Frankrijk voor Le Pen worden maar wat ze worden door hun inschrijving in een groter geheel van culturele waarden en normen die typisch of in essentie Europees zouden zijn. De migrant is daarom de onthuller van het Zelf. Omdat de Andere niet aanvaard wordt als onderdeel van de nationale entiteit en omdat men ervan uitgaat dat de Andere behoort tot en drager is van een andere cultuur, vormt hij het ideale spiegelbeeld van onszelf.

De migrant van wie sprake is, is ook steeds meer een zichtbare migrant, namelijk de migrant uit Noord-Afrika, Afrika en Azië. Sinds 9/11 wordt deze categorie verder afgelijnd, gespecificeerd, en verengd tot ‘de moslim’. Het resultaat is een hiërarchie van migranten waarbij in alle hevigheid de op ongelijkheid gebaseerde en racistische ideeën van het culturele discours duidelijk worden. De Europese migranten worden niet als dusdanig gezien. Ze vormen geen probleem, uitdaging of dreiging. De Europese migranten worden gerekend tot dezelfde cultuurgemeenschap als de onze. Het is het denkbeeldige lidmaatschap van een al even denkbeeldige culturele gemeenschap, dat dus toegang verschaft tot de natie en de staat. Deze, meestal onuitgesproken premissen van het debat, hebben, zoals we verder zullen zien, belangrijke gevolgen voor het samenleven.
De islamofobie is racisme, want het focust zich op moslims (mensen) en is dus geen simpele of onschuldige religiekritiek. Het is een vorm van racisme die in de moslim uitsluitend het simpele en eenduidige beeld ziet van zijn eigen vooroordelen en daardoor de moslim reduceert tot wat de buitenstaander eronder wil verstaan. De islamofobie is sinds de cartoonaffaire zeer apert geworden. Zoals we al in de inleiding stelden, kunnen we de publicatie van de cartoons niet los zien van de Deense politiek-culturele context en de ideologische positionering van de Jyllands-Posten en zijn redacteur Fleming Rose.
De verontwaardiging en de rellen die wereldwijd door moslims werden gedemonstreerd, deden de indruk ontstaan dat het, 25 jaar na de Rushdie-affaire, om een botsing der beschavingen ging en dat het hoogste goed van het Westen, zijnde de vrijheid van de pers en van de meningsuiting, verdedigd moest worden tegen de barbaren. Een dergelijke analyse berust echter op veel onwetendheid en hypocrisie. De gevierde vrijheid wordt namelijk begrensd door de wet en door sociale conventies. Tal van opiniedelicten (zoals racisme, antisemitisme, negationisme) zijn bij wet strafbaar en vormen dus grenzen aan de vrijheid van de pers en de meningsuiting. Maar ook fatsoen, gevoeligheden en sociale afspraken beperken de facto diezelfde vrijheid. Welke krant zou er vandaag cartoons afdrukken die lachen met homoseksuelen of zwarten? Welke krant zou genoeg slechte smaak hebben om cartoons te publiceren die de draak steken met blinden of gehandicapten? Als het over de islam gaat, regeert de slechte smaak en ziet niemand er graten in. Het idee dat de kritiek op religies mogelijk moet zijn is naast de kwestie, want een cartoon heeft op zich geen pedagogisch doel, maar is veeleer een satirisch opzet. Of zoals Cyriel Offermans het mooi stelt: ‘Satire is van oudsher de machtsondermijnende activiteit van de machteloze en niet het “naar beneden trappen”.’ Het is evenmin een rancuneus en revanchistisch opbod. Het is veeleer een schrale lach die het leven draaglijk maakt. Daarenboven is er, in het geval van de Deense cartoons, geen sprake van kritiek, maar van pure dweperij en anti-islamitisch fanatisme. Hoe begrensd de vrijheid van meningsuiting is, werd duidelijk op 5 februari 2006 toen de Arabisch-Europese Liga (AEL) in een vlaag van puberale tegenprovocatie enkele antisemitische cartoons op haar website postte. Dezelfde dag nog werd door het Nederlandse Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) klacht neergelegd en werd de organisatie gevraagd de cartoons te verwijderen.
Waarom haten zij ons?
Een van de centrale onderdelen van het discours over de islamisten, maar ook steeds meer over alle moslims, is dat hun gedrag buiten de canons van het rationele liggen. Zoals de Franse conservatieve filosoof Pascal Bruckner stelt, moeten we ‘ten einde binnen de redelijkheid te blijven deze moordenaars argumenten lenen’. Zij hebben dus geen eigen argumenten of redenen die bevattelijk kunnen zijn, maar alleen moorddadige impulsen ingegeven door een moordzuchtige ideologie (de islam of het islamisme). Het is omdat we op voorhand het gedrag van de Andere buiten de grenzen van het redelijke duwen dat we het niet kunnen en willen begrijpen. Het is omdat we onszelf ophemelen tot de standaard van het humanisme en de redelijkheid dat de Anderen per definitie gedehumaniseerd worden.
De truc bestaat erin om de moslim in het algemeen, en vooral de islamist uit het veld van het politieke (en dus rationele) te gooien om hem beter te kunnen opsluiten in zijn religieuze eigenheid. En zo stellen we vast dat diegenen die steeds de mond vol hebben van het universalisme zelf hardnekkige culturalisten kunnen zijn. De Andere kan alleen maar anders zijn; de moslim kan alleen maar moslim zijn tenzij… hij zoals ‘wij’ wordt. Voor de Andere is er maar één redding, is er maar één uitweg: ‘Aangezien wij het universele vertolken, moeten zij allemaal zoals wij worden.’ Om dit schijnbeeld verder in stand te houden en om deze nieuwe imperialistische arrogantie intact te houden, kunnen ze niets anders dan continu en onvermoeibaar het culturalisme van de politiek correcten aanvallen. Door de groepen en/of individuen hun politieke zeggingskracht te ontnemen en de religie bovenmatig te accentueren, worden alle mogelijke bruggen van wederzijds respect opgeblazen. Initiatieven die het samenleven willen opbouwen op basis van wederzijds respect worden snel en meedogenloos afgemaakt en algauw gediskwalificeerd als rechtvaardiging van het geweld, handlanger van de vrouwenonderdrukking of naïeve verzoeningspolitiek. Op dat punt vormen de aanhangers van dit discours een spiegelbeeld van Bin Laden en konsoorten. Ook al-Qaeda gebruikt dezelfde technieken van vijandsopbouw om zijn gelijk te halen. Kortom, de simpele vraag ‘Waarom haten zijn ons?’ – een vraag die we sinds 9/11 niet meer weg kunnen denken uit het publieke debat – verengt politiek-maatschappelijke kwesties tot primaire uitingen van afkeer en haat. De laatste jaren wordt deze haat in de meer erudiete term occidentalisme gevat.

Hoewel de term al enkele decennia circuleert, werd occidentalisme pas succesvol door het gelijknamige boek van de Nederlandse sinoloog Ian Buruma en de Israëlische filosoof Avishai Margalit. Zij definiëren het occidentalisme als een vorm van vijandschap tegenover het Westen. Dat Westen wordt omschreven als geperverteerd door het stadsleven, ontzield door het rationalisme en de wetenschap van de Verlichting, gierig door de bourgeoisiementaliteit, en verteerd door ongeloof. Niet geheel tevreden met deze afbakening (welke kritieken op het Westen vallen niet onder een dergelijke brede categorisering?) is er volgens de auteurs nog een extra ingrediënt nodig, met name de aanwezigheid van rancune en verbittering. Occidentalisme is met andere woorden niet alleen een afkeer van, maar een ontmenselijking van het Westen. Dit extra criterium is noodzakelijk om grote namen van de wereldliteratuur zoals Dostojevsky of T.S. Eliot, om er maar twee te noemen, te redden van het occidentalismelabel. Het is vooral de Andere, de niet-westerling, die geviseerd wordt. De kritiek van de niet-westerling is dan niet veel meer dan een ziekelijke pathologische karaktertrek. De niet-westerling blijkt niet in staat te zijn om gefundeerde kritiek te geven of de sterken van de wereld een wederwoord te bieden. Maar niet alle niet-westerlingen worden even sterk geviseerd. Neem bijvoorbeeld Gandhi, iemand die de auteurs niet vernoemen maar die waarschijnlijk het best aansluit bij Buruma en Margalit’s definitie van occidentalisme. Het is vooral de moslim en zijn gewelddadige gedrag dat verklaard moet worden door te verwijzen naar een infantiele afwijking van wrok. De stem van de radicale moslim is niet veel meer dan wat ondoordacht gewauwel en elke vorm van kritiek kan dan ook onder dezelfde noemer geplaatst worden: een dehumaniserende en racistische beeldvorming van een misbegrepen Westen. Op die manier wordt kritiek op het beleid van de VS al snel gelijkgesteld met irrationeel anti-Amerikanisme en kritiek op Israël met verdoken antisemitisme. Kortom, in plaats van te verhelderen waarom de vijanden denken wat ze denken (zoals de inleiding van het boek belooft), hebben Buruma en Margalit elke rationele politieke discussie verbannen. Door alle kritiek op het Westen in het kader van een grotendeels verzonnen en onbewezen irrationele haat te plaatsen, is het gemakkelijk om te stoppen met luisteren. Er is namelijk geen kruid gewassen tegen irrationele haat.
Het gevaar van de islamofobie
Islamofobie is geen voorrecht van het Westen. Het is eveneens aanwezig in de hele Arabische wereld, waar regimes zonder scrupules de diabolisering van het islamisme in Europa en de VS manipuleren om de vraag naar mensenrechten of democratie de kop in te drukken. Zolang deze regimes de belangen dienen van het Westen, en zolang de repressie zich keert tegen islamisten, kunnen ze zonder al te veel problemen grove mensenrechtenschendingen verder zetten. Saddam Hoessein was daarvan het archetypische voorbeeld. Gedreven door een seculiere nationalistische ideologie was hij ‘de man van Washington’ in de strijd tegen Iran en de religieuze bewegingen. Jarenlang kon hij ongehinderd zijn gang gaan tot de nuttige idioot van Bagdad een lastpak werd voor de rest van de bevriende landen in de regio, zoals Koeweit en Israël. Vandaag lijken de regimes van Mubarak (Egypte), Ben Ali (Tunesië), Bouteflika (Algerije) of het huis van de Saudi’s een immuniteit tegen de democratische verwachtingen te genieten. Mensenrechten in de Arabische wereld gelden, spijtig genoeg, alleen voor diegenen die hun oppositie voeren in de termen die voor ons herkenbaar zijn.

De tegenstanders van het concept islamofobie hebben allemaal één ding gemeen: ze verwoorden hun kritiek als zijnde niet ingegeven door vooroordeel of ideologische voorkeur, maar gebaseerd op onweerlegbare en eenduidige feiten. Kortom, ze gaan er allen van uit dat het gedrag van de moslim simpelweg vast te stellen is vanuit zijn moslim-zijn. De historiciteit van het gedrag van de moslim wordt op die manier ontkend en zijn gedrag (oppositie, geweld, verzet,…) heeft dan niets te maken met zijn praktische ontmoeting met de politiek van het Westen en/of Israël, maar simpelweg met zijn Zijn. Dat verklaart waarom Hamas of Hezbollah enkel en alleen door de lens van het antisemitisme en de haat bekeken kunnen worden. Dit historische falen van het humanistische denken is een zoveelste bewijs dat ons verklaard universalisme nog grotendeels parochiaal is gebleven. Het is een zoveelste bewijs van de tirannie van het identiteitsdenken, een vlucht uit het reële van de politiek in de veilige omarming van de zelfvoldane morele superioriteit.
Daarom ook zien de critici van de islam de islamofobie niet alleen als een terechte kritiek, maar ook als een complot van moslims – of ze de term nu terugbrengen tot ayatollah Khomeini of schrijver Tariq Ramadan – om kritiek de mond te snoeren.
Het gevaar schuilt, net zoals het antisemitisme in het interbellum, niet zozeer in de kritiek op de islam zelf, maar in de politieke gevolgen die deze kritiek kan vertalen. In het interbellum werd het antisemitisme zowel gedragen door conservatieve en (extreem)rechtse groepen voor wie de Jood een essentieel gevaar was voor de puurheid van het eigen ras. Maar ook een deel van de progressieve en linkse krachten deed zijn duit in het zakje, en zag de Jood als een gevaarlijke kapitalistische uitbuiter (wat de Duitse sociaaldemocraat August Bebel het ’socialisme van de zotten’ noemde). Vandaag zien we op dezelfde manier raakvlakken tussen links en extreemrechts ontstaan. Het gevaar van de islamofobie zit in deze groeiende consensus tussen groepen, klassen en ideologische kampen die voor de rest maar weinig met elkaar te maken hebben.
Ook in het Vlaamse islamdebat wordt dit steeds duidelijker gemaakt door een groep schrijvers zoals van Istendael, Barnard en Van Rooy die geen kans onbenut laten om de islam gelijk te stellen met achterlijkheid, fanatisme of fascisme. Dat uitgerekend iemand als Wim Van Rooy, vrijzinnig humanist en links, in een interview met Benno Barnard in Knack onomwonden stelt dat Filip Dewinter in zijn analyse over de islam gelijk heeft, is een teken aan de wand.

Islamofobie is een groeiend gevaar voor onze democratische idealen. Kritiek op de eigen religie (of de religie die men verlaten heeft) is legitiem en in de meeste gevallen een zeer gezonde bezigheid aangezien het een traditie levendig houdt. Kritiek op andermans religie daarentegen stopt aan de grenzen van het aansporen tot geweld, haat of discriminatie. Daarenboven is het, zoals we in volgende hoofdstukken zullen zien, beter gebaseerd op fatsoen en pedagogie als we tot enige constructieve dialoog willen komen. Het gaat er dus helemaal niet om de islam te verdedigen of ergens van te verschonen, maar wel om het respecteren van de moslims als (gelovige) mensen.
De parallel met de judeofobie is tekenend, en islamofobie lijkt meer en meer een ideologisch delirium te worden. In beide gevallen zien we de neokoloniale vooroordelen van de hogere klassen en het racisme van extreemrechts samensmelten met het socialisme van de zotten, dat er steeds meer voor zorgt dat maatschappelijke problemen en vraagstukken van politieke, economische en sociale aard in een cultureel jasje worden gegoten. De kracht van de islamofobie en haar gevaar, is dan ook dat het de uitdagingen van de globalisering en de internationale financiële crisis verengt tot culturele kwesties.
Sami Zemni (1972) is doctor in de Politieke en Sociale Wetenschappen en medewerker Onderzoeksgroep Midden-Oosten en Noord-Afrika, Universiteit Gent
Dit is een voorpublicatie uit:
Sami Zemni, Het Islamdebat, 2009, EPO, ISBN 978 90 6445 548 3
verschijnt 14 oktober
3 comments oktober 8, 2009
KAREL VAN MIERT ZEI (3):
OVER PARTIJDEMOCRATIE
“Tot op heden werden door onze partij alleen ‘congressen over alles’ gehouden. Voor de middag waren er ellenlange speeches door de voorzitters van de federaties. Om vijf uur moest de zaal ontruimd worden. Daartussen had je dus maar een paar uurtjes in de namiddag om echte onderwerpen te behandelen, versta: ze heel even aan te raken. Behalve op het Ideologisch Congres van 1974 – dat dan ook jarenlang voorbereid was.
Ik wil op twee punten verandering brengen in de bestaande congrescultuur. Bespreking van ontwerp-documenten moet voor iedereen openstaan, ook voor individuele sprekers die punt per punt hun mening geven in niet meer dan twee minuten spreektijd. Voorstellen van individuele leden kunnen bij de congresstukken worden gevoegd. Zo gaat het bij de Nederlandse Partij van de Arbeid. Bij ons zal het veel discipline vergen voor dit ingang vindt.
(…/…)
“Mijn bedoeling is dat ook de minderheidsstandpunten binnen de federaties aan bod kunnen komen. Ja, daarvoor zal er op vele plaatsen eerst meer democratie in de federatie zelf moeten komen. Maar ook al zijn er vier of vijf botsende meningen, ik vind dat het hele congres er op zijn minst kennis van moet kunnen nemen.
(…/…)
Het onderwerp beperken, dat is de enige mogelijkheid. We zullen moeten werken met themacongressen. Bv. een congres over tewerkstelling. Kritiek moet kunnen zonder dat de partij wordt lamgelegd door interne praatcultuur. We moeten ook blijven actie voeren, niet enkel discussiëren. In zulke themacongressen, die gedurende geruime tijd goed worden voorbereid, zie ik een soort middenweg tussen woord en daad.
(…/…)
“Het tendensrecht, om meningen en stromen binnen de partij toe te laten, is gezond en moet gehandhaafd blijven. Maar het mag geen georganiseerde groep worden die systematisch gaat optreden binnen de partij, dan is het een fractie ipv een tendens. Voor mij mogen er meerdere tendensen komen in de partij, na een open discussie. Als een bepaalde tendens het dan wint, moeten we die aanvaarden. Maar niemand mag in een hoekje gaan zitten de zaak saboteren.”
Add comment oktober 13, 2009
TWINTIG JAAR LATER
In de zomer van 1988 reisde ik met de trein van Oost-Berlijn via Warschau, Vilnius en Riga naar Tallinn, en van daar met het vliegtuig naar Moskou. De hervormingen van Michail Gorbatsjov waren in volle gang. Glasnost, openheid, en perestroika, herbouw. Deze vernieuwingen hadden ook de spoorwegen aangedaan. In Riga werd een bioscooprijtuig aan de trein gekoppeld. Daar kon je voor een paar roebel een film uit het Westen zien. Een verrassing. Het was Grüsse aus der Lederhose, een meesterwerk uit het Tiroler softpornorepertoire. Later, veilig in Moskou geland, nam ik een taxi naar de stad. Ergens langs de weg stonden een paar enorme Spaanse ruiters, constructies die met prikkeldraad zijn bespannen en dan als militaire versperringen dienen. Ze waren opmerkelijk groot, van grimmig beton. Ik vroeg de chauffeur waarom die dingen daar stonden. Dit, zei hij plechtig, is een beeld: tot hier zijn de Duitsers toen gekomen. Symbool van de onverbiddelijkheid. Het blijft een van de ontroerendste monumenten die ik ken.
In de laatste jaren van de Koude Oorlog werd steeds duidelijker dat het sovjetrijk ondanks alle pogingen tot reconstructie een verloren imperium was. De bewapeningswedloop ging onverminderd verder, de massa’s van het Oostblok waren aangeraakt door de wensen van het consumentisme, de collectivistische economie kon de toenemende vraag naar alles niet meer aan. Met de dag werd duidelijker dat het Oostblok in zijn geheel een maatschappij in doodsnood was. De belangrijkste vraag was op welke manier het einde zou komen: door een implosie met onvoorziene uitbarstingen van geweld, of langs de lijnen van geleidelijkheid. Hoe kon het Westen een soft landing from the Cold War bevorderen?
Op 12 juni 1987 hield president Ronald Reagan in West-Berlijn bij de Brandenburger Tor een rede waarin hij de gevleugelde woorden sprak: Mister Gorbatsjov, tear down this wall! Ruim twee jaar later was het zo ver. De Muur werd gesloopt, door de Berlijners, nadat in de weken daarvoor het Warschaupact als een oud gebouw in elkaar was gezakt. Nu wil de overlevering dat deze overwinning van de vrijheid met de beroemde woorden van Reagan is begonnen. Ik denk dat het een nuance anders is. Niet zozeer heeft het Westen de Koude Oorlog gewonnen, als wel de Sovjet-Unie de strijd verloren. En aan het staatsmanschap van beide kanten is het te danken dat het een soft landing is geworden, besloten met de opheffing van de Sovjet-Unie in 1991.
Nadat duidelijk was geworden dat de grote tegenstander van veertig jaar Koude Oorlog reddeloos was verslagen, raakte de publieke opinie in het Westen verdeeld. Conservatieve denkers riepen ‘het gelijk van rechts’ uit en wilden het over het algemeen bij die constatering laten; aan de andere kant ontstond een debat over de mogelijke besteding van het peace dividend. De bewapeningswedloop was ten einde, enorme kapitalen konden nu aan constructieve doelen worden besteed. Het is een bewijs van klassiek staatsmanschap: de voormalige tegenstander tot bondgenoot maken. Zo was het na de Tweede Wereldoorlog met Duitsland gebeurd. Lag het niet voor de hand de verslagen Russen economisch te steunen om daardoor mogelijke uitbarstingen van revanchisme te voorkomen?
Dit debat stierf een stille dood. Er waren plotseling dringender zaken aan de orde. Op 2 augustus 1990 begon Saddam Hoessein met de verovering van Koeweit. In september hield de nieuwe Amerikaanse president George Bush senior een rede waarin hij de Nieuwe Wereldorde uitriep, een internationale gemeenschap waarin alle staten elkaars soevereiniteit zouden garanderen. Tegelijkertijd begon hij met het vormen van een coalitie die Saddams verovering ongedaan moest maken. Het werd een bondgenootschap van 29 naties waaronder ook Arabische. Begin 1991 begon de aanval die met de bevrijding van Koeweit en de totale nederlaag van Saddam eindigde. De Iraakse dictator werd daarna met een politiek van containment in bedwang gehouden. De grote internationale vraagstukken leken opgelost, de Nieuwe Wereldorde verdween in de vergetelheid.
In plaats daarvan werd het Westen door de roaring nineties beslopen. Francis Fukuyama kondigde zijn vaak verkeerd begrepen End of History aan; na een korte recessie begon de economische groei; de massa’s van het Westen ontdekten de zich onweerstaanbaar uitbreidende elektronische snelweg; aan het einde van het decennium kondigden geleerden van naam zelfs de Nieuwe Economie aan, het tijdperk van de eeuwige economische groei. En intussen keek het Westen gewapend toe totdat in de Joegoslavische burgeroorlogen meer dan honderdduizend mensen waren vermoord. Dat is in het kort de nasleep van de gewonnen Koude Oorlog in het eerste decennium na de val van de Muur.
Toen barstte eerst de internetzeepbel. Het wereldpubliek werd getrakteerd op de Clinton-Lewinsky-affaire. Op 11 september 2001 is de grote politiek weer begonnen, met twee oorlogen waarmee we ons geen raad weten. Was het anders gegaan als we de Nieuwe Wereldorde van Bush sr. ernstig hadden genomen? Vergeefse vraag. We wilden het niet.
© H.J.A. Hofland / De Groene Amsterdammer
3 comments oktober 17, 2009
IN HET BRONS(T)GROEN EIKENHOUT
door Roger Ulburghs
Het fietsroutenetwerk heeft Limburgs groene patrimonium al een belangrijk maatschappelijk rendement bezorgd, zowel op sociaal als economisch vlak. Een even kwaliteitsvol wandelaanbod kan dat maatschappelijk rendement nog aardig vergroten.
In Limburg een wandelparadijs realiseren is niet eens zo moeilijk: we moeten het namelijk niet meer creëren, we hebben al veel, heel veel: groene gebieden met een enorme verscheidenheid en dat brede aanbod is al instapklaar door netwerkjes van bewegwijzerde paden. In Limburg kan je het hele jaar door terecht, in zomer en winter, met de fiets, te voet en te paard.
Het Wandelparadijs is een mooi project. En toch ben ik er niet helemaal gerust in. Daarover gaan enkele kanttekeningen. In 6 kleine stapjes.
Producent en consument, blijf van de natuur af!
Ik word een beetje ongerust als in marketingtaal een wandelaar of natuurliefhebber ‘een consument van het wandelproduct’ gaat heten, als ik lees over ‘productmarktcombinaties’, waarschijnlijk omdat ik van marketing geen verstand heb. Maar ik begrijp: ons Wandelparadijs moet op de markt gezet worden, verkocht worden. Okay, als het er maar niet toe leidt dat wat we verkopen ook kwijtraken.
Anderzijds ben ik er ook een beetje gerust in àls het Wandelparadijs op dezelfde manier vermarkt wordt als het Fietsparadijs. Het fietsroutenetwerk is namelijk zo ontworpen en gerealiseerd dat de fietser in alle rust en veiligheid kan kennismaken met de attractieve open ruimte, zonder de natuur, het landschap ernstig te beschadigen.
Limburg mag voor mij ‘de meest belevingsvolle wandelregio’ worden als de beleidsmakers en de wandelaars van de groene ruimte, de natuur afblijven.
Gooi nooit een erfstuk weg
Die prachtige landschappen waar wij vandaag zo lyrisch over kunnen doen zijn het resultaat van miljoenen jaren tektonische verschuivingen en erosie, water en wind en andere rauwe natuurkrachten. Wij, verwende rijkaards van de 21ste eeuw, hebben aan de natuur zoals ze voorligt weinig verdienste, het zijn onze verre en nabije voorouders die ze hebben geboetseerd – door te spitten, te plaggen en te ploegen, door te zaaien, te planten en te oogsten. Dank je eeuwenoude vaders en moeders voor dat mooie geschenk.
Zo’n geschenk, zo’n erfstuk gooi je niet zomaar weg, ook niet als het niet meer nuttig is. Miljoenen jaren evolutie en het zwoegen van onze voorvaderen en -moederen verdienen respect, ook van beleidsmakers en marketeers.
Concreet bedoel ik: bescherm of scherm af wat kwetsbaar is, beperk de bouwsels en andere ingrepen tot het echt noodzakelijke, blijf van de natuur af, ze is overigens onze enige troef.
Trends komen en trends gaan, maar Limburg blijft bestaan
Ik werd ook een beetje ongerust toen mij gesuggereerd werd te spreken over de nieuwste trends, over nieuwe producten en technologieën. Dat zal met dat ‘wandelproduct’ te maken hebben.
Ik volg de nieuwe trends, producten en technologieën niet, want ze komen en ze gaan, vaak sneller dan ze gekomen zijn. En ik hoop van de beleidsmakers hetzelfde. Niet dat ze even snel zouden gaan als ze gekomen zijn, maar dat ze wat trendy is trendy laten zijn.
Laat de consumenten maar skeeleren op de fietspaden, laat ze maar nordic walken op de wandelpaden. Dat mag best, maar daarvoor moeten wij de fiets- en wandelpaden niet aanpassen, en zeker geen natuur opofferen, geen brokje.
Is er leven zonder iPod?
Een retorisch vraagje: neemt een wandelaar op zijn tocht zijn laptop mee? Nee, hij trekt juist de natuur in om te bekomen van het stressige computergestuurde leven, hij wil juist afstand nemen van de resem technologieën die zijn dagen domineren.
Op zijn route van Vechmaal naar Heks, rond het Schulensmeer of de Oudsberg heeft hij geen boodschap aan laptops en iPods en mp3’s, hij komt naar Heers, Linkhout en Meeuwen om te genieten van de weidsheid, om boslucht in te ademen, om langs golvende velden, over hoge dijken te stappen, om een zandige heuvel te beklimmen.
Vanwaar komt overigens die dwangidee dat wandelaars zonodig moeten geëntertaind worden? Laat de wandelaar met rust, hij wil er even uit. Ik betwijfel zelfs ten zeerste of je hem en haar pleziert met verhalenfluisteraars en andere gesofisticeerde en dus dure toestelletjes. Misschien en hooguit heeft hij wel wat aan een eenvoudige audiogids, zoals die waarmee je op grote tentoonstellingen langs de schilderijen en beelden loopt. Met – enkel op het gepaste moment – wat uitleg over een oude hoeve, een boeiend kasteel, een bijzondere boom, een tombe, een laaglandbeek… Maar keep it simple. De wandelaar heeft vooral behoefte aan groen, lucht, beweging, rust.
Van kwanti en kwali
‘Consumenten van het wandelproduct’ hebben we in alle leeftijden, gewichten en interesses. Vanuit mijn omzwervingen en contacten heb ik toch het gevoel dat het vooral de natuurliefhebbers en trekkers zijn die Limburg als wandelparadijs op de kaart moeten zetten. Maar of ze jong zijn of belegen, of ze vooral kilometers willen maken, fitnessen of joggen of skeeleren of nordic walken of de hond uitlaten, eigenlijk maakt het allemaal niet uit, als het basisproduct maar in orde is. Het is van de kwaliteit dat Limburg het moet hebben.
Limburg kan onweerstaanbaar verleidelijk zijn met zijn enorme verscheidenheid in natuur. Maar strategisch lijkt het mij het best het aanbod in eerste instantie te beperken tot de sterkste troeven, een selectie van 10 à 20 vijfsterrenwandelingen, routes die de wandelaar een waw-gevoel geven. Liever 10 uitstekende dan meteen 30 of 50 die het gemiddelde niveau naar beneden halen. Want promotioneel geldt: één slechte ervaring weegt even zwaar als zeven goede. Dus liever kwaliteit dan kwantiteit.
Belevingsvol = kwaliteitsvol
De topwandelingen moeten natuurlijk perfect uitgerust zijn, in functie van de wandelaar: een helder overzichtsbord, een duidelijke bewegwijzering, de nodige rustbanken, eventueel een picknicktafel, goed aangeduide, verzorgde parkeerplaatsen. En daarmee is eigenlijk alles gezegd. Dus enkel uitrusting die belangrijk is voor de wandelaar en met respect voor natuur en milieu.
Als promotie gevoerd wordt voor een ‘belevingsvolle’ wandelregio, dan hoop ik dat daarmee niet de hoogstandjes als poorten en torens worden bedoeld, of satellietgestuurde routezoekers. Daar heeft de modale wandelaar mijns inziens weinig boodschap aan. Hij vertoeft graag in een prachtige natuurlijke omgeving, hij zoekt de confrontatie met de stilte, met het planten- en dierenleven, met de kwaliteiten van het gebied zelf. De voorradige miljoenen zijn naar mijn oordeel beter besteed aan een volledige en perfecte uitrusting van de paden en aan handige, heldere wandelkaarten, die eventueel gratis verspreid mogen worden.
Promotie mag verleidelijk zijn, maar moet ook eerlijk blijven. De wandelaar mag en moet precies weten wat hij kan verwachten en wat niet. Bijvoorbeeld geen kilometers tussen tientallen vijvers suggereren en de bezoeker dan ruim de helft van de afstand langs doordeweekse straten leiden.
Mag ik – tot slot – mijn pleidooi als een ware schoolmeester nog eens in één zin samenvatten: zorg niet voor heel veel, zorg voor heel goed. En als het in één woord moet, dan is dat niet kwantiteit, maar kwaliteit.
Roger Ulburghs is Limburger en auteur van een aantal fiets-, wandel- en stadsgidsen
1 comment oktober 21, 2009
OBAMA’S DOBBEREND BUITENLANDBELEID
Where Is U.S. Foreign Policy Headed?
by Amy Chua
“Neoliberalism, which dominated the decade before 9/11, had an exuberantly simple vision. Communism and authoritarianism had failed; therefore markets and free elections were the answer. Free-market democracy, conveniently spread by globalization, would transform the world into a community of productive, peace-loving nations. Instead, the ensuing years saw repeated economic crises outside the West, genocide in Rwanda and the former Yugoslavia, intensifying fundamentalism, virulent anti-Americanism and finally the attacks on the World Trade Center and the Pentagon.”
http://www.nytimes.com/2009/10/25/books/review/Chua-t.html?_r=1&nl=books&emc=booksupdateemb3
Professor Amy Chua van de Rechtsfaculteit van Yale heeft een stroom recente publicaties over het Amerikaanse buitenlandbeleid bestudeerd en naast de Obama-politiek gelgd. Of het gebrek eraan. Haar bevindingen heeft ze opgeschreven in een essay voor de Book Review van The New York Times.
Het neoliberalisme verdween met 9/11, van danaf heerste het neoconservatisme: aggressief, militair interventionistisch, zonder omkijken naar de rest van de wereld. Het liep uit op de catastrofe van Irak. De financiële ineenstorting van 2008 maakte een eind aan de dromen van beide soorten neo’s. Wat zal het volgende momentum zijn?
Sommige Amerikaanse buitenlandkenners laten zich hun ‘optimisme’ niet ontnemen. Volgens Niall Ferguson (‘The Ascent of Money’) zijn de VS als supermacht nog lang niet afgeschreven. Overigens laat de crisis zich meer in het buitenland dan in de States gevoelen. Voor George Friedman (‘The Next 100 Years’) is de Amerikaanse opgang maar pas begonnen, want met haar vloot beheerst de VS ook in de 21ste eeuw zowel de Atlantische als de Stille Oceaan.
Er zijn ook ‘pessimisten’, ze hebben zelfs de overhand. Zo Andrew Bacevich (‘The Limits of Power:The End of American Exceptionalism’). Hij pleit voor militaire bescheidenheid en realisme. De financiële chaos is niet enkel te wijten aan hefboomfondsen en vuile leningen, maar zeker ook aan de ongelooflijke kost van de Iraakse oorlog: 3 miljard dollar, per week. Nu wordt de dodendans geleid door Obama’s team. De president heeft zich omringd met establishment figuren, uiterst conventionele types, die zelfvernietigend bezig zijn in Afghanistan en Irak.
De meeste denkers, zo heeft Chua geconstateerd, willen een terugkeer naar het verleden. Of beter: naar een of ander verleden. Voor de neocon Robert Kagan (‘The Return of History and the End of Dreams’) is de Koude Oorlog terug. Kagan is een fanaat van Bush en een nostalgicus van Reagan.
Bacevich wil, om heel andere redenen, ook een terugkeer naar de Koude Oorlog. Hij redeneert: het marxisme-leninisme heeft uiteindelijk zichzelf de das omgedaan. Dat hadden wij niet beter kunnen doen. Hetzelfde zal gebeuren met de Politieke Islam.
Leslie Gelb (‘Power Rules: How Common Sense Can Rescue American Foreign Policy’), gezaghebbend in kringen van de buitenlandse politiek, vindt dat de afschrikking als politiek wapen onderschat wordt.
Andere waarnemers verwerpen het conflictmodel en huldigen de soft power. Zij willen samenwerken: globaal, multilateraal. Zo Fareed Zakaria (‘Post-American World’) en Strobe Talbott (‘Great Experiment: The Story of Ancient Empires, Modern States and the Quest for a Global Nation’).
Het Obama-kamp predikt, onder meer bij monde van Richard Posner (‘A Failure of Capitalism’) de vernieuwing, zoals Roosevelt deed. Change is New Deal, of in elk geval omgekeerd. Maar wat de belezen waarneemster het meest is opgevallen: de publieke opine huldigt, in tegenstelling tot de boekenschrijvers, in toenemende mate het neo-isolationisme. Anders gezegd: Amerika voor de Amerikanen en de rest moet zichzelf maar zien te redden.
“Nonetheless, if any foreign policy camp best captures mainstream American opinion in 2009, it is probably neo-isolationism: a return to the inwardness of the post-World War I years, when the country refused to join the League of Nations. Even as intellectuals call for cosmopolitanism, more and more Americans are declaring themselves anti-outsourcing, anti-foreign-products, anti-immigration, anti-international-law — and pro-protectionism. According to a February 2009 Gallup poll, nearly half of Americans view foreign trade as a “threat to the economy,” and 65 percent believe the government is spending “too much” on foreign aid.”
Professor Chua vindt het nog zo kwaad niet dat bijna niemand echt aandringt op vernieuwing van de buitenlandpolitiek. Gepokt en gemazeld kan beter zijn dan vooruitstrevend en visionair. Hoewel, het valt moeilijk te geloven – zo besluit zij niet zonder tegenzin – dat Amerika’s vooruitgang zou bestaan in een terugkeer naar het verleden. De export van de Vrijemarkt- Democratie leidt, volgens een boek van haarzelf uit 2003, tot ‘etnic hatred and global instability’.
Iemand een idee? Obama zal u dankbaar zijn. (jc)
SHOPPING:
Amy Chua
http://www.law.yale.edu/faculty/chuacurriculumvitae.htm
Niall Ferguson
http://www.niallferguson.com/site/FERG/Templates/Home.aspx?pageid=1
Robert Kagan
http://www.carnegieendowment.org/experts/index.cfm?fa=expert_view&expert_id=16&prog=zgp&proj=zusr#
Strobe Talbott
http://topics.nytimes.com/topics/reference/timestopics/people/t/strobe_talbott/index.html?inline=nyt-per
Fareed Zakaria
http://www.nytimes.com/2008/05/11/books/review/Joffe-t.html
Andrew Bacevich
http://www.democracynow.org/2008/8/20/the_limits_of_power_andrew_bacevich
Add comment oktober 27, 2009




















































































